specialismen‎ > ‎

hematologie

Beroepsinvulling van de hematoloog

De internist in opleiding heeft na 4 jaar specialisatie in de inwendige geneeskunde  de mogelijkheid om de aantekening hematologie te verwerven. Hij/zij zal voor deze aantekening het 5e en 6e jaar werkzaam zijn binnen het vakgebied hematologie bij een erkend stagemeester. De hematoloog in opleiding zal nauw samenwerken met diverse laboratoria, en komt  in aanraking met zowel klinisch als translationeel onderzoek, en met supportieve en  met palliatieve zorgen.

Gedurende deze twee jaren vergaart hij kennis en vaardigheid naar de stand van het vakgebied en past het diagnostisch en therapeutisch arsenaal van het vakgebied goed en waar mogelijk evidence-based toe.

Hij/zij verwerft kennis:

  1. ten aanzien van de hematopoiese, lymfopoiese en de afwijkingen daarin.

  2. kennis ten aanzien van de kenmerken van anemie, trombocytopenie, leukopenie en ten aanzien van de maligne processen, uitgaande van beenmerg en lymfatisch weefsel. Hij is op de hoogte van de oorzaken en de frequentie van de diverse ziekten

  3. heeft kennis ten aanzien van de fysiologie van hemostase en ziekten van hemostase. Hij is op de hoogte van oorzaken en frequenties van voorkomen.

  4. Hij is in staat conventionele laboratoriumbepalingen en specifieke bepalingen, zoals morfologisch, immunocytologisch, moleculair biologisch en cytogenetisch onderzoek van bloed, lymfeklier weefsel en beenmerg met betrekking tot diagnose, prognostische betekenis en therapeutische consequenties te interpreteren, zowel in de diagnostische, de therapeutische als de controle fase.

  5. heeft kennis ten aanzien van het spelen van een coördinerende rol bij het opstellen van een multidisciplinair behandelprotocol, neemt deel aan multidisciplinaire patiëntenbesprekingen

  6. Hij bezit kennis met betrekking tot stageringssystemen, het vertalen van kenmerken van tumorgroei, tumorcelgroei, tumorimmunologie, het ontstaan van kanker, de moleculair-genetische aspecten van carcinogenese, factoren die het ontstaan van kanker beïnvloeden en van invasie en metastasering. Hij is op de hoogte van de oorzaken en de frequentie van voorkomen van kanker.

  7. Hij is in staat de gegevens van beeldvormende diagnostiek in het kader van diagnostische gegevens in een stagering, en het interpreteren van een stageringsuitslag voor therapie en prognose.

  8. Hij bezit kennis ten aanzien van het vaststellen en het interpreteren van patiëntgebonden factoren die consequenties hebben voor de behandeling en de prognose, zoals leeftijd, performance status, voedingstoestand, co-morbiditeit en co-medicatie.

  9. Hij bezit kennis met betrekking tot de in de chirurgie en de radiotherapie bij de behandeling van hematologische maligniteiten, gebruikte begrippen, de mogelijkheden en onmogelijkheden van chirurgische en radiotherapeutische behandelingen zowel in opzet curatief als in opzet palliatief, en zowel mono- als multidisciplinair, alsmede de beoordeling van de effecten en de bijwerkingen van deze behandelingen.

  10. is op basis van zijn eigen vakinhoudelijke kennis in staat een advies te formuleren over de behandeling, met name ten aanzien van de farmacotherapie. Speciale aandacht dient hij te geven aan bijwerkingen op korte en lange termijn van het ingestelde therapeutisch beleid, alsmede aan interacties tussen farmacotherapie en andere  behandelingen. Deskundigheid wordt vereist voor de evaluatie van het therapeutische beleid. Er is kennis over onconventionele en alternatieve therapieën.

  11. heeft uitgebreide kennis op het gebied van farmacotherapie ten aanzien van het werkingsmechanisme en de farmacokinetiek en farmacodynamiek van cytostatica, immunotherapie, immunosuppressie, groeifactoren en biological response modifiers. Tevens is deskundigheid vereist met betrekking tot indicaties en contra-indicaties, de effecten van orgaandysfuncties, co-morbiditeit en co-medicatie en de te verwachten bijwerkingen van de farmacotherapie.

  12. heeft kennis ten aanzien van palliatieve zorg met betrekking tot fysieke en sociale problematiek.

  13. Hij heeft kennis ten aanzien van de behandeling op lange termijn. 

    Kennis wordt vereist op het gebied van effectieve diagnostiek (lange termijn toxiciteit, inclusief secundaire maligniteiten, tweede primaire maligniteiten) en therapie.

  14. heeft kennis op het gebied van psychosociale gevolgen van ernstige en langdurige hematologische en hemato-oncologische ziekten en de behandeling, zowel voor de patiënt als zijn familie. Deze deskundigheid heeft onder andere betrekking op de fase van screening, genetic counseling, van diagnostiek, van behandeling zowel standaard als experimenteel, van palliatieve en terminale zorg, inclusief beslissingen rond het levenseinde.

    Kennis wordt vereist ten aanzien van de psychologische en sociale consequenties van het hebben van ernstige en langdurige hematologische en hemato-oncologische ziekten, zoals verwerkingsprocessen, copingsstrategie, reïntegratie en werkhervatting.

  15. Hij is in staat adequate supportieve zorg(zoals infectiepreventie, infectiebehandeling en transfusie van bloedprodukten) toe te passen bij patiënten in pancytopenie.

  16. Hij heeft kennis van de indicaties voor de procedures rond en de immunosuppressieve behandeling na de diverse vormen van allogene stamceltransplantaties.

  17. Heeft kennis van de indicaties voor en de procedures rond autologe stamceltransplantaties.

  18. Heeft kennis van de indicaties voor en de procedures rond plasmaferese, erythroferese, leukaferese en stamcelferese.

  19. Is in staat beenmerg af te nemen als aspiraat en beenmergbioptie,

  20. Kent de pathofysiologie, de klinische presentatie, de anamnese-kenmerken, de diagnostiek, de therapie en de voortgezette begeleidingsaspecten van de volgende ziekten:- Acute leukemie

    • - Chronische leukemie

      - Myeloproliferatieve ziekten

      - Myelodysplasie

      - Maligne lymfomen

      - Multiple myeloma en verwante ziekten

      - Aplastische anemie

      - Paroxysmale nachtelijke hemoglobinurie

      - Anemie door ijzer-, vit B12- of foliumzuur tekort

      - Anemie bij chronische ziekte 

      - Thalassemie en sikkelcelziekte

      - Sferocytose en G6PD deficientie

      - Verworven hemolytische anemie

      - Hemofilie, M. von Willebrand

      - Auto-immuun trombopenie

      - Overige congenitale of verworven bloedingsneiging

      - Trombo-embolische ziekten

      - Trombofilie

      - Diffuse intravasale stolling

      - Trombolische trombocytopenische purpura

      - IJzerstapeling

  21. Levert effectieve en ethisch verantwoorde patiëntenzorg. 

  22. Vindt snel de vereiste informatie en past deze goed toe.

Comments