Gedichten


http://www.eenzameuitvaart.be/2015/10/20/eenzame-uitvaart-nr-99-meneer-v-m/#more-1037



















http://www.eenzameuitvaart.be/2015/09/04/eenzame-uitvaart-nr-97-meneer-t-j/#more-1021
































Iov beeldend kunstenares Irène Philips voor haar Philips Human Alphabet in galerij Theobalds boothuisje, september 2013, Oostende. Iedere letter werd poëtisch met de hand beschreven door een Belgisch of Frans dichter. Ik schreef bij de letter V: 

 









In Poëziekrant, 3, 2013, verscheen mijn gedicht Araucaria, dat u ook kunt vinden tijdens een wandeling in De tuin der poëten van Antwerpen, een initiatief van Peter Holvoet-Hanssen en antwerpenboekenstad. 
http://www.antwerpenboekenstad.be/nieuws/67/tuin-der-poeten













In De 100 beste gedichten gekozen door Saskia J Stuiveling voor de VSB Poëzieprijs 2013 staat Men schort wat op 's nachts














In opdracht van Oikos, februari 2012 schreef ik (Ik moet nog zingen een liedekijn).
De rubriek Literair in dit tijdschrift wordt verzorgd door de Lappersfort Poets Society, een kring van dichters en dichteressen die de bezorgdheid voor de aarde in poëzie heeft gegoten. Ze nemen het op voor het Lappersfortbos en alle bedreigde bossen en wouden. Hun stem fluistert zich een weg naar het oor van de wereld. Zie ook www.regiobrugge.be/lappersfortpoets.php










Uit mijn debuutbundel: Men schort wat op
, Uitgeverij P, Leuven, 2011






Uit GeelZucht III, 2013

Gedichten bij de Ronde van Frankrijk, samen met Bert Bevers, Frank Pollet, Patrick Cornillie en Willie Verhegghe.

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 
 

 

 

 






 
 
 
 
 



VALLEN

Misschien heeft leven zich aan u bekend als velen.
Misschien heeft u de dood bedacht als huisgenoot,

als een tiran, of een kraan die lekt waaraan men hecht.
Maar dat u winterde en niemand heeft u toegedekt.

Vanuit mijn zuiden reed ik naar uw noorden.
Uw dood verwees mij door naar een vergeten straat.

Een baby huilde zich in slaap maar dat leek verderop.
Alle hoeken van uw hal gaven de duiven thuis.

 Ze klepperden, toen een man naar buiten kwam.
Even maar vlogen ze op. De zon brak en ik vertrok.

Vanuit mijn zuiden zocht ik naar wat woorden.
Uw dood verwees me door naar een verweesde staat.

Dat u dus, eindelijk, in goede aarde moge vallen,
zoals een stille regen en door zacht licht gekust.

 


Ik ben begonnen.
Net als u ben ik begonnen.
Uit de volte van een man,
in de holte van een vrouw,
van stof zijn we verzonnen.

Ik heb gedanst.
Net als u heb ik gedanst.
In de cadans van zinnen en gebaren.
In mijn naam danst de stad Gdansk.
Uit ieders dans laaien we eender op.

Er is uw stad. Zij is van steen.
Ze doet alsof.
In haar boek ben ik een teek.
Mijn naam minder dan een apostrof.
En toch, ook zij, als wij, van stof.


Ongezien stierf ik hier wel duizend keer.
Ergens in uw nergens ging ik dood.

Dood ben ik wat ik altijd was.

Wij zijn van dans
van vlees en bloed verzonnen.
Wij zijn uit laaiend stof gemaakt.

Het is nu tijd.
Strooit u me uit in zingend gras
opdat ik zing:
ik ben begonnen.’








(m/v)

Of het bij god of schikgodin begon,
hitte smeedt ieder vermoeden
blind en geslepen tot schaar:

vanuit een hemelse leegte spreidt ze haar benen
en wij, gewijd aan wederkerigheid,
zijn tot tweezaamheid gedoemd.

Want diep in de aarde zingen haar messen:
het lot zijn lamento’s en aan het slagwerk,
achteloos, de tijd.




Araucaria

In de waan van de stad

waakt een tuin over de traagste passant.

Achter haar lage muren van arduin
dwaalt hij evenzeer, in gestolen uren.

In haar kromme wegen van zand
dolen wolfspoot, lamsoor, basterdamarant.

Verderop in haar glazen kist tast al jaren
sneeuwwitje naar een prins en het licht
kust duizend maal duizend cactussen.

In deze tuin spelen bomen hoog spel
met hoopjes lucht,

behalve de mooiste en de stilste,
dat is de araucaria, apenverdriet,

hij hoopt niet, hij gedijt.

 

Men schort wat op 's nachts


Altijd moest de berm vol boterbloemen
en brandnetels staan. 's Avonds gloeiden
onze benen schrijlings om het zonlicht
en iemand spon ons, doornroosjes, in. 

Tot de klok opschrok, de slagboom viel.

Nu slaap ik op stelten, de natte droom
van een flamingo in de dierentuin,
of ik loop uit, vlieg haast als een vuiltje
in het oog van een razende nachttrein. 

Zo schort ik schrijvend de nacht op:
in de logica van verende voeten,
de chaos van een kwebbelend brein.


(Ik moet nog zingen een liedekijn)

Zie de zilveren buigzame berk,
hij moet nog zingen, net als ik,
aan de rand van de singel.

Zijn bladderende bast zet de toon.
Hoog rilt het lover als tremolo’s
van leed en hoe het zich verbergt.

Net als wij is de berk een lichaam.
Het neuriet hoe het zich herstelt, of niet.
Alle schoonheid is zichtbaar verzegeld.

Zie de berk aan de rand van de singel.
Hij moet nog zingen, iel en buigzaam,
om wat ons ontbreekt.




Garderobe

Waar haar garderobe wat dingen vergaart:

een halsuitsnijding van een jurk
waarin een mond zocht en beet toen
lippen naar nekdons graaiden,

slipjes waarin aardig een hand,
een netkous waaruit een been gleed,
en een voile, als haar, dat even
langs nagloed in een oksel streek -

waar ze niet heeft gewoond

hangt ze haar kleren op, en het lichaam
niet, nee, het lichaam broeit
in het skelet van de gewoonte.






Bij een portret van mijn vader (1952)


Ik lees in veelbelovend geel en rood
zijn romp waarop een tijd, niet in te halen:

hij was achttien en ik nog onbesproken
in het nergens van zijn pezig jongenslijf.

Vanuit een roes na een kleine wielerzege,
in de pose van een foto voor de fans,

zoekt zijn blik een toekomst op
van kansen, doorbraak, lof en faam. 

In een ander later viel hij voor een vrouw     
en kinderen ontsnapten aan hun lichaam.

Maar met de jaren legde hij zich                                                           ook bij déze dromen neer.

Nu ik probeer te zien wat ik niet eerder zag,
breekt hij dagelijks in een ontbreken door,

en in een droefenis die ik herken,
om het niet-geleefde.

Comments