Zoon van God - Vleesgeworden woord

Toen Mozes op verzoek van God de Woorden van God optekende en het verslag bracht van het begin van ons heelal, schreef Mozes dat elke keer dat God sprak Zijn Woord in vervulling kwam. Telkenmale zag God dat iets goeds was nadat het tot stand was gekomen door Zijn spreken en doordat Zijn werkzame kracht Zich daarover bewoog.

 “1 In het begin schiep God hemel en aarde. 2  Maar de aarde was nog ongeordend en leeg, over de wereldzee heerste duisternis, en Gods Geest zweefde over de wateren. 3  God sprak: Daar zij licht. En er was licht.” (Ge 1:1-3)
 “het licht noemde Hij dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Zo werd het avond en morgen: de eerste dag.” (Ge 1:5)

Door het spreken van God, kwam de uiting van zijn Woord, en kwam datgene dat God verlangde tot stand. Zo werd het universum met de wereld zijn land, zeeën, dieren en planten alsook de mens geschapen.

 “God sprak: Laat de aarde levende wezens voortbrengen van allerlei soort; tamme dieren, kruipende dieren en beesten in het wild, elk naar zijn soort. Zo geschiedde.” (Ge 1:24)

 “26   God sprak: Laat ons de mens maken als ons beeld, op ons gelijkend; dat hij heerst over de vissen van de zee, de vogels in de lucht, de viervoetige dieren, en over heel de aarde met alles, wat er op kruipt. 27  En God schiep de mens naar zijn beeld. Als het beeld van God schiep Hij hem; Man en vrouw schiep Hij hen.” (Ge 1:26-27)

Door Zijn Woord kwam de rode aarde tot stand waaruit God de eerste mens, de eerste Adam, van maakte en Hem met Zijn Adem het leven in blies.

 “Toen vormde Jehovah God de mens uit kleiaarde, en blies levensadem in zijn neus; zo werd de mens een levend wezen.” (Ge 2:7)

Die mens paste in het Plan van God, waarbij Jehovah God voorzag dat de planeet gevuld zou zijn met planten, dieren en mensen die samen in eenheid zouden leven.

Snel kwam er echter een klink in de kabel, doordat de eerste mens ging twijfelen aan Gods eerlijkheid en recht van Zijn machtspositie. Dat verzet tegen zijn Goddelijke Maker, de Veroorzaker van alles, maakte dat God een straf moest uitspreken over de mens waarbij lijden en dood over hen kwam.
In Gods Plan was er echter geen einde voor de mens voorzien. Uit liefde voor de mens voorzag God dan een mogelijkheid om uit die vloek der dood te ontsnappen.
God sprak tot de mens en vertelde hen dat omdat zij niet geluisterd hadden naar Hem nu veroordeeld zouden zijn tot het lijden van pijn en het aanschouwen van het aftakelen en sterven. Maar dat ook al werden zij verleid en zou hun verzet tegen God ook nog verdere tegenstanders van God teweeg brengen, beloofde God dat er iemand zou komen die de keten van verzet tegen God en boeien van de dood zou verbreken.

 “14  Toen sprak Jehovah God tot de slang:
Omdat ge dit gedaan hebt, zijt ge vervloekt Onder alle tamme en wilde dieren; Op uw buik zult ge kruipen, Stof vreten uw leven lang. 15  Ik zal vijandschap wekken tussen u en de vrouw, Tussen uw kroost en haar kroost; Dit zal u de kop verpletteren, Maar gij zult loeren naar zijn hiel.
16  En tot de vrouw sprak Hij:
De lasten van uw zwangerschap zal Ik verzwaren, In smarten zult ge kinderen baren; Toch zult ge naar uw man verlangen, En hij zal over u heersen.
17  En Hij sprak tot de mens:
Omdat ge naar uw vrouw hebt geluisterd, En van de boom hebt gegeten, waarvan Ik u verbood te eten; Is om u de aardbodem vervloekt, Alleen door levenslang zwoegen zult ge er van eten. 18  Distels en doornen zal hij u voortbrengen, Ofschoon gij u met veldgewas moet voeden; 19  In het zweet van uw aanschijn zult gij uw brood eten, Totdat ge terugkeert tot de grond, waaruit ge genomen zijt. Want ge zijt stof, En tot stof keert ge terug!” (Ge 3:14-19)

Daar in de Tuin van Eden, vroeg in het bestaan van de mens, werd er door God een belofte gedaan, een eerste belofte van heil. Zijn Woord verkondigde dat er iemand die vloek zou verbreken. Tussen het zaad van de mens en het zaad van koning David via een bepaalde vrouw (Maria/Miriam) zou iemand op staan om te bewijzen dat het voor de mens toch mogelijk is naar de Wil van God te leven.
Eeuwen later liet God zijn Woord tot die jonge vrouw komen en liet een afgezant (een engel) haar vertellen dat zij een kind zou baren.

 “30  De engel zei tegen haar:
Vrees niet, Maria, want gij hebt genade gevonden bij God. 31  Zie, gij zult in uw schoot ontvangen, en een Zoon baren; en gij zult Hem Jeshua (Jezus) noemen.
32  Hij zal groot zijn, en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd. Jehovah God de Heer zal hem de troon van zijn vader David geven; hij zal koning zijn over het huis van Jakob in eeuwigheid, 33  en aan zijn koningschap zal geen einde komen.
34  Maria sprak tot de engel:
Hoe kan dit geschieden, daar ik geen man beken?
35  De engel antwoordde haar:
De Heilige Geest zal op u neerdalen, en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat uit  u wordt geboren, heilig zijn, en de Zoon van God worden genoemd.” (Lu 1:30-35)

Hierbij werd geopenbaard dat uit het geslacht van koning David diegene ter wereld zou komen die als mensenzoon (geboren uit een maagd) de tittel "Zoon van God" zou mogen dragen.

 “Daarom geeft de Jehovah zelf u een teken:
Zie, de maagd zal ontvangen, en een zoon baren; zij zal hem noemen: "Immanuel" (Emmanuel of te zeggen "God-met-ons").” (Jes 7:14)

 “"Zie, de maagd zal ontvangen, en een zoon baren; en men zal hem Immanuel (of Emmánuel) noemen"; dat is vertaald: God met ons.” (Mt 1:23)

Zoals telkens God iets zei, zijn woorden werkelijkheid werden is ook die belofte die voor eerst in de Tuin van Eden werd gebracht en herhaald werd door de tijden van Abraham, Jesaja, Micah en andere profeten, werkelijkheid geworden. Zo werd die belofte van God, door Zijn Spreken en door Zijn Macht werkelijkheid en zou men kunnen zeggen dat dat Woord of Spreken van God in het vlees kwam.

De apostel Johannes die de zoon van Jozef en Maria goed had leren kennen was tot inzicht gekomen dat die Nazarener profeet diegene was waar Jehovah over sprak in die Tuin van Eden. Ook zag hij in dat zijn Joodse leermeester als vertolker van dat Woord van God ook diegene was die de nieuwe of tweede Adam was welke God aan de wereld heeft geschonken om zo een nieuw tijdperk in te luiden, dat van de Nieuwe Wereld. In vergelijking met Mozes eerste boek over de begintijden van de oude wereld (Genesis) verlangde Johannes nu in gelijke vorm te spreken over hoe het Woord van God, God Zijn Spreken, de Nieuwe Wereld vormde en daarin Jezus als eerstgeborene van de Nieuwe Schepping of tweede Adam voorzag. die tweede Adma moest en zou het Licht van de wereld en voor de wereld zijn waardoor een Nieuwe Wereld of Nieuwe Schepping kon plaatsvinden, waarbij hij dan de oorzaak van die Nieuwe Schepping zou zijn, want zonder hem kon deze niet plaatsvinden.

 “1  In het begin was het Woord; En het Woord was bij God, En het Woord was een god; 2  Het was bij God in het begin. 3  Alles is door hem ontstaan; En zonder hem is niets ontstaan. 4  In wat bestond, was de bemiddeling voor leven, En het Leven was het licht der mensen;
5  Het Licht schijnt in de duisternis, Maar de duisternis nam het niet aan. 6  Er kwam een mens, van God gezonden; Johannes was zijn naam. 7  Hij kwam tot getuigenis, om van het Licht te getuigen, Opdat allen door hem zouden geloven. 8  Hijzelf was niet het Licht, Maar hij moest getuigen van het Licht.” (Joh 1:1-8)

"God" is geen naam, maar een tittel. Het staat voor hoog geplaatsten of voorname wezens. Zo worden engelen, Mozes, Farao, Baäal, Apollo, Zeus, Jezus (Jeshua) en nog anderen "god" genoemd, maar zijn deze niet Dé Enige Ware God.

Jezus wist duidelijk zijn plaats tegenover die ene Enige Ware God, de God van Israël, die ook de God van Abraham is. Aan Abraham mocht God Zijn Naam niet bekend gemaakt hebben, ook al had Hij zich kenbaar gemaakt aan hem, maar Jeshua, Jezus de zoon van God, wist deze wel.

“Als de almachtige God ben Ik aan Abraham, Isaäk en Jakob verschenen; maar Mijn naam Jehovah heb ik hun niet bekend gemaakt.” (Ex 6:3)

God had zich ook kenbaar gemaakt aan die man die in Bethlehem geboren is. Jezus had ook oog voor al die dingen die Jehovah God al in het verleden had gedaan en vertelde over Zijn wonderwerken. Hij was ook niet verlegen om zich uit te geven voor "zoon van God" ook al was hij ook een mensenzoon.

 “17   Maar Jesus antwoordde hun:
Mijn Vader werkt tot heden toe; zo doe Ik het ook.
18  Nu zochten de Joden nog meer Hem te doden; want hij brak niet enkel de sabbat, maar noemde ook God zijn eigen Vader, en stelde Zich dus met God gelijk. Jezus nam dus het woord, en sprak:
19  Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Niets kan de Zoon doen uit zichzelf, maar alleen wat hij de Vader ziet doen; want al wat Deze doet, dat doet de zoon eveneens. 20  Want de Vader heeft de Zoon lief, en laat hem alles zien wat hij doet.  — En nog groter werken zal Hij hem tonen, zodat gij verwonderd zult staan. 21  Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de zoon levend al wie hij wil. 22  Ja, de Vader oordeelt niemand, maar heeft het oordeel geheel aan de zoon gegeven, 23  opdat allen de zoon zouden eren, zoals ze de Vader eren.
Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet, die hem gezonden heeft.
24  Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Wie luistert naar mijn woord, en in Hem gelooft, die mij heeft gezonden, hij heeft het eeuwige leven, en in het  gericht komt hij niet; maar hij is overgegaan van de dood tot het leven.
   —  25  Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Er komt een uur, en het is er reeds, waarin de doden de stem van Gods zoon zullen horen; en die er naar luisteren, zullen herleven. 26  Want zoals de Vader in Zichzelf het leven heeft, zo gaf Hij ook aan de zoon, het leven in zichzelf te hebben. 27  Ook gaf Hij hem macht, om oordeel te vellen, omdat hij de mensenzoon is. 28  Verwondert u hierover niet. Want het uur komt, dat allen, die in de grafsteden zijn, zijn stem zullen horen; 29  en zij die het goede hebben gedaan, zullen er uitgaan tot opstanding tot leven, maar zij die het kwade hebben verricht, tot opstanding tot oordeel. (Joh 5:17-29)

De mensenzoon Jezus wist maar al te goed dat hij niets kon verrichten zonder zijn hemelse Vader, dé Allerhoogste God der goden, die veel machtiger is dan hij of dan enig ander. Het was Deze Hoogst Almachtige God de Allerhoogste die eigenheden aan Jezus gaf die hem zo anders maakt dan andere stervelingen. Maar Jezus was zich zeer bewust dat die Gever van leven, Jehovah God, groter is dan hem.

30  Ik kan niets doen uit mijzelf; maar ik oordeel naar wat ik hoor; en mijn oordeel is rechtvaardig, omdat ik mijn eigen wil niet zoek, maar de wil  van Hem die mij heeft gezonden.
31  Indien ik over mijzelf getuig, dan is mijn getuigenis niet betrouwbaar. 32  Er is een ander, die over mij getuigt; en ik weet, dat het getuigenis, dat hij over mij aflegt, betrouwbaar is.
  —  33  Gij hebt een gezantschap naar Johannes gezonden; en hij heeft voor de waarheid getuigd. 34  Zeker, ik aanvaard geen getuigenis van een mens; maar ik zeg dit, opdat gij gered moogt worden. 35  Hij was de brandende en hel schijnende lamp; gij hebt u zelfs een ogenblik in zijn licht willen verheugen.  —  36  Maar ik heb een getuigenis groter dan dat van Johannes: want de werken, die de Vader mij te volbrengen gaf, de werken juist die ik doe, zij getuigen van mij, dat de Vader mij gezonden heeft.  — ” (Joh 5:30-36)

Jezus spreekt over de hemelse Vader die Hem gezonden heeft en hem autoriteit van spreken heeft gegeven.

 “Jezus trad op hen toe, en sprak:
Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde.” (Mt 28:18)

Niet enkel macht van spreken heeft Christus gekregen. Hij verkreeg ook van God de mogelijkheid om vele wonderen te verrichten en zelfs leven te geven. Door die mirakels konden de mensen zien dat hij meer was dan een gewone man en prediker.

 “Mannen van Israël, hoort deze woorden:
Jezus van Názareth, een man, voor wie God bij u heeft getuigd door krachten en wonderen en tekenen, welke God, zo gij weet, door hem in uw midden verrichtte:” (Hnd 2:22)

 “en welke ook door God is betuigd door tekenen, wonderen en velerlei kracht, door gaven ook van den heiligen Geest, zoals het Hem heeft behaagd?” (Heb 2:4 Canis)


“Want zoals de Vader in Zichzelf het leven heeft, zo gaf Hij ook aan de zoon, het leven in zichzelf te hebben.” (Joh 5:26)

“maar de Leidsman tot leven hebt gij gedood. Maar God heeft hem opgewekt uit de doden; daarvan zijn wij de getuigen.” (Hnd 3:15)

“ja waarlijk, het Leven is verschenen en wij hebben het gezien; en wij leggen getuigenis af en brengen u de boodschap van het eeuwig Leven, dat bij de Vader was en aan ons is verschenen;” (1Jo 1:2)

“En dit is de getuigenis: Jehovah God heeft ons het eeuwig leven geschonken; en dat leven is in zijn zoon (Jeshua/Jezus).” (1Jo 5:11)

Voor het ogenblik bestaan nog regeringsautoriteiten onder de toelating van God. Zij zijn echter ondergeschikt of lager dan Gods autoriteit.

 “10  Pilatus zeide Hem dus:
Staat gij mij niet te woord? Weet gij niet, dat ik de macht heb, om u vrij te laten, en de macht, om u aan de paal te hangen?
11  Jezus antwoordde:
Ge zoudt niet de minste macht over mij hebben, zo ze u niet van hogerhand was gegeven; die mij aan u heeft overgeleverd, draagt daarom groter schuld.” (Joh 19:10-11)

Jezus maakte duidelijk dat hij niet in zijn naam sprak noch handelde, maar in naam van Zijn hemelse Vader, die boven iedereen en alles staat, ook boven Jezus. Het was niet aan Jezus om zijn eigen wil te doen. Hij wenste God zijn Wil te volbrengen, en bood zich als een nederige slaaf aan Hem die de Hoogste autoriteit heeft. Zelfs het koninkrijk waarin Jezus koning mag zijn behoort God toe en zal hij later ook aan God, aan wie hij ook toebehoort, terug geven.

 “5  Laat dezelfde gezindheid onder u heersen, als ook in Christus Jezus was. 6  Want hoewel hij Gods gestalte bezat en zijn gelijkheid met God geen roof hoefde achten, 7  heeft hij toch er zich van ontdaan, door de gestalte aan te nemen van een slaaf en gelijk te worden aan de mensen. 8  En toen hij uiterlijk als een mens werd bevonden, heeft hij zich nog vernederd, door gehoorzaam te worden tot de dood, ja, tot de dood aan de martelpaal.” (Flp 2:5-8)

 “Welnu, ik wil, dat gij wèl bedenkt: het hoofd van iedere man is Christus; het hoofd van de vrouw is de man; het hoofd van Christus is God.” (1Co 11:3)

 “Zodra dus alles aan hem onderworpen is, zal ook de zoon zichzelf onderwerpen aan Diegene, die alles aan hem onderwierp, opdat God Alles zal zijn voor iedereen.” (1Co 15:28)

Rechtstreeks geschapen door God is Jezus zijn natuur het dichts bij Jehovah God de maker van alle dingen. Door zijn liefde voor Zijn hemelse Vader en Zijn ijver om Zijn Woord en Wil te kennen, heeft Jezus ook een onnoemelijke kennis van zijn Vader in zich opgenomen en zijn karakter laten vormen. Jezus was niet louter tevreden om die kennis van God te bezitten. Hij wenste ze te delen met anderen en leefde er naar.
Daarom was hij zo vriendelijk, geduldig en liefdevol voor de  mensen rondom hem. Zelfs mensen die hem kwaad wensten te doen droeg hij een warm hart toe. Zo volgde Jezus zijn hemelse Vader na en handelde hij in harmonie met zijn kennis van Jehovahs wegen en persoonlijkheid.

 “Hij sprak tot hen:
Gij zijt van beneden, ik ben van boven; gij zijt van deze wereld, ik ben niet van deze wereld.” (Joh 8:23)

 “28  Jezus zei hun dan:
Wanneer gij de mensenzoon omhoog zult hebben geheven, dan zult gij inzien, dat ik het ben; en dat ik niets doe uit mijzelf, maar spreek, zoals de Vader mij heeft geleerd. 29  En Hij, die mij gezonden heeft, is met mij, en laat mij niet alleen; omdat ik altijd doe wat Hem behaagt.” (Joh 8:28-29)

 “Ik spreek, wat ik bij mijn Vader gezien heb; ook gij doet, wat gij van uw vader gehoord hebt.” (Joh 8:38)

 “wie niet liefheeft, kent God niet. Want God is liefde!” (1Jo 4:8)

En die liefde van God wenste Jezus uit te stralen. Hij ging daarbij zelfs zo ver dat hij zichzelf verloochende. Hij zette zijn persoonlijke behoeften op de tweede plaats. Het doen van Gods Wil kwam bij hem steeds op de eerste plaats. Zelfs in het uur van zijn dood, wanneer doodsangst hem ook overviel, vroeg hij dat niet zijn wil zou gebeuren, maar Gods Wil.

 “Uw rijk kome. Uw wil geschiede op aarde, zoals in de hemel.” (Mt 6:10)

 “en bad:
Vader, indien het uw wil is, neem deze kelk van mij weg. Neen, niet mijn wil geschiede, maar de uwe.” (Lu 22:42)

 “Hij ging nog een weinig verder, viel biddend op zijn aangezicht neer, en sprak:
Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze kelk mij voorbijgaan; maar niet zoals ik wil, maar zoals Gij het wilt.” (Mt 26:39)

 “En weer ging hij heen, en bad met dezelfde woorden.” (Mr 14:39)

 “Uw rijk kome. Uw wil geschiede op aarde, zoals in de hemel.” (Mt 6:10)

 “Hij sprak:
Abba, Vader; alles is mogelijk bij U; neem deze kelk van mij weg. Maar niet wat ik wil, maar wat Gij wilt.” (Mr 14:36)

 “Ik kan niets doen uit mijzelf; maar ik oordeel naar wat ik hoor; en mijn oordeel is rechtvaardig, omdat ik mijn eigen wil niet zoek, maar de wil van Hem die mij heeft gezonden.” (Joh 5:30)

 “Want ik ben uit de hemel neergedaald, niet om mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem, die mij heeft gezonden.” (Joh 6:38)

Als u uit de teksten kan opmaken is Jezus de gezondene vanuit de hemel en is het niet God die in mensengedaante zou neergedaald zijn en zou gedaan hebben alsof Hij verleid werd (want God kan niet verzocht worden), alsook zijn dood zou gespeeld of geacteerd hebben, want God kan niet sterven mits Hij een Eeuwige God is. Trouwens indien Jezus God zou zijn, zou deze steeds zijn eigen wil gedaan hebben.

 “Want dit is gebeurd, opdat de Schrift zou worden vervuld:
"Geen been zal Hem verbrijzeld worden".” (Joh 19:36)

Jezus was iemand van vlees en bloed, wiens beenderen na zijn dood niet gebroken werden. Toen hij uit de doden was opgestaan en aan zijn leerlingen verscheen zei hen ook dat zij niet bang moesten zijn daar hij geen geest was. Zijn hemelse Vader daarentegen is wel een Geest. Mensen kunnen zelfs niet in leven blijven als zij die God de Geest  zouden zien.

 “En Hij ging voort: Mijn aanschijn kunt ge niet aanschouwen, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven.” (Ex 33:20)

 “God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten in geest en waarheid aanbidden.” (Joh 4:24)

 “Beziet mijn handen en voeten (zei Jezus): ik ben het zelf. Betast mij, en ziet toe; want een geest heeft geen vlees en geen beenderen, zoals gij ziet, dat ik wel heb.” (Lu 24:39)


God is ook een alwetende God die overal tegelijkertijd kan zijn. Jezus daarentegen was beperkt in zijn kennis en beperkt in de mogelijkheden bij tijd en plaats, waardoor hij zelfs niet op tijd bij zijn vriend Lazarus kon zijn toen deze op sterven lag en zelfs te laat voor de begrafenis was. Jezus was als menselijke zoon geboren en niet als godmens.

 “Maar wel zien we Jezus met glorie en luister gekroond, omdat hij de dood heeft ondergaan; Hij, die een korte tijd beneden de engelen was gesteld, om door Gods genade de dood te smaken voor allen.” (Heb 2:9)

 “Welnu, omdat de kinderen deel hebben aan vlees en bloed, daarom was ook hij daaraan deelachtig, om door de dood hem machteloos te maken, die macht had over de dood, en dat is de duivel;” (Heb 2:14)

 “En daarom moest hij in alles gelijk worden aan zijn broeders, opdat hij in hun betrekkingen tot God een barmhartig en getrouw Hogepriester zou zijn tot uitboeting van de zonde van het volk.” (Heb 2:17)

 “3  Zó ook waren wij, toen we nog onmondig waren, als slaven onderworpen aan de leerbeginselen van de wereld. 4  Maar toen de volheid van de tijd was gekomen, heeft God zijn eigen zoon gezonden, die uit een vrouw werd geboren en geboren werd onder de Wet, 5  opdat hij allen zou loskopen, die staan onder de Wet, en wij het kindschap zouden beërven. 6  En het bewijs, dat gij kinderen zijt: God heeft de geest van zijn zoon in onze harten gezonden, en deze roept: Abba, Vader! 7  Ge zijt dus geen slaaf meer, maar kind; zijt ge kind, dan zijt ge ook erfgenaam, dank zij God.” (Ga 4:3-7)

Dat erfgenaam zijn en in Christus zijn maakt ons wanneer wij één zijn met Christus, zoals hij één is met zijn hemelse Vader, als broeders en zusters in Christus. Door het geloof in Jezus Christus kan ons de vergeving van zonden en redding tot eeuwig leven toe komen.

 “Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eengeboren Zoon heeft gegeven: opdat allen die in hem geloven, niet verloren zouden gaan, maar het eeuwige leven zouden hebben.” (Joh 3:16)

 “en wie leeft en in mij gelooft, zal niet sterven voor eeuwig. Gelooft ge dit?” (Joh 11:26)

 “Bij niemand anders is er redding. Want onder de hemel is geen andere Naam aan de mensen gegeven, waardoor we zalig moeten worden.” (Hnd 4:12)

 “Daags daarna zag hij Jezus tot zich komen; en hij zei:
Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.” (Joh 1:29)

 “Van hem getuigen al de profeten, dat ieder. die in hem gelooft, vergiffenis van zonden verkrijgt door zijn naam.” (Hnd 10:43)

Vergiffenis van zonden komt er door de offergave van die man van vlees en bloed die zijn leven gaf voor de zonden van allen. Wegens de zonde van Adam en Eva was een losprijs noodzakelijk geworden. Indien Jehovah God Zijn eigen maatstaven van gerechtigheid krachteloos zou maken, dan zou er universele chaos en wetteloosheid heersen. Daarom moest Hij de waarschuwing die Hij Adam en Eva had gegeven uitvoeren. Doorheen de tijden zou de tegenstander van God verder Jehovah ervan beschuldigen een leugenaar te zijn en een wrede dictator die Zijn schepselen van hun vrijheid berooft (Genesis 1:28; 3:1-5; Jesaja 55:10-11)  De opgeroepen strijdvragen waren van zeer groot belang, waarop Jehovah zich terecht verplicht voelde de satans of tegenstanders hun lasterlijke beschuldigingen te weerleggen.

Met Jezus was er nu een mens op de aarde gekomen die al die beschuldigingen kon tegenspreken door zijn houding. Hij kon aantonen dat een mens werkelijk God zou kunnen dienen.

 “Ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en zijn leven te geven tot losprijs voor velen.” (Mt 20:28)

In de eerste Adam sterven allen (1 Korinthiërs 15:22), maar bij de tweede Adam kan de mens terug leven vinden. Er moest namelijk een gelijke aan die eerste Adam zijn, een volmaakt mens. En dat was waarom God bij Zijn Kracht de jonge vrouw Maria van een kind voorzag.

“En toch heeft de dood geheerst van Adam af tot Moses toe, zelfs over hen, die persoonlijk niet hadden gezondigd naar het voorbeeld der overtreding van Adam, die de voorafbeelding is van hem, die komen moest.” (Ro 5:14)

 “Zoals allen immers sterven door hun gemeenschap met Adam, zo zullen ook allen door hun gemeenschap met Christus herleven.” (1Co 15:22)

Over de eerste Adam was de straf van de dood gekomen. Om die op te heffen moest er een vrijwillige dood in de plaats komen, zo dat de kostprijs van de dood voor zonde  door dood zou vereffend worden.

 “Want het loon van de zonde is de dood; maar de genadegave van God is het eeuwige leven in Christus Jezus onze heer.” (Ro 6:23)

 “Maar wel zien we Jezus met glorie en luister gekroond, omdat hij de dood heeft ondergaan; Hij, die een korte tijd beneden de engelen was gesteld, om door Gods genade de dood te smaken voor allen.” (Heb 2:9)

 “Hem, die geen zonde heeft gekend, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat we door hem zouden worden: gerechtigheid Gods.” (2Co 5:21)

 “Hij zelf heeft aan het hout in zijn Lichaam onze zonden gedragen, opdat wij, van de zonden ontlast, voor de gerechtigheid zouden leven. Door zijn striemen zijt gij genezen;” (1Pe 2:24)

Als vlezig iemand, die ook honger en dorst had, en de zelfde levensbehoeften had als de eerste Adam en zijn nageslacht, kon Jezus zich als mensenzoon aanbieden aan God om vereffening van Adams schuld te verkrijgen door zijn loskoopoffer. In wettelijke zin kon Jezus als tweede Adam, doordat Hij ook rechtstreeks van God de vorming en levensadem had gekregen in overeenkomst met de eerste Adam.

 “Aldus staat er ook geschreven:
"De eerste mens Adam werd een levende ziel"; de laatste Adam een levendmakende geest.” (1Co 15:45)

Het enige verschil dat men nu zou kunnen aanbrengen is dat de eerste Adam door Jehovah God uit de rode klei was gevormd in het aards paradijs. Terwijl voor de tweede Adam Gods Geest vanuit de hemel leven voorzag in de moederschoot van een menselijk wezen. Zij verkreeg een kind niet van een aardse man maar vanuit de hemel.

 “De eerste mens was uit de aarde, aards; de tweede mens is uit de hemel.” (1Co 15:47)

Door getrouw te blijven aan wat Hij beloofd had in de Tuin van Eden bevestigde Jehovah met de geboorte van deze mensenzoon Zijn onwankelbare trouw aan Zijn eigen volmaakte gerechtigheid.

 “7  Maar Isaäk zei tot zijn vader Abraham:
Vader!
Hij antwoordde:
Wat is er, mijn jongen?
Hij zei:
Zie, we hebben wel vuur en offerhout, maar waar is het schaap voor het offer?
8  Abraham antwoordde:
God zelf zal wel voor het offerschaap zorgen, mijn kind. En samen gingen ze verder.” (Ge 22:7-8)

 “11  Daar riep de engel van Jehovah uit de hemel hem toe, en sprak:
Abraham, Abraham!
Hij zei:
Hier ben ik.
12  Hij sprak:
Sla uw hand niet aan de knaap, en doe hem geen kwaad. Want nu weet Ik, dat gij God vreest; want ge hebt Mij uw enige zoon niet willen onthouden.
13  Nu sloeg Abraham zijn ogen op, en zag een ram, die met zijn horens in het struikgewas zat verward; Abraham greep de ram, en droeg hem als brandoffer op, in plaats van zijn zoon.” (Ge 22:11-13)

 “Door het geloof heeft Abraham, toen hij op de proef werd gesteld, Isaäk opgeofferd en zijn ééngeborene opgedragen,” (Heb 11:17)

 “Niets dan goede gift en volmaakte gave komt van boven, en daalt neer van de Vader der lichten, bij wie geen verandering bestaat of schaduw van wisselvalligheid.” (Jak 1:17)

God is en blijft altijd dezelfde, de Geest die geen mens kan zien, en die Woorden spreekt die altijd hetzelfde zullen betekenen en inhouden. De mens Jezus kon door heel wat mensen gezien en zelfs aangeraakt worden.

In tegenstelling tot de eerste Adam moest Jezus opgroeien, alles leren en alles aanvaarden zoals het er dan al was. Als volwassene moest hij dan zoals de eerste Adam de verleiding ondergaan en werd eveneens beproefd. Hij weerstond de verzoeken van de satan of tegenstrever, alsook onderging hij de afschuwelijke behandeling die hem te beurt viel. Jezus bleef "loyaal, schuldeloos, onbesmet, afgescheiden van de zondaars" en bewees daarmee op indrukwekkende wijze dat Jehovah wel degelijk dienstknechten heeft die onder beproeving getrouw blijven.

 “Ons voegt ook een Hogepriester, die heilig is, onschuldig, onbezoedeld, verwijderd van de zondaars en verheven boven de hemelen;” (Heb 7:26)

Na zich opgeofferd te hebben verhoogde God hem en gaf hem ook de gelegenheid zijn verlossingswerk als Gods Hogepriester te voltooien.

 “en naar de geest van heiligheid als zoon van God in kracht is gesteld door zijn opstanding uit de doden: over Jezus Christus, onze Heer.” (Ro 1:4)

 “3  Want vóór alles heb ik u overgeleverd, wat ik zelf had ontvangen:
Christus is voor onze zonden gestorven volgens de Schriften;
4  Hij is begraven, de derde dag is hij verrezen volgens de Schriften;
5  en hij is verschenen aan Kefas, daarna aan de twaalf.
6  Vervolgens is hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, waarvan de meesten thans nog leven, en slechts enkelen zijn ontslapen.
7  Daarna is hij verschenen aan Jakobus, toen aan alle Apostelen.
8  Het laatst van allen verscheen hij aan mij als aan de misdracht.” (1Co 15:3-8)

 “11  Maar Christus, optredend als Hogepriester voor de toekomende goederen, is het Heiligdom binnengegaan door de grotere en volmaaktere Tabernakel, welke niet met handen gemaakt is,  — dat wil zeggen, welke niet tot deze schepping behoort; 12  niet door bloed van bokken en kalveren, maar door zijn eigen bloed; ééns voor altijd, daar hij een eeuwige verlossing verworven had.” (Heb 9:11-12)

Door Jezus zijn offerdaad is geen enkel ander offer nog nodig. Dankzij zijn nederigheid en goedwillendheid zich voor anderen over te geven kunnen wij nu allen genieten van de Genadegave, zonder er iets voor te hebben moeten doen. Sinds zijn ten hemelopneming zetelt hij aan Gods rechterhand om te bemiddelen voor ons.

 “Want Christus is niet een heiligdom binnengegaan, dat met handen gemaakt is en voorafbeelding is van het waarachtige, maar de hemel zelf, om thans voor Gods aangezicht te verschijnen ten behoeve van ons.” (Heb 9:24)

 “Want er is één God, en ook één middelaar tussen God en de mensen, de mens Jezus Christus,” (1Ti 2:5)

 “Maar thans heeft hij een veel voortreffelijker bediening ontvangen, naarmate het Verbond, waarvan hij middelaar werd, volmaakter is, en op volmaaktere beloften rust.” (Heb 8:6)

 “tot Jezus de middelaar van het nieuwe Verbond, tot het bloed van de besprenkeling, dat iets beters afroept dan Abels bloed.” (Heb 12:24)

Door dat bloed van Christus Jezus is de verzoening tot ons gekomen. Zij die geloven in de losprijs ontvangen nu al geestelijke voordelen van de liefdevolle voorziening als rechtvaardig verklaarde vrienden van God.

 “En toen ging de Schrift in vervulling, die zegt:
"Abraham geloofde God, en het werd hem tot gerechtigheid gerekend";
toen ook werd hij genoemd: "de vriend van God."” (Jak 2:23)

 “11   Doen wij ons best dus, om binnen te gaan in die Rust, opdat niemand in dit voorbeeld van ongehoorzaamheid mag vervallen. 12  Want Gods woord is levend en krachtig, scherper dan elk tweesnijdend zwaard, dóórdringend tussen ziel en geest, gewrichten en merg, rechter ook van de neigingen en overdenkingen van het hart. 13  En geen schepsel is onzichtbaar voor Hem, maar alles ligt naakt en bloot voor de ogen van Hem, aan wie we verantwoording hebben af te leggen. 14  Daar we nu een grote Hogepriester hebben, die in de hemelen is doorgedrongen, Jezus, de zoon van God, zo laat ons vasthouden aan de belijdenis. 15  Want we hebben geen Hogepriester, die onze zwakheden niet meevoelen kan, maar één, die bekoord werd geheel op dezelfde wijze als wij, behoudens de zonde. 16  Laat ons dus met vertrouwen opgaan tot de troon van genade, om barmhartigheid te verkrijgen, en genade te vinden tot tijdige hulp.” (Heb 4:11-16)

 “19  Want het was God, die door Christus de wereld met Zich verzoende en haar de overtredingen niet toerekende, en die òns de prediking van de Verzoening heeft opgedragen. 20  In Christus’ naam treden we dus als gezanten op, alsof God zelf door ons vermaant. In Christus’ naam smeken we u: Verzoent u met God.” (2Co 5:19-20)

Wacht dan ook niet tot morgen of overmorgen maar maakt aanstalten om Jezus te erkennen als diegene die Redding heeft gebracht en als zoon van God nu gezeten is aan Gods rechterhand om ons te helpen.



+

Aanvullende lectuur


1.       Eigenheden aan God toegeschreven

2.       Rond God de Allerhoogste

3.       Jehovah wiens Naam heilig is

4.       God versus goden

5.       Geloof in slechts één God

6.       Bijbel, zwaard van de Geest in de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God om tot een volkomen mens te komen

7.       El Shaddai Die verscheen voor Abraham

8.       De Afstraling van Gods Heerlijkheid

9.       Een man die de geschiedenis van het mensdom veranderde

10.   God, Jezus Christus en de Heilige Geest

11.   Jezus zoon van David, zoon van Abraham en zoon van God

12.   Jezus Christus, Messias, Heer, maar niet God

13.   Joodse interpretatie van Zoon van God

14.   Eigenheden aan Jezus toegeschreven

15.   De rol van de Vader en zijn Zoon

16.   Een koning die zijn onderdanen wetten oplegt waarvan hij weet dat zij zich er nooit aan kunnen houden

17.   De god zoon, koning en zijn onderdanen

18.   Is God drie-eenheid

19.   De Schepper achter eerste levende wezens

20.   Voorziening van leven

21.   Uitdagende vordering 1 Wiens Woord

22.   Hermeneutiek om uit te dragen #8 Tegenspraak

23.   Want het is geen leeg woord

24.   Bijbel, Gods Woord tot opvoeding (NBG51)

25.   Neergeschreven namens God om op te voeden tot een deugdzaam leven

26.   Schepper en Blogger God 2 Beeld en gelijkenis

27.   Schepper en Blogger God 11 Het Oude en Nieuwe Blog 1 Gericht op één mens

28.   Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 1 Wet van Mozes

29.   Begeerde zaken, gidsen en betrouwbare leidraad

30.   Vertrouwelijke geschriften

31.   Het belang van het lezen van de Schrift

32.   Gods vergeten Woord 19 Geopenbaarde Woord 4 Het ware licht

33.   Lezen wat er staat geschreven

34.   De Bijbel en Bidden

35.   Zoek uw Toevlucht bij God

36.   Vertrouwen, Geloof, Roepen en Toeschrijving aan Jehovah #3 Stem van God #3 Ernstig te nemen zegenende stem

37.   Vertrouwen, Geloof, Roepen en Toeschrijving aan Jehovah #11 Gebed #9 Heiliging van Dé Naam

38.   Vertrouwen, Geloof, Roepen en Toeschrijving aan Jehovah #14 Gebed #12 De andere naam

39.   Vertrouwen, Geloof, Roepen en Toeschrijving aan Jehovah #18 Volbrenging

40.   Voorspellingen van de Eniggeboren zoon

41.   Naar het vergankelijke of het onvergankelijke kijken #1

42.   Naar het vergankelijke of het onvergankelijke kijken #2

43.   Naar het vergankelijke of het onvergankelijke kijken #3

44.   Naar het vergankelijke of het onvergankelijke kijken #4

45.   Naar het vergankelijke of het onvergankelijke kijken #5

46.   Naar het vergankelijke of het onvergankelijke kijken #6

47.   2020 jaar geleden werd de weg geopend

48.   Na 2020 jaar

49.   Voorbestaan Jezus

50.   Rond Jezus

51.   Zoon van God

52.   De verkeerde held

53.   Jezus Christus is in het vlees gekomen

54.   Addendum 2: Vlees geworden woord

55.   Het begin van Jezus #1 Menselijke aspecten

56.   Het begin van Jezus #2 Aller Begin

57.   Het begin van Jezus #3 Voorgaande Tijden

58.   Het begin van Jezus #4 Aangekondigde te komen Verlosser

59.   Het begin van Jezus #5 Aankondigingsteksten uit de Schrift

60.   Het begin van Jezus #7 Een Nieuwe Adam, zoon van Abraham

61.   Het begin van Jezus #8 Beloofde Gezalfde zoon van God

62.   Het begin van Jezus #10 Een Heraut kondigt aan

63.   Het begin van Jezus #11 Goddelijk verwezenlijkt en niet geïncarneerd

64.   Het begin van Jezus #13 Een te komen mens

65.   Dienaar van zijn Vader

66.   Jezus moest sterven

67.   Een Messias om te Sterven

68.   Door Christus' dood kunt u worden aangenomen als een kind van God

69.   Zoenoffer

70.   Het zoenoffer

71.   Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 4 Verzet tegen God en Overeenkomstige prijs

72.   Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 5 Toetssteen en steen van aanstoot

73.   Onschuldig lam

74.   Lam van God #2 Tegenover onschuldig dier een onschuldig man #1

75.   Lam van God #3 Tegenover onschuldig dier een onschuldig man #2

76.   Verlossing #3 Het onvolmaakte dieroffer

77.   Verlossing #7 Christus levend in de gelovige

78.   Een losgeld voor iedereen 1 De Voorziening van een tweede Adam

79.   Een losgeld voor iedereen 2 Een verheven persoon van vlees en bloed

80.   Hoop op een man

81.   Priesterschap van Christus

82.   De Gezalfde en de eerste dag van de feestperiode van Ongezuurde Broden

83.   Zalving van Christus als profetische repetitie van de begrafenisrituelen

84.   Zalving als teken van verhoging

85.   Teken van het verbond

86.   Gevangenneming en terechtstelling van Christus Jezus

87.   Na de sabbat na Pesach, de verrijzenis van Jezus Christus

88.   Nieuw Verbond

89.   Hij die zit aan de rechterhand van zijn Vader

90.   Hij die komt

91.   Terugkeer van Jezus

92.   Wonders gegeven vanaf oude tijden om God te leren kennen

93.   Een goddelijk Plan #3 Vervolmaking volgens blauwdruk

94.   Voorwerpen rond de geboorte en dood van Jezus

95.   Lijden goegemaakt door Jezus' loskoopoffer voor zonde

96.   De Wet van de Liefde, basis van alle instructies

97.   Op wie hoop stellen

98.   Ongelovige Thomassen, Jezus en zijn God

99.   Relatie tot Christus

100.                       Geen Wegvluchter

101.                       Niet gebonden door labels maar vrij in Christus

102.                       Relatie tot God

103.                       De Verlosser 1 Senior en junior

104.                       Rapture blootgelegd - Toegang met Christus

105.                       Rapture blootgelegd - Verzamelen met jezus

106.                       De nacht is ver gevorderd 4 Studie 1 Zijn het de laatste dagen? 3 Hoe pakken we het aan?

107.                       De nacht is ver gevorderd 11 Studie 2 Schrik of troost 7 Lessen voor ons

108.                       Tekenen der Laatste Dagen

109.                       Materialisme, “would be” leven en aspiraties #6

110.                       Filippenzen 1 – 2

111.                       Bedenkingen: Gods eigen Volk

112.                       Joodse Wetten en Wetten voor Christenen

113.                       Al of niet verenigen

114.                       Toewijding van ons

115.                       Verzoening en Broederschap 1 Getrouwheid en vergoeding

116.                       Verzoening en Broederschap 7 Eén zijn

117.                       De Ekklesia #2 De Gemeente van het Oude Verbond

118.                       De Ekklesia #4 De troon van David en De gezalfde des Heren

119.                       Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #5 Apologeten

120.                       Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #7 Afstandelijken, donatisten en arianisten

121.                       De haat van IS voor Christenen

122.                       Moeten Christenen over zich heen laten walsen

123.                       Plaatsing van Jezus door zogenaamd Bijbelstudie webruimte

124.                       Azteekse en Romeinse tradities die ons nog steeds beïnvloeden

 
Comments