Religieuze monumenten

Religieuze monumenten

Algemene informatie:

Clermont-Ferrand staat bekend om zijn grijs-zwarte Cathédrale Notre-Dame-de-l'Assomption. Daarnaast is er in het oude centrum van Montferrand de Basilique Notre-Dame-du-Port, een van de vijf belangrijkste Romaanse bouwwerken in de Auvergne. Ook de andere kerken zijn zeker een bezoek waard.


Kaart:


1. Basilique Notre-Dame-du-Port

Geschiedenis

De naam van dit gebouw komt wellicht verrassend over, want iedereen weet dat Clermont-Ferrand op vele honderden kilometer van de zee ligt. Het woord "Port" verwijst hier niet naar een haveninfrastructuur maar veeleer naar een opslagplaats, want deze wijk was vroeger één groot goederendepot. 

Over de periode waarin dit gebouw werd opgericht is er weinig geweten. Ook over de verschillende fasen in de vormgeving van dit Romaanse bouwwerk vinden we heel weinig info. Het allereerste gebedshuis werd hier door Saint Avit tussen 571 en 595 opgericht. Saint Avit was de eerste bisschop van Clermont. Dit gebouw was eigenlijk al zwaar door de weersomstandigheden gehavend, toen het in 864 door de Noormannen - die toen een groot deel van de Auvergne bezetten - in brand werd gestoken.

Daarna liet bisschop Saint-Sigon het gebouw tussen 866 en 873 gedeeltelijk restaureren. Maar wellicht werd deze kerk op het einde van de IXe eeuw, tijdens een tweede aanvalsgolf van de Noormannen, opnieuw vernield. In die tijd noemde de kerk "Sainte-Marie-Pricipale" of "...-Princeps", omdat het in de buurt lag van het kasteel van de Graven van Auvergne die toen de titel van "Princeps Arvernorum" voerden.

Uit de eenheid in stijl die je in deze hele basiliek terugvindt, mag je concluderen dat het huidige gebouw in een relatief korte tijdspanne werd gebouwd, tussen het einde van de XIe eeuw en het midden van de XIIe eeuw. Zo weet men uit een document dat de westelijke gevel in 1185, onder het episcopaat van Ponce de Polignac, al klaar was. Deze had alle priesters en gelovigen uit zijn bisdom aangespoord tot het geven van giften, waarmee de bouw van deze kerk kon gefinancierd worden.

De grote aardbeving die in 1476 Clermont-Ferrand trof, spaarde ook deze basiliek niet. De klokkentoren en het portaal stortten volledig in. Het portaal werd in de XVIe eeuw terug opgebouwd in een stijl, die schril contrasteert met de rest van het gebouw.

De klokkentoren werd tussen 1823 en 1825 terug opgetrokken en werd daarna nog eens door architect Mallay onder handen genomen, nadat de basiliek in 1841 al was geklasseerd. De buitenkant van deze "Notre-Dame-du-Port" werd een aantal jaren geleden gerestaureerd. 





Architectuur

Vanaf het plein voor de basiliek heb je een goed zicht op de westelijke gevel die in de XVIe eeuw opnieuw werd opgebouwd. Deze zeer sobere gevel wordt voorafgegaan door een overdekt portaal. Boven deze gevel verrijst de klokkentoren die in de XIXe eeuw in Romaanse stijl terug werd opgetrokken. Deze toren - een ontwerp van Mallay - telt twee verdiepingen, uitgevoerd in basaltsteen afkomstig uit Volvic. De versiering ervan bestaat uit arcades, opgebouwd met witte en zwarte gewelfstenen en uit een dambordpatroon uitgevoerd in dezelfde kleuren. 










Loop je om het gebouw heen, dan zie je dat de rechter zijgevel bestaat uit twee boogrijen op verschillende niveaus: bij de ene zijn de bogen breed uitgevoerd en zijn er ramen aangebracht, bij de andere zijn de bogen gegroepeerd in groepjes van drie kleine arcades. Zowel de viering in de dwarsbeuk als de toren er boven werden beiden iets voor 1150 gebouwd. De muur van de dwarsbeuk - die alle karakteristieken vertoont van de Romaanse bouwkunst hier in de Auvergne - telt twee verdiepingen en is voorzien van ramen. De onderste ramen worden ingekleed met een veelkleurig dambordpatroon en worden van elkaar gescheiden door een pijler die uitloopt op een kapiteel, waarop een scène wordt uitgebeeld. Boven de bovenste drie ramen zie je een arcade, die fijn uitgewerkt is met zwarte en witte gevelstenen. 

De achthoekige klokkentoren boven de viering in het transept, werd in de XIXe eeuw opnieuw opgebouwd. Hij bestaat uit twee verdiepingen met galmgaten, die bestaan uit twee naast elkaar aangebrachte openingen. Ze worden geflankeerd door heel fijn uitgevoerde kolommetjes en zijn versierd met een mooi dambordpatroon in veelkleurige natuursteen.





Ter hoogte van de vierde travee aan de rechterzijde heb je een prachtige, romaanse portiek, een zeldzaamheid in Auvergne. Voor het grootste deel gaat die terug tot het einde van de XIIe eeuw. In de XVIIIe eeuw werd deze portiek opnieuw beschilderd. 

Hij bestaat uit een latei in de vorm van een zadeldak, met daar boven een timpaan, dat op zijn beurt omgeven wordt door een Moors uitziende boog. Langs weerskanten van de deur werden in een vroeger stadium in de muur een beeld van de profeet Isaïas en van de profeet Johannes de Doper ingewerkt. In de bovenste hoeken van de portiek heeft men weer beeldengroepen toegevoegd: links een voorstelling van Maria-Boodschap en rechts van de Geboorte. 

De gebeeldhouwde uitwerking van het timpaan toont ons centraal een in volle glorie tronende Christusfiguur omgeven door twee Serafijnen (engelen met zes vleugels, die de lof van Christus bezingen) en gedragen door twee van de vier evangelisten. Er blijven immers alleen nog de os, voorstelling van de H.Lucas en de leeuw van de H.Marcus over. Op de latei zelf zie je dan - van links naar rechts - weer een afbeelding van de "Aanbidding door de Wijzen", van de "Opdracht in de Tempel" en van het "Doopsel van Christus".




Doordat de kerk heel dicht bij de huizen uit de buurt staat, is het niet zo vanzelfsprekend het chevet van de 'Notre-Dame-du-Port' in zijn totaliteit te kunnen zien. Daarom kan u gebruik maken van een uitzichtspunt in de rue Robertus.

Het is een van de mooiste romaanse realisaties uit de hele regio en is het ook het meest opvallende onderdeel van de basiliek. Het werd dan ook als allereerste onderdeel - zo rond 1100-1130 - gebouwd en bestaat uit vier kleine apsisjes. Het valt vooral op door zijn kleurrijke decoratie en door zijn beeldhouwwerk, zo typisch voor de romaanse kerkjes in Auvergne. Het is vergelijkbaar met de chevets van de kerk in Saint-Saturnin, in Orcival, in Saint-Néctaire en in Issoire, kortom de vijf belangrijkste kerken in de Puy-de-Dôme. 

De vier straalkapellen in het chevet betreedt men elk langs een grote rondboog. Rondbogen die het geheel een bepaald ritme verlenen. Boven de ramen tref je een tandlijstversiering aan. De kolommen tussen de verschillende delen zijn uitgevoerd met kapitelen waarop bepaalde scènes staan afgebeeld (het offer van Isaak, Adam en Eva, ...). Verder heb je nog "modillons à copeaux",een rijkelijk uitgevoerd polychrome versiering in de vorm van een dambord, rozassen en mozaïeken in goudgele arkoze en basaltsteen. De apsis die al deze kapellen omvat, is eveneens versierd met rozassen, mozaïeken en blinde bogen.



Vanaf de narthex zie je de vijf traveeën van de middenbeuk met haar tongewelf. Aan weerszijden ervan zie je de zijbeuken met hun kruisribgewelven. De opstand van het middenschip is uitgevoerd met twee niveaus: het ene niveau bestaat uit een arcade met rondbogen, waarvan de pijlers versierd worden met aanliggende kolommen, het andere bestaat uit tribunes waarvan de openingen afgeboord zijn met fijne kolommetjes.
Loop je nu verder door tot aan de viering in het transept, dan merk je daar dat deze overdekt wordt door een koepel die rust op trompen. Trompen zijn holle koepel-of trechtervormige gewelfelementen, met de grootste zijde naar beneden gericht, die de overgang mogelijk maken van een vierhoek naar een veelhoekige of ronde (koepel) bovenbouw.

De armen van het transept - de dwarsbeuken dus - tellen elk twee traveeën uitgevoerd als tongewelf, die eindigen op een absidiool met een halfkoepelvormig gewelf. De muren zijn versierd met rondbogen, die van elkaar gescheiden worden door een mijter- of keperboog.






Het koor met zijn halfkoepelvormig gewelf wordt omgeven door een kooromgang met een kruisribgewelf, waarop vier straalkapellen aansluiten. In deze kapellen valt het licht binnen langs rondboogramen die van elkaar gescheiden worden door kolommetjes. Alle kolommen in het koor bezitten kapitelen, waarop scènes worden afgebeeld met uiterst fijn gesculpteerde personages.

Hoewel je al in de middenbeuk mooie kapitelen aantreft, dan is het toch vooral in het koor dat je de vakkennis van de romaanse beeldhouwers zult weten te waarderen. De tekstfragmenten aangebracht op deze kapitelen leren ons dat vier ervan werden gemaakt door ene Rotbertus, die ook heeft meegewerkt aan de kerk in Saint-Nectaire. De thema's die de kunstenaars uit deze periode behandelen zijn over het algemeen terug te vinden in de Bijbel of in de evangeliën.






Toch gebeurt het soms, dat men op dergelijke kapitelen ook scènes ziet uit het dagdagelijkse leven, wel met een zuiver moraliserende bedoeling. Het mooiste voorbeeld daarvan vind je in de rotonde in het koor, waar je een afbeelding ziet van de strijd tussen de Deugden en de Ondeugden. Op de vier zijden van dit kapiteel zie je hoe de gulheid en de hebzucht het gewapend met schilden tegen elkaar opnemen. Om dan vervolgens te zien hoe deze Ondeugd vertrappeld wordt door de Gulheid als deugd, en waarbij de woede probeert zichzelf om te brengen. 

De drie andere kapitelen uit het koor laten alle taferelen zien uit het Oude en het Nieuwe Testament. Op de eerste zie je bv bijvoorbeeld Maria-Boodschap (de engel Gabriël die Maria laat weten dat ze de moeder zal worden van de Messias), Maria-Visitatie (Maria brengt een bezoek aan haar nicht Elisabeth, die in verwachting is van Johannes de Doper), Zacharias de man van Elisabeth die door een engel op de hoogte wordt gebracht van de nakende blijde gebeurtenis, alsook de Droom van Jozef waarin een engel het blijde nieuws aan Jozef verkondigt. Het tweede kapiteel toont de erfzonde (Adam en Eva worden samen met de slang door God uit het Aards Paradijs gejaagd). Het derde kapiteel toont ons de Hemelvaart van Maria ( Christus laat het lichaam van zijn moeder uit een sarcofaag opstijgen en een engel begeleidt haar daarbij naar het Paradijs). De andere kapitelen, die je vooral in de middenbeuk aantreft tonen een gevarieerd gamma aan taferelen: een africhter van een aapje, een engel met het levensboek in zijn hand (het kapiteel van de stichter?), Sint-Michiel die de draak bedwingt of de bekoring van Christus in de woestijn.



De XI-eeuwse crypte heeft vrijwel eenzelfde grondplan als het bovenliggende chevet. Ook nu nog hebben de inwoners van Clermont het hierbij steeds over "la Souterraine". Wellicht is deze naam afkomstig van het feit dat deze plek in de Keltische Periode door de druïden werd gebruikt bij het houden van hun riten. Deze hypothese wordt nog versterkt door de waterput die hier ligt onder een gebeeldhouwde XVI-eeuwse vloertegel. Op het hoofdaltaar staat een Zwarte Madonna, een beeld uit de XIXe eeuw. Het vervangt het originele uit de XIIIe eeuw dat hier tijdens de Franse Revolutie in gruizelementen werd geslagen.


  • Openingsuren

Elke dag open van 08h00 tot 19h00


  • Uitzichtspunt op de kerk in de rue Robertus.

Open van 14h00 tot 17h00
Van 01 Jul tot 31 Aug van 10h00 tot 17h00


  • Adres
    Rue Notre Dame du Port
    63000 Clermont-Ferrand





2. Cathédrale Notre-Dame-de-l'Assomption

Geschiedenis

We hebben maar weinig bronnen betreffende de eerste drie kerken die voorafgaan aan de bouw van deze kathedraal in het midden van de XIIIe eeuw. De eerste kerk werd in het midden van de Ve eeuw opgetrokken in opdracht van Saint-Namace (Namatius). Deze bisschop slaagde erin deze regio te kerstenen, deels dank zij de bouw van deze allereerste basilica. Uit het tweede deel van de "Historia Francorum" - die Grégoire de Tours heeft geschreven tussen 576 en 580 - weten we dat er twaalf jaar aan dit gebouw werd gewerkt en dat het gebouw 43 m lang en 17 m breed was. Zo weten we ook dat het een houten plafond bezat, dat het zeventig kolommen telde en acht deuren, dat het koor in marmer was uitgevoerd en dat het hele gebouw gebouwd was in een kruisvorm. Om de gelovigen naar hier te lokken liet bisschop Namatius de relikwieën van Saint-Vital en Saint-Agricol uit Bologna naar hier overkomen. Deze twee heiligen schonken hun naam aan dit allereerste gebouw.

Dit gebedshuis - dat toen al zwaar beschadigd was door de weersomstandigheden - werd in 761 door de manschappen van Pepijn de Korte volledig verwoest tijdens zijn veldtocht tegen Hertog Waifre d'Aquitaine. Uit wroeging en als boetedoening voor zijn gewelddadig optreden, heeft hij achteraf de nodige fondsen aangebracht, die bisschop Adebertus toelieten tussen 764 en 768 een nieuwe kerk te laten bouwen.

Nadat ook dit gebouw opnieuw tijdens een raid door de Noormannen in 915 werd verwoest, liet Etienne II - de toenmalige bisschop van Clermont - een nieuw gebouw optrekken in Romaanse stijl. Deze "Eglise Notre-Dame" werd in 946 ingewijd. Het was een ontwerp van Alleaume, een priester die tevens ook architect en edelsmid was. Hoewel er bijna niets meer van dit gebouw terug te vinden is, kunnen we ons toch een goed beeld vormen van hoe het er moet uitgezien hebben, door gewoon te kijken naar de belangrijkste romaanse kerken in de Auvergne, die werden gebouwd naar het beeld van deze "Eglise Notre Dame". 

Cathédrale Notre-Dame-de-l'Assomption

Binnen in deze kerk stond een Madonnabeeld, dat door diezelfde Alleaume werd gemaakt. Hoewel dit beeld tijdens de Franse Revolutie werd stukgeslagen, weten we toch hoe het eruit zag dank zij de tekening die men aantreft in de "codex claromontensis", die bewaard wordt in de bibliotheek van Clermont-Ferrand. Het enige nog zichtbare element uit die periode is de crypte uit de Xe eeuw, die heeft men behouden, toen men in de XIIIe eeuw begon met de bouw van de nieuwe gotische kathedraal.

Het was wellicht om zijn superioriteit ten overstaan van het bisdom Bourges in de verf te zetten en ook omdat de nieuwe stijl overgewaaid uit Noord-Frankrijk hem fascineerde, dat bisschop Hugues de la Tour du Pin de oude romaanse kathedraal liet slopen en haar verving door een gotische. Rond 1248 gaf hij Jean Deschamps de opdracht een gebouw in die stijl te ontwerpen. Omdat hij in 1249, tijdens de zevende kruistocht, overleed, heeft hij nooit de voltooiing van zijn project kunnen meemaken. Het was zijn neef Guy de la Tour du Pin die zijn taak zou voortzetten aan het hoofd van dit bisdom. 

Met de kathedralen van Beauvais en Amiens als inspiratiebronnen, leidde Jean Deschamps tot in 1267 de werken op de bouwwerf in Clermont-Ferrand. Rond het tijdstip van zijn vertrek, was wellicht al het koor en het transept volledig afgewerkt. Men vindt hem later ook nog terug op een soortgelijke bouwwerf in Limoges, daarna in Rodez en ten slotte ook in Narbonne. Tot in 1287 hield hij wel een oogje in het zeil op de bouwwerf in Clermont-Ferrand. Daarna nam zijn zoon Pierre deze taak van hem hier over. In 1325 - het jaar waarin ook Pierre Deschamps deze werf verliet - was de Notre-Dame al tot aan de middenbeuk volledig afgewerkt. De dood van deze twee kunstenaars en het gebrek aan de nodige fondsen deden de bouw van deze kathedraal stokken. Pas in 1335 zou het bouwwerk een dakbedekking krijgen. En men moest nog wachten tot 1344 vooraleer men kon beginnen met de bouw van de torens boven het transept. Het is inderdaad rond dit jaar dat men de "tour de la Bayette" heeft gebouwd. 

Vanaf het midden van de XIVe eeuw, lagen bijna alle werken aan de kathedraal volledig stil. In de volgende jaren zouden er enkel nog verschillende verfraaiingen doorgevoerd worden en dat tot aan de XIXe eeuw. Rond 1350-1355, weten we dat bouwmeester Pierre Juglar uit Cébazat op deze werf heeft gewerkt, maar wat hij daar precies gedaan heeft weten we niet. 

Onder bisschop Martin Gouge de Charpaigne (1415-1444) heeft een plaatselijk atelier zich bezig gehouden met de realisatie van een flamboyant oksaal (scheidingsmuur tussen het priesterkoor en de middenbeuk). Tussen 1450 en 1474 werd er een nieuwe klokkentoren bijgebouwd, de "clocher du retour". Spijtig genoeg heeft men dit stenen wonder in de XVIIIe eeuw neergehaald. 

Vervolgens heeft men onder bisschop Jacques d'Amboise (1505-1516) een nieuw loden dak gelegd. Hij was ook de stuwende kracht achter de realisatie van de "boom van Jesse" (de stamboom van Jezus), die het westelijke uiteinde van het koor siert. 

Rond 1606 liet bisschop François de La Rochefoucauld de mooie smeedijzeren campanile plaatsen op de "tour de la Bayette". Tijdens de Franse Revolutie, kreeg de kathedraal het hard te verduren. Dit was zo erg dat hij op een haartje na bijna moest gesloopt worden. Tijdens die jaren werden immers alle torens van het transept - op de "tour de la Bayette" na - neergehaald. Een groot deel van het meubilair werd in brand gestoken en heel wat beelden werden zwaar beschadigd (in de portalen, aan het oksaal, ...). De totale vernieling van het gebouw werd op het nippertje vermeden, dankzij de val van Robespierre in juli 1794. 

De kathedraal zou pas in de XIXe eeuw volledig afgewerkt geraken. Men moest inderdaad wachten tot de sloop van de romaanse façade in 1851 en de herneming - rond 1855 - van de plannen voor een gotische façade, vooraleer de werken (na vijf eeuwen) volledig voltooid waren. De plannen voor deze gevel met de twee flamboyante torens zijn het werk van Viollet-le-Duc. Die vertrouwde de opdracht voor deze werken toe aan Millet en Baudot. Deze twee architecten werkten van 1870 tot 1884 aan de realisatie van dit project. Pas dan was het gebouw volledig af. 

In het begin van de XXe eeuw werden nog de trappen en de pui voor de westelijke gevel eraan toegevoegd.




Waar je u ook maar bevindt in deze grote agglomeratie, overal zie je de 108 meter hoge torenspitsen in het verlengde van de 'rue des Gras'. Met deze realisatie heeft Viollet-le-Duc eens te meer een nieuwe interpretatie willen geven aan de gotische bouwstijl, die hij zo koesterde. Over het uiteindelijke resultaat kan er zeker gediscussieerd worden, maar één zaak staat vast: het geeft aan het gebouw zeker een zeer homogene uitstraling. Voor deze westelijke façade opgetrokken in basaltsteen uit Volvic, ligt nog een pui en een trap, die in 1902 werden aan toegevoegd. 


Boven op drie verdiepingen van de torens staan torenspitsen uitgevoerd als achthoekige piramides. De torens zijn versierd met frontalen of wimbergen en opengewerkte pinakels. Dit hele ensemble werd in 1884 door architect Anatole de Baudot afgewerkt naar de plannen van Viollet-le-Duc. Het hoofdportaal wordt omkaderd met de beelden van heiligen en bisschoppen. Het timpaan toont het Laatste Oordeel. Daar boven zie je het grote roosvenster, dat duidelijk geïnspireerd is op de flamboyante roosvensters van het transept.




De zuidelijke zijgevel, gelegen aan de "place des Victoires", was vroeger omgeven door de gebouwen van het bisschoppelijke paleis. De eerste drie traveeën, die rond 1350 werden opgetrokken, hebben een terras uitgevoerd in een zuiderse stijl. Op dit terras steunen luchtbogen, versierd met pijlertjes en waterspuwers. De versiering (die hier heel wat soberder is uitgevoerd dan langs de andere flank) is toch wondermooi uitgevoerd ter hoogte van het transept. Het transept heeft als bijzonderheid dat het niet uit het gebouw treedt. Het transept zit ingesloten tussen de aanzet van de twee torens, die ten tijde van Franse Revolutie werden gesloopt. 


Deze gevel omvat een portaal dat nergens opgesmukt wordt met beelden. De enige versieringen die je hier ziet, zijn de welvingen en de schuine verwijding naar buiten toe van de deurstijlen. Het hoger gelegen deel van deze façade is veel fijner uitgewerkt, met een balustrade versierd met vierpasmotieven, voor het grote roosvenster uitgevoerd in een stralende gotische stijl.


Het chevet - het mooiste en tevens oudste deel van dit gebouw - werd omstreeks 1250-1260 gerealiseerd door Jean Deschamps. Het is een pareltje van gotische bouwkunst. Het eerste niveau van het koor - bestaande uit vijf straalkapellen - lijkt nogal massief. Een effect dat nog versterkt wordt door de steunberen die de kapellen onderling van elkaar scheiden. Deze eerste indruk wordt echter te niet gedaan, als men kijkt naar de tweede verdieping, die zeer luchtig is uitgevoerd. Om dat effect te bereiken gebruikte de architect een balustrade en grimassen trekkende waterspuwers als versiering, alsook luchtbogen, die ontdubbeld werden om het polygonale chevet te ondersteunen. Door deze constructie kon men in het chevet hoge ramen aanbrengen, die zorgden voor een perfecte lichtinval in het koor. De overgang tussen beide niveaus gebeurt via een terras in de zuidelijke stijl, die Jean Deschamps ook later nog zal toepassen bij de kathedraal van Limoges. Dit terras bezit ook prachtige architecturale tracés, die direct in de stenen werden aangebracht. Deze werktekeningen laten ons heel precies zien wat deze architect van plan was met de dwarsbeuken en met de portalen. De versiering van het geheel wordt nog vervolledigd met een evenwichtige balans tussen pijlertjes en nissen bij de luchtbogen, alsook door een schitterende bronzen "boom van Jesse", die destijds - rond 1505 - door Jacques d'Amboise werd besteld. Hierop zie je de koningen Salomon, Josaphat, Ezechias en David met dan onderaan de drie profeten, Isaïas, Ezechiël en Daniël. Boven dit geheel staat een beeld van O.L.Vrouw, de "Notre-Dame du Retour". 


Al liggen ze niet ver uit elkaar, toch zijn er grote verschillen te merken tussen de twee zijgevels. Dat is inderdaad zo, de fijn uitgewerkte versiering van de dwarsbeuk en de "tour de la Bayette", wijzen er ons op dat de inwoners van Clermont gewoonlijk de kathedraal langs deze kant betraden. Zelfs al is er tijdens de Franse Revolutie een deel van de versiering van het portaal verdwenen, toch blijven er nog enkele mooie beeldhouwwerken over. Zo zie je hier onder meer een beeld van O.L. Vrouw op de middenstijl, beelden van Sint-Jan en van O.L.Vrouw in de nissen van de torens, een pelikaan die zijn kleintjes voedt in een medaillon van het frontaal en een fries met allerlei dierenfiguren ter hoogte van het triforium. Deze "curiositeiten" - typisch voor de XIVe eeuw - zijn blijkbaar geïnspireerd door de verluchte manuscripten, die je uit die tijd in Parijs kunt gaan bewonderen. Op de medaillons van deze fries prijken er honden, een aap die rijdt op een varken, een olifant, enkele katachtigen, enkele vermomde apen, een atlant (de mannelijke vorm van een kariatide), ... 


Deze façade van het transept bestaat buiten deze verzameling beelden nog uit een portaal met voussuren, uit nissen zonder beelden, uit een fijn opengewerkt frontaal, een balustrade, een blind triforium en een prachtig roosvenster versierd met geometrische motieven. Aan de linkerkant van deze façade zie je de "tour de la Bayette". Deze 50 meter hoge toren was ooit het belfort van deze stad. Dat verklaart dan ook waarom deze toren, in tegenstelling tot de andere torens, tijdens de Franse Revolutie gespaard is gebleven. Boven op deze toren prijkt een klein torentje en een campanile die er in 1606 werd bijgeplaatst. In deze campanile hangt nog steeds een klokje dat om het uur luidt.


Achter de twee traveeën uit de tweede helft van de XIXe eeuw, heb je het gotische schip van vier traveeën, dat rond 1350 hier door Pierre Juglar uit Cébazat werd opgetrokken. Op een hoogte van boven de 28 meter zie je hier het gotische kruisribgewelf, waarvan de vier gewelfsectoren telkens van elkaar gescheiden worden door fijne diagonaalribben. Onder dit gewelf is er plaats voor grote glasramen met lancetbogen. 


Op de lager gelegen verdieping, loopt er langs weerszijden van het schip een triforium. Dit is versierd met kleine kolommetjes, drie- en vierlobbige bogen. Een groot deel van het gewelf wordt gedragen door een bos van pijlers, versierd met kolommetjes en knopkapitelen. Elke zijde van de middenbeuk wordt geflankeerd door ontdubbelde zijbeuken die ook een deel van het gewicht van het gewelf torsen. Deze 14 meter hoge zijbeuken hebben eveneens een gotisch gewelf dat gedragen wordt door een bos van pijlers. Tot slot, eindigt elke zijbeuk op een aantal zijkapellen, waardoor het gebouw daar nagenoeg even breed wordt als lang. 


De dwarsbeuken van het transept treden niet buiten de zijgevels van het gebouw. In het geheel genomen volgen ze hetzelfde schema en nemen ze dezelfde decoratie over van de middenbeuk. Inderdaad vind je hier dezelfde pijlers waarop het gotische gewelf steunt. Hetzelfde geldt voor de versieringen van het triforium en voor de grote glasramen. Het enige verschillende element vind je in de muren van het transept. Hier zie je de grote roosvensters met een uiterst complex motief als versiering. Deze roosvensters worden voorafgegaan door een triforium met glas, zodat zo nog meer licht kan binnenvallen. 



Het koor, omgeven door een kooromgang, werd rond 1248-1250 ontworpen door Jean Deschamps. Het is het oudste en ook het mooiste deel van het hele gebouw. Hier wordt de diepgang juist verkregen door de drie traveeën, die de zes pijler van de rotonde in het koor voorafgaan. Het koor bezit dezelfde opstand als de rest in het gebouw. Ook hier vind je de pijlers met kolommetjes, het triforium en de hoge lancetramen, bekroond met een gotisch gewelf dat eindigt op een uiterst fijn versierde sluitsteen. Loop je langs links de kooromgang in, dan zie je daar het deurtje van de XIV-eeuwse sacristie. Met daar onmiddellijk naast de Sint-Joriskapel met een vierkant als grondplan. Na deze kapel komen er vijf kapellen met een veelhoekig grondplan en een allerlaatste kapel met een vierkant als grondplan. De hele versiering van de kooromgang en van de kapellen werd door Jean Deschamps uitgewerkt in de meest zuivere vorm van de rayonnante gotiek (de tweede fase van de hooggotiek). Men ziet hier prachtige kolommetjes met knopkapitelen, met fijn gesculpteerde sluitstenen in het gewelf en een hele reeks glasramen die voor het merendeel teruggaan tot de XIIIe eeuw.


De glasramen uit het midden van de XIIIe - begin XIVe eeuw zijn qua pracht vergelijkbaar met die van Chartres of van Bourges. Je vindt ze voor het merendeel in het transept, het koor en in de kapellen van de kooromgang. Ze laten een grote variatie aan kleuren zien, van rood-vermiljoen tot olijfgroen, over alle schakeringen van blauw, geel en purper. Om ze op te bouwen gebruikte men in de ateliers van de glasmakers een gans gamma aan vormen die pasten bij de stijl van de rayonnante en flamboyante gotiek. De opdracht die de kanunniken van de kathedraal aan de meester-glazeniers oplegde, had alles te maken met de uitbeelding van scènes uit het leven van de grootste heiligen maar ook uit dat van lokale heiligen, zoals een Austremoine en een Bonnet. 


Loop je de kooromgang (links startend) door, dan loop je eerst voorbij de vier lancetramen van de Sint-Joriskapel. Die beelden het leven en de marteldood van deze heilige uit. Er boven zie je in een roosvenster een ridder die op kruisvaart trekt. In de volgende kapel zie je verschillende scènes uit het leven van Austremoine, met eerst zijn predikingen, dan de bouw van een kerk in Issoire en tot slot de wonderen die hij verricht heeft. Juist daar naast heb je de kapel van de H. Maria-Magdalena. Hier zie je drie grote glasramen, die het leven en de dood van deze heilige uitbeelden (de scène waar ze de voeten van Jezus parfumeert, haar aankomst in de Provence, de kluis in Sainte-Baume, de verlokking door engelen). Rechts van deze kapel heb je die gewijd aan Sint-Jan-de-Doper. Hier zie je een aantal uitzonderlijke mooie glasramen, die het leven verhalen van deze heilige (de parabel van de edelmoedige zoon en de dans van de jongleurs). De volgende kapel wordt verlicht langs drie lancetramen, die scènes uit het leven van Saint-Bonnet laten zien. De ramen in de volgende kapel zijn een mix van medaillons uit de Romaanse periode, die handelen over de kinderjaren van Christus en medaillons uit de XIIIe eeuw (Passieverhaal, de Hemelvaart, Pinksteren, ...). In de volgende kapel vind je glasramen gewijd aan het leven van "Sainte-Marguerite" (haar leven als herderinnetje, de achtervolging door Olibrius, haar martelaarschap). De laatste twee kapellen zijn opgedragen aan "Sainte-Agathe" en aan "Saint-Pierre".


De grote glasramen in het koor vormen een geheel van dertien ramen van zo een 2,30 m hoog. Elk raam bestaat uit twee lancetten, waarop slechts één personage staat afgebeeld. Door de grote afmetingen van de lancetten worden de personages lichtjes vervormd voorgesteld. In het midden zien we Christus en O.L.Vrouw, langs elke kant omringd door de H. Petrus, Johannes, Jacobus, Thomas, Paulus, Andreas, Jacobus de Jongere en Mattheus. De roosvensters in het transept hebben een diameter van om en bij de 14,5 meter. Ze zijn opgebouwd uit centraal meerlobbige roosvensters, omgeven met zestien lancetten, die zich op het volgende niveau ontdubbelen en eindigen op een geheel van vierlobbige ramen. Het geheel laat een rijkdom aan kleuren en geometrische vormen zien, die deze van de Notre-Dame in Parijs heel goed benaderen.


De muurschilderingen in de sacristie en in de kapellen van de kooromgang gaan terug tot de periode tussen het einde van de XIIe eeuw en het midden van de XVe eeuw. Behalve de Kruisiging in Byzantijnse stijl die de sacristie versiert, behoren alle andere fresco's veeleer tot de Parijse School, die een grote invloed uitoefende op de kunstenaars in het begin van de XIIIe eeuw. 


De thema's die in deze schilderingen behandeld worden sluiten aan bij die op de glasramen (waarop in de meeste gevallen het heiligenleven behandeld wordt van de heilige waaraan de kapel gewijd was). Zo zie je in de Sint Agatha-kapel een triptiek, waarop de scène op de Calvarieberg wordt uitgebeeld, met aan weerszijden Saint Loup en Sainte Agathe. In de Sint-Joriskapel zijn bovenaan scènes geschilderd van zijn marteling (vierendeling tussen twee bomen, radbraking, het aantrekken van gloeiend hete rijglaarzen). Daar onder de afbeelding van een gevecht tussen Kruisvaarders en Saracenen te paard. Ook in de andere kapellen tref je verschillende fresco's aan, zoals een rij kloosterlingen die aan de hand door een engel naar de hemel geleid worden ("chapelle Saint Bonnet"), of de H. Thomas die kanunnik Thomas Besson voorstelt aan een Madonna met Kindje (in de "chapelle Saint-Bonnet"), maar ook de afbeelding van een biddende kanunnik voor het Kindje Jezus en zijn Moeder (in de "chapelle Sainte-Marie-Madeleine"). Tot slot, boven de deur van de sacristie, de fresco's van de begrafenis van de kanunniken Guillaume Gauthier, Guillaume de Jeu en Jean Coustave, uit de tweede helft van de XVe eeuw.


Ondanks de vele beschadigingen die de beelden door de eeuwen heen hebben ondergaan, kan men zich toch nog altijd een goed idee vormen van de rijkdom en de verscheidenheid aan beelden, die de middenbeuk en vooral de kapellen in het koor sierden. Onder al deze beelden moet de "Notre-Dame-de-la-Bonne-Mort", een romaanse Madonna genoemd worden. In de kooromgang vind je ook nog een prachtige Piëta, een beeldje in polychroom hout uit de XIVe eeuw en een Christusfiguur zoals die optreedt bij het Laatste Oordeel. Dit beeld bevond zich vroeger in het timpaan boven het noordelijke portaal bevond en gaat terug tot dezelfde periode. In de zijbeuken zie je een XV-eeuwse Graflegging (waarbij de Christusfiguur is verdwenen) en een beeld van O.L.Vrouw met Kindje. In de crypte vind je een witmarmeren sarcofaag uit de IVe eeuw, waarop je de opstanding uit de doden van Lazarus en de Blijde Intrede van Christus in Jeruzalem kunt bewonderen.


  • Openingsuren
Elke dag open van 07h30 tot 12h00 en van 14h00 tot 18h00.
Op zon- en feestdagen open van 09h30 tot 12h00 en van 15h00 tot 19h30.

  • Adres
Place Edmond Lemaigre
63000 Clermont-Ferrand




3. Eglise Notre-Dame-de-Prospérité

Geschiedenis


Als je dit prachtige gotische gebouw bekijkt, dan vergeet je nog al snel dat de inwoners van Montferrand zich bijna twee eeuwen lang hebben moeten tevreden stellen met een kleine slotkapel. Deze kapel was in het begin van de XIIe eeuw opgericht door Graaf Guillaume VI. In 1126 werd ze door troepen van koning Louis VI le Gros in brand gestoken. Kort daarna al werd deze Grafelijke kapel opnieuw opgebouwd. Tot aan het einde van de XIIIe eeuw deed deze kapel, waarin men het merendeel van de parochianen kon opvangen, dienst als parochiekerk. In woelige tijden durfden de gelovigen echter niet naar deze "église Saint-Robert" gaan omdat ze buiten de stadsmuren lag. Nadat koning Philippe IV le Bel in 1292 de cité had teruggekocht, vroegen de bewoners hem de toestemming om een nieuwe, grotere kerk te mogen bouwen. 

De bouw, die begon in 1304, schoot in de hele XIVe eeuw heel goed op, dank zij het geld dat de "consuls" in dit project investeerden. Op het einde van de XIVe eeuw, was het chevet voltooid, de eerste twee traveeën waren afgewerkt en het dak was (in 1382) gelegd. Doordat men in de eerste helft van de XVe eeuw een nieuwe stadsmuur moest bouwen, werden de werken aan de kerk - door gebrek aan fondsen - stilgelegd. Pas na het einde van de Honderdjarige Oorlog zouden de werkzaamheden opnieuw aangevat worden. Al die tijd was er op de bouwwerf in het geheel niets gebeurd. Met de bouw van de laatste drie traveeën en de flamboyante façade, zetten de bouwmeester hier rond 1450 een geheel neer, dat gekenmerkt wordt door een grote architecturale homogeniteit. 

Omdat ze niet alleen hadden kunnen rekenen op de gulheid van de inwoners maar ook op de steun van Estevenot de Thalouresse du Saulmont – de baljuw in dienst van de koning - lieten de architecten in 1456 te zijner ere de "chapelle Sainte-Catherine" bouwen. Halverwege de XVe eeuw was het hele gebouw al grotendeels klaar. Alleen de twee torens aan de hoofdgevel moesten nog opgericht worden. Men begon rond 1470 met de bouw ervan, maar uiteindelijk zou deze pas in 1566 voltooid geraken. Dat is immers het jaartal dat op de balustrade van de noordelijke toren gegraveerd staat. In die tussentijd kreeg het gebouw er wel een flamboyant portaal bij, alsook een groot roosvenster, naar een ontwerp van Pierre Montoloys (tussen 1496 en 1517). Kort daarna - in 1527 - werd het gebouw ingezegend en werd in de noordelijke toren de klok geïnstalleerd (1547). 

Gedurende de XVIe, XVIIe en XVIIIe eeuw werden naast vele stukken meubilair ook een lambrisering geplaatst. Heel wat van deze kunstwerken in de "église Notre-Dame" zouden tijdens de woelige periode rond de Franse Revolutie verloren gaan. En alsof al die vernielingen nog niet genoeg waren, werd ook nog eens de zuidelijke toren vernield. De noordelijke toren mocht blijven staan omwille van zijn uurwerk, waarvan de opstandelingen toch nog het nut erkenden. 

Zoals een beetje overal in Frankrijk, was de XIXe eeuw de eeuw waarin men restauratie- en herstellingswerken uitvoerde. In 1842 werd de kerk als historisch monument geklasseerd. Binnenin zie je de zeer mooie glasramen die Thévenot tussen 1853 en 1863 heeft gemaakt. In 1874 werden op het gewelf fresco's aangebracht, die in 1997 werden gerestaureerd.

Eglise Notre-Dame-de-Prospérité



Architectuur

Geprangd tussen de huizen verrijst boven de "rue Kléber" de westelijke voorgevel. Hij is opgetrokken in de flamboyante gotische stijl. Het voorportaal wordt door twee torens en een groot roosvenster omkaderd. Zowel het voorportaal als het roosvenster worden omgeven door ietsje uit de gevel tredende schoormuren. Ze werden beide in het eerste kwart van de XVIe eeuw gerealiseerd, naar een ontwerp van Pierre Montoloys. 


Uitgevoerd in een zeer ranke vorm bezit dit portaal een rijke versiering in de lavasteen uit Volvic en in arkozesteen uit Royat, voor wat het beeld betreft op de middenstijl. Dit beeld van "Notre-Dame-de-Prospérité" is een kopie uit 1920. Omdat de beelden op de deurposten jammer genoeg verdwenen zijn, moet men hier maar genoegen nemen met een versiering met baldakijnen en kleine klaverbladvormige boogjes in de uithollingen van de deurposten. 

Daar boven zijn mooie pinakels aangebracht met een prachtig uitgewerkt stenen gebladerte. Ook de middenstijl eindigt in een pinakel, dat nagenoeg dezelfde motieven heeft als de zijdelingse pinakels. Het timpaan dat door de centrale pinakel in twee delen wordt opgedeeld, wordt omgeven door een spel van voussuren die eindigen in een uiterst fijn bewerkt stenen bladerdek op het frontaal.


Tussen het portaal en de balustrade zie je een kroonlijst versierd met druiven en wijnbladeren. Juist daar boven heb je dan de flamboyante balustrade versierd met uiterst fijn uitgewerkte wijnranken. Aan weerszijden van deze balustrade zie je twee prachtige waterspuwers, die je ook vindt bij de bovenste balustrade. Tussen deze twee balustrade heb je het grote roosvenster dat ingeschreven is binnen een vierkant met een zijde van vijf meter. Dit roosvenster is t.o.v. het portaal iets naar achteren geplaatst. Het bestaat uit acht sectoren versierd met concave en convexe bogen die zich dan verder ontdubbelen, om op die manier blaadjes te vormen met een spitsboogvorm.


Langs weerszijden van het voorportaal zie je één van de twee torens. Die zijn volledig identiek aan elkaar tot aan het afgeknotte deel van de zuidelijke toren. Die verloor tijdens de Franse Revolutie zijn bovenste deel. De linkse toren, die hoog boven de westelijke voorgevel uitsteekt, heeft machtige steunberen die elke zijde van de toren versterken. Boven zie je langs elke zijde de hoge galmgaten met de eerder vlak uitgevoerde bogen. Daar boven loopt een flamboyante balustrade versierd met door elkaar verstrengelde cirkelvormige ornamenten. Het bovenste deel van elke steunbeer is versierd met dieren als waterspuiters. Zo zie je hier een windhond en een griffioen. 

Helemaal in de top van de toren heb je de campanile of de "tour des heures", waarin drie klokjes hangen die teruggaan tot 1567. Hier zie je ook een uurwerk omgeven door mooie siermotieven, uitgevoerd in reliëfvorm. Tussen deze verschillende sculpturen herken je een Byzantijnse O.L.Vrouw, het wapenschild van Frankrijk en van Montferrand, een Grieks kruis en een wijnboer die wijnranken aan het snoeien is. 


Het gebouw eindigt met het chevet dat teruggaat tot het laatste kwart van de XIVe eeuw en opgebouwd is uit andesietsteen uit Volvic  Het meer dan 18 meter hoge chevet wordt op geregelde afstanden ondersteund met schoormuren, waardoor een dergelijke hoogte mogelijk werd. Deze steunberen eindigen in een zadeldakvorm die versierd word met waterspuwers in de gedaante van dieren en mensen. In de voet van deze steunberen vind je bogen, waarlangs je over het dakterras kan blijven lopen. Zowel ter hoogte van het koor als bij het chevet is de kroonlijst versierd met een fries van bladeren en hogels.


Dit gebouw is met zijn lengte van 47,5 meter, zijn breedte van 18,3 meter en zijn hoogte van 18 meter qua afmetingen zeer harmonieus opgebouwd. Het heeft een grote middenbeuk en koor, het geheel afgeboord met vijftien kapellen. Deze middenbeuk van vijf traveeën heeft een kruisribgewelf en wordt verlicht langs hoge vensters met dubbele lancetten. Het geheel wordt ondersteund door een bundel van drie pijlertjes in de muren ingewerkt. De versieringen van de sluitstenen in het gewelf en van de kapitelen bestaan uit bladkransen, wingerds van rozen en bij sommigen uit kapitelen met hoofden (?). De zijkapellen, waar het licht langs kleine raampjes binnenvalt, gaan met spitsbogen over in de middenbeuk. 


De twee kapellen aan de westzijde - de Doopkapel en de H.Catherina-kapel (of baljuwskapel ter ere van Estevenot de Thalouresse) - verschillen veel van de andere kapellen. Ze bevinden zich in de voet van de torens en worden met een deur afgesloten. Deze kapellen in flamboyante stijl hebben een veel rijkere versiering dan de overige kapellen. Zo zie je boven de deur van de "chapelle Sainte-Catherine" een timpaan, waarop twee leeuwen tegenover elkaar staan met daar boven een helm. Het geheel is versierd met een fries met bladeren, met driepassen en met vogels die elkaar aankijken. Deze kapel heeft een kruisribgewelf en wordt verlicht langs twee ramen met klaverbladvormige lancetten. Ze bezit een rijke, zeer verzorgde versiering. Buiten de sluitsteen met het blazoen, vind je hier ook nog festons (ornamenten met bloemen en bladeren) in driepas-uitvoering ter hoogte van de getande bogen. Dat alles wordt afgesloten door een vijfhoekig koor met een booggewelf dat steunt op fijne pijlertjes. Het geheel is versierd met een prachtige sluitsteen in het gewelf en met ramen bestaande uit twee of drie lancetten. 


Ondanks de vele vernielingen die deze kerk tijdens de dagen van de Franse Revolutie heeft ondergaan, vinden we binnenin toch nog heel wat mooie stukken, zowel onder de beelden, als onder de schilderijen en het mobilair. Te midden van stukken uit de XIXe eeuw, vind je hier ook mooie zaken die teruggaan tot een periode die gaat van de XIIIe tot de XVIIIe eeuw. Op de eerste plaats heb je dan de Madonna in witte steen uit het begin van de XIIIe eeuw. Vervolgens de Christusfiguur aan het kruis uit de XVe eeuw (beschilderd hout), een kruisbeeld uit de XVe eeuw, de XVI-eeuwse retabel in de doopkapel met een voorstelling van Pinksteren, de houten koorlessenaar uit eind XVIe eeuw, de koorzitjes uit de XVIIe eeuw, de vele doeken uit de XVIIIe eeuw en de glasramen uit het einde van de XIXe eeuw, gemaakt door Thévenot.


  • Openingsuren
Open van maandag tot zaterdag van 08h00 tot 12h00 en van 14h00 tot 18h00 (19hoo in de zomer). Gesloten in de namiddagen op zon- en feestdagen.


  • Adres
Rue Montorcier 5
63100 Clermont-Ferrand







Eglise Saint Pierre Les Minimes

4. Eglise Saint Pierre Les Minimes

In 1470 stichtte Saint-François de Paul een nieuwe kloosterorde, die hij de “Minimes” noemde. Een welbewust gekozen naam, want nederigheid was hun stelregel. In dat opzicht waren ze zeker verwant met de Franciscanen.

Een kleine 200 jaar later vestigden zich een aantal van deze Minimenbroeders zich in Clermont in een gebouw, dat hen door Marguerite Saulnier, weduwe van François Lecourt, Heer van Montdory, werd geschonken. Dit gebouw stond echter in een alles behalve gezonde omgeving: in een meander van de Tiretaine, nabij een stort.

In 1630 bouwden ze hier een kapel, de latere “église Saint Pierre les Minimes”. Het was een sober gebouw opgetrokken in andesietsteen, volledig in de geest van hun levensstijl. Op aandringen van de inwoners besloot men in 1731 de kille gevel te verfraaien door er twee klokkentorens aan toe te voegen. Drie jaar later al werden deze twee torens weer afgebroken. In 1742 kwam er dan uiteindelijk toch één grote toren.

In de nadagen van de Franse Revolutie werd het klooster gesloten en werden alle kloosterlingen verdreven. In 1793 kochten de Jacobijnen de kapel aan als vergaderlokaal. Daardoor bleef deze kapel uiteindelijk behouden voor het nageslacht, wat niet kan gezegd worden van de “église Saint-Pierre” op de huidige marktplaats. Die werd in 1796 volledig afgebroken.

De “chapelle des Minimes” werd dan ook na de revolutie omgedoopt tot de nieuwe “église Saint-Pierre”. In 1857 werd het dak opgetrokken en kreeg de kerk er een klein klokkentorentje bij. Dit torentje werd versierd met de sleutels van Saint-Pierre. In de jaren 1895-1897 werd de kerk verder uitgebouwd. Zowel het koor als de viering werden toen overkoepeld en meteen werd ook de toren uit 1742 afgebroken.


  • Adres
Place de Jaude
63100 Clermont-Ferrand





5. Eglise Saint-Genès des Carmes

Dit was oorspronkelijk de “église Sainte-Anne des Carmes”, de kloosterkerk van de Orde van de Karmelieten. In 1288 had deze kloosterorde van een familie uit Riom een hôtel gekregen. Dit lag op de hoek van de toenmalige “rue des Aises” en de “rue des Crotas” en zou 500 jaar lang hun klooster zijn.

Saint-Genès werd in het jaar 600 geboren als Genésius. Als bisschop van Clermont liet hij hier op een perceel gelegen tussen de “rue St Esprit”, de “Boulevard de la pyramide” en de “rue de l’Hôtel-Dieu”, een kerk bouwen voor St Symphorien. Na zijn dood werd hij dan ook in deze kerk begraven. Na verloop van tijd ging men deze kerk dan ook de “église Saint-Genès” noemen. Tijdens de Franse Revolutie werd ze gesloten en in 1795 werd ze gesloopt.

Na de storm van de Franse Revolutie zochten de gelovigen uit deze wijk een plaats die hun geliefde kerk Saint-Genès kon vervangen. De mooie en grote “église Sainte Anne des Carmes”, die niet veraf lag, was dan ook het meest aangewezen alternatief. Deze kerk was in 1791 als nationaal goed door de stad Clermont aangekocht. Het stadsbestuur had ze eerst ter beschikking gesteld van Protestantse gemeenschap, maar had ze daarop terug opgeëist. De ramen van het schip waren toen dichtgemetseld en in het midden werden er twee rijen voederbakken geplaatst, zodat de ruimte kon gebruikt worden als paardenstal.

Rond 1800 slaagden enkele parochianen er in deze grote kapel met het zeer mooie schip, maar met een volledig naakt interieur terug aan te kopen. Doordat dit gebouw centraal op de terreinen van het vroegere Karmelietenklooster lag, was het dus niet rechtstreeks toegankelijk van op straat. Het eerste wat dan ook gebeurde, was de aanleg van een nieuwe straat tussen de kerk en het college: de “rue Neuve des Carmes”. Gevolg daarvan was dat de oorspronkelijke noordelijke toegang moest vervangen worden door een zuidelijke.

Links van de oude (noordelijke) toegang kan je nog steeds het XVII-eeuwse fresco bewonderen van “Saint Jean de la Croix”. Het rechtse fresco is totaal vernield, maar sinds 1980 zie je hier terug het in ere herstelde blazoen van het “Chapitre du Cathédrale”.

In 1849 verrees er boven op de kapel van Saint Blaise een klokkentoren in neogotische stijl, een ontwerp van Mallay, een architect die ook nog een aantal andere historische gebouwen in deze stad heeft ontworpen.

Eglise Saint-Genes-des-Carmes


In 1867 maakte men de hoge ramen in de twee traveeën van het schip en in het koor – die tijdens de Franse Revolutie waren dichtgemetseld - terug open en plaatste men er de glasramen, gemaakt door Emile Thibaud, in.

Het jaar daarop werd de “chapelle Sainte Philoméne” uitgebouwd, waardoor de oppervlakte van de kerk aanzienlijk toenam. Om vanuit deze kapel echter het altaar te kunnen zien, moest men hier een rechthoekige doorkijk met uitzicht op het koor maken. Met als gevolg dat als men de symmetrie wilde behouden, dit ook moest gebeuren in de kapel aan de overkant, in de “chapelle Saint Joseph”.

Tot in 1927 is deze “église Saint Genès des Carmes” steeds privébezit geweest en was het stadsbestuur dus helemaal niet verantwoordelijk voor het onderhoud ervan. In dat jaar werd deze kerk aan het bisdom geschonken, maar blijkbaar beschikt het bisdom over onvoldoende financiële middelen om dit echt goed te doen. 

Het is een gebouw met een prachtige akoestiek, een van de mooiste in Clermont en het is dan ook een trieste zaak om te moeten zien hoe een dergelijk mooi gebouw staat te verkommeren.

 

  • Adres:
Rue des Carmes
63100 Clermont-Ferrand








Ancienne Chapelle des Carmes Chapelle des Carmes-Déchaux

6. Ancienne Chapelle des Carmes / Chapelle des Carmes-Déchaux

De locatie waar deze kapel staat en de omgeving ervan was in het midden van de IIIe eeuw de plaats waar de eerste christenen hun doden begroeven. Al van in 312 stond er een kerkje. Later zou de kerk van Saint-Pierre-aux-Liens deze van Saint-Gal vervangen. Tot aan de komst van de paters van de “Carmes Déchaussés” in 1633 was het de kloosterkerk van Chantoin. In 1699 werden het klooster en de kerk door een brand geteisterd. Op de funderingen van deze kerk begon men in 1720 een kapel te bouwen, die pas in 1775 voltooid zou zijn. 

Het is een gebouw waarvan het centrale deel bestaat uit een rotonde waarop vier ellipsvormige nissen aansluiten. De enige versierselen die je op de voorgevel van de hoofdingang aantreft zijn, de zware vleugels aan weerszijden van het hoge raam en de deurvleugels versierd met het blazoen van een aartsbisschop en dat van het “Maison de Clermont”. Deze deur is een prachtig stukje houtsnijwerk in Louis XV-stijl. Binnenin vallen alleen de Dorische pilasters op die een architraaf ondersteunen.

  • Adres
Place des Carmes
63100 Clermont-Ferrand 










Chapelle des Cordeliers

7. Chapelle des Cordeliers

Deze “église des Cordeliers” is één van de vele Franciscanerkerken met één enkele beuk, die duidelijk de belangrijke rol aangeeft die deze bedelorde speelde tijdens de XIIIe eeuw in de steden.

In 1263 schonk Bernard de la Tour, de Graaf van Boulogne, hun dit perceel. Ze bouwden in 1273 een kapel. In het koor van deze kerk vind je het familiegraf van ‘de la Tour’-s.

Toen in de dagen na de Franse Revolutie het Franciscanerklooster als nationaal bezit te koop aangeboden werd, moesten de kloostergebouwen – het een na het andere – de plaats ruimen voor meer functionele gebouwen, zonder dat men zich daarbij zorgen maakte over hoe men dit in de bestaande gebouwen kon integreren. Het gevolg is dat van dit kloostercomplex, buiten een muurschildering aan de ingang van de toenmalige eetzaal, alleen de kerk is overgebleven.

Het oorspronkelijke karakter van het gebouw verdween nagenoeg volledig toen het in 1806 werd opgedeeld in verschillende compartimenten om er de stadsarchieven in onder te brengen. Daarna, rond 1854, werd zelfs nog een deel van het gewelf gesloopt. De vele restauraties hebben zeker ook niet bijgedragen tot het behoud van de originele staat.

Van het interieur blijven er hier en daar nog een paar zuiltjes en kapitelen over. Naar de plaats van het doksaal kan je alleen nog gissen, door de sporen die je ervan ziet op het gelijkvloers.

Dit gebouw is het enige overgeblevene in Auvergne met zesdelige gewelven. De enkele arcaden van de kloostergang die je vindt bij het binnenplein, gaan terug tot de XVIIIe eeuw. In de voorgevel zijn ramen met twee lancetten en roosvensters met verfijnd uitgewerkt maaswerk aangebracht.


  • Adres
Place Sugny
63100 Clermont-Ferrand







8. Couvent de l'Immaculée Conception 

Deze congregatie werd in 1859 door abbé Bastier de Meydat gesticht. De neogotische kapel werd in de jaren 1859-1860 gebouwd en rond 1928-1930 uitgebreid. Het gebouw is opgebouwd uit een rechthoekige beuk van drie traveeën, een abside met drie muurdelen en een kapel in de aslijn. Binnenin zie je een gotisch gewelf. De muren zijn deels beschilderd. De glasramen gaan terug tot het einde van de XIXe eeuw, twee ervan zijn het werk van Mailhot. In de kapel vind je nog het oorspronkelijke meubilair terug (een neogotische preekstoel, een geschilderde kruisweg, beelden …).


  • Adres
Rue Bansac 11
63100 Clermont-Ferrand



















Eglise Saint-Eutrope

9. Eglise Saint-Eutrope

Op deze plek stond er in de Ve eeuw reeds een kerk gewijd aan de H. Stefanus (Saint-Etienne). Nadat de Noormannen ze in de VIIIe eeuw hadden verwoest, werd ze zo snel mogelijk terug opgebouwd. Het nieuwe gebouw werd opgedragen aan Saint-Patrocle. Deze kerk werd in de XIIe eeuw op haar beurt vervangen door een nieuwe, die zou blijven bestaan tot in 1827. In dat jaar werd ze gedeeltelijk gesloopt. Van 1858 tot 1862 werd een volledig nieuw gebouw opgetrokken in “pierre de Volvic”. Bij zijn ontwerp baseerde architect Imbert zich op de gotische stijl uit de XIVe eeuw. 

Het gebouw heeft een middenbeuk van vier traveeën, geflankeerd door zijbeuken, waaraan telkens een kapel grenst, die paalt aan de westelijke gevel. Verder zijn er een beetje buiten de lijnen van het gebouw uittredende dwarsbeuken en een koor van twee traveeën eindigend in een abside begrensd door drie muurvlakken. De glasramen die hier in 1880 werden geplaatst, zijn creaties van Thibault, Champrobert en Chatain.

Dit gebouw is een voorbeeld van de neogotische stijl, zoals die hier in deze contreien werd toegepast.


  • Adres
Rue Sainte-Claire
63100 Clermont-Ferrand