Bescherming

Op de gebieden die door de zee hoog op waren geslibd vestigde zich later de mens, omdat deze gebieden nu alleen nog maar bij hele hoge vloeden onder water zouden lopen. Om zichzelf en het land te beschermen bouwde men aanvankelijk terpen en zeer eenvoudige dijken. Er zijn jaren geweest dat de zee in een keer terugnam, wat de zee en de mens in honderden jaren hadden opgebouwd. Dit gebeurde dan bij zware stormvloeden zoals onder meer in 1014 en 1134. 

Een van de meest ingrijpende stormvloeden was de St. Felixvloed in 1530, met als gevolg dat de stad Reimerswaal met het omliggende land verloren ging. Dit gebied dat ten oosten van Yerseke ligt, staat nu bekend als "Het verdronken land van Zuid-Beveland". De zee spoelde alle klei, die ze daar in vele jaren had neergelegd, weer weg. De harde veenbodem bood weerstand en bleef.
In een gebied als het deltagebied, zo rijk aan wild en vis, legden de oorspronkelijke bewoners zich toe op de jacht en de visserij. Op hun menu stonden ook mosselen. Men ontdekte al gauw, dat je mosselen die je ver van huis had opgevist, dichtbij huis weer overboord kon zetten om ze later weer op te vissen. Zo kon je de mossselen dicht bij huis bewaren tot je ze weer nodig had. Intussen groeiden ze nog en werden ze heel goed van smaak. Aanvankelijk werd er alleen gevist voor eigen gebruik.


Koninklijk Besluit

In 1825 werd bij Koninklijk Besluit het beheer der visserij opgedragen aan het Bestuur der Visserijen op de Schelde en de Zeeuwse stromen. Dit bestuur bepaalde de periode van het jaar dat er gevist mocht worden. Er werden regels opgesteld ten aanzien van de grootte van de aangevoerde mosselen en de vismethoden.

Het bestuur hield zich ook bezig met de aanleg van nieuwe banken. De percelen werden door loting aan de vissers toegewezen. Pacht werd er niet voor betaald. In 1870 begon men met het verpachten van oester- en mosselpercelen. Ondanks de moeilijkheden die de hoge pachtprijzen met zich meebrachten, heeft deze stap tezamen met een aantal andere maatregelen, geleid tot een verzekerd bestaan van de oester- en mosselvisserij.

Maar het blijft werken met de natuur en in 1951 sloeg het noodlot toe en verdween de mossel (door een mosselziekte) uit Zeeland, waarna de Zeeuwse mosselvissers uitweken naar de Waddenzee. De vloot werd door dit rampjaar bijna gehalveerd, maar gelukkig keerde de mossel een jaar later weer terug. Vanaf dit moment worden dus zowel de Waddenzee als de Zeeuwse wateren voor de mosselvisserij gebruikt.

Samenspel van zon en wind.

Door een samenspel van branding, zon, wind en het door de rivieren aangevoerde zand, vormden zich duizenden jaren geleden strandwallen. De strandwallen lagen ongeveer evenwijdig aan de huidige kustlijn. Hierachter ontstond een lagune (randmeer), dat door de grote rivieren gevuld werd met zoet water.

Daar begon zich veen te vormen. Doordat de zeespiegel sommige perioden snel steeg werden er gaten in de strandwallen geslagen. Stukken veen sloegen weg, andere werden met een laag zand en klei bedekt en samengeperst.

Verliep gedurende een aantal eeuwen de stijging van de zeespiegel weer langzamer, dan konden de strandwallen zich herstellen en begon de vorming van veen opnieuw. Zo veranderde het deltagebied voortdurende. De zee gaf en nam, steeds weer opnieuw. Op het kaartje hiernaast is zeeland te zien rond 1700.


Mosselaars

Spoedig kwamen er echter 'mosselaars', die de mosselen gingen vissen voor de handel. In zeeland waren het o.a. de plaatsen Bruinisse, Tholen, Philippine, Yerseke en Zierikzee, waar men het mosselbedrijf ging uitoefenen. Philippine is lang het centrum van de mosselhandel geweest. In de loop van deze eeuw is deze functie door Yerseke overgenomen.

Tot 1825 was de visserij op mosselen vrij. De bewoners van de gebieden rond de Zeeuwse wateren beoefenden de visserij op vrije banken. Niemand had dus eigen stukken grond (percelen), waar hij mosselen kon kweken of bewaren. Hierdoor ontstond dikwijls onenigheid tussen de vissers, vooral met vissers van buiten deze gebieden. Ook was er sprake van overbevissing.