De therapeut op vacantie. Het wu-wei principe

Als waren wij op vacantie

Het wu-wei principe, doen door niet te snel te doen

in zes tips en twee oefeningen



Louis Sommeling



'Wil je bloesems zien, kloof dan niet een boom doormidden, maar wacht op de lente . (Zen)




Inleiding


Soms druk te last verantwoordelijk te zijn voor de genezing van een cliënt zwaarder op onze schouders dan nodig en doen we teveel.

Pesso:

….Op iets in de cliënt zelf moeten we vertrouwen, de genezing sluimert in de cliënt zelf, en de energie daarvoor stamt uit verre diepten. Want deze energie is in feite de evolutionaire kracht van het universum als geheel. 

Dit besef modeleert onze relatie tot cliënten beter dan wanneer we onszelf als de veroorzaker van hun heling zouden zien en als de schepper van die genezende kracht in plaats van als de erkenner ervan. (Pesso,1992) 


Met de lichtheid en zorgeloosheid eigen aan vakantie, kunnen wij Pessotherapie geven. Natuurlijk dragen wij 

medeverantwoordelijkheid voor het therapeutisch proces, maar dat proces stuwt grotendeels zichzelf. Is dit geloof van Pesso aan te leren zodat wij intuïtiever en lichter therapie geven, zonder ons houvast alleen op technieken en snelle interventies te vestigen: kortom alsof wij op vakantie zijn? Natuurlijk moeten we eerst technieken leren, maar daarna kunnen we naar verfijning toe en meer de meester leren te evenaren. In feite is het een eeuwenoud principe dat ik beschrijf en in dit artikel concreet maak voor de Pesso-psychotherapie. Dit principe heet in de Tao: wu-wei: doen door niets te doen . Het niet met een vooropgezet doel of vaste methode werken opent onze geest om beter waar te nemen en daardoor van een meer nabij en letterlijk ‘voor de hand liggend’  uitgangspunt in de cliënt te vertrekken. Dit bijna paradoxale principe van meer doen door niets te doen levert de therapeut een ontspannender houding op en een relaxtere wijze van leven.


Ik open met de beschrijving van een rollenspel : ‘de therapeut op vacantie’. Als we door de angst heengaan die een zorgeloze vacantie-houding wellicht oproept, dan doemen er in de schijnbaar lege ruimte toch oriëntatiepunten op. Ik bespreek vervolgens zes bakens die ons gidsen en helpen om onze behoeften aan interventies en rolfiguren nog even uit te stellen en te wachten tot de tijd dat de cliënt er zelf open voor staat. Therapie wordt daar trefzekerder van en ook kunstzinniger. Tenslotte de vraag hoe Pesso eigenlijk aan die lichtvoetige zekerheid komt waarmee hij therapie geeft. Een antwoord op die vraag fundeert feitelijk het hele artikel. 

Wat gaat er om in Pesso’s hoofd, wat ‘ziet’ hij , hoe kan hij ‘wachten tot de bloesem verschijnt’, waar is hij op uit?  Niet het scala aan technieken dat Pesso ontwikkelt heeft in al Hdie jaren, maar zijn onderliggende houding die alle interventies draagt en het juiste tijdstip aangeeft om ze te gebruiken is de focus van dit artikel. 




1.1 Rollenspel: de therapeut op vacantie.


Met collegae bedacht ik een oefening om minder gespannen en vanuit een rustiger bewustzijn therapie te leren geven. Deze oefening heb ik uitgewerkt en meermalen gebruikt tot enthousiasme van de deelnemers. Begin je aan dit rollenspel, lees dan eerst de theoretische achtergrond in par. 2 en 3 eerst goed door of laat de leider die eerst behandelen.

Er zijn 3 rollen: 

1.Er is een therapeut op vacantie (met voor hem/haar een eventuele steunfiguur. 

2. een cliënt en 

3. De werkende therapeut (kan ook een lege stoel zijn). 

De therapeut mag ''op vakantie” door op een iets ruimere afstand van zijn cliënt te gaan zitten. Zo vermindert de druk van in contact aangeleerde conventies. In deze opstelling wordt de therapeut, “ als ware hij op vakantie “, uitgenodigd pas iets te zeggen als hij van binnenuit zich daartoe aangezet voelt. De cliënt praat niet tegen hem maar richt zich tot de 'werkende therapeut' (of tot een lege stoel ) schuin iets opzij van de therapeut op vacantie.

De lege stoel kun je zien als de geduldige Perzische steen. In Perzië kreeg vroeger iedere mens zo een steen als een levenslange metgezel om tegen te kunnen praten. (De steen is als de onzichtbare analyticus achter je en tegen wie je maar dóór associeert).


                                                                          (eventuele steunfiguur)


therapeut op vacantie   .


           de werkende therapeut .

            (of lege stoel)                   

                                                     

                           


        cliënt .





Instructie voor de therapeut:

- Je  hoeft niets te zeggen, tot je intuïtie of  iets in je eigen lichaam of in de cliënt je iets ingeeft  

- Zorg dat je een goede eigen plek hebt om ontspannen te gaan zitten, ' in eigen centrum', als je niet goed weet wat dat is, oefen dat dan eerst, of lees par.3 eerst door en oefen wat daar staat). Neem de tijd daarvoor

- Let ook eens op eerste woorden van de cliënt (die vaak de richting van de hele structure wijzen, zodat je gratis een kompas krijgt, dat je verder de richting gaat wijzen)

- Maak je geen zorg om iets te moeten gaan zeggen. Wees maar wat zorgelozer.

- Wacht, wacht, wacht tot de kairostime daar is (het genadevolle tijdstip, waarop cliënt  ontvankelijk is geworden. Neem alle tijd en zeg pas wat als je vrij zeker van je zaak bent en graag iets wil zeggen, meer van binnen uit dus, hou contact met je eigen lijf, blijf rustig ademhalen. Maak het jezelf gemakkelijk. Zoals Pesso zei: ook de therapeut heeft recht op zijn eigen plek. Als je bijvoorbeeld iets niet begrijpt wat de cliënt zegt, vraag daar dan gewoon naar)

- Blijf spontaan. Ga niet helemaal in je functie op; er mag wel iets van je spontaniteit blijven

- Omring je eventueel , maar dat hoeft niet per sé met een steunfiguur die jouw helpt herinneren aan bovenstaande punten  


Instructie eventuele steunfiguur : houd de  therapeut op vakantie en herinner hem of haar daaraan wanneer deze te actief dreigt te worden.


Instructie cliënt: praat tegen de werkende therapeut, totdat de 'therapeut op vacantie' iets tegen je zegt en je daarop wilt reageren.


Variatie: heb je dit rollenspel onder de knie, dan kan de 'werkende therapeut' vervangen worden door een lege stoel, waartegen je vrij associeert (een soort Perzische steen, zie boven.





1.2 Toepassing in de therapeutische praktijk. Een beginritueel


Voordat we een structure gaan begeleiden in onze eigen dagelijkse praktijk kunnen we een ervaring uit het rollenspel oproepen. We kunnen een gewoonte maken van een beginritueel.


Een therapeut kan als voorbereiding op een sessie de tijd voor zichzelf leren nemen als een vaste gewoonte. Hij schakelt bijvoorbeeld een paar minuten over, van de drukte van alledag naar bewust aanwezig zijn. Gedachtestromen laat hij tot rust komen. Hij staat even stil bij eerder verworven inzichten (zoals bijvoorbeeld de in zijn lichaam opgeslagen ervaring opgedaan in bovenstaand rollenspel).

Emoties van verveling, gejaagdheid, zwaarte, of welke andere emoties dan ook, merkt hij even op zodat ze vanzelf verdwijnen zoals water in rust haar troebelheid verliest en helder wordt.  


In de woorden van Pesso: wie werkt heeft recht op zijn eigen plek, ook de therapeut. Ga daarom voordat de structuren begint ontspannen zitten en voel de stevige grond. Zo zitten is als een Sitz im Leben, een grondhouding met de rotsvastheid van een tijdloze berg. De aarde draagt ons, de grond een symbool. Bewust  en vrij ademen en dat ritme op natuurlijke wijze haar gang laten gaan, plaatst ons in de werkelijkheid waar wij deel van uitmaken en kan tot een lijfelijk gefundeerde ervaring van innerlijke kracht worden. Deze lijfelijk gewaarwording is veel krachtiger dan alleen een besluit van de wil. Wanneer het lichaam zich herstelt in deze echtheid, zichzelf weer fatsoeneert, is de tijd gekomen om aan het werk te gaan omdat we eerst voor onszelf een plek hebben gemaakt.


De therapeut kan zich nu - meer gefundeerd in eigen lijfelijkheid - beter binnen zijn eigen huid voelen en niet in die van een ander. Dit voorkomt symbiotisch vervloeien met een cliënt en helpt om intieme grenzen niet te gaan overschrijden. Tijdens mijn eigen voorbereidings-ritueel merk ik soms op dat ik anders ga zitten als ik aan mijn komende cliënt denk, vooral als het een moeilijkeis. Ik leun dan vaak licht naar voren. Deze houding kan - naast een natuurlijke betrokkenheid - er natuurlijk ook op duiden dat ik me te verantwoordelijk voel en dat ik vergeet dat mijn cliënt alleen zichzelf kan genezen en zelf door zijn eigen pijn heen moet gaan. Ik ben immers niet meer dan een vroedvrouw, die wacht tot de ontsluiting op gang komt en de geboorte vanzelf begint. 

Ons eigen niet voldoende doorgewerkt verleden kan ons er toe verleiden een trauma of de emotionele gaten in het bestaan van een ander te willen opvullen. Dit drama van het begaafde kind in ons (Miller, 1979) kan de onbewuste reden zijn waarom wij therapeut werden om onze dreigende depressie te compenseren door de zin van ons leven te vinden in het helpenvan anderen. Ikzelf werd voorgoed genezen van misplaatste zorg toen een deskundige mij bij een traumatraining toeschreeuwde:' Blijf met je poten van het verdriet van een ander af!Niemand mag iemand de verwerking van eigen verdriet afnemen. In Zen wordt gezegd dat pas het gebroken hart tot inzicht leidt.


We kunnen teveel willen doen voor een cliënt, maar ook te weinig. De volgende email van een cliënt illustreert wat de gevolgen zijn als een therapeut niet in zijn centrum blijft en zijn vatbaarheid voor pijn en verdriet afschermt: 

' Ik loop bij mijn psychotherapeut aan tegen zijn werkwijze. Deze is theorie en methodiek uit de gereedschapskisten helaas ken ik daar heel goed de weg. Maar waar ik naar op zoek ben is echtheid en aanwezigheid met liefde. Zolang de therapeut verstopt blijft achter zijn muur van methodiek, lukt het mij niet om bij mijn gevoel te komen. Vanuit mijn omgeving hoor ik dat ik te veel verwacht en dat een therapeut alleen zijn werk kan volhouden als hij zich afschermt. Voor mij voelt dit juist tegenstrijdig, omdat pas echte uitwisseling, contact en aanwezigheid werken op zielsniveau mogelijk maakt. De bescherming tegen symbiose is juist te vinden als de therapeut zichzelf is.' 


Voordat ik een therapie aanvang, let ik bij een telefonische aanmelding of intakegesprek nog erop, welke lichamelijke gewaarwording het gesprek in mij oproept en wat daar de betekenis van kan zijn. Ik maak daar bewust een aantekening van (Sommeling, 2004). Vaak helpt die notie mij later om de overdracht van de cliënt en mijn eigen tegenoverdracht helderder bewust te worden.

In het in deze paragraaf beschreven ritueel is een therapeut verenigd met al die collegas die zich sinds mensenheugenis alle eeuwen door, bezig hielden met de vertroosting en heling van mensen. In deze therapeutische gemoedstoestand begint nu de therapie. 





2. Richtpunten tijdens de therapie

 

In deze hierboven verworven gemoedstoestand is het mogelijk de angst te overwinnen die op kan komen als we de houding van ‘op vakantie' aan willen nemen en techniek en interventies nog even uitstellen. Het is de angst voor de leegte, angst dat de ruimte leeg zal blijven. Houden we die angst even uit dan zien we vanzelf verdere oriëntatiepunten. Deze vaste bakens op een schijnbaar lege zee beschrijf ik nu.




2.1 De eerste woorden en het lichaam 


We kunnen bijvoorbeeld beginnen met te letten op de eerste woorden van een cliënt. Daar ligt wonderlijk genoeg vaak zijn hele probleem verborgen. Wanneer we deze woorden oppikken en bewust in onze herinnering opslaan, dan krijgen die eerste woorden een straling die tussen alle zijwegen door die worden ingeslagen vaak feilloos de verdere richting voor de sessie wijzen. Het is bijna een sport om op die woorden te letten en te zien of ze achteraf voorspellend waren.


Wanneer we goed opletten, horen we bovendien niet alleen woorden maar zien ook van alles. 'Wat gebeurt er nu in je lichaam terwijl je dit vertelt?' is een eenvoudige niet vaak genoeg te stellen vraag voor ons, getrainde woordkunstenaars die we ondanks onze lichaamsgericht opleiding toch allemaal zijn. 

We zeilen met de vraag naar lichaamsbeleving om vele rationalisaties heen en koersen af op wat werkelijk speelt. 

Pesso (1992): 

Het lichaam is bij wijze van spreken de display waarop informatie over de ziel verschijnt. Want als we informatie willen hebben over hoe iemand zich echt voelt, vragen we niet naar hoe iemand denkt dat hij zich voelt of naar de toestand van zijn geest, maar zeggen we: wat gebeurt er nu in je lichaam?

Welk deel van het lichaam trekt vanuit zichzelf aandacht. In termen van wat pijnlijk is, heet of zwaar, zweet, trilt, koud voelt, tintelt, gespannen is. Kortom alles wat in het oog springt. Jij als therapeut onderzoekt dat, maar de cliënt doet dit onderzoek ook……

We letten op alles dat opvalt; ook op het spraakpatroon. spreekt hij of zij luider of zachter op het moment dat het over iets specifieks gaat. Spreekt de persoon ineens sneller of langzamer. Stopt de cliënt met praten. Gebruikt hij of zij onverwachte woorden……

Je zou het je zo kunnen voorstellen dat ons ego van moment tot moment op het punt staan om ons tot leven te brengen of om juist te belemmeren wat in onszelf tot leven wil komen.

Een voorbeeld:

Bij aanvang van een sessie waarbij we een video wilde maken van een therapiesessie begon de cliënt (beroepsacteur) heen en weer te bewegen met zijn bovenlichaam, terwijl hij aan ons therapeuten aan het vertellen was. Mij viel de incongruentie op tussen deze gebaren en de inhoud van zijn woorden, alsof hij een gevoel aan de rand van zijn bewustzijn buiten het voetlicht hield. Maar ik wist natuurlijk nog niet of dit iets betekende en zo ja, wat? 

Th.:  'Wat valt je op in je lichaam terwijl je dit vertelt?'

Cl.:  'Weet ik niet.'

Th.:  'Mag ik zeggen wat mij opvalt?'

Cl.:  'Ja'

Th.:  'Ik zie je heen en weer bewegen met je hoofd en je lichaam '(doet de beweging na)

Cl.: 'Ja, ik zit zo te denken, ik verkoop psychologie van de kouwe grond tussen zoveel experts.'


Deze laatste emotie en niet de woorden die hij eerder sprak - is nu ten volle aanwezig. Dit levert een veilig gevoel op aan de cliënt, want als deze eerst verborgen beleving er mag zijn, dan in principe ook alle volgenden.

Maar er is nu ook een gewaar zijn bij de cliënt van wat hij in zijn lichaam waarneemt. En hiermee open zich een veel intiemere dimensie. Want woorden weerspiegelen vaak vroeger opgedane gedachten over ge- en verboden volgens Pesso, maar het is ons lichaam dat ons  - paradoxaal genoeg-  in contact brengt met onze diepere verlangens en uit zichzelf naar compleetheid en heelheid streeft en weet wat het nodig heeft. Dit lichaamsbewustzijn krijgt hiermee een richtinggevende betekenis (Samenvatting van deze video op YouTube. Sommeling, 2012).



2.2 Kairostime 


De therapeut die opmerkt wat in de cliënt speelt en dit tegenwoordig wil brengen, weet dat de tijd daarvoor zich vanzelf aandient, zoals dat ook met bloesems gebeurt. Die tijd is in dit geval niet de real time, maar word door Pesso de kairostime genoemd. Het Griekse woord kairos  betekent ‘rijp’, vol van kansen, genadevol tijdstip. Het is het geboortelijke  tijdstip, waarop het zover is, de wonderlijke genade zichtbaar wordt. In de kairostime ziet de therapeut dat de cliënt aarzelend zelf besluit zich te willen openen voor de werkelijkheid zoals hij die misschien eerder gedroomd of diep verlangd, maar nog nooit eerder heeft ervaren.


Te vroeg inzetten van rolfiguren als standaardmethode - om bijvoorbeeld een ervaring te willen opwekken - kan het vanzelf in gang komen van een groeiproces verstoren. In Zenwoorden: 

Wil je bloesems zien, kloof dan niet een boom doormidden, maar wacht op   de lente

Kairostime is het moment waarop de cliënt ontvankelijk wordt, zich opent, niet vanuit een fantasie of in het naäpen van een andere cliënt wiens structure hij van plan is na te spelen. Mogelijke rolfiguren volgen uit de beleving van de cliënt en niet omgekeerd. Er is een verleiding om wat wij met prachtige Pessotechnieken hebben zien gebeuren te willen nadoen zonder dat de cliënt er uit zichzelf aan toe is en zonder dat voorafgaande gevoelens in de true scene zijn doorgewerkt. We kunnen wellicht denken dat we vanuit een techniek een ervaring kunnen opwekken, maar dat is bijna nooit echt het geval en die ervaring zal ook niet diep beklijven.

Wat de therapeut vanuit zijn eigen bewustzijn en opmerkingsgave  tevoorschijn roept in de cliënt, is door deze zelf niet voor niets  weggestopt en kan pas bereikbaar worden in de kairostime als de cliënt er aan toe is. (Zie uitgebreider in Tip 6 in par.3.1).



2.3 Spontaniteit in therapie 


Werken vanuit het therapeutisch geloof dat de heling evolutionair stuwend in de cliënt zelf ligt, maakt een therapeut iets losser en ook spontaner. Hij kan dan ook eens van conventionele concepten en houdingen afstappen. Het gaf mijzelf een ongekende vreugde toen ik het alles overheersende dogmatische concept van overdracht iets meer relativeerde en niet alleen als functionaris maar als Louis spontane reacties van mijzelf aan mijn cliënten gaf en iets eigens van henzelf terug kreeg, zonder dat ik de angst had dat de relatie hierdoor ‘ontherapeutisch’ zou worden. 



De cliënt moet in wisselwerking met zijn therapeut komen en testen of deze hem echt begrijpt in wat hij beleeft. Zo leert de cliënt om allerlei storende gedachten en projecties los te laten en krijgt de communicatie over en weer levendigheid en onverwachtheid, leerde ik van een Pesso-psychotherapeut en analyticus (Roth, 1995).


Laten we onze cliché’s en voorspelbaarheid vergeten, door bijvoorbeeld niet iedere keer te vragen: hoe vond je het de vorige keer; waar wil je nu aan werken, enz.. Spontaniteit is een feilloos teken van vrijheid en psychische gezondheid. Voor befaamde 

therapeuten als Winnicot en Guntrip was spontaniteit zelfs het doel van hun therapie. De betekenis die het woordenboek geeft aan spontaan’  is: uit eigen beweging, uit zichzelf ontstaan, zelfwerkzaamheid der ziel.

Tevoren denken therapeuten misschien dat ze gaan varen op een zee zonder bakens wanneer zij een vooropgezette methode achter zich laten, maar ons bewustzijn leidt ons langs onverwachte oriëntatiepunten. De cliënt zwerft over diezelfde zee, ziet de standvastige koers van de ander, volgt hem en zij leren van elkaar, de therapeut dus ook van de cliënt. De levendigheid van dit contact houdt de therapeut scherp en doet ook voortdurend beroep op zijn  spontaniteit. De noodzaak vervalt om zich als een expert op te stellen die het weet. Deze werkwijze in gelijkwaardigheid past bij de werkelijkheids-beleving van de mens van vandaag, die geen autoriteit wenst maar op samen van mens tot mens vertrouwt.

Bij een reactie vanuit een loutere vooropgezette methodiek kan de fijnafstemming tussen 

therapeut en cliënt verloren gaan. Juist vanuit bewust aanwezig zijn, kan perfect afgestemde finetuning plaats vinden. Niet alleen met woorden, maar ook met spontane lichamelijke reacties van de therapeut binnen professionele grenzen. (Finetuning is een woord dat Stern aanvankelijk gebruikte om reacties, uitroepen, bewegingen van een moeder op een kindje te benoemen). Door spontane therapeutische reacties die gewoon menselijk en normaal zijn, ontstaat er ook belichaamde kennis in de cliënt en niet alleen cognitief inzicht.




3. De therapeutische kracht van ons bewustzijn


Waarom kan Pesso zich die schijnbare lichtheid en spontaniteit in het contact permitteren, die intuïtie die we vaak van hem zien? Door wat wordt die lichtheid en spontaniteit gevoed? In dit laatste deel zoek ik een antwoord op die vraag. 

In een meer theoretische verdieping werk ik nu de gradaties in therapeutisch bewustzijn uit, waar Pesso in danst met zijn cliënt. Misschien danste hij in de eerste jaren lichtvoetiger dan nu omdat hij nu vooral de verfijningen van zijn techniek lijkt te willen overdragen. (Hij heeft wel eens gezegd bang te zijn dat volgelingen zijn intuïtief aanvoelen en zijn bewust zijn van universele krachten niet kunnen oppikken en ze via de verfijningen in de techniek alsnog daar iets van mee krijgen. De ‘ oude’ Pesso is nog te proeven in zijn magistrale lezing ‘On becoming’ die hij in 1988 in Nederland hield en die nu in Nederlandse vertaling in ditzelfde nummer van het Pesso-Tijdschrift verschijnt en waar hij op mijn vraag daarover, nog volledig achter staat.


3.1 Tegenwoordigheid van geest

Jaren geleden ontdekte ik iets over mijn bewustzijn dat zo voor de hand lag ligt, dat ik mij er achteraf over verbaas dat ik deze ontdekking niet eerder deed. Ik ontdekte wat het betekent om aanwezig te zijn in het moment. Ik voelde mij als een vis die zich ineens realiseert dat hij in water zwemt en deel uitmaakt van een groter verband. Deze tegenwoordigheid maakt de kwiekheid uit van Pesso’s opmerkingsgave.

Streven naar tegenwoordigheid van geest is van alle eeuwen. Toch is het iedere keer weer een ontdekking om zelf te ervaren wat het betekent om aanwezig te zijn. Gurdjieff (1866 1949) wees er al op dat mensen vaak mechanisch leven, eendimensionaal. Hij bedoelt dat ze werktuigelijk leven op de automatische piloot, protocollair. Ze beleven het huidige moment niet bewust ze her-inneren zich de werkelijkheid niet omdat ze in een toestand van slapen verkeren. Ik vraag cliënten wel eens - als ze dadelijk na de sessie naar buiten stappen de straat op - om dan tot het einde van de straat te proberen tegenwoordig te blijven en te kijken wat ze zich daarna herinneren van wat ze onderweg beleefden, hoorden en zagen. Zonder de automatische piloot kunnen wij niet leven, die ingebouwde procedures zijn handig, maar er is altijd een keuzemoment om daar uit te stappen en diepere bewustzijnsmogelijkheden te openen.

William James (1842 1910), de eerste Westerse psycholoog, wees erop dat wij die verborgen kracht van onze psyche niet kennen, omdat onze vuren zijn getemperd en de trekgaten verstopt. Mede door de algemene onbekendheid met het Boeddhisme in die tijd, bleef de visie van James onopgemerkt. De bewustzijnsaspecten van de menselijke geest en de mogelijkheden die tegenwoordigheid van geest bieden, bleven zo lange tijd onopgemerkt in het Westen.

Tot Rogers in 1951 schrijft:                                                                                                       Het is als een wonder wanneer ik het duidelijke vermogen en de ordening van krachten waarneem die mijn cliënt en ikzelf ervaren, krachten die diep geworteld lijken in het universum als geheel(Rogers, 1951, p. xi).                                                                     Later zal hij nog vaak wijzen op de dubbele voldoening in de therapeut om in het luisteren naar een cliënt zich tevens in contact te voelen met wat universeel is.

Hier herkennen we Pesso, die evenals Rogers die universele ervaring kent ( On becoming’ , 1992) en als een geboorteproces in de cliënt beschrijft waarbij de lichaamsbeleving een ingang is tot het innerlijk. Dit is Mindfulness avant la lettre. Want dezelfde lichamelijke ingang boven woorden uit, wijst Kabat -Zinn (2006) in deze tijd met de titel van zijn boek:Toekomend aan onze zintuigen: onszelf en de wereld helen door Mindfulness’


Hick en Bien (2008) onderzochten hoe training in deze Mindfulness de therapeut helpt om aandachtig tegenwoordig te zijn en zij vonden bovendien een positief effect op de cliënt. Ook uit neurologische onderzoek komen aanwijzingen dat bij een mindfulle therapeut hersengebieden in de cliënt worden geactiveerd die verantwoordelijk zijn voor diens hechting, waardoor hij zich beter open kan stellen (Bateman en Fonegay, 2007). Een Mindfulle houding  verhoogt het gewaar zijn en de bereidheid stil te staan bij wat we opmerken en dat er laten zijn, allereerst in onszelf, maar daarna vanzelf ook in de cliënt, ook bij zijn weerstanden en nare gevoelens waar hij uit weg wil lopen. In Pessos woorden:  

De hoop op toekomst is er pas, wanneer je mensen helpt om bij de beleving stil te staan die zij op dit moment ervaren, ook al is deze pijnlijk, omdat ze dit deel van zichzelf niet willen zijn. Alleen dan komt alles in beweging en opent zich een nieuwe toekomst.

Wat wij als eerste moeten doen om mensen te helpen is om werkelijk op de plaats te blijven waar zij nú zijn, en dan ontstaat vanzelf aktie. Sommige mensen verafschuwen de plek waar zij zich bevinden, zij willen daar van weg vluchten en denken dat zij kunstmatig of alleen met hun wil  kunnen komen op de plaats waar zij zouden moeten zijn. Zij durven niet te vertrouwen op de beweging waar hun diepste waarheid hen vanzelf toe kan aanzetten. (Pesso, 1992)


De gedachte dat we op deze beweging waar hun diepste waarheid hen vanzelf toe kan aanzetten geduldig kunnen vertrouwen en dat ons activisme en dadendrang overbodig zijn om in therapie iets bereiken, is in feite niets minder dan een Copernicaanse wending! Het is bijna ondenkbaar  dat je meer  bereikt door je minder in te spannen. Wil je inzien, laat staan toepassen, dat actief handelen niet tot heling leidt, maar dat geloof in de evolutionaire kracht die in de cliënt ligt opgeslagen dat wèl doet, dan vraagt dat niet minder dan een  geestelijke omwenteling. Veel therapeuten 'kloppen momenteel op Boeddhas deur' (Epstein, 1995) om iets van die bijna onvoorstelbare Oosterse wijsheid op te pikken en oefenen die mindfulle houding in supervisie, of in eigen bezinning en stilte. Het gebruik van die therapeutische grondhouding gebeurt niet vanzelf. Mindfulness wordt vaak als techniekje verkracht, als een soort relaxatie-oefening gezien. Een echt Mindfulle houding verwerven is een kwestie van geduld en tijd, het is een overgang in onze houding, die langzaam plaats vindt, tegen heersende cultuur ingaat, het is een way of life. Het geloof in dit ‘ handelen zonder te handelen’, groeit wanneer je eenmaal het resultaat ervan hebt ervaren. Probeer het eens uit! 

 

Er is ook een oefening om uit ons activisme los te komen. Deze oefening staat diametraal tegenover de aan Pesso-therapeuten bekende ‘bewust gewilde beweging’. Een nieuwe beweging, een nieuwe oefening moet aan ons repertoire worden toegevoegd (zie foto en beschrijving hiernaast).  

Uit onverwachte wetenschap-pelijke hoek ontvangen wij steun : er is een beweging in deze werkelijkheid die harmonieus is. De quantum-mechanica heeft de wonderlijke impliciete orde en stuwing naar heelheid in dit universum weer herontdekt en de, de rol van ons bewustzijn daarin (Bohm, 1980). In een recente tekst drukt een neurowetenschapper dit mysterie van ordening en eenvoud aldus uit:

Kunnen we ooit verwachten dit bestaan te zullen doorgronden?…Op een dag zullen we zeker het centrale idee achter dit alles begrijpen als zó eenvoudig, zó mooi, zó overtuigend, dat we tegen elkaar zullen zeggen:’O, hoe had het anders kunnen zijn! Hoe hebben we allen zo lange tijd zo blind kunnen zijn!’ .  (John Wheeler in Meijer (2013, p. 1)



3.2 Stadia van therapeutisch bewustzijn 


Corbis en Rabe (1969) onderscheiden twee mogelijke bewustzijnstoestanden van een therapeut die ze illustreren door ze met die van een bergbeklimmer te vergelijken. Allereerst is er wat zij '' oppervlaktebewustzijn'' noemen, waarbij oppervlakteniet negatief bedoeld is. Dit oppervlakte-bewustzijn stelt ons immers in staat om in de materiële wereld te functioneren en ook om therapeutische procedures achter de hand te hebben (Het bewustzijn ‘ van de 10 000 dingen’ noemt Zen dit). We kunnen daarmee het hoofd bieden aan gevaren, technieken ontwikkelen en de wereld verder ordenen. Dit oppervlaktebewustzijn is het instrument van de bergbeklimmer om een goede route te plannen en aan duizend andere dingen te denken zoals:  'welke stap zal ik nu zetten?' 'zal deze steen mij wel houden?' In een bergspleet groeit een bloem, maar er is nauwelijks rust om daar   bij stil te blijven staan. De klimmende bergbestijger lijkt op de therapeut die zich voortdurend afvraagt: 'welke interventie is nu gepast? Welke techniek zal ik nu inzetten?.  

Op de top aangekomen kan dit oppervlaktebewustzijn veranderen in bewustzijn 'from the center'. De berg-beklimmer wordt stil, kijkt rond, neemt het panorama in zich op. Hij voelt de wind en is er zich zelfs van bewust dat hij de wind voelt. Alles is er. Het korte zicht op de vierkante millimeter verruimt zich. Bovendien ziet, voelt, ervaart de bergbeklimmer nu intenser en directer; hij neemt daar de tijd voor. Hij registreert de wereld met detail, omdat hij dit van binnenuit doet en in die ontvankelijkheid roept de wereld op haar beurt zijn reactie op.

Hij ziet niet alleen het panorama voor zich maar ervaart ook dat het centrum van waaruit hij kijkt, naar de achtergrond verdwenen is, omdat dit centrum deel geworden is van een onverdeelde ervaring. Zijn ervaring is namelijk niet langer dualistisch, niet meer gesplitst in twee, niet langer 'ik tegenover een panorama.' Dit dualisme lost zich op door een dieper bewustzijn. Zijn ervaring is nu een eenheidservaring en de ego-ervaring voorbij; feitelijk onze diepste zelfervaring.  Wellicht doet deze staat van vol bewustzijn, van ervaren eenheid’  met de cliënt in een zelfde ruimte zonder veel afgrenzing, wat mystiek aan. Toch beschrijft ook de moderne neurowetenschap deze ervaring. Voor haar is ons universele bewustzijn de algemeen menselijke gave om zich bewust te zijn van verschijnselen en beschikken wij zelfs over het vermogen ook minder zintuigelijke informatie te ontvangen en de eenheid waarin wij opgenomen zijn en de orde achter de dingen te ervaren (Meijer, 2014). 

Ook de kritische Freud zelf vatte deze eenheidservaring tegen het einde van zijn leven op als een verworven goed, als helderheid en niet meer als verlangen naar een oceanisch gevoel of een regressief heimwee naar de moederschoot. Het is een overstijging van de ik-ervaring naar de ervaring van samenhang met alles. Van eni naar ein. Toen hij deze Hebreeuwse formulering als doel van ieders innerlijke reis las bij de zestiende eeuwse mysticus Luria riep Freud uit: dit is puur goud’  (Daalderop, 2006).

Precies in deze staat van bewustzijn huist de therapeutische kracht van heling. In deze staat van zijn wordt alles in en om ons stil. Niet afgeleid door gedachtestromen in de therapeut, komt de werkelijkheid tegenwoordig, leeft en ademt zij. Dan stopt de therapeut met direct actief handelen en laat hij zijn techniek nog even rusten. Hij belandt in een vertraging omdat hij hevig geïnteresseerd is geraakt in wat er zich voor zijn ogen afspeelt en daar dichtbij is. Zijn activiteit bestaat nu niet allereerst in handelen, ook niet in ‘niets’ doen, maar in grotere concentratie en aandacht. Hij wil door uiterlijke verschijningsvormen heen kijken, omdat hij beseft dat een oppervlakkige waarneming niet het werkelijke van de werkelijkheid ontsluit, maar alleen een subjectieve willekeur of vooroordelen laat zien of verhullende acties van de cliënt. Als therapeut heeft hij geleerd dat eigen ego te snel houvast zoekt, de bescherming wil van een expertpositie of de veiligheid zoekt van een gestandaardiseerde methode. Hij is zich zijn angst bewust niet aan de druk van eigen verwachtingen of die van de ander te kunnen voldoen, begrijpt die angst en ontneemt haar zo haar dreigende gezicht. 

Bewust zijn is een werkwoord en meer dan ‘ niets doen’. Pesso’s therapeutische houding veronderstelt dan ook het tevoren verworven hebben van iets dat niet zo eenvoudig is als het lijkt: loslaten van ego en vertrouwen op wat  ‘handelen zonder te handelen’ is, gecentreerd zijnde in eigen bewustzijn. Vanuit dat therapeutisch vertrouwen wordt ruimte geschapen en zal de cliënt spontaan tot onverwachte reacties komen omdat de helingsmogelijkheden in hemzelf  worden opgeroepen. Maar omgekeerd kan ook de therapeut spontaner zijn dan hij ‘mag’ volgens de regels (Rogers zegt bijvoorbeeld in de beroemde film Gloria tegen het meisje dat zijn cliënte is: ‘ ik zou willen dat je mijn dochter was’). In zijn handelen vanuit zijn centrum is een therapeut opener voor de werkelijkheid die zich aan hem voordoet en is de range van onverwachte reacties veel groter. Het is meer een spel tussen vorm en tegenvorm, tussen dat wat vanuit een open bewustzijn reageert met een op dat moment passende reactie. Een dans als een spel van shape en countershape, zoals de met de Pessotherapie vertrouwde neurocognitieve wetenschapper Han Wassenaar (1998, 2015) dat voor de hele werkelijkheid van in toeval dansende quanten beschreef die zich toch door een diepere eenheidsorde laten bepalen.

Met alleen protocollen werken zou zich slechts ophouden betekenen aan de meer mechanistische kant van de werkelijkheid. Dat kan soms handig zijn maar is slechts effectief binnen een meer oppervlakkige dimensie. De werkelijkheid kan gezien worden als een gelaagde werkelijkheid (‘ hiërarchisch genest in ons brein’) waarbij een bepaalde meer aan de oppervlakte gelegen dimensie over een relatieve zelfstandigheid beschikt en meer expliciet als vorm naar boven treedt (Bohm, 1985). Die meer oppervlakkige dimensie is in feite een afspiegeling  van een diepere dimensie waarin alles niet als individu of vanuit een specialisme werkt, maar universeel vanuit een impliciet samenhangend eenheidsveld. Therapeuten die met protocollen en louter gestructureerde technieken werken zullen sommige cliënten een eind op weg helpen, maar aan de oppervlakte blijven en daarmee hen uiteindelijk tekort doen. Want hun oorspronkelijkheid als cliënt, hun authentieke schoonheid, hun diepste intimiteit en hun eigen verantwoordelijkheid openbaren zich in hen dan niet. En dat is toch wat Pesso voor ogen staat: de ziel van zijn therapie is en blijft het ware zelf, zo verzekerde hij mij onlangs nog: absolutely, bevestigt hij dat nog eens in 2015.

Wat de therapeut nu vanuit vol bewustzijn kan doen, ligt in de woorden van Pesso vervat: Naamgeving en zegening brengt tot leven. De therapeut is nu stil genoeg om dingen te zien die hem opvallen. Hij noemt ze, checkt ze, vraagt of het klopt; hij roept als het ware op het toneel, wat nog achter de coulissen verborgen is voor de cliënt en brengt dat tegenwoordig, omgeeft het met aandacht. Zo begint een proces van opluchting en vitaliteit in zijn cliënt.

Therapeutisch bewustzijn bewijst zich als openheid voor wat zich aandient in de cliënt. Zij schenkt de therapeut onverdeelde opmerkzaamheid, de cliënt op zijn beurt reageert daarop en de therapeut stemt daar weer op af. Albert Pesso noemt dit spel tussen therapeut en cliënt een dans. Een dans tussen gelijken. Als vakman is hij nu los van al te stereotiep handelen, hij is spontaner en oorspronkelijker tegenwoordig. De dans kan ook nog gepassioneerd worden omdat de therapeut zich laat leiden door het in zichzelf en in zijn cliënt herkende brandend verlangen naar heelheid. In de woorden van Pesso:  

'Vanaf het begin van alle tijd is dit verlangen in ons aan het werk, en daarom is het zo diep en krachtig en een plechtig momentum ' (Pesso, 1992, p.1). 


We vertrouwen op wat vanzelf zal komen, de dans wordt bij tijden lichtvoetig. Therapeutisch contact kan als dans alleen in gelijkwaardigheid en spontaniteit worden uitgevoerd (zie ook eerder par.2.3 over spontaniteit). Met een loodgieter die een lek komt opsporen of met de dokter die een infarct in ons brein lokaliseert, kun je natuurlijk wel dansen van geluk als deze een open houding heeft en met een individueel afgestemde oplossing komt, maar het gaat in dat contact toch vooral om hun techniek, niet om de ontmoeting zelf. En dat is in contact met een niet al te zeer aan protocollen gebonden ervaringsgerichte lichaamstherapeut zoals een Pessotherapeut dat is, fundamenteel anders. Ook al 'heeft' een mens een probleem, toch ishij meestal zelf het probleem en ligt in hemzelf de oplossing en die ontstaat voornamelijk in de ontmoeting van mens tot mens. 

Als Pessotherapeuten hun interventies of het inzetten van rolfiguren wat langer zouden durven uitstellen, is dit artikel geslaagd.  Natuurlijk hebben we in de opleiding vele technieken geleerd en kan dat een tijdje een houvast zijn, maar een gevorderde therapeut zou zich van zijn angst dat hij niet genoeg doet, bewust moeten zijn en zich niet als een voorspelbare automaat moeten blijven gedragen, maar meer - zoals Pesso - op zijn intuïtie durven leren vertrouwen. Te vroeg inzetten van interventies kan de ontmoeting van mens tot mens verstoren. Dan versterkt aangereikte techniek alleen maar het illusoire geloof in de cliënt dat een oplossing van buiten moet komen en die mechanische opzet benadrukt in feite alleen maar het valse zelf van een iemand (Sarolea,1986). Dat is een te vroege structurering van een contact van mens tot mens. 

Niemand van ons wil na een mooie’  structure uitgeput zijn koffertje met magische technieken sluiten om de client terug te sturen naar diens neurotische spiegelparadijs. Niemand van ons wil dat. Wij hebben allemaal de diepe heling van de cliënt voor ogen. Onze basale behoefte om goed te doen en verdriet de wereld uit te helpen willen we immers niet verwarren met de basale behoeften van de cliënt. Dat die verwarring niet nodig is en dat het anders kan, leeft Pesso ons voor met zijn rust en zijn geloof in de helende kracht die in de cliënt zelf kan worden aangesproken.




Literatuur 


Böhm, David (1980).  Heelheid en de impliciete orde. Rotterdam, Lemniscaat.

Corlis and Rabe (1969). Psychotherapy from the Center. Scranton Pennsylvania  International textbook Company.

Epstein, M. (1995). Gedachten zonder denker. Nieuwerkijk  a.d. IJssel: Asoka.

Hick, Steven en  Bien,Thomas (2008). Mindfulness and the therapeutic relationship. NY: Guilford Press

Kabat -Zinn, Jon (2006). Coming to Our Senses: Healing Ourselves and the World Through Mindfulness. Deckle Edge. Paperback 2006.

Meijer, Dick (2014) .Cyclic information flow in a quantum physical realm. In NeuroQuantology | June 2014 | Volume 12 | Issue 2 | Page 180-200

Miller, Alice (1999). Het drama van het begaafde kind. Holkema en Warendorf.

Pesso, Albert (1992). On becoming. Tijdschrift voor Pesso-psychotherapie, congresbundel, 2-9. Nederlandse vertaling in dit nummer (2015)

Rogers, Carl (1951). Cliënt-Centered Therapy. Boston: Houghton Mifflin Company.

Roth, Nico (1995). Uebertragung. Tijdschrift voor Pesso-psychotherapie, 12,1.  

Sarorela, Han (1986). The True Self in het contact  therapeut -cliënt. Pessobulletin, 2, 7-34.

Sommeling, L. (2004). Het lichaamsbesef van de therapeut. Tijdschrift voor Cliëntgerichte Psychotherapie, 42, 184-194.Bijbehorende video http://www.sommeling.net/pesso.html

Wassenaar, J.S. et al., (1998); the Human Computer Interface. Autonomy and Addiction. A Neuro- Cognitive study. In Cyberpsychology and Behavior (1) 4, pp. 353-360.-  

Wassenaar, J.S. and J.Schut (2015). Three mental capacities govern recurrently organized sepa rations and connections between the Self and the non-Self. A Neuro-Interface exploration submitted Journal of Consciousness Studies.



Samenvatting

Als waren wij op vacantie. Het juiste tijdstip voor een interventie in zes tips en twee nieuwe oefeningen


Ons bewustzijn bezit een helende kracht en kan contact maken met de helende kracht die in de cliënt zelf ligt opgeslagen. Iedere therapeut kan deze kracht leren gebruiken omdat deze tot het vermogen van ieder mens behoort zoals ook de neurowetenschap herontdekt heeft. In een rollenspel kan de therapeut oefenen om meer op deze kracht te vertrouwen. Hij durft dan ook meer te varen op wat al aanwezig is, zoals de eerste woorden van de cliënt en de  reacties van zijn eigen lichaam en van zijn cliënt. De werkwijze  is van een natuurlijke eenvoud, maakt therapie geven lichter en stelt daarom de therapeut in staat (binnen professionele grenzen) zijn spontaniteit te gebruiken.



Summary

As if we were on holiday. The kairostime of interventions with 6 tips and new roleplaying.

Our consciousness  has the power to heal by our belief that the healing is  hidden in the cliënt himself. The therapist is aware of what is already present inclusive his own and cliënts bodily sensations. A role-play is introduced to exercise this mindful attitude, where interventions are delayed till kairostime is there. When based on consciousness his therapeutic attitude is allowed to be more spontaneous and natural.





Comments