wetenschappelijke achtergrond droomprogramma

Ook droommateriaal kan voor wetenschappers 

interessant zijn. Eerst worden enkele voorbeelden van seksuologisch onderzoek genoemd, die gebaseerd zijn op dromen. Vervolgens wordt uitgelegd hoe gegevens uit dromen zo genoteerd kunnen worden, dat ze geschikt zijn voor wetenschappelijk onderzoek. Tenslotte wordt beschreven hoe - ondersteund door een nieuw computerprogramma - ook in de seksuologische hulpverlening gebruik gemaakt kan worden van dromen.

Seksuologisch onderzoek en dromen.
Zonder volledigheid te pretenderen worden nu eerst enige voorbeelden gegeven van droom-onderzoek dat klinisch en sociaalwetenschappelijk interessant is voor de seksuologie. Hall en Van de Castle (1966) verzamelden vanaf 1950 duizenden dromen van Amerikaanse studenten. Zij ontwikkelden een notatie-systeem om relevante droomgegevens valide te scoren.
Zij konden nu dromen van verschillende droompopulaties vergelijken. Vrouwen bleken meer over thuissituaties te dromen en in hun dromen komen vaak evenveel mannen als vrouwen voor. Mannen dromen meer over mannen en hun dromen zijn fysiek agressiever. Toen Hall (e.a., 1982) en zijn medewerkers na dertig jaar hun onderzoek herhaalden, bleek de inhoud van de Amerikaanse droom ondanks de seksuele revolutie niet veranderd te zijn!
In hoeverre gelden deze Amerikaanse gegevens uit dromen ook voor de Nederlandse dromer? Uit onderzoek van De Jong en Waterman (1986) blijkt dat naast grote overeenkomsten er toch ook enige verschillen bestaan tussen de dromen van Amerikanen en Nederlanders. Aandacht voor falen of succes is groter bij de Amerikaanse mannelijke dromer. Bij Amerikaanse vrouwen blijken de dromen zich vaker dan bij Amerikaanse mannen binnenshuis af te spelen en binnen het gezinsleven. Bij Nederlandse vrouwen is dat niet zo, en zijn er geen verschillen met mannen wat betreft de droomsetting. Bij sociale interacties blijkt de Nederlandse man agressiever te zijn dan de Amerikaanse en meer seks in zijn dromen te stoppen. In het algemeen stellen de onderzoekers dat verschillen tussen droominhoud van vrouwen en mannen vooral voort lijken te komen uit de opvatting over hun genderrol (Waterman, e.a., 1988).
Ook de vrouwelijke cyclus en de weerslag daarvan in de droom is onderwerp geweest van vele onderzoeken (De Jong, 1991). Gedurende de menstruatie en praemenstruatie is de droomster meer actief gericht op de man; maar tijdens de ovulatie is zij passiever en meer op een vrouw gericht.

De droomreeksmethode.
Hoe kunnen nu mysterieuze en vage droom-inhouden genoteerd worden en betrouwbaar verzameld worden voor onderzoek? Van Hall en van de Castle (1966) ontwikkelden een scoringssysteem, dat droomgegevens geschikt maakt voor statistische analyses.
Relevante elementen van een droom, werden door Hall en van de Castle, teruggebracht tot vijftien empirische hoofd-categorieën. De voornaamste zijn: voorwerpen, setting, voorkomende personen en kenmerken daarvan, sociale interacties, soorten emoties, afloop, tijdsperiode. Alle categorieën en hun onderverdelingen worden met letters en cijfers genoteerd. De Jong (1991) geeft daar een voorbeeld van. Is sex bijvoorbeeld de sociale interactie en bestaat de inhoud van de droom er uit dat dromer in een bordeel seksueel kontakt had met een prostituée, dan kan dat als volgt gescoord worden: D 5 > 1FOA. ('D 5': Bij seksuele interactie loopt de schaal in vijf stappen van seksuele fantasieën of gedachten naar het daadwerkelijk bedrijven van de geslachtsdaad, '5' = geslachtsgemeenschap; '>'= de richting van de handeling; '1F' = 1 female; 'O' = occupational, beroep uitoefenend; 'A'= adult). Met behulp van deze scoringsmethode kunnen verschillen in droompopulaties tot op het procent nauwkeurig berekend worden, zoals bijvoorbeeld de verschillen in droomactiviteiten tussen Amerikaanse en Nederlandse mannen, waar in de vorige paragraaf naar werd verwezen.
De bovengenoemde Hall en van de Castle (1966) maken gebruik van de zogenaamde droomreeksmethode. Naarmate meer dromen van een persoon bekend zijn, worden gegevens betrouwbaarder, en kunnen zich in een droomreeks individuele patronen aftekenen. Het kan bijvoorbeeld veelzeggend zijn te onderzoeken bij welk soort emoties de dromen van iemand steeds afbreken. Het zou een aanwijzing kunnen zijn dat iemand de betreffende emoties in het dagelijks leven niet goed kan hanteren of zich er schuldig over voelt. Men kan nagaan over welke periode van het leven iemand voornamelijk droomt, enzovoorts. Sommeling (1972) beschrijft de verschuivingen in soort agressie en de verandering van richting van de boosheid, die te zien waren in de dromen van een cliënt tijdens een psychiatrische behandeling.

Het gebruik van een computerdroomprogramma bij hulpverlening.
De fascinatie van mensen voor dromen is zo oud als de mensheid zelf. Voor Freud en Jung waren dromen de koninklijke weg naar het onbewuste. Maar ook de stichter van de gestaltpsychologie, Perls (1969, 1972), ontwikkelde methoden om binnen de psychotherapie droommateriaal te gebruiken. Perls zag de verschillende elementen van de droom als nog niet geïntegreerde delen van een persoonlijkheid die met elkaar in gesprek gebracht konden worden. Hij leerde cliënten zelf de existentiële betekenis van hun dromen te achterhalen en het belang ervan voor hun bewuste leven. De Jong (1991) geeft een overzicht van de recente discussies over de betrouwbaarheid van droom-inhouden. Maar ook wanneer dromen niet 'de' waarheid over iemand vertellen, maar slechts de interpretatie van iemand over zichzelf zijn, dan zijn ze toch interessant als projectie-materiaal. Dromen laten bijvoorbeeld zien hoe iemand zichzelf en zijn relatie tot anderen ziet, hoe hij tegenover zijn impulsen staat en hoe hij innerlijke conflicten beleeft.
In mijn eigen psychotherapeutische praktijk vraag ik met name naar de inhoud van dromen, als iemand zijn problemen nauwelijks of slechts vaag formuleren kan. Ik vraag dan met name naar repeteerdromen. Dat zijn dromen waarin steeds dezelfde grondthema's, aflopen of personen voorkomen. Het is van belang vooral te letten op specifieke grondemoties, activiteiten in de droom, de soort afloop, en specifieke behoeften die cliënten in de droom voelden. Van belang is ook te onderzoeken hoe het gesteld is met de zogenaamde vijf 'basisbehoeften' (Pesso, 1969, 1973, 1991). Deze basisbehoeften zijn: bescherming, ondersteuning, respect, een eigen plek, begrenzing. Cliënten kunnen leren onderzoeken wat hun ondergesneeuwde behoeften zijn, die voorwaarde zijn voor een gezonde ontwikkeling en zij kunnen ook leren om een 'positieve figuur' op te roepen voordat zij in slaap vallen. Na enige oefening verschijnt deze hulpfiguur dan soms in hun (luciede) dromen en kan hen alsnog helpen om de symptomen die ontstaan zijn op grond van een onvolledige ontwikkeling, op te lossen in de droom.

Bij het ontwerpen van het computer- 'droomprogramma' baseerde ik mij op de droomreeksmethode van Hall en van de Castle (1966). Omdat het computerprogramma niet in de eerste plaats voor groots opgezet onderzoek bedoeld is, maar vooral voor gebruik in de therapeutische praktijk en voor de huiskamer, bracht ik vereenvoudigingen aan. Met name werd gebruik gemaakt van die categorieën van Hall en van de Castle die voor Perls (1969, 1972) relevant waren in het werken met dromen met cliënten. Sommige in onbruik geraakte psychoanalytische categorieën werden vervangen door modernere categorieën uit de humanistische psychologie, zoals bijvoorbeeld
'basisbehoefen' zoals die door Pesso (1969,1973, 1991) beschreven zijn en waar ik eerder in dit artikel aan refeerde. Het computerdroomprogramma werkt uitdrukkelijk niet met voorgegeven betekenissen van dromen, want die bestaan niet. Het programma ordent gegevens en stelt daar vragen over. Het legt daarna verbanden tussen de ingevoerde gegevens. Het programma vraag vervolgens om eigen associaties. Het probeert daartoe gebruikers zelf te leren associëren op hun droomgegevens. Bij vele kenmerken van dromen die ingevoerd moeten worden, vraagt het programma uitdrukkelijk om eigen associaties in te typen. (Grondvraag daarbij is meestal : " Zijn er situaties waarin u dit gevoel of deze droomsfeer in het dagelijks leven herkent?"). Om gebruikers te helpen associëren zijn er drie soorten 'gidstoetsen' beschikbaar. Onder de eerste gidstoets zitten allerlei suggesties uit de droomliteratuur verborgen, die bij de associaties kunnen helpen. De tweede gidstoets biedt een overzicht van alle eerdere ingevoerde associaties bij een thema. De derde gidstoets geeft percentages (als men bijvoorbeeld 'slechte afloop' invult, kan men onder de derde gidstoets zien, hoe de verhouding goed/slecht in vorige aflopen was, welk soort emoties daarbij naar verhouding een rol speelde, enzovoorts). Naarmate meer dromen èn hun associaties zijn ingevoerd, worden patronen betrouwbaarder.
De dromer kan de existentiële betekenis van zijn dromen op deze wijze steeds nauwkeuriger benaderen.

In een voorbeeld kan duidelijker worden hoe alles in zijn werk gaat. Stel men heeft seksueel/erotisch gedroomd en wil deze droom invoeren. Nadat eerst allerlei gegevens ingevuld zijn over de soort afloop, de plaats, de sfeer, de personen, vraagt het programma ons nu een keuze te maken uit mogelijke emotionele interacties. Een keuze kan gemaakt worden uit: kwaadheid, vriendelijkheid, erotiek en/of sexualiteit, vluchtgedrag, weglopen, zoeken, vragen, of reizen, gewoon contact maken, praten, telefoneren, opdracht uitvoeren, aan verwachting voldoen, anders, weet ik niet, of niet van toepassing. Uit de verschillende soorten emotionele interacties wordt in ons voorbeeld gekozen voor de erotische. Nu stelt de computer ons nadere vragen ter specificatie:
- Hoe is de erotiek/sexualiteit?
1 = plezierig; 2 = onplezierig; 3 = neutraal. Nadat de gebruiker 'plezierig' gekozen heeft, verschijnt nu de volgende vraag:

- Wat voor soort erotische/seksuele handeling vindt er plaats:
1 = fantasie alleen 7 = prettig pijnigend
2 = contact zoeken 8 = alleen voorspel
3 = intiem wandelend 9 = orgastisch
4 = licht strelend 0 = sexuele gemeenschap
5 = kussend a = anders
6 = heftig (maar zonder pijn,
orgasme en gemeenschap)
Stel dat de gebruiker hier kiest voor 4 = licht strelend (Er kunnen meerdere keuzen tegelijk worden ingevoerd).

- Kun je beschrijven wat hier emotioneel gebeurt en welke betekenis dat voor jou kan hebben?
Er staan nu drie helptoetsen ter beschikking, die eerst geraadpleegd kunnen worden.
Gidstoets F1 geeft hulp bij het associëren. Nadat op deze toets gedrukt wordt verschijnt de volgende tekst op het scherm:
Soms worden in droom-activiteiten handelingen uitgedrukt die in het dagelijks leven niet gerealiseerd worden. Dit zijn soms onderdelen van je eigen persoonlijkheid. Je wilt bijvoorbeeld graag initiatiefrijker zijn, of je zou juist graag passiever zijn, of je zou de tederheid die in een droom te voorschijn komt willen en niet direct pure sex of juist wel.
Herken je dit? Denk er eens over na of je in het dagelijks leven het meer hetzelfde zou willen ervaren als in je droom. Wat houdt je tegen om dit te realiseren.
Helptoets F2: Hieronder wordt een overzicht gegeven van alle associaties die de gebruiker tot nu van eerdere dromen over erotiek en seks heeft ingevuld..........
Helptoets F3: Onder deze toets worden percentages gegeven. Allereerst de verhouding in tot nu toe ingevoerde dromen van plezierige erotisch of seksuele dromen ten opzichte van onplezierige. Vervolgens in hoeveel % dromen erotisch gedroomd werd. Tenslotte een specificatie van het soort erotische of seksuele handeling in tot nu toe ingevoerde dromen.
Met behulp van deze gidstoetsen kan de gebruiker nu zich opdringende associaties intypen en de betekenis van de gedroomde erotische of seksuele handelingen en emoties.

De ingevoerde associaties zijn wellicht vrij willekeurig, maar nadat een reeks dromen is ingevoerd, kunnen zich tendensen en patronen gaan aftekenen die iemand aan het denken zetten over zichzelf of die in therapie ter sprake gebracht kunnen worden.
Ook kunnen onderlinge verbanden opgespoord worden nadat een reeks dromen is ingevoerd. Stel men wil karakteristieken onderzoeken van eigen of cliënts seksueel/erotische dromen. Men laat de computer nu eerst dit soort dromen selecteren.
Op vele vragen kunnen nu antwoorden gezocht worden (figuur 1) en gegevens met elkaar gecombineerd worden. Bijvoorbeeld: hoe lopen mijn erotische dromen in het algemeen af, welke behoeften liggen er precies aan ten grondslag, gaan de handelingen van mij uit of meer van de ander, wanneer komt een behandelend hulpverlener in de droom voor, enzovoorts.

Hopelijk stimuleert dit artikel collega-wetenschappers tot het gebruik van dromen bij onderzoek en hulpverlening.

Informatie.

Uitgever droomcomputerprogramma: T & O (Test en Opinion), Korreweg 1, 9714 AA Groningen, tel. 050 - 573 45 46, fax 050 - 573 45 95. E-mail: Ottobw@dds.nl
Een demo kan gedownload worden via internet (en ook van Personal Sexpertise van dezelfde auteur). Adres:http//huizen.dds.nl/~zelfhulp.
Informatie over de in dit artikel vermelde Pesso psychotherapie is te vinden op internet: www.pbsp.com

Literatuur

Hall, C.S. en Van de Castle R.(1966). The content analysis of dreams. Apple-Century- Crofts, New York.
Hall, C.S., Domhoff, W., Blick, K. en Weesner, K. (1982). The dreams of college men and women in 1950 and 1980: a comparison of dream contents and sex differences. Sleep 5, p.188-194.
Jong, M. de (1991). Sprekend nog met de nacht. Over dromen en droomonderzoek. Swets en Zeitlinger, Amsterdam/Lisse.
Perls, F. (1969). Gestalt Therapy Verbatim. Real People Press.
Perls, F. (1972). Gestalt Therapy Now. Penguin Books.*
Pesso, A. (1969). Movement in Psychotherapy. New York: Univ.Press. London: Univ. of London. Press Limited.
Pesso, A. (1973). Experience in action. New York: Univ.Press.
Pesso, A. en J. Crandell (1991). Moving Psychotherapy. Brookline Books.
Sommeling, L. (1972). Stage-verslag droom-onderzoek van een patient met psychiatrische problematiek. Rijksuniversiteit Groningen, afdeling Klinische Psychologie.
Sommeling, L. (1990). Computers en Seksuologie. Tijdschrift voor Seksuologie,14,1.
Sommeling, L. (1992). Sexpertise: een seksuologisch computerprogramma. Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 6.
Sommeling, L. (1998). De Sexpertise computerpgrogramma's. In : Tijdschrift voor Seksuologie. (Aangeboden voor publicatie).
Waterman, D., Jong M. de, en Magdelijns, R. (1988). Gender, sexual orientation and dream content. In: W. Koella, F.Obal, H. Schulz en P. Visser (red.). Sleep 86. Gustav Fischer Verlag, Stuttgart-New York.

Summary.
Dreams. A 'Dreamprogram' on the computer.

Research on dreams can be used for sexological research and treatment. The use of the computerprogram 'Dream-analysis' is illustrated.

Wetenschap over droomanayse met de computer

Comments