Vingerhoeden

Door leden gevonden vingerhoeden zijn te vinden op de pagina vondsten, of door te klikken op deze link
 
Dit verhaal is ook als PDF file te downloaden, zie hiervoor op de pagina Downloads.
 
Het beschermen van je vingers bij het werken met naalden is al heel oud. De oudste vormen van bescherming waren stukjes bot, steen of leer. Maar vingerhoeden werden ook gemaakt van glas, porselein, goud, zilver, brons en messing. Er zijn twee soorten te herkennen de gesloten en open vingerhoed. De open wordt meestal duim- of naairing genoemd, iets wat niet klopt. Er zijn namelijk kleine exemplaren bekend die nooit op een duim zouden passen, Bartels (1999) stelt dan ook voor om deze de ringvingerhoed te noemen. Deze werden gebruikt voor het zwaardere werk vooral de schoenmakers. Het geslote type was voor het lichtere werk zoals borduren, verstellen en werd veel door kleermakers gebruikt. Er wordt wel verondersteld dat de Romeinen de vingerhoed al kenden, maar jaren lang archeologisch onderzoek heeft inmiddels aangetoond dat dit niet het geval was. In Europa zien we pas in de 9e eeuw bronzen naairingen, in het byzantijnse gedeelte van Korinthe. De oudste vingerhoeden met een gesloten top zijn in Spanje gevonden, waar in Cordoba vanaf de 10e eeuw tot 1492 vingerhoeden werden geproduceerd.  Deze vingerhoeden waren gemaakt in de Moorse stijl, en werden meestal uit een stuk in brons gegoten. Er zijn twee typen te herkennen; een puntig model welke werd gebruikt bij het maken van harnassen, schoenen en zadels. En een afgerond model welke door kleermakers werd gebruikt. Vanaf waarschijnlijk de 13e eeuw zien we bronzen uivormige vingerhoeden, hun bakermat ligt in het Aziatisch deel van Turkije, dit type blijft tot in de 18e eeuw in gebruik. In West-Europa worden vanaf het begon van de 13e eeuw vingerhoeden en naairingen gemaakt, deze leken sterk op de Spaans-Moorse voorgangers maar dan kleiner en lichter en werden meestal gegoten. Waar deze werden gemaakt is niet bekend, wel weten we dat er in 1260 in Parijs door leden van het slotenmakersgilde en de knopenmakersgilde messing mannen- en vrouwenvingerhoeden werden gemaakt. In Engeland werden tussen 1350 en 1450 messing en soms roodkoperen vingerhoeden gegoten die hellemaal zijn geput, het zogenaamde bijenkorf model, welke ook in Nederland worden gevonden. We zien dat messing het brons verdringt als grondstof, ondanks dat het produceren van messing moeilijker was dan brons. Messing is een legering welke bestaat uit koper met 40% zink, en was makkelijker te smelten, gieten, en te walsen. Maar ook de gele kleur, welke erg op goud leek, werd meer gewaardeerd dan de bruine kleur van het brons. Daar komt nog bij dat de grondstoffen goedkoper waren, waardoor de gehele productie kosten lager uitvielen. In de 14e eeuw ontstond er in Neurenberg een vingerhoed-industrie, welke in de 16e eeuw de belangrijkste van de wereld werd. Messing vingerhoeden werden eerst gegoten of gehamerd uit een plaatje, en vanaf 1530 werden ze vooral geperst. Hierbij werd het gewalste plaatje vervolgens in steeds diepere, met steilere wanden, gaten geslagen totdat de vingerhoed zijn vorm had gekregen. Waarna de putjes, meestal in een spiraal, met de hand met een drevel ingeslagen of met een eentandig radstempel ingedrukt werden.  Deze geperste vingerhoeden zijn vrij dun, en zijn meestal gescheurd door het verblijf in de grond, onder invloed van de inwendige spanning. De oudste in Nederland (Amsterdam) gevonden vingerhoeden is een halve naairing uit het begin van de 13e eeuw. Vingerhoeden uit de tweede helft 14e eeuw, zijn meestal gesoldeerd en hebben een losse top, de putjes zijn in verticale rijen aangebracht. De latere exemplaren zijn gegoten of gehamerd en vanaf de 16e eeuw geperst. Veel vingerhoeden uit  de late 15e en vroege 16e eeuw hebben aan de onderkant een manchet/boord. Dit is de rand aan de onderzijde,  deze is soms glad maar meestal versierd met een of twee groeven of ringen maar soms ook met een decoratie. Alle in Nederland gevonden messing vingerhoeden van voor 1600 werden geïmporteerd. In Nederland werden toen alleen door zilversmeden vingerhoeden gemaakt. Deze werden altijd uit een rond gebogen plaatje zilver gemaakt, waar de top later op werd gesoldeerd of gelast. Als gevolg van de godsdienst strijd vluchten na 1580  veel protestanten vooral naar de Noordelijke Nederlanden, welke kennis en kapitaal meebrachten.  En het duurde dan ook niet lang voordat er in Nederland ook een vingerhoeden industrie ontstond. Dit werd versneld door een uitvinding begin17e eeuw door de Amsterdammer Gerart van Slangenborch. Hij bedacht een manier om het putten te mechaniseren. Waardoor de productiekosten en eindprijzen veel lager waren dan de vingerhoeden uit Neurenberg.  Voor de vormgeving maakte hij gebruik van de techniek van de zilversmeden , maar nu werd er gebruik gemaakt van een wielstempel, waarmee de zijkant volledig van putjes werd voorzien. De top kon hierbij niet geput worden deze werd apart met een radstempel geput (putjes in rechte lijnen) en later toegevoegd. Kort daarna werd door een andere Amsterdammer een bolstempel ontwikkeld. Hierbij werd de vingergoed op een mal geplaats en met een slag van putjes op de top voorzien (putjes in een cirkel). Deze fabrieken werkten meestal op waterkracht, en werden dan ook vingerhoedmolens genoemd.  Naast Amsterdam ontstonden in de tweede kwart van de 17e eeuw nog een aantal Nederlandse productieplaatsen voor vingerhoeden, de belangrijksten waren; Vianen, Utrecht, de Bilt. En in Haarlem, Schoonhoven in ’s-Hertogenbosch en Rotterdam werden voor een korte tijd koperen vingerhoeden gemaakt. Opvallend is de Nederlandse vingerhoeden allemaal sterk op elkaar lijken, ze worden ook wel “Monopoly”  vingerhoeden genoemd. Het model blijft in de periode 1630-1725 vrijwel ongewijzigd. Er zijn twee typen te herkennen; licht uitgevoerde voor borduur en verstelwerk. En een zwaarder model, ook wel “Franse vingerhoed ”genoemd voor het zwaardere werk. De manchet is voorzien van draaigroeven, en kenmerkend is een topgroef. Vanaf het einde van de 18e eeuw werden de vingerhoeden volledig machinaal geproduceerd.

 

    Chronologie in Nederland

     1350-1500

-          Allemaal import, vooral uit Neurenberg, Frankrijk en Wallonië

-          Brons

-          Messing

-          Meestal gehamerd en gesoldeerd met een losse top

-          Gegoten

-          putjes in verticale rijen aangebracht.

-          Putjes soms geboord, vooral bij bijenkorf model

-          Manchet  aan de onderkant vanaf late 15e eeuw

 

    16e eeuw

-          Op Zilver na allemaal import, vooral uit Neurenberg

-          Messing

-          IJzer, soms

-          Gegoten

-          Gehamerd

-          Geperst (meestal gescheurd)

-          Manchet aan de onderkant , deze  is soms glad maar meestal versierd
      met een of twee groeven of ringen maar soms ook met een decoratie.
-          Neurenberg typen putjes meestal handmatig met een drevel in een
      spiraal aangebracht.
-          Putjes kunnen Driehoekig of langwerpig, en heel soms stervormig 
      (door de drevel)
-          Direct boven de manchet soms een merkteken, kenmerkend voor
      Neurenberg
-          eentandige radstempel voor de putjes vanaf 1530/40, hierdoor putjes in
      rechte rijen

 

    17e eeuw

-          Wielstempel putjes geheel en geleidelijk rondom (rond 1600 ontstaan)

o    Wafelpatroon, putjes soms vierkant  en in lijnen aangebracht

-          De top werd apart met een radstempel geput en later toegevoegd.

o    Putjes dan in rechte lijnen

-          Iets later de top met een bolstempel geput, wat in een keer  gebeurde
      o    Putjes dan in cirkels

 

 

    1630-1725 “Monopoly”  vingerhoeden

-          kenmerkend is een topgroef, op overgang schacht en top

-          Kraag is voorzien van draaigroeven

-          Wielstempel putjes geheel en geleidelijk rondom

o    Soms ook wafelpatroon

-          Franse vingerhoed, licht uitgevoerde voor borduur en verstelwerk

-          een zwaarder model  voor het zwaardere werk.

-          Kleine vingerhoedjes = kindervingerhoedjes.

 

     Vanaf het einde van de 18e eeuw

-          Vingerhoeden volledig machinaal geproduceerd.

 
 
 
 

    Een site met tientallen overzichten van gedetermineerde/gedateerde vondsten 

    http://www.dutchartefacts.nl/

 

 

    Bronnen

-          Baart, J., (1977) Opgravingen in Amsterdam: 20 jaar stadskernonderzoek.

Fibula-van Dishoeck

-          Bartels, M., (1999). Steden in Scherven. Vondsten uit beerputten in

                  Deventer,  Dordrecht, Nijmegen en Tiel (1250-1900). 

                  Amersfoort/Zwolle.

-          Boon, H.F. & Langedijk, C.A. (2008). Vingerhoedmakers en hun bedrijven

                   in de tijd van de Republiek. University of Amsterdam

-          Lenting, J. J., & Gangelen, H. (1993) Schans op de grens: Bourtanger

            bodemvondsten 1580-1850. Sellingen. Stichting Vesting Bourtange.