De Geschiedenis van Bruinisse

Ontstaan Bruinisse

In 1467 gaf de landsheer, hertog Philips van Bourgondië, toestemming voor het bedijken van de schorren en slikken- gelegen ten oosten van het eiland Duiveland, toen al aangeduid als Bruynisse - Beoostenduvelandt. Het eilandenrijk in de Nederlandse delta kreeg er een nieuwe polder bij. Adriaan van Borsele, heer van Brigdamme en Duiveland, sloot op 24 maart 1467 een overeenkomst met de andere eigenaren van de schorren om het uutgorss beoost Duvelant op het schor, genaamd Bruynisse, tot eender nieuwen coorenlande te bedijken. In aansluiting daarop werd begonnen met de bedijking. Negentien kilometer dijk moest er aangelegd worden, per meter één man! Zware arbeid en slechte kost voor 5 cent per dag, maar ze brachten het tot stand en ongeveer 800 ha. nieuwen coorenlande ontstond. Adriaan van Borsele mocht de voltooiing van zijn nieuwe polder en de aanleg van het dorp niet meer meemaken want hij overleed in 1468. Zijn weduwe, Anna van Bourgondië, die spoedig hertrouwde met weduwnaar Adolf van Cleef, zette zijn werk voort. Zij was het die in de oostelijke hoek van de nieuwe polder een dorp liet aanleggen.

Het dorp kreeg de in die dagen traditionele opzet. Vanaf de dijk liep een voorstraat (nu de Oudestraat waaraan de musea gelegen zijn) uit op de Ring. In het midden daarvan lag het door een gracht omgeven kerkhof, met daarop de kerk. Dit grondplan van het dorp is tot op heden goed te herkennen op de plattegrond van het dorp. De kerk met een spitse toren en een éénbeukig schip, werd gebouwd ter eeren Gods, Sijne gebenedijder moedere de maget Sinte Marie en den heyligen apostel Sinte Jacobus de Mindere, die aldaer een patroon wesen zal.

De ligging van Bruinisse temidden van visrijke wateren en de aanwezigheid van een bequame haven, stelden de bevolking al spoedig in staat de visserij uit te oefenen. Haring, bliek en garnalen werden er gevangen en de vele oester- en mosselbanken leverden tonnen schelpdieren op. Bij eb voer men naar de drooggevallen platen om met ysere ryven de mosselen bijeen te schrapen. Met de visvangst kwam de zoutnering, het darinkdelven van de grond. 'Gelukkig is het land waar men zijn moer verbrandt,’ wil niet anders zeggen dan dat het zelzout werd gewonnen door verbranding van moer of darink, zouthoudende veengrond. Het moeren was evenwel heel erg schadelijk voor de kaden en de dijken wanneer dat vlak daarachter plaats vond. Daarom is het moeren al gauw aan banden gelegd.

Men begon het land te bewerken en verbouwde vlas, gerst en hop, voor kleren, voedsel en vertier. Maar al gauw kwam ook hier de belasting als rustverstoorder.

Met gemeen consent stelde Anna van Bourgondië een accijns op brandewijn en bier vast, 1 stuyver voor 1 tonne bier, om de Oudestraat te bestraten en de kosten van de kerk en de haven te bestrijden.

De eerste inwoners kwamen meest uit de omliggende plaatsen, onder andere uit Oosterland, Nieuwerkerk, Brouwershaven en Stavenisse. Veel zullen het er niet geweest zijn.

De openbare orde in de beginperiode.

Tot de rechten die de ambachtsheerlijkheid Bruinisse verkreeg, behoorde ook het uitoefenen van rechtspraak.

Als men de vele ordonnanties van ambachtsvrouwe Anna van Bourgondië leest, blijkt dat het handhaven van de orde in die eerste tijd nog niet zo'n eenvoudige zaak was. De mensen waren ruw en vochten veel, zoals uit het navolgende is af te leiden. Soe wie in onsen ambochte an yemandts huys slaet, steect of worpt, bij daghe ofte bij nachte, alsoe veel vechters als dair sijn, verbueren 27 schellingen, elcken schelling eene groote. Zij verbood ook het dragen van loode codden [knotsen], haecxbijlen, gespannen stalen boghen enz. Op eerlijkheid werd scherp gelet. Coren of ander greyn mocht men niet verkopen dan met geijckerde maten. So wie kompt in een taverne ende zijn gelach niet en betaelt des anderen daags voor die noene, die rechter zal gaan tot zijnen goeden. De vrouwen werden als volgt beschermd: Soe wie een wijf qualyc hantyert of sleept bij den straten, hij verbuert 5 pont jeghen de heere ende 27 schellingen tegens 't wijf. Vissen zonder vergunning was ook niet toegestaan, evenmin andermans boomgaard betreden.

Strijd tegen Water

'In alle gewesten wordt de stem van het water met zijn eeuwige rampen gevreesd en gehoord' ' zo luidt een strofe uit het bekende gedicht van H. Marsman. Omgeven door het altijd onberekenbare water, had het Polderbestuur steeds zorgen om de dijken voldoende stevig te houden. De stroomaanvallen, de hoge vloeden en de stormen, vereisten grote waakzaamheid. In dat opzicht is er niets nieuws onder de zon. Men was een gewaarschuwd mens. Zo heerste er op 5 november 1530 een zware storm met een zeer hoge vloed in het deltagebied (St Felix Quade Saterdach) en overstroomde vele polders, ook die van Bruinisse.

Het aan de andere kant van het Zijpe gelegen eiland Sint Philipsland overstroomde ook. De stormvloed bracht daar zware schade aan de dijken toe. Dood en verderf onder mens en dier was het gevolg.

Daarna werd dat eiland twee jaar later in de tandemvloed van 2 november 1532 geheel verzwolgen door het water. Daarmee was het voor ruim honderd jaar voorgoed van de kaart verdwenen met resten van dat dorp als baken in zee voor passerende schepen.

Vele nieuwe en grote overstromingen in het Deltagebied volgden, zoals in 1570 de Allerheiligenvloed en de vloeden in 1682, 1825, de stormramp van 1911 en de watersnoodramp van 1953, die bij de ouderen nog zo vers in het geheugen ligt. Bruinisse werd daarbij niet gespaard.

Tot overmaat van ramp werd tijdens de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) SchouwenDuiveland uit strategische overwegingen ook nog eens geïnundeerd.

Het voert in dit verband te ver om in detail op de strijd tegen het water in te gaan. Daarvoor wordt verwezen naar de aan het eind opgesomde literatuur waarin een schat aan informatie ligt opgeslagen.

De overtocht van de Spanjaarden door het Zijpe en de Hervorming.

Op 31 oktober 1517 bracht Luther, als strijder voor Gods eer, zijn 95 stellingen in het Duitse Wittenberg in het openbaar. Hij stelde daarmee een daad, een startsein voor de Hervorming. Zij drong al gauw ook in deze gewesten door. Er werden hagepreken op het eiland gehouden en het gistte in de kerkelijke samenleving. Men verzette zich tegen de dwangmaatregelen van Philips II.

In 1568 was de oorlog met Spanje uitgebroken en men trachtte met kleine galeykens op het Zijpe, Bruinisse en de rest van het eiland tegen een aanval van de Spanjaarden te beschermen. Versterkingen werden aangebracht. Zelfs werd de dijk bij Sirjansland doorgestoken om de Spanjaarden door inundatie het landen te beletten. Maar het gevaar kwam nader. In Tholen lag 3000 man infanterie, bestaande uit Spanjaarden, Duitsers en Walen.

Uit dit voetvolk koos de Spaanse landvoogd Don Luis de Requesens 800 soldaten van bepaalde lengte en nog 200 pioniers en schansgravers om het Zijpe te doorwaden en zo Schouwen en Duiveland - toen nog twee eilanden - te veroveren. Zij werden met schuiten naar het schor van het voormalige Sint Philipland vervoerd, aldaar toegesproken en gezegend.

In de nacht van 28 op 29 September 1575 waadden zij bij eb en in het gelid over de rug van de zandplaat het ondiepe Zijpe door.
Elke soldaat hield het zyd [zwaard, degen] en schietgeweer omhoog en droeg een zakje met twee pond buskruit om de hals en beschuit met kaas voor drie dagen. De Prinselijke vloot kon niet naderbij komen wegens het lage water en daardoor de tocht niet beletten.Desondanks verdronken vele Spanjaarden. De rest kwam aan land.

Na enige dagen waren Schouwen en Duiveland bezet door de Spanjaarden en begon het beleg van Zierikzee dat acht maanden zou duren. Het was het begin van grote ellende voor de beide eilanden, het begin van honger en armoede. De meeste inwoners vluchtten weg voor de plunderende en moordende soldaten, die, ondervoed en onderbetaald, de eilanden afschuimden. Ook de ambachtsheer vluchtte, Bruinisse in een desolate toestand achterlatend. Gelukkig verlieten de Spanjaarden in 1576 voorgoed het eiland en kon het herstel worden ingezet. Ook de Hervorming zette door en in mei 1590 kreeg Bruinisse zijn eerste predikant t.w. Remeeus de Monier.

Omstreeks 1750

Wie de geschiedenis van Bruinisse leest, kan al gauw de indruk krijgen dat het een dorp was dat onafgebroken werd getroffen door oorlogen en rampen. Gelukkig zijn er ook tijden dat het rust kende en een zeer welvarende indruk maakte. Dat dit ook halverwege de 18e eeuw zo was, kunnen we lezen in het geschiedkundige werk 'De Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden, Beschrijving van Zeeland’. Dit werk werd in 1753 uitgegeven bij Tirion in Amsterdam. Daarin wordt het navolgende vermeld. Wij geven het aan u door in de tekst waarin het geschreven werd.

Het dorp Bruinisse is het grootste en treffelijkste Dorp des geheelen Eilands, leggende aan de Noordoostzyde van de Polder tegen het water, weinig minder dan derdehalf Uur van Zierikzee. Het is voorzien van een bekwaame Haven, daar gelaadene Schuiten kunnen af en aanvaaren, van welke een Veer op Battenoord is, hebbende de Haven, wegens hare goede gelegenheid, de overvaart op en van Herking en Battenoord, in 't land van Flakkee, geheel naar zich getrokken. Ook vaart 'er een Marktschuit van op Holland Voorts is 'er mede een Veer op Steenbergen, en nog in Zijpe, onder deze Heerlijkheid, een Veer op Filipsland en St. Annaland Het dorp legt meest langwerpig. Van de Haven loopt een ruime Straat regt uit op de Kerk, ten welken aanzien dit Dorp niet ongelyk is aan dat van Sommelsdyk. Bezuiden de Kerk heeft het ook een lange rechte Straat. De toegang tot dezelve wordt gemaakt door een regten weg, omtrent 150 Roeden lang, en wederzijds met Olmeboomen beplant. Voorts is het Dorp, rondsom het Kerkhof, ook betimmerd en alom wel bestraat.

Honderd en negen huizen worden 'er te Bruinisse geteld, die allen wel onderhouden worden, en onder welken veele aanzienlyk zyn. Onder dezelven zyn ook een Brouwery en twee Bakkeryen, terwijl op de andere Dorpen niet meer, dan op ieder eene Bakkery, gevonden wordt. Buiten dit getal van Huizen zyn 'er drie en twintig Hofsteden te Lande. In 't jaar 1747 zyn 'er honderd een en zeventig weerbaare Mannen, boven de agttien en beneden de zestig jaaren oud, bevonden. Het getal der Ingezetenen, zoo jong als oud van beiderlei geslagt, wordt op zeven honderd gerekend.

De Kerk, omtrent het midden des Dorps staande, is niet alleen ruim en groot, maar ook de regelmaatigste van geheel Duiveland Zy is voorzien van een vierkanten spitsen Tooren, hebbende twee Klokken en een Slaguurwerk, met twee Uurwyzers.

Tot geryf der Ingezetenen en tegens gevaar van Brand, is aan de Noordzyde der Kerk een goede Regenbak. Van binnen heeft de Kerk een Konsistorie en een School.

Voorts zyn in dezelve onderscheidene zitplaatsen voor den Heer Baljuw, Wet, Gezwoorens, Kerkmeesters en Kommies, alsmede een Grafkelder voor de Heer en Vrouwen. Ook is zy versierd met veertien Geslagtswapens der overleedene Heeren en Vrouwen, daar onder twee zyn van de laatstoverleedene Heeren Willem de Jonge en Anthony Nollens, van Marmer, met Beeld en Lofwerk heerlijk opgesierd, tegenover malkanderen in den muur uitmuntende. Voor de Hervorming was de Kerk den Apostel Jakobus toegewyd, en stond ter begeevinge van de Heer De Deken en 't Kapittel van St. Salvator te Utrecht, genoot twee deelen haarer Inkomsten.

De Kerkeraad bestaat 'er uit een Predikant, vier Ouderlingen en twee Diakenen, waar van twee Ouderlingen en een Diaken jaarlyks afgaan. De Vermaaking geschiedt doorgaans op den tweeden Paaschdag, in een Collegium Qualificatum. Ruim tweehonderd Ledematen worden 'er thans geteld. Veertien Predikanten, de tegenswoordige daaronder begreepen, hebben sedert de Hervorming deeze Kerk bediend,- de eerste is geweest eenen Remeeus de Monier. In 'tjaar 1590, op den 10 van Zomermaand, zynde Pinxsterdag, hield men 'er het eerste H. Avondmaal.

Weleer werdt op Bruinisse een jaarlykse Kermis gehouden op St. Jakob, ter oorzaak van gedagte Kerkwyding doch in 't jaar 1690 is dit, op verzoek van den Heer Willem de Jonge van Bruinisse, by Oktrooi van de Staaten van Zeeland, om, gelyk het Oktrooi zegt, zoo veel doenlijk alle overblyfselen van bygeloof te weeren, veranderd, en daartoe bepaald de naaste Week voor de Goesche Markt, in welke Week, van den eenen Zondag tot de anderen niemand te Bruinisse mag worden beslaagen of bekommerd over eenige Geldschulden. Ook moeten 'er des Donderdags in die Week, alle de Paarden der Parochie te Markt komen, op zekere boete.

De voornaamste Handel der Ingezetenen van Bruinisse is de Meeneering, die 'er meer dan elders gedreeven wordt, en door welke, in zoo een klein begrip, twee Meestooven worden gaande gehouden.Voorts onderhouden zy zich met het bouwen van Koornland, hebbende, buiten de Dyken en Gorssen, weinige bekwaame Weiden, die naauwlyks, tot noodig voedzel van Paarden en Beesten, genoegzaam zyn.

Sommigen vinden ook hun bestaan uit het visschen en verkoopen van Oesters, Mosselen en anderen Schulpvisch, waartoe hier doorgaans vijf en twintig, ja dertig Hoog-aarsen en andere Schuiten voor handen zyn.

De Stoofpolder, aan de Oostzyde van Bruinisse tegen Wydaars en 't Zype leggende, en zynen naam ontleenende van de Meestoove van Bruinisse, bij dezelven staande, is in 't jaar 1621 eerstmaals bedykt.
Bruinisse moet vast en zeker ook een proper dorp geweest zijn want men mocht er geen as strooien op straat, niet spuwen, geen vlas roten of hop drogen en geen beesten verweiden langs de Dorpsweg en de Molenweg. Het klinkt allemaal zo vertrouwd alsof het géén drie eeuwen geleden was!


De ambachtsheerlijkheid en het mosseloproer.

In de middeleeuwen en ook wel daarvoor, werd het plaatselijke bestuur gevormd door de ambachtsheren of de ambachtsvrouwen.

Zij hielden hun gebied in leen van de graaf en voerden voor hem het bestuur. De Zeeuwse ambachten waren splitsbaar. Bij overlijden vererfde het ambacht. Het kon ook worden verkocht. Het benoemingsrecht van schepenen, zeven in getal, was in handen van de ambachtsheren. De taak van gerechtsofficier werd al spoedig door de ambachtsheren overgedragen aan de door hen aangestelde schout of, zoals in Bruinisse, de baljuw. Het hoogste gezag in de ambachtsheerlijkheid lag bij de ambachtsheer. Naast de aanstelling van baljuw, schepenen, secretaris en andere functionarissen, kon hij rechtsregels vaststellen. Baljuw en schepenen hielden zich met het bestuur en met de rechtspraak bezig.

Door vererving of verkoop kwam de ambachtsheerlijkheid Bruinisse in handen van andere geslachten. Sinds 1468 hebben vele ambachtsheren of ambachtsvrouwen aan dit ambt invulling gegeven. Teveel om op te noemen. Toch bevinden zich onder hen personen, die door hun verdiensten of door andere bijzonderheden, ons opvallen.

Wij noemden in het voorafgaande al Anna van Bourgondië, bekend door haar vele ordonnanties. Haar nazaten bezaten de ambachtsheerlijkheid tot 1566. Toen moest die verkocht worden wegens grote schulden. Zo ging het ambacht Bruinisse door verkoop over naar de vermogende jonkheer Paulus van Hertsbeke.

Tot 1902 is dit bezit door vererving steeds overgegaan op rechtstreekse familie of zijtakken van dit geslacht. Het hert uit hun familiewapen komt ook voor in het gemeentewapen van Bruinisse. Het hert drinckende uyt de beeck comende van Hirtsbach (Duitsland). De Van Hertsbekes hebben veel goeds voor Bruinisse gedaan. Na het vertrek van de Spanjaarden namen zij het herstel van Bruinisse ter hand. Het was jonker Jan van Hertsbeke die in 1621 de Stoofpolder inpolderde.

De nieuwe windmolen had Bru te danken aan de ambachtsvrouw Elisabeth, zuster en opvolgster van 'Joncker Jan'. Ze liet deze bouwen opdat de ingesetenen binnen hare parochie mochten worden gerieft ende dat de consumtie mochte blijven binnen deze parochie.

Haar opvolger t.w. de beroemde mr. Anthonie de Jonge had voor Bruinisse plannen om Vlaamse vluchtelingen en wederdopers aan te trekken om in het dorp een potterbackerie, een rosmalery, een goede schoenmakerij en weverij te beginnen. Ook de kleine visserij van botjes en plaatjes wilde hij bevorderen.

Uit zijn tijd dateert ook het huis 'De cleene Mossel'. In ieder geval was het dorp en de haven van Bruinisse het principaalste van 't gehele eylant.



Bruinisse groeide en bloeide!

De tijd schreed voort. Het rommelde in Europa, er heerste grote ontevredenheid in Holland en Zeeland. Men wilde meer vrijheid op ieder gebied.

Toen in de jaren 1770 het dorpsbestuur zich ook nog eens ging bemoeien met het vangen, laden en vervoeren van mosselen en de mosselaars daar een bedreiging van hun bestaan in zagen, toen, ja toen was het hek van de dam.

In 1773 trokken twintig mosselaars naar de buitenplaats van ambachtsvrouwe Maria Magdalena Stavenisse, weduwe van Jacob de Witte van Elkerzee, en eisten onder fel protest herroeping van de strenge bepalingen zoals opgenomen in de 'Ordonnantie op de mosselnegotie'. Zij eisten vrijheid van handelen van HUN mosselen. Zij wensten niet om de beurt te moeten leveren en ook nog eens twee stuivers voor de vracht te moeten betalen aan de havenmeester. Dat was te gek.

De ambachtsvrouwe luisterde geduldig maar schoof de zaak door naar de heren Staten van Zeeland. Hierna togen ze nog bozer naar de baljuw in de Oudestraat en eisten op ruwe toon het intrekken van de ordonnantie. De baljuw probeerde de oproerige menigte te kalmeren maar de opdringende menigte eiste aanstonds handelen. De baljuw liet zich door zijn vrouw naar binnen trekken, maar dat had een averechts effect. De woede brak nu pas goed los. Men ging tot vernielingen over en de menigte probeerde bij de baljuw binnen te dringen. De baljuw koos de verstandigste weg, kwam weer naar buiten en beloofde hen, mét de schepenen, die inmiddels uit hun huizen waren gehaald, de ordonnantie te vernietigen.

De maandag daarop vergaderden schout en schepenen en trokken de ordonnantie in waarop de mosselaars eisten dat de ordonnantie ter plaatse zou worden verscheurd. En zo geschiedde. Het einde van het mosseloproer!

Met de komst van de Fransen (1795) brokkelde de invloed van de ambachtsheerlijkheid af. De rechten van de ambachtsheren werden vervallen verklaard. In de steden en de dorpen werden nieuwe bestuurders aangesteld, die van harte de nieuwe orde waren toegedaan.

Staatsregelingen volgden elkaar op en in 1824 en 1825 werden nieuwe reglementen opgesteld voor respectievelijk steden en dorpen. Een belangrijke stap was ook de gelijkberechtiging van stad en platteland.

Allengs werden ook de eigendommen van de ambachtsheerlijkheid Bruinisse verkocht waardoor de invloed van de ambachtsheer op het dorpsgebeuren nog verder ineenschrompelde.

Wijlen ambachtsheer O.F. Weise steunde de viering van het 500-jarig bestaan in 1968 met een gift van fl.2000,-

De Tweede Wereldoorlog 1940 - 1945.

10 mei 1940.... Het begon onheilspellend rustig. Maar midden in de nacht hoorde men een angstwekkend motorgeronk. Honderden vliegtuigen vlogen over Bruinisse. Net als elders. De volgende ochtend wist iedereen het. Duitsland had de aanval op Nederland ingezet.

De vissersvloot werd gevorderd. De capitulatie volgde vijf dagen later. De Duitse soldaten marcheerden ook Bruinisse binnen. Inkwartiering, vordering van auto's, fietsen, paarden enz. volgden. In 1943 werden de torenklokken gevorderd die tijdens het vervoer door sabotage op de bodem van de Zuiderzee belandden. De oudste van de twee klokken, ouder dan de kerk, hangt nu weer in de toren van het (nieuwe) Hervormde kerkgebouw. De jongste klok lijkt voorgoed verdwenen te zijn.

Schouwen-Duiveland was sinds September 1944 in hoge mate van de rest van Nederland, ook van het nog bezette gedeelte, geïsoleerd. Zo was het grootste gedeelte van Zeeland bevrijd, maar Schouwen-Duiveland, met het grootste gedeelte van Nederland, bleef bezet. Ter weerszijden van de Oosterschelde, Keeten, Mastgat en Zijpe kwamen geallieerden en Duitsers tegenover elkaar te liggen, het zogenaamde Oosterschelde front.

Schouwen-Duiveland moest nog zo'n 6 maanden op haar bevrijding wachten.

Bruinisse was door haar ligging aan een samenvloeiing van vaarwateren en door haar havens een punt van strategisch belang voor de oorlogvoerenden. Bunkers werden gebouwd. De oudste molen (aan de Molenweg) en bijna alle huizen op Zijpe werden afgebroken. In het voorjaar van 1944 werd Schouwen-Duiveland geïnundeerd.

Ook Duiveland was één grote watervlakte. De bevolking was nagenoeg geheel geëvacueerd. Bombardementen op de Duitse schepen in de Vluchthaven en de veerboot 'Minister Lely' volgden. Bruinisse en omstreken waren al van meet af aan door de geallieerden beschoten. Het dorp werd sinds 6 november 1944 regelmatig van Sint Philipsland af onder vuur genomen.

Op 5 januari 1945 kreeg ook Bruinisse een vreselijk bombardement van de geallieerden te verduren. Wat nog niet kapot was, werd door de geallieerden nog verder vernield; overigens zinloos omdat de Duitse troepen toen al lang uit het dorp vertrokken waren. Later zou Bruinisse veruit de zwaarst getroffen plaats blijken te zijn.

Toen de bevolking in 1945 terugkeerde, vond men haar geliefde dorp in puin. 158 woningen totaal verwoest, 109 zwaar beschadigd en 184 licht beschadigd. De 16e eeuwse Hervormde kerk, het gebouw van de Gereformeerde Gemeente, de Oud Gereformeerde kerk, de openbare en de bijzondere lagere school waren zwaar beschadigd of vernietigd. Een dorp in een baaierd van puin, modder, bomkraters, vernield huisraad, versplinterd hout en welig opschietend onkruid. Men was ontroerd door dankbaarheid maar ook diep triest gestemd over wat haar allemaal moest overkomen. Van de door de Duitsers gevorderde 28 vissersschepen kwamen er maar 14 terug. De andere schepen moesten worden vervangen.

Een tijd van wederopbouw en herstel volgde. De bevolking ging door een diep dal, ook rouwend over haar dierbare doden, gelukkig weinig in getal. En de mensen van nu betreuren het dat al dat mooie van Bru, al dat historische, dat het ongetwijfeld als vissersplaats had, hen in één klap is ontnomen.


De Watersnoodramp 1953 nader bekeken.

Nog maar nauwelijks was de wederopbouw als gevolg van de Tweede Wereldoorlog afgerond of een nieuwe catastrofe kwam over het dorp: de watersnoodramp 1953. In die gruwelijke nacht van zaterdag op zondag 1 februari 1953 braken bij een noordwestelijke storm de dijken door. Daarbij verloren 1835 mensen, in hoofdzaak in Zeeland, het leven. 150.000 ha land viel aan de zee ten prooi. Wonder boven wonder, was er in Bruinisse maar één dode te betreuren. De materiële schade daarentegen, waaronder de waterschade en later de zoutschade aan de gebouwen, was zeer groot. Nog hetzelfde jaar konden alle gaten in de dijken worden gedicht. De boeren vonden bij terugkeer hun landerijen met zand overspoeld, soms door kreken doorsneden, de teelaarde weggespoeld, de sloten dichtgeslibd, de watergangen onbruikbaar. Het enige antwoord was de herverkaveling, die op ruime schaal werd toegepast. De dreiging vanuit zee vroeg een ander antwoord.

Het dilemma van toen was, dat men stond voor het meer dan duizend kilometer dijk met één of meer meters verhogen. Als alternatief bleef over het afsluiten van enkele zeegaten op zodanige wijze, dat de kustlijn aanzienlijk werd verkort.

Het antwoord daarop werd gegeven bij de vaststelling van de Deltawet die op 8 mei 1958 in het Staatsblad nr. 246 verscheen. Met slechts tien artikelen was het niet meer dan een raamwet. Gekozen was voor het keren van het water door het in hoofdzaak afsluiten van de zeegaten.

In het volgende hoofdstuk is aangegeven waarom daarna een (verhevigde) strijd ontbrandde om de Oosterschelde toch open te houden. Die strijd werd beslist op 7 september 1977. Toen werd besloten als afsluiting van de Oosterschelde te kiezen voor een eb en vloed doorlatende pijlerdam; een dam met kunstwerken die bij hoge waterstanden met schuiven zou kunnen worden gesloten. De datum 7 September 1977 was beslissend voor het (ten dele) behouden van de schelpdierencultures in Zeeland en voor de Bruinisser bedrijven in het bijzonder.

De Visserijcultures

Uit het voorafgaande is wel gebleken dat Bruinisse vanaf haar stichting een belangrijke plaats in de schelpdierencultuur in de Nederlandse gewesten heeft ingenomen, tot ver in deze eeuw. Vast staat dat Yerseke toen nog een ondergeschikte rol speelde in de schelpdierenhandel. Aanvankelijk waren Tholen en vooral Bruinisse de centra van de schelpdierenvisserij. Bruinisse had rond 1750 al zo'n dertig hoogaarsen in gebruik. Nog in 1862 was de mossel- en oestervloot met meer dan 50 schepen vier keer zo groot als die van Yerseke.

De schelpdierencultuur floreerde in de tweede helft van de negentiende eeuw, enerzijds door de grote export van mossels naar Engeland en anderzijds door de monopoliepositie die men in Brussel had. Deze kon men tot 1914 behouden. Zo waren er in 1908 maar liefst 146 schepen. 1914 was het jaar waarin de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Door die oorlog konden geen mosselen meer in Antwerpen worden afgeleverd zodat er weinig anders op zat dan de schepen werkeloos in de haven te laten liggen.

Daarenboven was Bruinisse al ten gevolge van de Stormramp in 1911 het vreselijkst van allemaal getroffen want éénderde van de vissersvloot werd vernield en de mossel-en oesterpercelen hadden zware schade ondervonden. Mede door deze en andere bijzondere omstandigheden ging het al snel bergafwaarts met wat eens het bloeiende hoofdmiddel van bestaan voor Bruinisse was. Allengs deed armoede zijn intrede, ook als gevolg van de economische recessie in de jaren dertig.

Velen vertrokken naar elders, onder andere naar Rotterdam en omgeving om daar in hun levensonderhoud te voorzien. Sommigen van hen zien wij weer terug in Bruinisse om daar hun oude dag te slijten.

Bruinisse had, zoals later zou blijken, na 1918 voorgoed afgedaan als het belangrijkste centrum van de mosselcultuur. De monopoliepositie van Bruinisse zou worden overgenomen door Yerseke. Eén van die oorzaken was de slechte bereikbaarheid van Bruinisse door zijn geïsoleerde ligging op een eiland en de deplorabele toestand van de wegen. Het klaarmaken en verzenden van de mossels vond allengs meer plaats vanuit Yerseke en Tholen.

Bruinisse was haar overheersende rol in de oester- en mosselcultuur kwijt. Het ging als gevolg van de economische crisis met de hele mosselsector niet goed. Dit leidde tot een overheidsingrijpen door het in 1934 vaststeland van het Crisismosselbesluit. Daarbij werd de kweek en het verhandelen van de mossels aan stringente bepalingen gebonden. Daarmee werd bereikt dat een ieder een inkomen hield uit deze sector.

De watersnoodramp van 1953 met daarop gevolgd de Deltawet, zou verstrekkende gevolgen hebben voor de schelpdierencultuur.

De algehele afsluiting van de Zeeuwse stromen zou de doodsteek betekenen voor de gehele cultuur. Velen verkregen dan ook nieuwe kweekpercelen in de Waddenzee erbij. Anderen lieten zich uitkopen en weer anderen, waaronder acht mosselkwekers, lieten zich compenseren met een vergunning voor het vangen van paling op het nieuwe Grevelingenbekken.

Wat niet voorzien was maar toch door de grote inzet van de Zeeuwse visserij en de milieu-activisten gebeurde, was het besluit tot het open houden van de Oosterschelde. Het werd bereikt door het aanbrengen van bijzondere kunstwerken in de Oosterscheldedam. Daardoor konden eb en vloed in een gedempte getijdebeweging worden behouden. Daarmee waren ook de ecologische omstandigheden aanwezig om de schelpdieren-cultuur van de ondergang te redden. Het mosselbedrijf, dat zeer natuurgevoelig is, heeft ondanks alle moeilijkheden die zich daarbij voordeden, nà 1945 in het algemeen goede jaren gehad, al zijn niet alle jaren goede mosseljaren.

Er bestaat bij de buitenstaander wel eens de indruk dat het in het mosselbedrijf altijd kommer en kwel is. De klaagweken, te weten de weken kort voor de aanvang van een nieuw mosselseizoen, zijn daar een bekend verschijnsel van. Het aantal bedrijven en daarmede het aantal schepen van de vloot, is als gevolg van schaalvergroting sterk terug gelopen. Er zijn nu nog 23 mosselbedrijven in Bruinisse. De daarbij behorende vissersvloot omvat 28 mosselschepen, waaronder zeer moderne en van alle geavanceerde navigatie- en vistechnieken voorziene kotters. Deze bedrijven leggen zich nagenoeg geheel toe op het kweken van mossels.

Samenvattend kan gesteld worden dat de toekomst van de mosselvisserij met een gematigd optimisme tegemoet wordt gezien, zij het dat wat door de natuur- en milieu-activisten nog als wenselijk wordt gezien, de visserij als extreem en als bedreigend ervaart.

Verder dient nog vermeld te worden dat Bruinisse ook een palingvissersvloot in de voormalige rijkswerkhaven in het nieuwe Grevelingenmeer heeft waarbij men zich, naast het vissen met fuiken op paling, ook toelegt op het kweken van oesters. Helaas zit de oesterkweek ten gevolge van een hardnekkige ziekte onder de (Zeeuwse platte) oesters, nu in het slop.

En de boer, hij ploegde voort!

De bedrijvigheid in Bruinisse is groot maar het grondgebied is klein, binnendijks ongeveer 800 ha. Daarom vallen landbouw en veeteelt als factor van betekenis, niet zo op.

Ooit is ook het slikken- en schorrengebied waarop het eiland Duiveland werd gevormd, gekarakteriseerd als 'dit land van de neev'len en in diep geheim gehuld'. In dat tijdperk was er in ieder geval op de drooggevallen gronden in de zomerperiode al sprake van schorren waarop schapen werden geweid. Ze worden in 976 al als zodanig vermeld. Daarbij moet men niet de gedachte hebben dat, wat vandaag land was, dat morgen ook nog was.

De eb- en vloedwerking en het steeds wisselende verloop van de diverse stromen, geulen en geultjes maakten dat in dat gebied weinig voor lange tijd als voor vaststaand kon worden aangenomen. Er waren in dat gebied wel vlied- of stelbergen te zien waarop mens en dier een toevlucht konden zoeken.

Na de bedijking verbouwde men binnendijks, zoals de geschiedschrijver vermeldt, vlas, gierst en hop., Er waren zelfs boomgaarden en gedurende vele eeuwen is de meekrap het meest winstgevende produkt van de Zeeuwse boer geweest. Bruinisse telde maar liefst twee meestoven, een situatie die in geen enkel ander dorp voorkwam. De oudste van de twee wordt reeds in 1621 vermeld.

Het telen van de meekrapplant en het winnen en verwerken van zijn wortel als grondstof voor een roodbruine verfstof was een zeer arbeidsintensieve bezigheid. De oudste schriftelijke bewijzen voor het telen van de meekrap in Zeeland dateren al uit de veertiende eeuw. De winstgevendheid leidde soms tot speculatie die vele luyden rijcke ofte bijster (= arm) ghemaeckt heeft. Zeeland had een monopoliepositie op de Europese markt en de stad Zierikzee was in Europa het grootste handelscentrum op dit gebied. In 1868 werd ontdekt dat het vervend bestanddeel uit de meekrapwortel ook bereid kon worden uit koolteer. Dit betekende de ondergang van deze ook voor de Bruinisser gemeenschap zo belangrijke cultuur.

In de Bruinisser oudheidkamer is een afdeling ingericht waarin het meekrapprodukt en het daarbij gebruikte gereedschap aanschouwelijk liggen uitgestald. Ook is aldaar literatuur over de meekrapcultuur verkrijgbaar.

En de boer? Hij moest op zoek naar nieuwe produkten. De verbouw van suikerbieten kwam in deze periode sterk in opmars.
De komst van de kunstmest, de mechanisatie en de crisistijd van vlak voor de Tweede Wereldoorlog waren zaken die niet ongemerkt aan de boerenstand voorbij gingen. De mechanisatie had tot gevolg dat menselijke arbeidskracht steeds meer overbodig werd. Sommige produkten zoals vlas, verdwenen uit het bouwplan en andere kwamen er voor terug.

Oorlogsinundatie, de Ramp, de herverkaveling en de recreatie zorgden voor aparte hoofdstukken in de geschiedenis van de landbouw. Helaas is de welvaart in de landbouw al jaren aan het afnemen en neemt het een verontrustende vorm aan, niet in het minst onder invloed van de gevolgen van het volledig opengooien van de Europese markt.



De Bedrijfsnijverheid

Schaapherders, vissers, darinkdelvers, zoutzieders, kuipers, mosselaars, scheepsbouwers, smeden, timmerlieden, metselaars, dijkwerkers, landarbeiders, fabriekarbeiders, molenaars, brouwers, herbergiers, hoveniers, barbiers, bakkers, beenhouwers, wevers, beurtschippers, zij kleurden in de loop der eeuwen het beeld van Bruinisse in, tesamen met zovele anderen. Zij ook gaven hun kennis door. Ze worden niet meer gekend.

Toch wordt de nijverheid die zij inbrachten, heden ten dage nog teruggevonden. Daarbij wordt niet alleen gedacht aan de mosselcultures. In dit verband mogen worden genoemd de reeds in 1888 als scheepstimmerwerf gestichte scheepswerf Van Duivendijk en de tot complete scheepsbouw- en machinefabrieken uitgegroeide bedrijfsactiviteiten van de firma's Maaskant en Padmos wier viskotters internationale faam genieten.

Het droge, in het begin van de jaren zestig gestichte industrieterrein aan de Dorpsweg telt diverse bedrijven, grote en kleine, waaronder een betonfabriek, een carrosseriefabriek, een leerfabriek, een groot botenbergingsbedrijf en een commissionairsbedrijf in landbouwprodukten. Daaraan kunnen nog diverse bedrijven aan de waterkant worden toegevoegd die een belangrijke inbreng leveren aan de plaatselijk nijverheid zoals jachtwerf Van Duivendijk en de botenbedrijven in de jachthaven Aquadelta in het Grevelingenbekken.

De plaatselijke middenstand heeft hierbij haar eigen weg gezocht. Veel kleine winkelbedrijven konden de strijd tegen de schaalvergroting niet meer aan en verdwenen met stille trom van het toneel. Hun plaatsen werden maar ten dele opgevuld.

Een nieuwe basis voor Bruinisse

Aanvankelijk was men algemeen van gedachte dat de uitvoering van de Deltawerken als uitvloeisel van de watersnoodramp in 1953, definitief de ondergang zou betekenen van de schelpdierencultuur in de Zeeuwse wateren. Voor Bruinisse met een economisch leven, nagenoeg geheel afgestemd op de mosselcultures, een regelrechte ramp. Daarom streefde het gemeentebestuur naar het verkrijgen van compenserende voorzieningen.

Het gemeentebestuur liet niets na om het naderende gevaar te keren. Werkgroepen en commissies werden ingesteld en het ene na het andere rapport verscheen. Eén van de bekendste daarvan is het door het toenmalige Economisch Technologisch Instituut voor Zeeland uitgebrachte rapport(je) 'Een nieuwe basis voor Bruinisse'. waarin kernachtig het probleem aan de orde werd gesteld en waarin de eerste voorzetten werden gegeven voor het daarop geven van een passend antwoord. Daarbij dacht men aan vier mogelijkheden als tegenkracht te weten 1. Industrialisatie, 2. Toeristische voorzieningen, 3. Tuinbouwontwikkeling en 4. Verbetering van het woonklimaat.

Achterom kijkend kan worden gesteld dat de toeristische voorzieningen in de vorm van recreatieve vestigingen volledig van de grond zijn gekomen. Daarvoor behoeft slechts te worden verwezen naar de jachthavens en het binnendijkse recreatiegebied Aquadelta met daaraan grenzend een golfbaanvoorziening van allure. Ook is er reden tevreden te zijn met de bedrijfsvestigingen die er zijn. In dit verband wordt onder andere verwezen naar de bestaande bedrijvigheid van de scheepsbouwbedrijven, ook in de recreatieve sector.

Veelbelovend is de onderhanden zijnde uitbreiding van het bedrijfsterrein aan de Dorpsweg. De aspiraties met betrekking tot het van de grond komen van tuinbouwvestigingen zijn tot dusverre nauwelijks bewaarheid geworden.

Ook is het woonklimaat in de afgelopen 40 jaar aanmerkelijk verbeterd en uitgebreid. In dit verband kan worden gewezen op een reeks van kleine uitbreidingsplannen die als een schil aansluiten op het oude dorpskern en nog is er niet het einde; immers met grote voortvarenheid wordt daaraan verder gewerkt in het nieuwe Riekusweelgebied. De oude dorpskern kreeg door de vele kleine saneringen en het in uitvoering nemen van een dorpsvernieuwingsplan, een nieuw en vriendelijker gezicht.

De vernieuwing en uitbreiding van de sociale woningbouw nam eveneens een grote vlucht waaronder de stichting van het verzorgingstehuis In 't Opper met woonzorgwoningen, eigentijdse ouderengeschikte woningen enz.

Een nieuw gemeentehuis, nieuwe schoolgebouwen, nieuwe sportaccommodaties, daarbij niet te vergeten de renovatie van het oude woningbestand. Er mag dan ook worden gesteld dat Bruinisse mede haar taakstelling om het woonklimaat te verbeteren, heeft gehaald. De bevolking nam in 40 jaar tijd met ruim duizend inwoners ofwel met ongeveer 47% toe tot 3279 inwoners. En nog is het gemeentebestuur niet tevreden want onlangs besloot de gemeenteraad te komen tot het vaststellen van een dorpsplan. Doel: na te gaan wat er in de toekomst nog gedaan moet worden om het woon- en leefklimaat op een nog hoger peil te brengen.

'De weg voor ons, zoals de toenmalige burgemeester Van de Linde, dat in 1968 als naschrift in het boekje 'Bruinisse, met vlag en wimpel 1468/1968' van mevr. J. C. Reitsma- d’Ancona, neerschreef, wordt vervolgd.

Opnieuw mag Bruinisse zich een welvarende en bedrijvige gemeenschap noemen die, wat haar betreft, de toekomst vol vertrouwen tegemoet durft te zien. Een gemeenschap waarop het bekende gezegde met recht van toepassing is, dat een volk dat leeft, aan zijn toekomst bouwt.

Het laat zich begrijpen dat in zo'n situatie als hiervoor omschreven, de dreigende samenvoeging van de gemeenten op Schouwen-Duiveland tot één gemeente hier niet onbesproken kan blijven. Er is overigens ook in dit opzicht niets nieuws onder de zon zoals uit het vervolg mag blijken.

Het grondgebied van Bruinisse strekte vroeger heel ver uit in de richting van wat later Sint Philipsland werd en wel tot Bruintjeskreek.

Mede door de verdieping van het Zijpe en de in 1847 ingedijkte Anna Jacobapolder leidde dit voor Bruinisse tot een grote grenscorrectie. De Anna Jacobapolder ging met o.a. zijn Bruinisser stelberg over naar de burgerlijke gemeente Sint Philipsland; daarentegen werd bij de grenswijziging ingaande I januari 1986 als gevolg van de aangelegde Deltawerken wo. de Grevelingendam en de Philipsdam, watergebied van onder andere Sint Philipsland bij dat van Bruinisse gevoegd. De gemeentegrensborden op de Philipsdam getuigen daarvan. De oppervlakte van de gemeente werd vergroot van 1160 ha tot 1720 ha.

Het ging hier met name om een wijziging van de beweeglijke grenzen van de provincies Zuid-Holland, Zeeland en Brabant in vaste grenzen. Tot dan toe verliepen onder andere de grenzen in de Grevelingen en het Zijpe langs de laagwaterlijn of langs de tonnen die het vaarwater markeren. Dit bracht automatisch de wijziging van de grenzen van de aanliggende gemeenten, waaronder Bruinisse met zich mee.

Een samenvoeging van gemeenten in deze regio onder de werking van de gemeentewet (van 1851), kwam officieel eerst in 1920 ter sprake toen Gedeputeerde Staten van Zeeland de gemeentebesturen benaderden met een circulaire aan samenvoeging te denken, zulks in verband met de vele terreinen waarop de taak van de gemeenten was veranderd. Om de gemeenten meer dan tot dusver in staat te stellen aan de tegenwoordige eischen het hoofd te bieden, schijnt samenvoeging van gemeenten van geringe omvang en van weinig innerlijke kracht tot grotere het meest aanbevelingswaardige middel, aldus Gedeputeerde Staten. Bruinisse bleef daarbij buiten schot omdat het toen met 2700, inwoners als op één na grootste gemeente op het eiland, groot genoeg werd bevonden. Voor de overige gemeenten liepen de herindelingsplannen op niets uit.

In 1941 ondernam de toen fungerende Commissaris der Provincie een nieuwe poging waarbij, zoals uit de rapportage van de commissie van deskundigen bleek, men Bruinisse afzonderlijk wilde houden wegens het zeer speciale karakter der bevolking. Uiteraard werd na de bevrijding in 1945 dit rapport terzijde geschoven.
Het wordt eentonig, in 1948 werd de zaak van de herindeling opnieuw (en wederom) door Gedeputeerde Staten ter hand genomen De Herindelingscommissie vond ook toen dat Bruinisse, met toen nog maar 2150 inwoners meer, buiten de herindeling behoorde te blijven. Tot besluitvorming kwam het niet en de watersnoodramp van I februari 1953 deed de plannen in een bureaulade verdwijnen.

In 1954 werd de draad opnieuw opgenomen hetgeen uiteindelijk leidde tot de herindeling van 1961 waarbij Bruinisse wederom buiten schot bleef. Door die herindeling werd zij van de op één na grootste gemeente, de op één na kleinste gemeente op Schouwen-Duiveland.

Bruinisse handhaafde zich wederom, naar verluid mede dank zij de voorspraak van de toenmalige commissaris der Koningin, jhr. mr. A. F. C. de Casembroot. Daarbij wees minister van Binnenlandse Zaken, mr. Toxopeus, op vragen uit de Tweede Kamer, op het eigen karakter en de grootte van de gemeente Bruinisse.

Vrij snel na die herindeling kwam men tot de conclusie dat er op SchouwenDuiveland gemeenten waren gevormd met een te geringe omvang. Minister mr. H. K. J. Beernink, verklaarde dat naar zijn mening een minimum-aantal van 5000 inwoners gewenst was. Dat heeft er na een zeer lang slepende periode, uiteindelijk toe geleid dat er wederom herindelingsvoorstellen op tafel liggen; voorstellen waartegen in Bruinisse grote weerstand bestaat omdat ze van de veronderstelling uitgaan dat het Bruinisse aan bestuurlijke daadkracht zou ontbreken.

Voorstellen ook, die de rechtgeaarde Bruenaar tegen de haren instrijken omdat het doorgaan van de plannen hem afhankelijk maakt van een voor hem ongrijpbaar bestuur, hij niet meer met ziin problemen bij zijn 'eigen mensen' terecht kan en hem ook in zijn eigen identiteit aantast, hem ook het gevoel geven dat, met wat hij denkt, geen rekening wordt gehouden.

Intussen wordt naarstig gepoogd om de ergste pijn van de dreigende samenvoeging te verzachten door samen te gaan met de buurgemeente Duiveland. Historisch gezien lijkt dit een logische gedachte indien men bedenkt dat de beide gemeenten samen ooit de zelfstandige eilandgemeenschap Duiveland vormden. Hoe het met de samenvoeging zal aflopen? De tijd zal het leren!

N.B. De tijd heeft het geleerd. Met ingang van 1 januari 1997 zijn de 6 gemeenten op Schouwen-Duiveland samengevoegd tot één nieuwe gemeente Schouwen-Duiveland. In de loop der eeuwen gevormde bestuurlijke structuren werden in één klap vernietigd. Het nieuwe gemeentebestuur worstelt thans op de puinhopen daarvan om uiteindelijk als phoenix uit de as te ontstijgen.

Het eigen karakter.

Bru, kort en krachtig, naar de letteraanduiding op het voorschip van de mosselkotters. De mosselschepen beheersen de haven, de mosselvissers beheersen het dorp. Zij brengen er de heel aparte sfeer, de vrijheid; de humor en de hartelijkheid. De schippers leren varen niet in de stilte der zee, maar in de volle baren, heeft Jacob Cats eens gezegd. Misschien dat dàt hen een exacte levenskijk heeft gegeven, hun behoudendheid en hun orthodoxe kerkelijkheid.

Ze vormen een hechte band onder elkaar. Men noemde het vroeger en ook nu nog wel de republiek Bru, niet omdat men niet koningsgezind zou zijn maar om aan te duiden dat men zeer op zijn vrijheid is gesteld en nog wel bereid is zich inschikkelijk te gedragen zolang de banden niet al te knellend worden aangelegd. Tevergeefs zal een kroon gezocht worden in het gemeentewapen van Bru. In Bruinisse wordt het leven nog aan de voet van de samenleving beleefd.

'Me komme van Bru en me wete van niks'. hoort men vaak zeggen en ze bedoelen er eigenlijk mee: we zijn hier heel tevreden, waarover moeten we ons druk maken? Er straalt ook een blijheid, een spontaniteit uit die we met name duidelijk terugvinden in de koren van Bru en in het bijzonder in het Visserskoor. Een sfeer zoals beschreven in het boek 'Bruinisse in de loop der eeuwen, 1467 - 1968' samengesteld door onze geschiedschrijver S. A. Jumelet, ook wel genoemd de meest markante Bruënaar van deze eeuw; een sfeer tot veelal aanstekelijke verbazing van de omstanders, de vreemdelingen in Jeruzalem.

Verbazing ook, veroorzaakt door de gebeurtenissen die plaatsvonden, door zaken die gerealiseerd werden, door de beslissingen die genomen werden en door de activiteiten die door de bevolking werden ondernomen; dat alles ingebed in de Bruse taele, de mooiste van allemaele, als variant op hetzelfde gezegde voor de Zeeuwse taal.

Het Bruse dialect wijkt af van dat van overig SchouwenDuiveland. Zo stelde dr.A. de Vin in zijn in 1952 verschenen proefschrift 'Het dialect van Schouwen-Duiveland' dat het Bruse dialect een 'ouderwetse' indruk maakte. Hij zocht de oorzaak in de visserij omdat Bru voor een belangrijk deel bestaan heeft uit vissers en schippers; een toonbeeld van ouderwetsheid in taal die men ook in Westkapelle aantrof.

Het valt op dat sommige oud-Bruenaren, die hun geboortedorp wederom opzoeken om daar bijvoorbeeld hun levensavond door te brengen, het dialect spreken van toen zij vertrokken; een dialect dat in de tijd heeft stilgestaan en daarom niet meer geheel aansluit op dat van heden.

Het valt ook op dat de wijze van praten en het gebruik van woorden, zinsgedeelten en van uitdrukkingen daarbij veel verwantschap vertonen met de taal en de stijl van de Bijbel. We geven één uitdrukking als voorbeeld. Als men bedoelt van schepen te zeggen dat ze een heel veilige en geborgen ligplaats hebben: 'Ze liggen er als in Abrahams schoot'. In Bru wordt de tale Kanaäns nog gehoord, zelfs in de vele betekenissen van het woord. Jammer dat ook in Bru het gebruik van het dialect vergrijst!

Bru is altijd heel sterk op zichzelf aangewezen geweest, in een geschiedenis waarin blijdschap, euforie en rijkdom vaak hand in hand gingen met droefenis, verslagenheid en armoede. Niet altijd heeft men zich even rechtvaardig behandeld en begrepen gevoeld door de Rijksoverheid en met name de vissers hebben zich in een niet aflatende strijd moeten verweren om staande te blijven en dat moeten ze nog steeds. Dat is ook de oorzaak waarom de Bruenaar de Rijksoverheid met haar ambtelijke organisaties in veel gevallen bij voorbaat met een zeker wantrouwen tegemoet treedt.

Het karakter van Bru bleef grotendeels bewaard. Toch zet de verandering onder invloed van het forensisme zich door. Niettemin is en blijft Bruinisse een aantrekkelijke woon- en leefgemeenschap. Kenmerkend is het bloeiende verenigingsleven. Het is ook rijk bedeeld aan sportaccommodaties. De nieuwe ontwikkelingen van de laatste tientallen jaren hebben de onderlinge verbondenheid niet al teveel geweld aangedaan.

Tekst: B. De Groot Bruinisse een dorp apart, al 525 jaar lang.

Geraadpleegde Literatuur.


L. W. de Bree, Zeeland 1940 - 1945, deel 1, Middelburg, 1979.
J. Buijse, De stormramp van 1911, Goes, (1911).
Ha. C. M. Ghijssen, Woordenboek der Zeeuwse dialecten, Domburg, 1991.
Gijs van der Ham, Zeeland 1940 - 1945, deel 2, Amsterdam, 1989.
J. A. de Jonge, Het Zeeuwse goud, z.pl., z.jr.
S. A. Jumelet, Bruinisse in de loop der eeuwen, 1467 - 1968, Bruinisse, 1968.
J. C. Reitsma-d'Ancona, Bruinisse met vlag en wimpel 1468/1968, Bruinisse, 1968
Kees Slager en Paul de Schipper, Vissersverhalen over hun leven in de Delta, z.pl., zjr.
Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden, beschrijving van Zeeland,Amsterdam, 1953.
H. Uil en G. C. Groenleer, De gemeente van huis uit, een historische tocht langs de gemeentehuizen van Schouwen-Duiveland en Sint Philipsiand, Zierikzee, 1989.
H. Uil m.mv. J. A. Klompe, Sint Philipsiand, eiland in de Zeeuwse Delta, 1487 - 1987, Sint Philipsland, 1989.
A. de Vin, Het dialect van Schouwen-Duiveland, Assen, 1952.
P. D. de Vos, Uit Schouwen-Duivelands verleden, 2e deel van de Zandloperreeks, Zierikzee, 1947.
E. Wiersum, Samenvattingen van het archief van de Ambachtsheerlijkheid Bruinisse, z.pl., 1903.
M. H. Wilderom, Tussen afsluitdammen en deltadijken, deel 2, Vlissingen, 1964