Spirituele dimensies in psychotherapie

            

Spirituele dimensies in psychotherapie

door Louis Sommeling (copyright)

De laatste jaren komt er steeds meer behoefte aan een uitwerking van de spirituele aanknopingspunten die de psychotherapie biedt maar onvoldoende heeft uitgewerkt. Als psychotherapeut behoren wij het onderscheid te kennen tussen spiritualiteit als vlucht of als doel bij cliënten. Meditatieve ervaringen, zoals bijvoorbeeld in een mindfulnesstraining, kunnen iemand doen vastlopen of steeds verder grondeloos doen verlangen, wanneer er onvoldoende basis is doordat neurotische conflicten nog niet zijn opgelost.
Eveneens vind ik het van belang dat psychotherapeuten kunnen zien wanneer iemand op gezonde wijze zijn therapeutisch doel wil verleggen naar een meer spirituele weg of daar aan toe is. Dat kan voortreffelijk binnen psychotherapie maar vereist wel een iets andere benadering dan wij gewend zijn.

duifZonder Boeddhist te willen worden heb ik mij de laatste jaren de eeuwenoude psychologische kennis van het Boeddhisme proberen eigen te maken. Zij geeft niet alleen een verdieping aan de psychotherapiepraktijk doordat zij aanwijzingen geeft om het beste ervan te verfijnen, maar de confrontatie met Boeddhistische kennis roept ook hele concrete vragen op over de wijze waarop wij onze therapie uitoefenen. Ons omgaan met emoties roept vraagtekens op en het ego-concept is te eenzijdig gedefinieerd en gaat soms niet verder dan de versteviging van de ikfunctie. Met als gevolg dat onze therapie voor vrouwen stopt bij aangeleerde assertiviteit en dat bij mannen hun identiteit niet op hun innerlijk wordt gefundeerd.

In mijn werk ben ik enkele Boeddhistische psychologische concepten gaan integreren zoals ´het leeuwengebrul´, het ´pijnlichaam’ en haar andere kijk op emoties. Met drie fragmenten van een therapeutische sessie zal ik dat in dit artikel verduidelijken.

1. Zingeving en psychotherapie.

De treinen naar het Noorden maken lange afstanden. Ik zit in de trein met een jonge I.T.er. We vertellen elkaar ons levensverhaal. Hij zegt: “Wat jij deed, eerst het klooster in, toen op zoek terug in de wereld, dat willen wij juist andersom”. De jongere generatie heeft behoefte aan stilte en aan meer dan oppervlakkigheid. Jongeren komen geregeld in psychotherapie met vragen rondom zingeving..
Zingeving hoort wel degelijk in psychotherapie thuis. Een van de axioma's in psychotherapie luidt immers: bevrediging van de basisbehoeften en zelfrealisatie leiden tot genieten, tot verbondenheid en tot een gevoel van zin. Iemand kan zin ervaren door een beter contact met zijn lijf. Dan komen de ´antwoorden ´vanzelf´. Een tekort aan behoeftebevrediging en gebrek aan zelfrealisatie leidt tot problemen op het vlak van zingeving. Er zijn gezonde en pathologische manieren om naar zin te zoeken. Het kan allereerst een taak zijn van psychotherapie om gezond en pathologisch zoeken naar zin te helpen onderscheiden. Volgens de bekende psychotherapeut Irvin Yalom horen therapieën uiteindelijk en meestal over zin te gaan. Hij schrijft momenteel aan de lopende band bestsellers waarin hij filosofen als Nietzsche, Schopenhauer en Plato introduceert.

Veel therapeuten vinden dat spirituele zingeving en psychotherapie verre van elkaar moeten blijven. Ze gebruiken daarbij het argument dat een therapeut vanuit het spirituele per definitie niet onbevooroordeeld luisteren kan omdat hij impliciet een boodschap heeft en een bepaalde richting uit wil duwen. Dat argument is voor mij niet valide.
Het verwart namelijk een al lang achterhaald dogmatisch van verborgen boodschappen doordrenkt godsdienstig uitgangspunt met een open spirituele houding. Een ander woord voor dit laatste is voor mij gewoon ´possibility sfeer´: Er wordt een situatie gecreëerd waarin mogelijkheden gefaciliteerd worden en alles van de cliënt er mag zijn in principe.
Deze houding vertegenwoordigt de hoogste vrijheid. Waarheid is hier de waarheid van de cliënt en geen absolute Waarheid die elders gesitueerd zou zijn. Een open spirituele houding is de schijnwerper die de waarheid van de cliënt beter aan het licht brengt. Het is de voorwaarde tot en niet de invulling van. Deze houding noem ik spiritueel omdat deze alleen kan worden opgebracht door de therapeut die in de rust van zijn eigen centrum verkeert en zo contact maakt met de ander. Hij gelooft dat de waarheid in de cliënt is. Hij gelooft dat soms meer dan de cliënt zelf en hij helpt de cliënt met zijn empathische blik.

Meer dan om technieken gaat het hier om een basishouding. Juist de therapeut die niet instrumenteel en niet alleen maar vanuit een soort handleiding werkt, maar ´tegenwoordig is´, is in staat om onbevooroordeeld te luisteren. Volgens mij is het geheim van heling van welke therapie dan ook, niet alleen na veel sessies maar vanaf de eerste zitting, naast enkele andere factoren vooral gebaseerd op twee transcendentele peilers: de liefde (compassie) van de therapeut en de waarheid in de cliënt zelf. Ik voeg hier het adjectief ´transcendent´toe omdat wij deze waarden niet kunnen manipuleren en ze ons in zekere zin te boven gaan.
Dat is voor mij spiritueel (hetgeen voor mij ´van binnen uit´ , vanuit contact, vanuit intimiteit zonder te oordelen betekent). “Blessing and naming starts functioning” zegt Pesso: de therapeut benoemt wat zich voor hem achter de coulissen aftekent, zodat het voor de cliënt ten tonele kan verschijnen en in het licht komt. De therapeut is eigenlijk niet neutraal en ongelovig maar is ervan overtuigd, gelooft wel degelijk, dat de waarheid in de mens zelf gelegen is, dat de zaak goed in elkaar zit, dat de schepping in zekere zin deugt, dat hijzelf geen schepper is, maar slechts een assisterende vroedvrouw bij een geboorteproces. Sommigen erkennen wel ´spirituele´ momenten in therapie, “maar daar moet het dan bij blijven. Voor mij vormen ze de kern, ze bepalen mijn attitude vanaf de eerste tot en met de laatste sessie. Dit noem ik werken op zielsniveau.

2. Onderscheid spiritueel en psychotherapeutisch uitgangspunt.

Sommige spirituele leiders vinden dat psychotherapie en spirituele groei van elkaar onderscheiden moeten worden. Je kunt volgens hen zelfs niet zeggen dat de weg tot verwezenlijking van het uiteindelijke Zelf in het verlengde ligt van therapie. “Het komt juist neer op een radicaal verleggen van standpunt”, schrijft Philip Renard (1990) scherpzinnig. De hele gerichtheid op jezelf, dat wil zeggen op de inhoud van de persoon, is namelijk gebaseerd op een behoefte om jezelf te verbeteren. Dus een deel van de persoon vindt dat een ander deel veranderd moet worden. In feite is dit de zoveelste vorm van tweedracht. Dit duale proces gaat onafgebroken door, ook al wordt het subtieler en subtieler.
Hoe subtiel de drang naar zelfverwerkelijking ook is (bijvoorbeeld onder de noemer van ´ontwikkeling´ of ´groei´), deze blijft uitgaan van de realiteit van de persoon” , vervolgt Renard zijn betoog. Hij beweert dus – en dat is een zuiver Boeddhistisch standpunt en komt volgens mij overeen met de eenheid in het zelf die Pesso steeds benadrukt - dat pas als gezien wordt dat de hele persoon in feite een bundel concepten is, de veranderingsdrang tot ontspanning kan komen (overgang van therapie naar spiritualiteit).
Je moet iemand helpen door hem te laten zien wat hij niet is. Vader- of moederstemmen zijn ooit onopgemerkt een richtsnoer in ons leven geworden, en deze stemmen veroorzaken een voortdurende innerlijke strijd. Wij vereenzelvigen ons met de beschuldiger en de beschuldigde, met als resultaat een innerlijke tweedracht die niet te stoppen is. In deze tweedracht, dit basisdilemma, ligt volgens Renard het wezenlijke probleem van de persoon Op een gegeven moment kan duidelijk worden dat de beide zijden van het dilemma al gezien worden (en wel op een niet veroordelende manier).
Spirituele leraren bedoelen dat er een niveau is waar dualiteit en tegenstellingen overstegen worden en een eenheidspunt gevonden wordt. Dit is wezenlijk het spirituele niveau, waarbij acceptatie van het gewoon maar zijn, ten volle aanwezig is en er aan niets meer ´gewerkt´hoeft te worden

Het einddoel van therapie is volgens deze spirituele leiders dus niet slechts een ´gezond functioneren´ en ook niet een ontdekken van een hoger edel zelf (!!), maar een besef van het afweerkarakter van de hele persoon, inclusief de hogere of subtiele aspecten. En daar stopt dan volgens hen het therapeutisch proces. Dit is een helder geformuleerd standpunt over het verschil tussen een therapeutisch en een spiritueel doel. Zover kan ik best meegaan; het schept helderheid over twee verschillende doelen en de overgang daartussen. Maar ik ben het absoluut niet met hen eens dat het spirituele niveau niet in therapie thuis zou horen, zoals ik in de vorige paragraaf heb laten zien.

3. Overeenkomsten spiritualiteit en psychotherapie. Het lichaam als oog van de ziel.

Mijn leermeester Pesso beschouwt de soul en het ´soullevel´ als de kern van zijn psychotherapie . Het begrip 'ziel' krijgt bij hem meer dimensies dan
de gereduceerde Westerse betekenis van 'psyche ' als louter ' het functioneren van het psychisch apparaat' . Pesso geeft het begrip 'ziel' en 'psyche' hun oude ( Griekse) betekenis terug, als de kern die oprijst uit het organisme (en niet van buitenaf ingestort wordt). Pesso verzoent hier hemel en aarde door er niet iets verticaals godsdienstigs bovennatuurlijks bij te halen, maar door het werkelijke van de werkelijkheid te laten zien. Dit aspect – de natuurlijkheid en ware aard der dingen - noem ik de spirituele dimensie. Het gaat over het lichaam en het loopt ook via de zintuigen. Het lichaam is de enige mogelijke toegang tot innerlijke beleving en bewustwording.
Plato noemde het lichaam al ´het oog van de ziel´.Het woord ´spiritualiteit´ is misleidend, omdat het vaak opgevat wordt als ´dat wat boven het aardse uitgaat´. Maar spiritualiteit gaat over deze stoffelijke wereld, de volle omarming ervan, het directe besef ervan, de echtheid ervan, de ´ingrond´. En daaruit voortvloeiend over de samenhang der dingen, de niet-splitsing, dus ook over het lichaam. Daarin kunnen we onze emoties ervaren en ons bewust worden van onze gevoelens en van de werking van onze ratio. Dit soort spiritualiteit voltrekt zich aan het ware zelf, dat uitgenodigd wordt om in relatie met de werkelijkheid tot (zelf)bewustzijn terug te keren.

Pesso psychotherapie

onderscheidt zich niet in de eerste plaats van andere therapievormen als een nieuwe methode die gekarakteriseerd kan worden als 'ervarings- en lichaamsgericht met gebruikmaking van analytische concepten'. Naar mijn inzicht is het in de eerste plaats een visie òp en vanuìt de 'soul'; deze visie verdiept de algemene therapeutische grondhouding. De 'ziel' is 'het ware zelf, 'all that I am' en het geloof daarin bepaalt de positie van de Pesso-psychotherapeut. Hij is geen creator maar een assisterend vroedvrouw die helpt bij de geboorte van wat er al is. Het ik-niveau van instrumenteel, nuttig en effectief handelen wordt in het soulniveau overstegen. Het soul-niveau is van een andere orde. Het geeft onze therapie diepgang. In het hele universum is er van deze maar één, schrijft Pesso: 'that what has never been before!'. Deze unieke individualiteit (uniqueness) licht op vanuit de achtergrond, als iemand haar of zijn geplastificeerde standaardisaties durft te verlaten en de ware gedaante verschijnt. Als de glinstering in een kostbare (preciousness) diamant van grote waarde (value) zien we dan de 'Glimpses of Truth'. Het zichtbare verdwijnt, het onzichtbare verschijnt. Worden we niet allen getroffen wanneer we een cliënt echt persoonlijk zien worden en zeggen of voelen we dan niet dat iemand 'het' heeft ('got soul') en van binnen uit straalt. Het is als de frisheid van een eerste lentemorgen. Zelfs een oud gelaat kan dan oplichten. Het is van groot belang voor dit soullevel uit te blijven komen en het naam te geven, zodat het blijft functioneren binnen onze Pesso-psychotherapie.

Dan komt de cliënt bij zijn eigen beleving, als we hem ook een beetje met rust laten, en vanuit die rust kan de ervaring starten dat hijzelf een schat aan oplossingen in zich draagt. Hiervoor is juiste timing nodig, die de therapeut alleen kan voelen wanneer deze in zijn eigen centrum is. Daar is soms stilte voor nodig en juist geen handelen. Geen becoming , maar being. Het is het soullevel als de stille diepte die Louis Couperus beschrijft: “ de morgenbries woei aan de ziel der Perzische rozen”. Being is een centraal begrip in de spiritualiteit. Het is het besef ten volle tegenwoordig te zijn. (pre-sentia = het voelen dat aan de woorden voorafgaat). Dit laatste is ook het kenmerk van spiritualiteit, zoals Vos (noot 5) in allerlei nuances beschrijft. Deze spirituele dimensie moet binnen psychotherapie herkend worden en kan tot een ander soort interventies leiden dan wij gewend zijn, zoals ik in de volgende paragraaf laat zien.

4. Drie voorbeelden van therapiesessies vanuit een spiritueel uitgangspunt.

Een paar begrippen uit het Boeddhisme die ik mij ook meditatief eigen probeer te maken om de betekenis ervan goed te laten doordringen, geven mij tegenwoordig meer alternatieven voor interventies bij het begeleiden van structures, zeker bij ervaren therapeuten die al veel structures gedaan hebben. Het is een experimenteel veld. Spijker mij er niet op vast.
Ik zal drie fragmenten van sessies beschrijven waarbij het juist Boeddhistische psychologiekennis was die het proces voortgang deed vinden omdat het op een ander niveau werd gebracht.

4.1. Eerste fragment. Het leeuwengebrul.

Een ervaren psychotherapeut vertoonde een voortdurende diepe angst. Veel rolfiguren hadden hem al ondersteund, maar de angst bleef. Het was de angst voor zijn eigen innerlijk. “ Wat voel ik me soms leeg, vreemd, anders, onecht”. Er is, in de woorden van Winnicot, te weinig capacity to be alone, er is angst om eigen innerlijk rustig onder ogen te zien.
Psychotherapie put zich vaak uit om die leegte te dempen met hypothetische verklaringen over iemands jeugd. Dus met iets dat zich van buitenaf verklaren laat en niet van binnenuit moet worden opgelost. Maar het Boeddhisme wijst ons er op dat juist het omgekeerde gebeuren moet en de leegte niet verklaard of opgelost moet worden, maar dat dit de algemene staat van ieder mensenkind is, die alleen maar onder ogen gezien hoeft te worden.
Juist de acceptatie van deze staat en het zonder angst in de leegte kijken, moet worden aangemoedigd. Onze identiteit bestaat in feite namelijk juist uit leegte, wat niet negatief is, maar bij nadere angstloze beschouwing als volheid ervaren kan worden. Het is alsof ´zevenendertig stromen in je zingen´, het is van een ongehoorde schoonheid en kan, eenmaal verworven, een blijvende diepe innerlijke kracht worden. Het kan onderzocht worden. Door je in de holle kern te begeven kun je wat je verloren hebt (bijvoorbeeld als je je steeds alleen maar hebt afgezet en je eigenlijke kern dus niet kent) terugvinden.
Iedere mens kent dat gevoel van leegte wel in zichzelf wat als een vaag gevoel van onechtheid kan worden ervaren. Daarom stelde ik mijn cliënt voor het eens zonder de interactie met rolfiguren te doen, dat was al zo veel gebeurd. Intuïtief voelde ik waarschijnlijk aan dat hier niet de gewone psychotherapie met verklaring en steun ingebracht moesten worden, maar de aanvaarding van ons aller lot waar we niet bang voor hoeven te zijn. Ik moedigde hem aan tot wat in het Boeddhisme het ´leeuwengebrul´ wordt genoemd. “ Zie de angst onder ogen, voel hem waar dan ook in je lichaam, wees er niet bang voor, onderzoek hem”. Hij deed het, en de belofte werd waar dat we lood in goud kunnen veranderen. Epstein (zie de uitgebreide noot 16) onderstreept het belang van acceptatie van de leegte, of beter gezegd van de moed om daarin te durven kijken en haar niet direct uit te bannen en op te vullen.
Naar aanleiding van dit artikel schreef ik de betreffende psychotherapeut of ik goed verwoord had hoe het jaren geleden gegaan was in die sessie. Hij schreef me er onder meer over:
“ Ik kon het gevoel weer terughalen van “erin zitten en ervaren”, hoe eng én hoe bevrijdend. Bijna: Stoer! Ik ben me ervan bewust, dat ik de laatste tijd het “blijven zitten in…” als iets heel wezenlijks voel en daar ook meer mee werk. Geen haast hebben om cliënten direct een steunende rolfiguur te bieden e.d., terwijl ik in de opleiding eens de opdracht kreeg binnen vijf minuten een rolfiguur te plaatsen. Was ook wel nuttig hoor, omdat ik toen ook erg aarzelend was. Het grappige is dat door het lezen van jouw beschrijving van die sessie (het leeuwengebrul, wat een mooi woord !) mijn herinnering eraan weer expliciet wordt…….”.

Interessant is om hier het commentaar van de een collega psychotherapeut te horen (die het niet nodig vond zijn naam te laten vermelden).
Wanneer het dondert dan dondert voor het verse kind de wereld in mekaar. Ouders zijn er dan om te laten horen dat ze weten wat dit is en om op die manier de angst af te lijnen en te begrenzen. "Ja, ik ben ook bang als het zo onweert, maar ik weet dat de wereld niet vergaat. Binnen een kwartiertje of zo is het weer voorbij." In de structure moet er dus geen steungevende ouderfiguur zijn, maar een begrenzende/containing ouderfiguur. Bij containing zeg je "wat je voelt is OK, ik ben bij je, en je gaat niet exploderen of vernietigd worden door dit gevoel. Ga maar; laat het maar komen. Ik word niet verpletterd door deze angst". Bij jouw "leeuwengebrul"-interventie doe je/zeg je precies hetzelfde: " Ik moedigde hem aan,...., wees er niet bang voor". M.a.w. dit is een voorbeeld hoe je impliciet in de overdracht als therapeut de concrete rol gespeeld hebt. Daar is voor mijn part niets tegen. In tegendeel: het is maar omdat deze ouderlijke kwaliteit aanwezig is bij de therapeut t.o.v. de cliënt dat de ideaalfiguur straks geloofwaardig zal zijn. In pessotherapie proberen we deze kwaliteit bij de symbolische rolfiguur te krijgen, omdat dit een stap verder is in het proces van integratie van deze figuur in jezelf. Maar vaak lukt dat niet. Of doet de cliënt alsof, maar is het toch de kwaliteit van de therapeut die vertrouwen geeft.
“Ik zie hier geen tegenstelling tussen pessotherapie en jouw leeuwengebrul. Natuurlijk hoort angst bij het leven. Angst hebben is een goeie zaak, want het signaliseert gevaar. Maar angst kan overweldigend worden, zodat het alles plat legt en geen beweging (iets ondernemen tegen het gevaar) meer mogelijk is. Dan zit je in pathologische angst. Het klein kind is aan deze overweldigende angst overgeleverd omdat het niets weet en de dingen niet kan plaatsen.

Deze structure kan dus ook vanuit een Pesso-visie, concludeert mijn vriend. Toch vind ik dat ik hier het dogma van “er moet een rol komen” doorbroken heb, hetgeen goed werkte. Ik wilde hem na alle rollen die hem al ondersteund hadden in de loop der tijd, iets geven wat hij zelf kon.

Er is nog een ander punt waarom ik in deze structure anders handelde dan op de gebruikelijke pessowijze. De visie op emoties, niet alleen op de emotie angst zoals in dit voorbeeld, maar op alle emoties, is in het Boeddhisme niet gelijk aan de westerse visie, waaronder die van de Pesso-psychotherapie. Het is alsof Pesso dat is gaan aanvoelen. Het is niet voor niets dat expressie van negatieve uitingen de laatste jaren door hem wordt gerelativeerd of zelfs niet meer wordt gedaan. Pesso: “Last 10-15 years I don’t do almost no more agression”. Emoties moeten niet altijd geuit worden en zijn niet alleen in het onderdrukken ervan maar óók in overdreven uitingen ervan, soms een afweer tegen een emotie daaronder, die nog pijnlijker en angstiger is. De spectaculaire agressie en krachtuitingen van mijn eigen eerste reeks structures leidden volgens mij tot niets, totdat de afweer daaronder werd gezien van verdriet en leegte. Ik liet me jaren geleden door Pesso de verkeerde kant opsturen omdat mij toen de moed en ervaring nog ontbrak dieper in mijzelf te kijken. Wij hebben allen gezien hoe heerlijk het voor beginnende cliënten is zich ten volle ook lijfelijk tot expressie te brengen. Toch zijn meer interventie-alternatieven en een genuanceerdere kijk op emoties hard nodig(zie Epstein, 1991, 1996 en noot 16), zeker voor lichaamsgerichte psychotherapeuten.


4.2. Tweede fragment. Het pijnlichaam.

Nu een tweede sessie waarbij ik niet alleen afweek van het verlangen van de cliënt om een troostende rolfiguur neer te zetten, maar ook vraagtekens zette bij de onderliggende emotie. Een probleem wordt vaak mede in stand gehouden of keert weer terug – ook bij mensen die veel structures gedaan hebben - door wat wel het ´pijnlichaam` genoemd wordt: een verslindend monster dat in jezelf huist en dat bij iedere klacht en zucht van jou deze als voedsel opslurpt in een eindeloos klaagproces. Als je dit niet herkent kun je wel honderd structures blijven doen zonder wezenlijk resultaat. Bewustzijn van dit monster is noodzakelijk: het heeft niets te maken met geïntrojecteerde stemmen van vroeger, maar behoort tot onze menselijke conditie en culturele gewoonten. In die laatste zin is het een soort collectieve en niet persoonlijke schuld. Het is het blijven duiden en analyseren en hypothetiseren van problemen met de ratio. Het jezelf beleven als een vat van dialogen, van positieve en negatieve stemmen, van alsmaar vicieuze cirkelredeningen, is een algemene ervaren gevoel van de Westerse mens. Dit lijkt voor Pesso-psychotherapeuten wellicht een open deur omdat zij weten dat wat in het lichaam ervaren wordt basaler is dan wat er in de ratio plaats vindt. Maar wat ik bedoel is dat deze splitsing in onszelf met afkeurende en bemoedigende stemmen in ons hoofd, ook ná een therapie door blijft gaan. Hier zal de therapeut de diagnose moeten stellen of het hier om een nog nooit erkende behoefte gaat of om louter zich herhalend geklaag. Ik confronteerde haar in deze structure met die vraag en ze herkende haar gedrag. Iemand die het begrip pijnlichaam helder uiteengezet heeft is Eckhart Tolle (2005) die overigens kan dienen als de meest dichtbije en heldere auteur die ons dagelijks leven vanuit Boeddhistisch perspectief uiteen zet. Wie naast de theorie ook nog wil leren mediteren, beveel ik boekje van Tydeman (1998) aan, dat schittert door haar eenvoud.
Bij navraag anderhalf jaar later heb ik degene die de structure deed gevraagd of het concept ´het pijnlichaam´ haar geholpen had of dat er net zo goed of beter een rolfiguur met interactie neergezet had kunnen worden.
“Nee, zei ze, het was juist goed zoals het ging. Het is een goede manier om na de therapie thuis mijzelf te blijven verzorgen.” De neiging naar de pijn gaat na een therapie niet weg, je moet het blijven bijhouden, zoals je ook je nagels moet blijven knippen . Verder merkte ik duidelijk dat ik na de structure ook minder de neiging heb om onnodig bij anderen te rade te gaan en minder de bevestiging van de ander nodig lijk te hebben; ik vertrouw meer op mijn eigen beleving”.

Commentaar van mijn Pessovriend op deze structure: “Dit zegt mij niets. Ik denk wel - en misschien sluit het aan - ik ben nu verder dan Janov's primal pain, waar het voelen van de pijn het hoogste goed was. Op den duur werd alleen zwemmen in de pijn als weldadig beschouwd. Ik vind het terecht dat Pesso hierin verder gaat en dit zelfs afblokt. Wat niet betekent: het ontkennen van de pijn en van gemis”.

Mijn commentaar : Dat cliënte meer op haar eigen beleving durft vertrouwen is wellicht een rechtstreeks gevolg van de ´andere´ wijze van structure begeleiding: iemand wordt - na alle eerder gebruikte rollen- geleerd hoe het zelf te doen.


4.3. Derde structure. Over egoloosheid.

Tenslotte, een derde voorbeeld van een structure, waarbij een meer spirituele houding de interventies ingaf. Met iemand vierde ik dat zij tot vrede en een rustiger eenheid met alles gekomen was omdat zij ook de laatste projecties, die over het ´ik´, had durven loslaten in haar leven (meer uitleg over het begrip ´ik´, zie enkele regels hieronder). Wij keken tijdens de structures zonder veel te doen samen naar een bos bloeiende bloemen. Wij vormden samen een eenheid met die bloemen, de bloei ervan werd tot meer dan een metafoor, er was geen fragmentatie, er werden geen afzonderlijke objecten meer neergezet of onderscheiden. De zinsnede hierboven over ´het loslaten van de laatste projecties van het ego´, wil ik nader uitleggen, omdat het gelegenheid biedt een tot grote verwarring leidend begrip als egoloosheid beter te begrijpen.
Er bestaat een algemene existentiële angst bij iedere mens, die onafhankelijk van met of unmet needs gewoon een gevolg is van ons menselijk bestaan. Deze angst komt volgens de Boeddhistische leer niet voort uit een niet uitgewerkte projectie uit de jeugd, maar uit de laatste projectie, de meer fijnzinnige projectie van ons ´ik´. Niemand van ons is voorgoed ´genezen´ na een geslaagde therapie. Om in balans te komen en te blijven, de eindeloze dialogen in ons hoofd tot rust te laten komen, de afstand die we tot anderen soms maken en ervaren kwijt te raken, ons één en niet gefragmenteerd te voelen, niet steeds het gevoel van imperfectie en moeten veranderen te ervaren, is méér nodig. We zullen steeds weer opnieuw moeten proberen ons ´ego´, onze vermeende speciale bijzonderheid, los te laten en te ervaren wie we echt zijn. . Hoewel psychotherapie dan op een ander niveau komt, moeten we dit punt bij mensen die daar aan toe zijn, wel leren herkennen. Het gaat om een in wezen spiritueel verlangen dat niet alleen pas door 65plussers wordt gevoeld. We vierden in deze derde structure dat die laatste projecties, die doorgaans ervaren dualiteit, overwonnen waren. Het ego was niet meer nodig in haar afstandscheppende en objectiverende afweerfunctie. Schijnidentiteit van beroep en rol was een gepasseerd station, het ging nu om haarzelf.

Commentaar van de buitenlandse Pesso-opleider : "wie ben ik eigenlijk" Dit is voor mij een irrelevante vraag, die niet te beantwoorden is en die ook niet beantwoord moet worden. Tenzij met: ik ben …(volgt zijn doopnaam). En al het zoeken naar antwoorden op: en wie is dat dan? laat ik graag over aan anderen. Zij moeten tenslotte toch ook over iets kunnen roddelen. Overigens verandert het antwoord van minuut tot minuut: ik ben iemand die zit te schrijven, iemand die moet gaan plassen. Ben ik daarom een schrijver, een schapenkijker, een zeikerd?

Mijn commentaar daarop. Ik ken Pessotherapeuten van naam, die de Pesso-psychotherapie verlaten hebben omdat het egobegrip van Pesso voor hen niet fundamenteel genoeg is, niet tot de nodige radicaliteit leidt en ook niet helemaal spoort met wat de spirituele traditie erover zegt. Het is niet eenvoudig de relevantie van de vraag “Wie ben ik eigenlijk” uit te leggen. Hij stuit vaak op veel onbegrip terwijl het voor het Boeddhisme de meest fundamentele vraag is die je jezelf voortdurend stellen moet. Waarom dan?

Pas na lange tijd begon ik het belang van vragen rond het ego en de radicaliteit ervan echt te begrijpen. Eerst had ik er grote tegenzin tegen. Omdat ik namelijk net het gevoel van tegenwoordigheid had ontdekt, het bewust er zijn, het uit de automatische piloot gaan. Dat was een geweldige ontdekking: experiencing time and not wasting time. Voor Perlmann die Lisa Vos (2008, zie noot 5) in haar artikel aanhaalt is dit hét kenmerk van spiritualiteit (Paul Mercier, Het zwijgen van Perlemann) . Vooral een zin uit dit boek vond ik bij lezing prachtig: “Zij gaf mij tegenwoordigheid”. Het zijn vaak vrouwen die ons uit ons doelgericht bezig zijn met wat daar in de verte ver buiten ons, is, los kunnen maken. Ik wilde dit hervonden bewustzijn in mijzelf – als ik praat, dan praat ik;als ik stil zit, dan ervaar ik dat zelf, enzovoorts – voor geen goud kwijt. Is dit niet het observing ego, waar Pesso over spreekt, het erbij zijn, het zien wat ik doe, zonder daarbij overbewust te worden, zo veel mogelijk er ten volle tegenwoordig zijn. Dit bewustzijn is waar het om draait. Maar er zijn andere ´lagere´staten van het ego die we krampachtig vasthouden en die afstand scheppen. “ Ik vind jou op vakanties altijd veel aardiger, je bent dan gewoon die je bent”, zei mijn vrouw eens tegen mij. En als ik thuis kom en zeg dat ik een fijn gesprek met iemand gevoerd hebt, zegt zij: “Je hebt zeker weer verteld dat je priester geweest bent”. Ander voorbeeld van het dikke ego is voor mij wanneer een oud iemand geen stapje opzij wil doen om plaats te maken voor een jongere generatie. Hij blijft dan zichzelf te belangrijk vinden, maakt geen ruimte en houdt afstand. Hij denkt zelf alles uitgevonden te hebben, terwijl hij zijn talent niet zelf gemaakt heeft, en niet ziet hoe de tijd, de omstandigheden en anderen zijn succes mede hebben mogelijk gemaakt. Wanneer ik dood ga, wil ik niet beschreven worden als ex-priester of als psychotherapeut ook al lijken juist dit soort beroepen zo samen te vallen met mijn identiteit. Wie ben ik dan wel als ik deze functie niet ben en afleg na mijn pensioen of blijf ik er gewoon mee doorgaan zonder een gezellig opaatje te worden? Of een opaatje die naar de achtergrond gaat en er vooral op uit is niet zichzelf te promoten maar jongeren stimuleert bij de ontplooiing van hun eigen talenten? De vraag wie ik werkelijk ben, kan alleen maar leiden tot bescheidenheid, als het besef ontstaat dat alles met elkaar samenhangt. Dit soort besef maakt van iemand een toegankelijk mens, omdat deze mens geen hoge pretenties tussen hem en mij inzet. In gesprek zullen wij daarom op deze wijze snel in een soort gemeenschappelijke ruimte verkeren, een hoge vorm van intimiteit zonder al te veel barrières en grenzen. Dit soort besef van egoloosheid beschermt ons ook tegen illusoire vooronderstellingen, die van alle dingen losse objecten maken en van mensen losse niets met mij te maken hebbende gefragmenteerde verschijnselen. In deze derde structure vierden en ervoeren wij het einde van de strijd, de ver gevorderde egoloosheid, het rustgevende contact met alles.

Om misverstand te voorkomen en het misschien nog ingewikkelder te maken: natuurlijk hebben we een ego nodig. Voor het laten beklijven van ervaringen, voor sturing en wilskracht zijn goede egofuncties vereist. Dat zal niemand bestrijden, ook het Boeddhisme niet. Veel populaire Westerse psychotherapieën beperken zich echter tot dit soort functies van het ego. Het gaat dan alleen maar om ik-versterking, op een machomanier: voor jezelf opkomen, assertief zijn, je grenzen bewaken terwijl deze vorm van ik-handhaving bijna nooit gezien worden als vorm van angst, waarbij de eigenlijk bron van spontaneïteit en levende bezieling als doel van therapie, helemaal niet in focus komen. Ik vind dat een beperkt mensbeeld. Gelukkig bezondigt Pesso zich niet aan het aankweken van dit soort macho-autonomie. Voor hem is werkelijke autonomie niet het gebied met fallische torens aan haar grenzen, dat door strijdende ridders met lansen wordt bewaakt. Werkelijke autonomie ontstaat volgens hem wanneer er een balans is tussen kracht en ontvankelijkheid, anders gezegd: tussen expressie en receptiviteit. Hij gebruikt het natuurlijke beeld van een organische cel, die een wand heeft die zowel naar binnen toelaat en naar buiten uitscheidt en zo juist levend is.

De late Rogers en Freud op het einde van hun leven, keerden zich ook af van dit platte westerse mensbeeld met ego-barricaden en kennen spiritualiteit een van kerkelijke instituties onderscheiden eigen domein toe dat betekenis heeft. In een beroemde passage schrijft Rogers:
“ Het is als luisteren naar de muziek van de sferen, omdat boven de onmiddellijke boodschap van de persoon, wat die ook moge zijn, er het universele is….. Verborgen in al de persoonlijke communicaties die ik werkelijk hoor, lijken er wel goed geordende psychologische wetten te gelden, aspecten van wat we in het universum als geheel aantreffen… Daarom is er niet alleen de voldoening van luisteren naar de persoon, maar ook de voldoening van het zichzelf in contact voelen met wat universeel waar is. (a way of being, pag. 8.Rogers 1980).

Ook Freud ziet hoe de opgeblazen kanten van het ego afgelegd moeten worden. Hij ziet de ziel strijden om haar opdracht in deze wereld te volgen: het menselijk ik (ani) dat op moet gaan in het ´Niets´ (Ein). Hij vindt tegen het einde van zijn leven deze passages over het ´ik´ in een geschrift over Joodse mystiek waarvoor Freud gevraagd was om een voorwoord te schrijven. Hij is dolenthousiast over die passage en noemt het puur goud. Hij is te laat om te zien dat deze spirituele weg de wanhoop zou kunnen wegnemen over zijn klacht dat de analyse altijd maar door zou kunnen gaan. De echte diepte en daardoor versteviging van de cliënt wordt in de analyse nooit bereikt, hetgeen hij in zijn geschrift De eindige en de oneindige analyse uiteenzet (vergelijk in deze paragraaf het commentaar van degene die de 2e structure deed).
“ Psychoanalyse is op zichzelf niet in staat om een ego te produceren dat sterk en veelzijdig genoeg is om de door hem beoogde therapeutische doeleinden te bereiken. Door direct met de metaforische ervaring van een zelf te werken, biedt meditatie een aanvullende methode van ego-ontwikkeling, die het gat vult waar Freud mee bleef zitten”. (geciteerd uit Epstein (1997)):

Eigenlijk komen zowel Freud als Rogers in de buurt van Pesso´s (en Boeddha´s ) uitgangspunt dat wij naar eenheid en verbinding in plaats van naar fragmentatie en afstand moeten streven in ons leven. Pesso spreekt over een evolutionaire ´push´ die naar voltooiing van ons wezen streeft . Hij wil dat iemand die een structure doet niet wordt opgesplitst in delen zoals volgens hem in vroegere Gestalttherapie wat ongelukkig begrepen kan worden, maar hij benadrukt de eenheid van het zelf. Het wordt uiteindelijk zo in structures dat je door middel van onderscheidingsvermogen ziet dat je in werkelijkheid geen van beide strijdende partijen in jezelf bent. Je gaat zien wat de getuige in je ziet. Twee objecten vloeien dan samen in jouw subjectieve ruimte. Dan pas zijn m.i. de getuige in de Pesso-psychotherapie en de al eeuwen gebruikte ´getuige´ in Boeddhistische en middeleeuwse mystieke geschriften dezelfde geworden. In de dertiende eeuw schrijft Nicolaas van Cusa een zin die mij altijd gefascineerd heeft: ´Het oog waarmee U naar mij kijkt, is hetzelfde oog als waarmee ik kijk naar U´. Uiteindelijk is de getuige geen rol buiten ons, Wij zijn het zelf die naar onszelf kijken. Er is dus een niveau waar dualiteit en tegenstellingen overstegen worden en een eenheidspunt gevonden wordt. Deze bijzondere spirituele ervaring kennen mensen in structures, maar ook in muziek, in de natuur, in het samenvallen in een ontmoeting. De daarbij gevoelde kwetsbaarheid is schitterend maar ook ongewoon en angstig, en daarom timmeren we die later weer dicht met concepten en hechte egorollen. We leven in een wereld die ons steeds weer verleidt om te objectiveren, dingen als ding te behandelen, intimiteit te weren en de wereld en ook onszelf te splitsen. We moeten bagage meegeven om Pesso´s push tot heelheid en vervulling ook na de therapie te handhaven. Dit ingebakken streven vraagt onderhoud en aandacht, zoals we ook onze nagels moeten blijven knippen, zoals iemand in feedback op de 2e structure zei. Er is duidelijk iets nodig voor na de ´therapie´, zodat iemand ten volle het leven kan blijven plukken.


5. Spiritualiteit, vlucht of gezonde keuze.

Natuurlijk moeten neuroses en projecties tot bewustzijn gebracht worden. Daar gaat psychotherapie over. Wanneer deze emotionele verknopingen ontkend worden vanuit een verlangen naar het ´ hogere´ , ontbreekt een bodem voor welke vooruitgang dan ook. En het ontbreken van die bodem zie je in veel spirituele kringen. We hebben allen Pesso bij veel mooi uitziende spirituele behoeften van cliënten de duiding zien geven dat in de knel geraakte kinderen hun benauwende situatie ontvlucht zijn door een troostende fantasie ´omhoog´ te ontwikkelen. De niet te verdragen werkelijkheid wordt dan ontvlucht en ingeruild voor die troostende fantasie van daarboven of daarbinnen.
Wanneer neurotische conflicten onvoldoende doorgewerkt zijn, zal iemand die nog zo zijn of haar best doet in meditatie en het spirituele altijd weer verleid worden zich blind te staren op zijn verlangen naar iets hogers. In allerlei subtiele vormen zal zij of hij blijvend verlangen naar iets van elders. Hier moeten overigens therapeuten die Mindfulness cursussen geven, zich goed bewust van zijn. Met alleen zijn aandachtige Mind kan iemand zich niet zelf aan eigen haren uit het moeras trekken. Dit kan pas als er een gezonde ondergrond is, die een bepaalde vorm van ´vastigheid´in zichzelf geeft, zodat verdere onderzoeken in het spirituele verdragen kunnen worden en niet uitlopen op gefantaseerde illusie en hunkering.

Maar van de andere kant kunnen mensen die mediteren en daartoe ook de nodige technieken ontwikkelen deze gebruiken in een psychotherapie. Niet alleen versterken deze technieken de egofuncties die concentratie en aandacht mogelijk maken, maar ook ervaren ze in een goede meditatie door de focusing op hun lichaam en ademhaling lichamelijke sensaties die zeker in Pesso-structures stof kunnen zijn om verder uit te werken. Wanneer het observerend ego, de pilot en concentratie op lichaamservaringen in meditatie enigszins getraind zijn dan kunnen zij ingezet worden in een psychotherapie en met name in een Pesso-psychotherapie.

Pesso heb ik sommige spirituele verlangens serieus zien nemen; het is niet zo dat hij ze altijd als vlucht zag. Het is van belang dat we een spiritueel uitziend motief kunnen onderscheiden van een werkelijke spirituele behoefte. We behoren daartoe de natuurlijke spirituele staat op een of andere manier te kennen, anders kunnen we nooit het onderscheid maken tussen beperkte psychotherapie, waarvoor de meeste mensen komen en de spirituele fundamentele doorgroei van de persoon waar sommigen toch naar verlangen.Op een of andere manier moeten we daar ´verstand´ van hebben, zeker als Pesso-psychotherapeuten. Want daar beperkt de behandeling zich niet tot de oplossing van neurotische conflicten, zoals in veel andere psychotherapieën. De gebruikelijke westerse psychotherapie legt immers slechts de nadruk op het afpellen en het doorzien van opgelegde lagen en projecties die vanuit herinneringen de werkelijkheid vervormen en gaat eigenlijk niet ´over de verwezenlijking van het zelf´ hetgeen een meer spiritueel motief is. De Pesso-psychotherapie doet dit wel, ook al is dat vaak niet zo duidelijk gearticuleerd.

Juist omdat steeds meer cliënten in deze doorgedraaide maatschappij vragen om een spirituele doorgroei van hun hele persoon, zou de Pesso-psychotherapie zich hier kunnen onderscheiden van anderen. We moeten dan wel ons daar nadrukkelijk op toe leggen, de Pessotheorie uitbouwen, ons scholen, en spirituele richtingen zoals het Boeddhisme integreren in onze systemen en houdingen. Wie integreert en in zich opneemt, blijft springlevend.


6. Spiritueel onderzoek als basisbehoefte.

Zelfs durf ik de stelling wel aan dat de behoefte aan spiritueel onderzoek een basisbehoefte is (gesteund door Epstein ). Het is zonder angst in zichzelf durven kijken. Ik denk dat wanneer de moeder niet te intrusief nabij is, maar ook niet onveilig te ver weg, dit het kind de veiligheid biedt, om te zijn.(naar Winnicot). Het hoeft zijn energie niet te verspelen om bij de ouders in de smaak te vallen, of zich te verweren tegen té grote nabijheid. Het kan zijn energie besteden aan simpelweg zijn en daarvan genieten en dat onderzoeken. Dit is volgens velen, waaronder Almaas, de natuurlijke staat van zijn, die een kind van nature heeft, maar die door de dwang van identificatie met een ander, verloren gaat in schijngedrag dat zijn energie verspeelt aan een ander en niet in zichzelf investeren kan. Epstein noemt als voorbeeld zijn zoontje die kennelijk de innerlijke ruimte heeft om zijn vakantie- omgeving te ´zien´ : hij staat boven in het gehuurde vakantiehuisje voor een open raam en zegt: “wat ruikt het hier heerlijk”. Hij durft daar alleen te staan, hij heeft het vermogen om alleen te zijn en heeft daar een innerlijke ruimte bij, zodat hij zich van meer bewust is, daar stil bij kan staan en genieten. Ik ken zelf die momenten uit mijn kindertijd wel en ook dat gevoel of mensen wel echt zijn in wat ze doen en of ikzelf onecht ben. Iedereen zal wel eens dat gevoel van onechtheid kennen, dat ons allen bij tijd en wijle overkomen kan. Dit gevoel ontstaat doordat we onze identiteit, die we normaal voor lief nemen, als onbegrijpelijk ervaren. De vastheid van onze overtuiging wordt dan ondergraven en het afweerkarakter van het concept ´persoon´ en de zogenaamde ´leegte´, komt in ons vizier. Zeker bij de vraag: wie ben ik eigenlijk?

Dit is een algemeen menselijke ervaring bij tijd en wijle en ik ben er van overtuigd, dat ik dit vervreemdende gevoel als jong kind al had. Daarom denk ik dat ´spiritueel onderzoek´ zelfs een basic need is! : Ons bewustzijn van tegenwoordigheid is zo basaal dat het een menselijk vermogen is dat bij iedere mens hoort. Het is een van de meest karakteristieke trekken van de mens. Weerstand daartegen en vervreemding daarvan, gebrek aan contact dus met deze basisbehoefte, kan in een therapie onderzocht worden!.
Ik ben het daarom niet eens met Vos (2008, zie noot 5) waar ze schrijft “ dat het kind allereerst taal wil leren en rekenen en met zijn gereedschapskist de wereld te lijf wil gaan” Het zoontje van Epstein is ten volle tegenwoordig bij wat er is. Dit is een basis voor later onverschrokken zelfonderzoek en meditatie, aldus Epstein. Dat onderzoek vraagt later wel om onverschrokkenheid omdat het minder vastigheid levert dan de identificaties waar we ons aan vast hebben leren houden.

Commentaar van mijn Pessovriend op mijn stelling dat spiritueel onderzoek een basisbehoefte is:. “ “Veel aarzeling en twijfel om hier in mee te gaan. Alles hangt af van de definitie van "basic need". Voor mij is dat een emotionele behoefte die ook een fysieke onderbouw heeft. Bij het spirituele zie ik die fysieke onderbouw niet. Wat natuurlijk niet betekent dat dit geen verrijking of meerwaarde zou zijn. Juist zoals kunst of reizen, …een meerwaarde kan zijn, maar geen basic need is. We moeten ons trouwens realiseren dat heel deze visie en theorie over basic needs een (gebrekkige) poging is om iets grijpbaar te maken wat niet te grijpen is. Een goeie bouillabaisse herleid je ook niet tot : vis, wortels, ajuin, knoflook,... Pesso heeft hier een vrij goeie poging gedaan om het ongrijpbare in beeld te brengen. Maar dit is ook de reden waarom er af en toe iemand af komt met een "nieuwe" basisbehoefte, zoals ik bij voorbeeld. en Martin Howald. Het is gewoon omdat je met een ander net vist. “

Mijn commentaar op bovenstaand commentaar. We zien hier hoe misleidend de term ´spiritueel´ is. Velen, ook mijn commentator, denken hier aan iets dat ´hoger´ is, los van de fysieke werkelijkheid, alsof er twee afzonderlijke werelden zouden bestaan. We zouden de term moeten afschaffen omdat deze verkeerde gedachten oproept. Met ´spiritueel´ bedoel ik niets hogers, maar alleen bewustzijn, tegenwoordig zijn, in tegenstelling tot ´werktuigelijk op de automatische piloot reageren zonder bewustzijn van wat om je heen gebeurt en zonder daar dan ook oog of oor of neus voor te hebben; alle zintuigen doen mee. Er is oogbewustzijn, oorbewustzijn, tastbewustzijn. Bewustzijn is een fysieke en uiterst menselijke functie. Het zal wel zoiets zijn als de terugkoppeling in onze hersens van wat we zien en horen, zodat dit tot een bepaald soort bewustzijn leidt.
Bewust-zijn is een werkwoord, het is ervoor kiezen om bewust te zijn, om afstand nemen van wat zich obsessief lijkt op te dringen en ons tegenwoordigheid lijkt af te nemen. Het is ook kiezen of ik tot actie wil overgaan of er vanaf wil zien. Vanuit een afstand het menselijke gedoe bekijken, is een hoge menselijke functie, die niet alleen kan worden uitgeoefend door een ouder wijs geworden mens. Dit vermogen is zo uiterst bij een mens horend dat ik me niet laat wijsmaken dat deze niet door een kind kan worden uitgeoefend. Het is een basale behoefte van iedere mens die niet afgestompt is of door opvoeding of de maatschappij van dit spirituele vermogen is beroofd. Het is in pure functielust genieten. Het is de lach, de spontaneïteit die zich niet laat obsederen door een zogenaamde noodzaak, maar de vrijheid bezit om de relativiteit van iets in te zien en het belang van wat echt van belang is.

Discussie.

Er is geen basaal onderscheid tussen Pesso-psychotherapie en spirituele groei. Pesso-psychotherapie is daar te groot en te omvattend voor. Wie heeft de gebruikelijke beperkende grenzen van de westerse psychotherapie gemaakt en waarom zou ik het daar mee eens zijn?. Zelfs de uitvinder van de psychotherapie, Freud, zag uiteindelijk het loslaten van ego als een weg van puur goud. Waarom ophouden met menselijke groei binnen een psychotherapie? Is deze dan allen maar bedoeld om van zware neurotische problemen af te komen? Is het voortdurend fragmentatie ervaren, steeds maar denken in je hoofd, afstand houden met je ego, dan geen groot probleem dat ons afhoudt van geluk? Hebben we geen recht op het beste? Dat vindt het Boeddhisme wel en Pesso ook.We leven in maar één werkelijkheid, zo hebben oude wijsheidstradities het altijd gezien Laten we die visie eens uitwerken en de traditionele gezondheidszorg eens bekijken ´vanuit het Licht van de Boeddha´. Het onderscheid psychotherapie – spirituele groei is voor mij niet zo vanzelfsprekend als vaak wordt aangenomen.

Literatuur

Stufkens, H. (1993). Gesprekken met Jung. Rotterdam: Leminscaat. Holland.

Vandermeersch, P. (1992). Over psychose, seksualiteit en religie: het debat tussen Freud en Jung. Nijmegen: Sun.
Holland.

Van Haver, W.(1992). Links between Pesso-psychotherapy and the analytical psychotherapy of C.G.Jung. In: Pessobulletin, Proceedings first International Meeting,I:75-80.Amsterdam.

terug naar bronsite: sommeling.net/psychotherapie
Comments