23. Het laatgoed in de Kalbert

 

       Het laatgoed in de Kalbert wordt voor het eerst vermeld in 1474. Laat ervan was toen Herman in den Kalbart. Hij moest samen met zijn deelgenoten een jaarcijns betalen van 4 malder, 4 sumber haver, 1 mark en 4 schilling. Bij dood van de laat was de keurmede een paard.[1]

       Toen Herman in den Kalbart gestorven was, ontving Johan Crombach als laat dit goed, voor zichzelf en zijn deelgenoten. Hij werd in 1517 genoemd. De jaarcijns was toen gelijk aan die van 1474. Verschuldigd was de gebruikelijke dienst op de burcht.[2]

       Johan werd er opgevolgd door zijn zoon Thijs, welke laatste het hoefgoed eveneens ontving voor zichzelf en zijn deelgenoten.[3]

 

       In 1617 werd Daem Loyx als laat van het hoefgoed vermeld. Hij had het hoefgoed met toebehoren ontvangen voor zichzelf en zijn deelgenoten. Het goed was toen circa 64 morgen groot, gelegen in twee stukken. Beide stukken lagen 'in den Kaelbaert' naast hoeve Crombach en de 'Loechters hoeff'. Ook in 1617 was de jaarcijns gelijk aan die van 1474. De keurmede was nog steeds een paard, en verschuldigd was de gebruikelijke dienst aan de landsheer. Als deelgenoten werden genoemd: Heyn Rutzevelt, Leonardt Monnix, This Cloetgens, Willem Coelen, Mettel Belen, Thiel Wever, Thonis op die gracht, Willem Tegger, Coen Pricken, Peter Kaelbaerts, Goert Beltgens, Goerardt Aulters, Jan aen’t Vauweren, Dilken aen’t Vauweren, Leonardt Schuylen, Herman Bellen, Jacob Wever, Jan Lindenloeff, Jan Trompener en Zentis van Horbach.[4]

      

De schrijfwijze

 

Kalbart (1474, 1517); Kaelbert (1579-1582); Kaelbaert (1617).


naar volgende pagina

[1] ARAB, Rk 45154 fol. 18r.

[2] ARAB, Rk 45155 fol. 24r.

[3] idem.

[4] ARAB, Rk 45156 fol. 42v en 43.