Overtuigd door de Schriften

Over het algemeen wordt het Oude Testament onder christenen nogal verwaarloosd. Velen zien wat hierin geschreven staat slechts als geschiedenis die, omdat wij leven in het heden en gericht moeten zijn op de toekomst, heeft afgedaan sinds de komst van Jezus Christus.

Alleen om bepaalde dogma’s te ‘bewijzen’ wordt het Oude Testament er nog wel eens (te pas en te onpas) bijgehaald. Anderen zien zelfs de waarde als ‘geschiedenisboek’ niet eens, omdat zij menen dat er geen enkele overeenkomst in is te vinden tussen de daarin vertelde geschiedenis van Israël en de bekende geschiedenis van de hen omringende volken. Jezus en zijn apostelen hadden een dergelijke houding echter niet. Zij wezen voortdurend op wat de Schriften (de geschriften van wat wij het Oude Testament noemen) zeiden over de Messias, de vervulling van Gods beloften aan individuele gelovigen, het volk Israël. Juist daardoor weten wij Wie God is, en wat Zijn doel is met de schepping; kennen wij Gods beloften, eden en verbonden. Wie deze Schriften kent, wordt overtuigd door de vele bewijzen dat Jezus de Messias is. De apostelen en hun medewerkers konden in de evangelieën en hun brieven niet alle bewijzen aanhalen, maar voerden die aan die het meest duidelijk waren voor hun betoog.

Tijdens de Reformatie hechtten Bijbelgetrouwe gelovigen er de hoogste waarde aan, dat iemand die tot geloof kwam zelf overtuigd was door wat hij of zij had gelezen (of, omdat velen niet konden lezen, zich had laten voorlezen) uit het Oude en het Nieuwe Testament, en niets geloofde alleen ‘van horen zeggen’. Dat was het probleem in de kerk. Daar werd het gewone volk als leken beschouwd, die alleen door de kerkelijke leiders iets zouden kunnen te weten komen van Gods openbaring. Juist dat leidde tot de algemene verbreiding van allerlei valse leer, omdat de gewone mensen het niet zelf konden of mochten nagaan. Dat dit in strijd was en is met de wijze waarop de apostelen omgingen met andere gelovigen, is overduidelijk als wij hun brieven lezen. Zij benaderden hen op voet van gelijkheid, om hen te onderwijzen, zodat zij niet onwetend zouden zijn, of volledig afhankelijk van hen. Zij waren zich ervan bewust dat een ieder, die op de hoogte is van wat God zegt, op de dag van het oordeel verantwoording moet afleggen over zijn of haar persoonlijk geloof (niet dat van een ander!) en hoe hij of zij dat geloof in praktijk heeft gebracht. Het voorbeeld voor hem of haar is het leven van de volmaakte Mens.

J.K.D.

 

Comments