Spingewichtjes en hun functie

De meeste zoekers naar bodemvondsten hebben ze wel in hun verzameling “spinsteentjes”, de naam voor de gehele groep is spingewichtjes. Het dateren van spingewichtjes is moeilijk, een typologie met dateringen bestaat er dan ook niet. Aan de hand van de vorm en het gebruikte materiaal zijn ze ruwweg te dateren, maar we hebben het dan meestal over perioden van enkele eeuwen. Een goede datering is alleen te verkrijgen als er in dezelfde laag andere dateerbare vondsten worden gedaan. Al vanaf de prehistorie behoren textielwerkzaamheden, zoals spinnen en weven, tot de meest voorkomende huisnijverheid, bijna elk huishouden produceerde dan ook hun eigen textiel. Het wol waarvan het garen werd gesponnen was afkomstig van lokaal gehouden schapen. De techniek om van plantaardige vezels en wol garen te maken(spinnen) is dan ook al duizenden jaren oud. Een van deze technieken is het spinnen met behulp van een stokje en een spingewichtje de “spintol”. In de mediterrane landen maar vooral in Zuid-Amerika wordt deze techniek nog dagelijks gebruikt. De spintol ook wel konkel of spindel genoemd is een voorloper van het spinnenwiel, welke ongeveer in de 12e eeuw in gebruik kwam, en de spintol in de loop van de 17e eeuw langzaam verdrong. In tegenstelling tot het spinnenwiel kon je de spintol makkelijk overal mee naar toe nemen en gebruiken.
Een spintol bestaat uit twee onderdelen, het spingewichtje en het spinstokje ook wel spil genoemd. De spil is een puntig stokje van ongeveer 30 centimeter, welke meestal is gemaakt van hout of been. Deze heeft aan een zijde, net boven het midden, een verdiking. Het spinsteentje werd op ongeveer 3cm van de onderkant op de spil geschoven zodat deze er niet af kan vallen.
Spingewichten op afbeelding;  A en B= 2e-3e eeuw (terpen cultuur) C= 8e-10e eeuw been met punt cirkel versiering D= 12e-15e eeuw lood  E= 1100-1250 paffrath   F= 15e-18e eeuw steengoed
 
De algemene benaming voor deze spingewichtjes is het spinsteentje. Maar dit is niet helemaal juist. Er zijn namelijk spinsteentjes, welke zoals de naam al doet vermoeden van gebakken klei (aardewerk) zijn gemaakt. Daarnaast zijn er ook nog spinklosjes of schijfjes welke van een ander materiaal worden gemaakt,  de meest voorkomende materialen zijn; lood, tin, brons, glas, hoorn, been, porselein, barnsteen en hout. Ook worden er wel rondgemaakte en doorboorde potscherven gebruikt. De meeste spingewichtjes zijn schijfvormig en aan een kant taps toelopend (biconisch). Ze hebben altijd een centraal gat om de spil door te voeren. Spingewichten moeten de spintol massa geven om deze zo lang mogelijk te laten draaien. De draaiende beweging van het spingewicht wordt dan overgebracht in te spinnen materiaal, ze fungeren dus als een vliegwiel met een min of meer constante snelheid. Hoe groter het vliegwiel hoe dikker het garen. De spingewichtjes werden vooral lokaal geproduceerd, door de gebruikers zelf en/of door lokale ambachtsmensen. Maar spinsteentjes werden vanaf de 10e eeuw ook in grote hoeveelheden geïmporteerd. Vooral vanuit het Duits-Belgisch Rijngebied, een van de belangrijkste aardewerkproductie regio welke vooral bekend is van het steengoed.
De werkwijze met een spintol is als volgt. Een pluk spingoed werd meestal op een stok met een gevorkt uiteinde bevestigd. Deze wordt de spinrokken genoemd, en onder de arm of tussen de gordel geklemd.
Deze pluk noemde men ook wel een klots of kluts, vandaar het gezegde” de kluts kwijtraken”. Met de linkerhand trekt de spinster vezels uit deze pluk spingoed. Dit eindje draad wordt aan de bovenkant van de spintol bevestigd. Met de rechterhand wordt deze loodrecht gehouden en rondgedraaid. De spintol draait als een tol snel rond  zodat de draad tussen de linker- en de rechterhand wordt getwist en de gesponnen wol , de garen, zich rond het stokje windt. Men gaat net zolang door tot de spintol is gevuld. Met een spintol kon men twee soorten garen maken,  en wel linksom (S) of rechtsom (Z) gesponnen. Een combinatie met een schering van S-draden en een inslag van Z-draden, of andersom, resulteert in een weefsel dat niet gaat trekken.
In het Friese-Groningse terpengebied worden bijna in elke terp wel een aantal spingewichtjes maar ook weefgetouwgewichten gevonden.  Welke eigenlijk allemaal een unieke vorm hebben, omdat ze lokaal met de hand gevormd werden. En tonen aan dat de terpbewoners zelf hun gereedschappen, garen en textiel produceerden. In de vroege middeleeuwen was Friesland zelfs befaamd om hun zogenaamde Friese laken. 
Een wollen stof van hoge kwaliteit, vanwege zijn fijn weefsel en kleuren, zoals rood en blauw. Karel de Grote schonk dan ook een Pallium Fresonicum (Friese mantel) als relatie geschenk aan de kalief van Bagdad. Hoe fijn dit Friese laken was is ook te zien aan een scherf welke is gevonden in de wijk Pasveer (Sneek). Hierop is de 
afdruk te zien van een geweven stof welke ongeveer 1,5cm breed is, waarin ten minste 10 scheringen zichtbaar zijn.
Naast de spinsteentjes zijn er nog een aantal vondsten die regelmatig worden gedaan, en ook verband houden met de textiel industrie. Zoals vingerhoeden, weefgetouw gewichten, spinkruikjes, Wolkaarde kamen en natuurlijk spelden en naalden.  Maar het gaat te ver om die hier allemaal te behandelen, wie weet is dit nog iets voor een artikel in de toekomst.
 
Tekst; G.H. Hofstra
 
Bron: 2013 “de Waag”