Belgian Chamber of Representatives • Session of 5 March 1914

<< Previous page Page 14/32 Full Session Facsimile / Text Next page >>

12G0 chambre des représentants. — annales parlementaires.

Voor wat betreft het afschaffen Van de barreelrechten op de wegen van het arrondissement dat hier door liet achtbaar lid vertegenwoordigd Is, moet ik zeggen dat reeds op vier van die wegen die rechten afgeschaft zijn en dat de vraag nu onderzocht wordt om ze ook op de andere wegen te laten v< rdwijnen.

Het achtbaar lid moet weten dat wij, in deze laatste maanden, het mond- en klauwzeer krachtdadig hebben moeten bestrijden. Slechts twee provinciën zijn voor het oogenblik niet aangetast; wij moeten dus zeer voorzichtig zijn, om de uitbreiding van die ziekte te beletten, nopens het invoer van vee.

De heer Van Brussel. — Dat antwoord kan mij niet bevredigen. Nu eens weigert men, omdat het Hollandsch vee besmet is, dan weer, omdat h*l vee in België besmet Is. 't Is voorwaar een uitvlucht.

De heer Helleputte, minister van landbouw en openbare werken.— Gij hebt het volstrekt mis voor. Denk niet dat wij er genoegen in vinden zulke maatregelen te nemen. Wij waren er toe gedwongen. Gij moogt niet vergeten dat wij dit jaar in een groot gevaar verkeerden, zoodanig dat wij op het punt waren, heel onzen vcestappel besmet te zien.

Het achtbaar lid heeft ook gesproken over het inrichten van syndi-katen tot bestrijding der pokziekte en vraagt dat wij deze syndikaten in 't land zouden vermenigvuldigen : wij volgen aandachtig de werkzaamheden der reeds bestaande syndikaten, maar het vraagstuk is gewichtig. Wij moeten voorzichtig handelen. Ik neem de zaak persoonlijk ter harte om haar de beste oplossing te geven.

De heer Van Brussel. — Wij zijn er u dankbaar voor.

De heer Daens. — Wacht met geduld!

De heer Van Brussel. — Ik mag u ook zeggen, heer minister, dat wij den 25" Maart, te Beveren, een syndicaat tegen pokzickte gaan stichten.

De heer de Kerchove d'Exaerde. — Proficiat!

De heer Helleputte, minister van landbouw en openbare werken. — De heer Ooms heeft mij gevraagd zekere maatregelen te nemen tot verbetering der landbouwwegen.

Het achtbaar lid moet weten, en hij weet, dat toelagen vergund worden tot Vrrbctering van wegen en dat het kosteloos vervoer van materialen toegestaan wordt, wat de landbouwwegen betreft.

Het reglement op het vervoer, waarmede mijn departement zich bezig houdt, zal eene laslenbeperking voorzien om het beschadigen dezer wegen te voorkomen.

Het achtbaar lid heeft mij ook gevraagd meer uitbreiding te geven aan de lessen over de hoenderteelt.

Ieder jaar worden menigvuldige leergangen ingericht om de begrippen der hoenderteelt te verspreiden.

Deze teelt is zeer voordeelig voor de kleine landbouwers en bijzonder voor die van Limburg.

De landbouwkundigen verwaarloozen niets om door de landbouwers te doen begrijpen dat het in hun eigen belang ligt de gezondheidsvoor-waarden van hunne stallen te verbeteren. Het gebeurt echter dikwijls dat hunne raadgevingen ofwel niet goed verstaan, of hoegenaamd niet gevolgd worden.

Daartoe dienen ook de wedstrijden voor de verbetering der landbouw-stallen, die, bijzonder in Limburg, zulke belangrijke uitslagen gegeven hebben.

De heer Ooms. — Ik heb dat gezegd.

De heer Helleputte, minister van landbouw en openbare werken. — En ik bevestig het.

De heer Ooms heeft met lof en op eene dichterlijke wijze gesproken over de tijdelijke praktische tuinbouwscholen. Deze scholen geven ook goede uitslagen en het departement heeft hun getal merkelijk vermeerderd. Zij maken inderdaad het beste middel uit tot verspreiding der moesteelt. Evenals de achtbare heer Ooms acht het departement dat tijdelijke tuinbouwscholen bestemd zijn om in de Kempen groote diensten te bewijzen. Wij stellen overigens alles in 't werk om ze in te richten overal waar de plaatselijke omstandigheden gunstig zijn.

Het achtbaar lid heeft ook gesproken over twee Staatswegen waaraan hij veel bilang hecht: van Ghcel naar Tessenderloo en van Gheel naar Diest.

Hij zal met genoegen vernemen dat ik hoop den eersten dezer wegen binnen korten tijd in aanbesteding te kunnen brengen en wanneer die eerste weg in uitvoering zal zijn, zal men ook aan den tweeden kunnen beginnen.

De heer Ooms. — Zoo haast mogelijk?

De heer Helleputte, minister van landbouw en openbare werken. — Natuurlijk, zoo haast mogelijk.

De heer Daens. — Dat zijn gelukkige menschen daar. Bij ons krijgen wij niets.

De heer Helleputte, minister van landbouw en openbare werken. — Maar, achtbare collega, indien gij de verslagen van de Kamer wildot lezen. De heer Daens. — Die lees ik.

De heer Helleputte, minister van landbouw en openbare werken.— Neen, ge leest ze niet, anders zoudt gij weten dat de weg waarvan gij spreekt in aanbesteding zal gesteld worden.

De heer Daens. — 't Is schromelijk wat met ons gedaan wordt.

De heer Helleputte, minister van landbouw en openbare werken. — De heer Huyshauwer heeft den wensch uitgedrukt dat ik zou voortgaan mij bezig te houden met den toestand der ondergeschikte bedienden. Ik zal doen al wat mogelijk is om hun toestand te verbeteren.

De duur van het uitoefenen der scheepvaart is, voor iedere maand van het jaar, vastgesteld bij artikel 11 der algemeene politie- en scheepvaartverordening.

Indien de bedienden der waterwegen de verkorting hunner diensturen verlangen, eischen integendeel de schippers eene verlenging van den tijd welke door hoogergenoemde verordening bepaald wordt.

Ik heb den hoogeren raad voor binnenscheepvaart verzocht het vraagstuk der herziening van dit artikel 11 te onderzoeken en ik denk, binnen kort, zijne voorstellen te ontvangen.

De heer de Béthune vroeg mij maatregelen te nemen voor de verdelging der woekerinsekten in de boomgaarden.

De landelijke dienst richt, sedert eenige jaren, praktische bestrijdings-bewijzen in tegen de cryptogamen en de insekten en dit jaar heeft het departement zich een volledig toestel verschaft om den strijd in onze boomgaarden op groote schaal aan te vatten.

Het departement hoopt, hierdoor, de kweekers te overtuigen van het nut der aangeprezen bestrijdingsmiddelen.

Het achtbaar lid moet weten dat de maatschappij « Le cheval de trait » zich ijverig bezighoudt met ons paardenras in Rusland te doen kennen. Zij zet de Belgische paardenfokkers aan gebruik te maken van de wedstrijden en tentoonstellingen die in Rusland gehouden worden, om er de beste voortbrengselen van onzen kweek heen te zenden.

Trakten en vlugschriften handelende over den kweek der Belgische trekpaarden werden door de zorgen dezer maatschappij naar Rusland gezonden.

De heer de Béthuhe vroeg ook dat wij de landbouwboekerijen zouden uitbreiden. Hij zal misschien verwonderd staan wanneer ik hem zal zeggen dat mijn departement er reeds 184 aangemoedigd heeft.

Eindelijk, heeft de heer Vandeperre den toestand doen kennen van de Herenthalsche baan. Ik zal trachten daaraan zooveel mogelijk verbetering te brengen.

Hij heeft ook mijne aandacht gevestigd op den tram naar Tilburg. Ik zal die zaak uit het oog niet verliezen.

L'honorable M. Maenhaut a attiré mon attention sur l'enseignement mécanique agricole et l'honorable M. Crick a présenté également quelques observations à ce sujet. Je perise que, pour le moment, — je dis, pour le moment, — il serait prématuré de procéder à une organisation générale de cet enseignement dans toutes les parties du pays, parce qu'on ne recruterait pas suffisamment d'élèves dans plusieurs régions.

Mais, d'accord avec les honorables MM. Maenhaut et Crick, j'estime que nous devons pousser de toutes nos forces à l'emploi des engins mécaniques; cette tâche sera facilitée après l'organisation de l'enseignement agricole à l'école primaire. Jusqu'à présent, des écoles temporaires ont pu être organisées là où le besoin s'en faisait sentir. J'espère qu'il continuera à en être de même dans l'avenir et, pour obtenir ce résultat, je compte sur le concours éclairé de nos honorables collègues ; je demande à ceux qui s'intéressent aux choses agricoles d'attirer sur ce point l'attention de nos agriculteurs; c'est "le meilleur moyen d'obtenir les résultats les plus complets, les plus rapides.

M. Maenhaut. — Nous n'avons pas de cours.

M. Helleputte, ministre de l'agriculture et des travaux publics. — Pardon, il y en a!

M. Maenhaut. — Pas en pays flamand. Vous en donnez à Landen mais sont-ils donnés en flamand ?

M. Helleputte, ministre de l'agriculture et des travaux publics. — M'entendre reprocher de ne pas faire donner de cours de mécanique agricole en flamand, est un peu étonnant.

Comments