1. Domus lapidea - ter Anstelen - Ederenstein - Erenstein

             Erenstein bestond uit kasteel (adellijk huis) met leenhoeve, laathoeve en een molen. Die molen was leenroerig aan de abdij Kloosterrade. Kasteel met leen- en laathoeve waren leenroerig aan de landsheer. In de 18e eeuw werd bij de molen de Brughof gebouwd. Die hoeve maakte eveneens deel uit van Erenstein.

Oorsprong

            Oudtijds was een domein verdeeld in drie delen: a) een huis van de eigenaar/bezitter; b) verschillende boerderijen; c) een bos.[1] Ook Erenstein had zo'n indeling. Het huis te Erenstein werd aangeduid met de naam: stenen huis. Vroeger werden gebouwen opgetrokken in hout en leem. Een gebouw uit steen was een hoge uitzondering. In 1109 is al sprake van een stenen huis (domus lapidea) aan de overkant van de Anstel.[2] Dit is gezien vanaf Kloosterrade (Rolduc). Er is Erenstein mee bedoeld of een gebouw dat op die plaats heeft gelegen vóórdat het tegenwoordige kasteel gebouwd werd. Het stenen huis was in 1109 in bezit van een zekere Ansfridus. Hij moet een vazal van de graaf van Saffenberg zijn geweest. Want in genoemd jaar verkocht Ansfridus 60 morgen land aan de abdij.[3] En de graaf schonk toen de tienden van dat land aan de abdij. Zowel de verkoop van het land als de schenking van de tienden geschiedden door de hand van de graaf. Deze graaf was heer van het allodium van Kerkrade.[4] Alle personen die in die heerlijkheid (allodium) woonden, waren hem op de een of andere manier heerdiensten verschuldigd. Zij waren ofwel zijn leenmannen (vazallen), ministerialen of horigen. De eigenaar en heer van het land was dus de graaf van Saffenberg. De bezitter van land mocht niet eigenhandig zijn land verkopen of wegschenken. Dit geschiedde altijd door de hand van de heer. Steeds wanneer iemand een ministeriaal is, wordt het in de Annales Rodenses erbij vermeld. Bij de verkoop van land door Ansfridus staat niet dat deze een ministeriaal van de graaf was. De verhouding tussen de graaf en Ansfridus moet daarom die zijn geweest van heer en vazal. Met het stenen huis van Ansfridus kan alleen maar kasteel Erenstein bedoeld zijn. Het stenen huis met erbij behorende landerijen bleef een leen van de landsheer. Deze was eerst de graaf van Saffenberg, daarna de hertog van Limburg en vervolgens de hertog van Brabant. Dit leengoed komt daarom voor in de leenregisters van Brabant.  


Omvang 

            In 1396 of daaromtrent werd het kasteel Erenstein in pand gegeven met o.a. 16 morgen beemden.[5] In 1403 werd het kasteel weer als onderpand gesteld met alle toebehoren. Behalve de eerder genoemde beemden waren nog 3 "hoven" [= 180 morgen] in pand gegeven.[6] Erenstein moet omstreeks 1400 dus ongeveer 200 morgen groot zijn geweest. Of alleen ontgonnen land bedoeld is, of ook nog bos, is niet bekend.
 

            In 1707 wordt vermeld dat het adellijke huis, hoeve, molen, vijvers en bossen van Erenstein samen circa 442 morgen groot waren.[7] De Brugmolen was in 1671 ongeveer 41 morgen groot.[8] Erenstein met hoeve omvatte toen dus circa 400 morgen. Deze oppervlakte komt overeen met gegevens van abt Heyendal. Deze schreef omstreeks 1720 dat tenminste 400 morgen van de goederen van Erenstein vrij waren van tienden.[9]

            In 1771 was de oppervlakte van kasteel Erenstein, Brughof en Brugmolen, plus hoeve Nieuw-Erenstein samen in totaal 596 morgen en 13 roeden.[10] Tot de Brughof en Brugmolen behoorden toen 105 morgen, 60 roeden. Hoe groot de oppervlakte van Nieuw-Erenstein in 1771 was, kan niet vastgesteld worden. Want een stuk akkerland van 276 morgen behoorde gedeeltelijk tot Erenstein en gedeeltelijk tot Nieuw-Erenstein. In 1671 was de omvang van Onderst-Dentgenbach (het latere Nieuw-Erenstein) 160 morgen.[11] Als deze oppervlakte plus die van Brugmolen en Brughof afgetrokken worden van het totaal, krijgen wij voor Erenstein in 1771 ongeveer 330 morgen. Hiervan waren ongeveer 13 morgen gevormd door vijvers; circa 40 morgen ervan waren bossen. 


De leenmannen vóór 1500 

            De eerst vermelde leenman van Erenstein die na Ansfridus met zekerheid aangewezen kan worden, is heer Adaem van Ederem (van Ederensteyn). Deze Adam had vijf Brabantse lenen, namelijk: een hoeve 'ter Anstelen' met toebehoren, een leengoed in 'Denkenbach', een leengoed gelegen binnen het goed van 'Weinselle', verder 'weghegeld' te 'Kercrode' en nog een andere hoeve gelegen binnen het goed van 'ter Anstelen'.[12]

            Het leengoed te Terwinselen kreeg Adam van zijn vader, ridder Adam van Ederen. De naam van de laatste werd ook wel geschreven als: ‘van Nederhem’ en ‘van Nederhorn’.[13] Adam senior werd o.a. genoemd in een oorkonde van 15 maart 1363.[14] Die oorkonde is een overeenkomst tussen meerdere personen, o.a. de ridders Goedert van der Heyden, Adam van Eyderensteyne, Johan van Gronsselt, Weyrner van Rengbergh, Heynrich van Overbach, Johan van Verke en Wynrich van Weyebergh, dat alle goederen die te Keulen geladen worden, naar Maastricht gaan via Rode en Valkenburg. Wanneer Adam senior is gestorven, is niet bekend.

            Het leen Onderst Dentgenbach was voorheen van Jan van Scaepsberch (van Scaphberg).[15] Van wie Adam junior de hoeves 'ter Anstelen' kreeg, is niet aangegeven. Met die twee hoeves zijn bedoeld het leen- en het laatgoed van Erenstein. Het leengoed was 60 morgen groot; het laatgoed omvatte ongeveer 150 morgen.

 

            De vraag werd gesteld hoe Adam van Ederen (senior) uit het Gulikse land hier in het land van Rode terecht is gekomen. “Vóór 1363 is de naam van Ederen(stein) niet bekend in de geschiedenis van Rode; plotseling staat daar een van Ederenstein,” zo schreef de heer L. Augustus.[16] Maar aangezien Adam van Nederhem, leenman van 60 morgen land bij Terwinselen, gelijk is aan Adam van Ederensteyne, duikt de vraag op of de van Ederens familie waren van de van Anstelen uit Kerkrade. In 1231 namelijk is een Philipp von Anstela borg bij de verkoop van een stuk grond aan het klooster Weiher door o.a. Reinardus ridder van Ederen.[17] Plotseling staat daar een van Anstel in het land van Gulik. Was hij familie van de Kerkraadse van Anstelen? Dit is heel goed mogelijk. Vroeger was er geen privé-eigendom. Een stuk land of een vermogen behoorde toen toe aan een hele familie. Geleidelijk aan is dit familie-eigendom privé-eigendom geworden. Het familiegoed was toen in feite eigendom dat bij een lid van de familie bleef. Maar de eigenaar kon er niet over beschikken ten bate van niet-familieleden. Het familie-eigendom moest dus in de familie blijven. De familie kon zich verzetten tegen verkoop van het goed. Overblijfselen uit die tijd van familie-eigendom hebben zich nog lang gehandhaafd. Het bleef nog eeuwenlang gebruikelijk om in verkoop­akten allerlei familieleden mee te laten instemmen in de verkoop. Of familieleden stonden ervoor in dat zij zich niet tegen de verkoop zouden verzetten. Die familieleden waren meestal de erfgenamen. Behalve de naaste erfgenamen gaven vaak ook aanverwanten hun toestemming bij verkoop.[18] Hierboven zagen wij dat bij verkoop van grond door een van Ederen borg werd gestaan door een van Anstel. Op grond van het gebruik om familieleden en eventueel aanverwanten mee als getuigen te laten optreden, is het zo goed als zeker dat het geslacht van Ederen familie was van het geslacht van Anstel.

 

            Bovenbedoelde verkoop in 1231 geschiedde door Godfried, zoon van de burggraaf van Hostadin, en door Reinardus, zoon van Godfried van Ederen. Behalve Philip van Anstela zijn o.a. nog als getuigen genoemd: Heinrich van Walhusin (als borg), Godfried van Ederen met kinderen, en Frederik van Hogin met echtgenote en kinderen. Hieruit volgt dat verwant of aanverwant met elkaar waren de families van Ederen - van Anstel - van Hogin - van Walhusin - van Hostadin. Dit blijkt ook uit andere gegevens. Beatrix van Anstel had 47 morgen in leen, gelegen bij 'Weensele'. Dit leen werd verkocht aan Henricus van Crickelemberghe (senior).[19] Deze Henricus was gehuwd met een dochter van Theodiricus van Hueghen.[20] De familie ‘van Crickelemberghe’ was dus door huwelijk verbonden met de familie ‘van Hueghen. De naam van de laatste familie werd ook geschreven als ‘van Hoedinghen. Ze is gelijk aan de familie ‘van Hogin’, welke verwant of aanverwant was - zoals boven aangetoond - met de familie van Ederen. Dit is tevens de verklaring waarom Adam van Ederensteyn ook een leen te 'Denkenbach' kreeg. Adam moet erfgenaam zijn geweest van Jan van Scaepsberch, die opvolger was van Willem van Caudenbach,[21] welke laatste weer Henricus Krickart (van Crickelemberghe) (junior) opvolgde.[22]

 

            Op 10 april, omstreeks 1396 of 1400, gaf Daem van Ederensteyne het kasteel Erenstein ('die borch van Ederensteyne') in pand aan de heer van Gronsselt, met de drie vijvers, 16 morgen beemden en het weggeld met de dienst van de laten. Tot die dienst behoorde het maken van bermen en afrasteringen en reparatie van wegen. Als getuigen waren aanwezig de leenmannen Johan van Daelhem en Johan Schaedbruech senior.[23] Dit pand [=die hypotheek] deed Hendrik van Gronsselt over aan heer Kirst van Rincberch [= Christiaan van Rimburg].[24]

            In 1403 loste Adam zijn verpande goederen weer in. Maar hij leende op 16 mei van dat jaar een nog grotere som dan voorheen, namelijk 2000 Rijnlandse guldens of 8500 Akense mark. Dit bedrag werd geleend van het echtpaar Tilman van Rischmolen en Heilke Bucks. Als onderpand kreeg dit echtpaar "Schloss und Burg"[25] te 'Ederenstein' met alle toebehoren.[26] Een oorkonde van dezelfde datum geeft een opstelling en beschrijving van de verpande akkers, beemden, vijvers en cijnzen van 'Ederenstein'. Behalve de eerder genoemde goederen waren nog in pand gegeven 2 'hoven' [= 120 morgen] land.[27] De hypotheekgevers zouden de inkomsten van deze goederen genieten. Adam mocht pas na 12 jaar, dus in 1415, aflossen. Het echtpaar zou zorgen dat de nodige reparaties aan kasteel en vijvers werden uitgevoerd. Zij zouden daarvoor 400 Rijnlandse guldens besteden. Dit bedrag moest Adam tegelijk met het geleende geld terugbetalen.[28]

            Ook Dentgenbach was als onderpand gesteld. Dat pand is weer ingelost. Immers, na Adam werd de hoeve Dentgenbach in leen ontvangen door heer Godert Masscereel.[29] Van verkoop was geen sprake.

 

            Adam van Ederenstein heeft zijn schulden niet kunnen aflossen. Erenstein kwam aan Catharina van den Bongard. Zij was een dochter uit het tweede huwelijk van Heilke Buck met Gerard van den Bongard.[30] Catharina huwde met Werner van Gronsveld. Uit dit huwelijk sproot Maria van Gronsveld die met Jan Huyn van Amstenrade trouwde.[31] Zo kwam Erenstein aan het geslacht van Amstenrade.

            Er kunnen - vanwege het feit dat eigendom zoveel mogelijk in de familie bleef en vanwege verwantschap van de familie van Ederen met die van de van Anstel - nog enkele andere leenmannen opgespoord worden. Het is wel niet absoluut zeker omdat niet voldoende materiaal beschikbaar is. Maar de gegevens passen zo goed bij elkaar dat ik ze als betrouwbaar beschouw.

            Van Adam van Ederensteyn, omstreeks 1400, maak ik een sprong naar het einde van de 13e eeuw. In die tijd leefde Willelmus van Hanselt. Hij had 6 Brabantse lenen,[32] namelijk:

(a) 140 morgen, gelegen tussen 'Rode' en 'Wach' [= Ubach]. Dit land werd verkocht aan Rutgherus van Gheylekerken.[33]

(b) Een burchtleen bij 'Rode', namelijk per kar een denarium.

(c) Een 'mazure' [= woning] bij 'Hanselt'.

(d) Een 'mazure' bij 'Robelin'.

(e) Een woning bij 'Herembach'.

(f) Weggeld bij 'Hanselt'.

           

De woning bij 'Robelin' blijkt de hoeve van 'Nuwelynde' bij 'Rode' te zijn met 210 morgen. Leenman ervan was in het begin van de 14e eeuw Nicolaus van der Anstelen, een zoon van Willelmus van Hanselt.[34] Een broer van Nicolaus, namelijk Henricus van Auxstelt, kreeg later het grootste deel van deze hoeve, en wel ongeveer 150 morgen.[35] Hij werd opgevolgd door Raso Maskereel.[36] De opvolger van Raso op hoeve Nulland was Godert Masschureel.[37] Deze was ook de opvolger van Adam van Ederensteyn in het goed van 'Denkenbach'.[38] Hieruit blijkt dat de familie Maschereel verwant was zowel met de van Anstelen als met de van Ederen. Wederom een verbinding van de van Anstelen met de van Ederen.

            De overige lenen van Willelmus van Hanselt kwamen allemaal in handen van zijn zoon Nicolaus. Deze Nicolaus had nog enkele lenen meer dan zijn vader. Behalve de reeds genoemde hoeve van Nulland had hij:

a) Een burchtleen bij Rode; dit is het leen van 1 denarium per kar.[39]

b) Een ander burchtleen bij Rode; dit is het weggeld bij 'Hanselt'.[40]

c) Een woning bij 'Herembach'.[41]

d) Een woning bij 'Hanselt'.[42] Dit is de hoeve van 'Aussel' met circa 150 morgen land.[43]

e) 60 morgen bij 'Austele'.[44]

f) 64 morgen bij 'Kercrode'.[45]

g) Het laatgoed te Krichelberg met toebehoren als 3e burchtleen.[46]

 

            De beide lenen sub (a) en (b) verkocht Nicolaus aan Ghiselbertus Ruede van Rode.[47] Het is mogelijk dat de lenen sub (f) en (g) identiek zijn. Er komen namelijk nogal wat doublures voor in de oude leenregisters. Het is ook mogelijk dat met het leen sub (f) bedoeld is het gedeelte dat van het leen Nulland overbleef. Dat leen was oorspronkelijk 210 morgen, waarvan Henricus, broer van Nicolaus, 150 morgen kreeg. Het laatgoed te Krichelberg (g) zien wij later terug bij Adam van Ederensteyn, evenals het weggeld bij Anstel (b).

            Er is goede reden om aan te nemen dat met de lenen sub (d) en (e) het leen- en het laatgoed van Erenstein bedoeld is. Het leen ter grootte van 60 morgen bij 'Austele' vinden wij na Nicolaus van der Anstelen terug bij Gerard van Lonchy.[48] Dat leen werd omschreven als de hoeve 'ter Anstelen' met een 'hoeve' [= 60 morgen] land erbij. En na Gerard is er alleen de vermelding dat Adam van Ederen leenman was van een hoeve 'ter Anstelen' met toebehoren, gelegen in het kerspel van 'Keircrode'.[49] Met die hoeve is, naar mijn mening, bedoeld het leengoed van Gerard van Lonchy. Het is dan het leen van Erenstein (zie overzicht 1).

            De hoeve van 'Ausel' met circa 150 morgen land moet een laathoeve zijn geweest. Willelmus van der Anstelen verkocht namelijk twee grondrenten. Eén ervan was gevestigd op de hoeve te Nulland, de andere op de hoeve van Anstel. Deze laatste rente ter grootte van 15 mark jaarlijks werd verkocht aan Willelmus Nase.[50] Dit betekent dat Willelmus van Hanselt (van der Anstelen) een bepaald bedrag had geleend. Als onderpand werd de hoeve van Anstel gesteld. De verkoop van deze grondrente [= het nemen van die hypotheek] moet hebben plaatsgehad vóór 24 oktober 1324. Op die datum namelijk verschenen Nicolaus en Henricus, zonen van Willelmus van Anstel, voor de functionarissen van de schepenbank van ΄s Hertogenrade. Het betrof de verkoop van bovengenoemde renten.[51] Aangezien kwesties betreffende leengoederen behandeld werden voor het leenhof, moeten die grondrenten gerust hebben op laatgoederen. Immers, de schepenbank hier behandelde ook aangelegenheden over laatgoed.[52] Wij zagen boven dat Nicolaus, zoon van Willelmus van Anstel, deze hoeve kreeg. Zeer waarschijnlijk heeft Nicolaus de door zijn vader geleende som geld niet kunnen terugbetalen. Hij verkocht namelijk de hele hoeve van 'Hanselt' aan de schuldeiser, Willelmus Nase.[53] Deze laatste noemde zich in 1331: Nase van der Ansteren.[54]


 

De leenmannen in de l3e en 14e eeuw

 

 

ERENSTEIN                              ONDERSTE DENTGENBACH           TERWINSELEN

(kasteel, leenhoeve,

laathoeve, molen)

 

Willelmus van Hanselt               Theodiricus van Hueghen +          Henricus Zegeman

+ N.N.                                      Henricus van Crickelemberghe                         |

            |                                                 |                                                     |

            |                                                 |                                                     |

Nicolaus van der                       Henricus Krickart                           Hermannus  Segheman

Anstelen                                                |                                                        |

            |                                   Willem van Caudenbach                                   |

            |                                                 |                                      Adam van Nederhem

Willelmus Nase +                      Jan van Scaepsberch                     (van Nederhorn, 

Gerard van Lonchy                                 |                                        van Ederen           

            ────────────────────────────────────────────────────            

                                       ADAM VAN EDERENSTEYNE

 

 

            Bij Adam van Ederensteyn vinden wij ook een hoeve met toebehoren, gelegen 'in den dorpe van der Anstelen'.[55] Dit betekent letterlijk: gelegen binnen het landgoed van Anstel. Het kan ook omschreven worden als: een laathoeve met toebehoren, behorende bij een leenhoeve Anstel. De naam 'leen' kan zowel betrekking hebben op een leengoed als op een laatgoed. De leenman van het eerste is een echte leenman; die van het tweede is een laat.

            Om het voorgaande nog meer van twijfels te ontdoen, bespreek ik thans het laatgoed van Erenstein. Dat Erenstein inderdaad laatgoed had, blijkt niet alleen uit een latenrol van 1395.[56] Er zijn eerdere aanwijzingen. In de jaarrekeningen van december 1374 tot december 1375 noteerde de rentmeester van het Land van Rode dat hij een keurmede van 12 mark ontvangen had vanwege Erenstein, en een keurmede van 14 mark vanwege een goed te Simpelveld. De 14 mark werden betaald door een dochter van Erenstein; de 12 mark door heer Adam van Ederensteyne.[57] De rentmeester noteerde dit onder het hoofd manus mortua [de dode hand]. Uit het feit dat een keurmede betaald moest worden, volgt dat laatgoederen bedoeld zijn. Immers, een keurmede was verschuldigd na dood van de laat. Op het laatgoed van Erenstein was dus de laat gestorven, evenals op het laatgoed te Simpelveld. Leenman van het laatgoed te Erenstein was Willelmus Nase. Hij moet gestorven zijn vóór december 1373 of december 1374. Hij had geen erfgenamen. Want de keurmede was genoteerd onder de dode hand. Dit betekent dat na het sterven van de leenman het land toe was gevallen aan de landsheer. Als een laatgoed binnen een jaar na dood van de laat niet ontvangen was, verviel het goed aan de landsheer.[58]

 

            Vroeger heeft men geschreven dat Adam van Ederen senior gestorven moet zijn vóór of in 1375.[59] Dat werd toen afgeleid uit voormelde keurmeden. Maar nergens is een aanwijzing te vinden dat Adam senior ook leenman was van het laatgoed te Anstel. Wel was hij leenman van een 'hove' [= 60 morgen] land te 'Wensel'.[60] Dit leen te Terwinselen is een laatgoed dat in leen gegeven werd. Behalve de verplichtingen van de leenman waren daarvoor ook verschuldigd de plichten van de laat.[61] In 1371 was de slag bij Baesweiler. Adam van Eyderensteyne senior werd niet genoemd.[62] Misschien was hij toen al dood.

            Ook uit het volgende blijkt dat één van de lenen van Adam van Ederenstein junior een laatgoed was. In de jaren 1389-1392 moesten de inwoners van het land van Rode belasting opbrengen of diensten verrichten voor het herstel en de versterking van de burcht te ’s-Hertogenrade. Adam van Ederenstein werd als eerste bij de personen uit Kerkrade  genoemd.[63] Alle andere personen uit Kerkrade hadden laatgoed. Adam is dus genoemd niet vanwege het leengoed, maar vanwege het laatgoed van Erenstein. Het leengoed was vrij van belasting en van (corvee)diensten op de burcht.

 

            In 1393/94 was Christiaan van Rimburg een vijand geworden van de stad Aken. Hij verzamelde een aantal helpers om zich heen. Bij hen was ook Adam van Ederenstein.[64] Voor Adam had dit geen gunstig resultaat. In de jaarrekeningen van 1393 en 1394 noteerde de rentmeester van het land van Rode dat Daem (Adam) van Ederensteine niets had kunnen betalen omdat zijn landerijen (les hostes) vernietigd waren en braak lagen.[65] Uit de rekening van 1396 blijkt dat Adam van Ederenstein (Damois de Ederensteinen) toen zijn cijnzen weer kon betalen.[66] Ook dit heeft alleen betrekking op laatgoed. Voor een leengoed werd geen cijns betaald.

 

 

            Waar nu lag het laatgoed van Erenstein? Volgens de latenrol van 31 oktober 1395[67] bestond het laatgoed van Erenstein uit:

a) cijns en pacht te 'Schaveymont';

b) de cijns van 'die Brueggen';

c) de cijns van 'Kirchraede';

d) pacht en cijns van 'Krichelberch' en van 'die Wienzellen';

e) de cijns van 'Sueirheyt';

f) de cijns te 'Steynstroissen' en van 'Horbach'.

 

(a) De cijns te 'Schaveymont' werd betaald door elf personen van wie negen als ‘bezeten laat’[68] genoemd zijn en twee als gewone laat. In totaal was de cijns: 4 vaten, 2½ malder, 1 mud haver (= ± 793 liter haver); 3 malder rogge (=± 494 liter rogge); 9 tijns­hoenders,[69] 27 kapoenen,[70] 16 schillingen, 30 denaren, 10 paasbroden,[71] en 4 echte kippen.

 

(b) De cijns van 'die Brueggen' werd betaald vanwege vier partijen. In totaal bedroeg de cijns: 4 malder rogge, 23 kapoenen, 3 paasbroden, 3 mark, 6 hoenders, 3 schillingen, en

18 kwarten bier per week.[72]

 

(c) De cijns van 'Kirchraede' werd betaald voor twaalf goederen. Die cijns bedroeg in totaal: 4 sumber, 8 vaten rogge, 20 kapoenen, 109½ denaren, 12 schillingen, 2 paasbroden.

 

(d) De cijns van 'Krichelberch' en van 'die Wienzellen' werd betaald door vijf personen. In totaal was die cijns: 3½ mud rogge, ½ mud haver, 5 tijnshoenders, 21 kapoenen, 9 schillingen, 5 paasbroden, 14 denaren.

 

(e) De cijzen van 'Sueirheyt' werden betaald door twee bezeten laten. In totaal bestond die cijns uit: 10 kapoenen, 36 schillingen, 2 paasbroden.

 

(f) De cijnzen van 'Steynstroissen' en van 'Horbach' waren verschuldigd voor vijf goederen. Die cijns was in totaal: 2 malder, 2½ mud rogge; 15 kapoenen, 6 schillingen, 1 paasbrood.

 

            Bijna alle laten moesten verder nog corveediensten verrichten, bestaande in het helpen met hooien, de wacht houden, de vijvers schoon maken. Bij dood van de meeste laten was een keurmede verschuldigd.

 

            De hele cijns van het laatgoed van Erenstein bedroeg per jaar: 3096,97 liter rogge, 898,70 liter haver, 4 echte kippen, 6 hoenders, 14 tijnshoenders, 116 kapoenen, 23 paasbroden, 82 schillingen, 153½ denaren, 3 mark en 2293,20 liter bier.

 

 

            In de latenrol is uitsluitend de Roder maat gehanteerd, ook voor Simpelveld en Horbach.

 

            Met 'Steynstroissen' is de hoeve Steinstrass bedoeld, gelegen bij het dorp Horbach. Adam van Ederenstein werd in 1373 door de aartsbisschop van Keulen met deze hoeve beleend.[73] 'Sueirheyt' was een gasthuis (herberg Souret) aan de weg Aken-Heerlen, bij de Locht.[74] Wie de voorganger was van het laatgoed te Simpelveld, is mij niet bekend. Het is mogelijk dat dit via de familie van Lonchy bij de familie van Ederen is gekomen.

 

            Het laatgoed te 'Schaveymont' lag ten westen van de huidige St. Pieterstraat (zie schets 2). De ligging van de laathoeve is niet bekend. Vermoedelijk lag zij in de buurt waar thans de hoeve aan de Kaffebergsweg nr. 11 gelegen is. Op laatgoederen ontstonden buurtschappen; en ook dit laatgoed maakte geen uitzondering. De 'maer', aangegeven in 1771, is thans het plein hoek Chevremontstraat-Teutelbroekstraat. Rond die poel heeft zich een groep woningen gevormd. In de tegenwoordige Toupsbergstraat, westelijk van de spoorlijn, lagen meerdere huizen. Ook in de Teutelebroek werden laten vermeld. Zij woonden waar nu de huizen staan aan de Teutelbroekstraat nrs. 2-6.

            Zeer waarschijnlijk lag het land van de laathoeve te Chevremont in het tegenwoor­dige Erensteinerveld. Op grond van de aangegeven grootte kan de 'Chewermonderheide' die op oude kaarten aangegeven is,[75] niet tot dat land behoord hebben. Die 'heide' moet ontstaan zijn uit bos dat gerooid werd, of uit land dat braak bleef liggen.

 

            Met 'Brueggen' is bedoeld de Brugmolen. Deze molen was een leen van de abdij Kloosterrade. Het leen bestond uit een molen, beemden en landerijen, gelegen aan de Anstel. Het maakte deel uit van de goederen van Erenstein.[76] De Brugmolen had tevens een brouwerij; daarom ook de biercijns die betaald moest worden.

 

            De laatgoederen te Chevremont en van de Brugmolen zijn nog lange tijd deel blijven uitmaken van Erenstein.

 

 

De leenmannen / eigenaars genoemd na 1500

 

            Omstreeks 1512 was jonkheer Wernher van Anstenraide leenman van “die burch zo Erenstein” met toebehoren en laathoeve.[77] In een register geschreven circa 1520 wordt Johan van Anssenraide genoemd met huis en leenhoeve “Erensteyn” met toebehoren en laathoeve.[78] Aan dit leen had de heer zijn dienst met paard en harnas,[79] en bij ontvangst een goudstuk.[80]

            De volgende leenman was Johan Huyne van Anstenraide junior, gehuwd met

Catharina van Meller.[81] Hij ontving op 19 december 1531 (“op dynsdach nae sent Luciendach”) o.a. huis en hoeve “zo Erensteyne, gelegen te “Kirchraide”, met alle toebehoren.[82] Hun dochter Catharina Huyn van Amstenrade huwde met Daniel Spies von Büllesheim.[83]

 

            Na dood van Johan Huyn van Amstenrade kwam het huis Erenstein in handen van de familie Spies.[84] Daniel werd op 21 maart 1562 voor het leenhof van ’s-Hertogenrade beleend met het huis Erenstein.[85] Johan Spies, oudste zoon van Daniel en Catharina, erfde Erenstein.[86] Op 17 februari 1588 verscheen Johan voor het leenhof van ’s-Hertogen­rade. Hij verhief er o.a. huis en hoeve Erenstein en hoeve Onderst-Dentgenbach, voor zich en zijn deelgenoten.[87] Johan huwde met Anna Hoen van Hoensbroek. Uit dat huwelijk sproot één zoon, namelijk Johan Daniel die in 1631 stierf.[88] In 1634 maakte Johan Spies zijn testament. Zijn broer Willem zou o.a. het huis Erenstein ontvangen.[89] Frans Willem, oudste zoon van Willem Spies, verhief op 3 augustus 1641 namens zijn vader Erenstein en Onderst-Dentgenbach.[90] In 1654 droeg Willem Spies het beheer van zijn goederen over aan genoemde zoon Frans Willem.[91]

            Omstreeks 1681 vroeg barones Maria Schellart, vrouwe van Obsinnich, een open­bare verkoop van Erenstein aan om een rente die al jaren achterstallig was, te voldoen. In augustus 1687 ging Frans Willem Spies naar Brussel om bij de Raad van Brabant de verkoop van zijn Erensteinse bezittingen te verhinderen. Op 14 februari 1689 liet de deurwaarder van de Raad van Brabant Erenstein met zijn goederen, hoeve en molen voor het leenhof van ’s-Hertogenrade overschrijven op naam van de schuldeisers: barones Maria van Schellaert van Obsinnich en de landcommandeur von den Biezen.[92]

            In 1690 worden als eigenaars en bezitters van huis Erenstein genoemd: landcommandeur Edm. Godfr. van Bocholtz en M.B. Schellaert van Obdorf weduwe van Obsinnich. De weduwe werd opgevolgd door haar broer Johan Theobald baron van Eynatten.[93]        

            In mei 1707 werden als eigenaars van huis Erenstein genoemd: landcommandeur H.B. van Wassenaar en barones van Eynatten van Obsinnich.[94]

            Op 12 mei 1707 kocht Hendrik Poyck (senior), schout van Merkstein, kasteel Erenstein met de Brugmolen.[95] De koopsom was 12.061 pattacons.[96]

           

            Heer Wilhelmus Henricus Poyck, zoon van Henricus Poyck, nam in 1715 het adellijk huis Erenstein met alle goederen over. Het huis was toen zeer vervallen en de vijvers en alle goederen verkeerden in slechte staat. Wilhelmus Henricus was schout te Merkstein. Huis en goederen nam hij over van zijn vader en van zijn broers en zusters. Er rustte een hypotheek op.[97] Wilhelmus Henricus Poyck had van abt Heyendal een som geld geleend van 9700 pattacons tegen een rente van 4%. Bij overeenkomst van 27 maart 1715, geregistreerd bij het laathof op 21 mei 1717, gaf W.H. Poyck aan de abt in belening of verpachting het kasteel en het goed van Erenstein met recht van beheer, jacht-, vis- en slagrecht, voor het bedrag van de interest, namelijk 388 pattacons. Als voorwaarde werd gesteld dat de hoofdsom met derden [d.w.z. in drie delen] namelijk iedere keer met 3233,5 pattacons, teruggegeven en het goed ingelost kon worden.[98] De twee zonen van W.H. Poyck, namelijk Henricus en Petrus Casparus, werden gezamenlijk heer van Erenstein. Henricus was voorzitter van het leenhof te ’s-Hertogenrade, en Petrus Casparus was schout te Merkstein. Het huis moest gerestaureerd en de vijvers moesten hersteld worden.[99] Op 1 mei 1725 namen beide broers hun intrek in het kasteel.[100] Eind juli 1726 gaven de twee broers iets minder dan het derde deel van het door hun vader geleende kapitaal terug. Dat teruggegeven deel stamde uit de huwelijksgift van de echtgenote van Petrus Casparus.[101]

            In 1740 zag Hendrik Poyck af van het leengoed Erenstein. Hij droeg het over aan zijn broer Petrus Casparus. In 1745 betaalde deze het resterende twee derde deel van het geleende kapitaal terug aan de abdij Kloosterrade.[102]

            In 1783 werd de weduwe van Petrus Casparus te Erenstein genoemd. Zij heette Aldegundis Jacobina de Grupello. In 1796 woonde Augustinus Poyck, zoon van voornoemd echtpaar, op het kasteel.[103]

De schrijfwijze

 

Domus lapidea (1109), Ederensteyn (circa 1400), die borch van Ederensteyne (circa 1400), die burch zo Erenstein (circa 1512), (castrum de) Erenstein (1740-1768), Ernstein (1783), Ernstein Hauss, Ernstein Hoff (1778), Ernsteinerhaus, Ernsteinerhoff (1796).

 

 

Kort overzicht van Erenstein

 

            Nicolaus van der Anstelen, zoon van Willelmus, had een leengoed ter grootte van 60 morgen gelegen bij 'Austele'. Bij dit leen hoorde een laathoeve met circa 150 morgen land. Het leen is m.i. het gebied waar kasteel Erenstein gelegen is met de leenhoeve. De laathoeve lag te 'Schaveymont' (Chevremont). Nicolaus erfde verder van zijn vader de hoeve van Nulland met 210 morgen, en 2 burchtlenen bij 'Rode'. Deze burchtlenen waren (a) per kar 1 denarium; (b) weggeld bij 'Anstelt'. Hij had verder nog twee goederen in leen, namelijk het laatgoed te Krichelberg en 64 morgen land te Kerkrade. Van wie hij deze beide lenen gekregen heeft, is niet bekend. Het land van Nicolaus lag over een groot deel van Kerkrade verspreid (zie schets 3). Hij heeft de door zijn vader gemaakte schulden niet allemaal kunnen aflossen. De laathoeve met circa 150 morgen land werd verkocht aan Willelmus Nase; de beide burchtlenen werden verkocht aan Ghiselbertus Ruede van 'Rode'. Zijn hoeve te Nulland deelde hij in tweeën: 60 morgen hield hij vermoedelijk zelf; en 150 morgen ervan kreeg zijn broer Henricus van Auxstelt. Het grote gebied viel dus weer uiteen in kleinere stukken.

            Adam van Ederenstein junior erfde van zijn vader 60 morgen land te Terwinselen. Dat land was laatgoed. Waarschijnlijk heeft Adam het familie-eigendom weer bij elkaar willen brengen. Hij kreeg namelijk de laathoeve van circa 150 morgen te 'Ausel' die aan Wilhelmus Nase verkocht was. Ook kreeg hij de twee burchtlenen die aan Ghiselbertus Ruede van Rode verkocht waren. Adam was ook leenman van laatgoed te Krichelberg en van een goed te  Dentgenbach. Dit laatste was via de familie van Hueghen (= Hogin = Hoedingen) familie-eigendom geworden. Verder had Adam nog een laatgoed te Kerkrade, dat mogelijk gelijk is aan het goed van 64 morgen dat Nicolaus van der Anstelen in leen had. Adam van Ederenstein heeft het goed van Nicolaus van Anstel dus uitgebreid met Terwinselen en Dentgenbach. Maar hoeve Nulland werd afgescheiden. Deze hoeve werd niet meer met Erenstein verbonden.

            Het laatgoed te Krichelberg is in 1552 bij Johan van Berghe-Trips.[104] Ook dat goed is dus van Erenstein afgesplitst. Over het laatgoed te Kerkrade is mij verder niets bekend. Het goed te Dentgenbach kreeg Godert Masschureel. Deze Godert kreeg ook hoeve Nulland.[105] De schulden, door Adam van Ederenstein gemaakt, - misschien wel om zijn domein uit te breiden - heeft hij niet kunnen aflossen. Het grote gebied viel weer uiteen. Erenstein bleef alleen bestaan uit kasteel, leenhoeve (60 morgen) en laathoeve (circa 150 morgen). Het oorspronkelijke gebied van Erenstein rond 1325, namelijk de twee Anstel-lenen, is dus na 1400 bijeen gebleven. Wat erbij verworven werd, is uiteengevallen. Het goed te Terwinselen is ook niet meer met Erenstein verbonden. Maar het goed van (Onderste) Dentgenbach werd later weer met Erenstein verbonden, en wel voor een langere periode.

 

            Boven zagen wij dat Erenstein bestond uit de twee lenen 'ter Anstel'. Het is opmerkelijk dat de naam van een kasteel (stenen huis, adellijk huis) in de oude leenregisters niet voorkomt, maar wel in andere stukken. Dat kasteel zou gebouwd zijn in de 2e helft van de 14e eeuw.[106] Of dit inderdaad zo is, betwijfel ik. Het leengoed van Erenstein is al veel ouder, terwijl ook het laatgoed al eerder genoemd is. Op dat leengoed waren gebouwd kasteel en leenhoeve. In 1109 is al sprake van een stenen huis. In het verleden heeft men gemeend dat er Heren Anstel mee werd bedoeld.[107] Maar Heren Anstel was een laatgoed van de abdij Kloosterrade. In of vóór 1171 werd dit goed door aankoop eigendom van genoemde abdij.[108] De abt was de leenheer ervan. Dit Anstel-leen komt daarom niet voor in de leenregisters van Brabant, maar wel in de laatboeken van Kloosterrade.

            Het stenen huis was in 1109 in bezit van een zekere Ansfridus. Hij was een vazal van de graaf van Saffenberg. Het stenen huis met erbij behorende landerijen bleef een leen van de landsheer. Deze was eerst de graaf van Saffenberg, daarna de hertog van Limburg en vervolgens de hertog van Brabant. Dit leengoed komt daarom wel voor in de leenregisters van Brabant, en met name als de leen- en laathoeve 'ter Anstelen'. Met het stenen huis van Ansfridus kan alleen maar kasteel Erenstein bedoeld zijn.

 

 

Overzicht van de eigenaren van Erenstein

 

Het leengoed:                                                  het laatgoed:

Kasteel plus leenhoeve                                     laathoeve met circa 150 morgen

 

 

Ansfridus (1109)                                              NN

NN                                                                    Willelmus van Hanselt (circa 1300)

                                    Nicolaus van der Anstelen (circa 1320)

Gerard van Lonchy (circa 1350)                       Willelmus Nase (circa 1330)

                                    Adam van Ederenstein (circa 1375)

                                    Catharina van den Bongard (circa 1400)

                                                gehuwd met Werner van Gronsveld

                                    Maria van Gronsveld

                                                gehuwd met Jan Huyn van Anstenrade

                                    Werner van Anstenraide (circa 1512)

                                    Johan van Anstenraide (circa 1520)

                                    Johan Huyne van Anstenraide (1531)

                                    Daniel Spies (1562)

                                    Johan van Spies (1588)

                                    Willem van Spies (1641)

                                    Barones Maria Schellart van Obsinnich

                                    en de landcommandeur von den Biezen (1689)

                                    M.B. Schellaert van Obdorf weduwe van Obsinnich

                                    en landcommandeur Edm. Godfr. van Bocholtz (1690)

                                    Johan Theobald baron van Eynatten

                                    en landcommandeur Edm. Godfr. van Bocholtz

                                    de barones van Eynatten van Obsinnich

                                    en de landcommandeur H.B. van Wassenaar (mei 1707)

                                    Hendrik Poyck senior (1707)

                                    Wilhelmus Henricus Poyck (1715)

                                    Henricus Poyck en Petrus Casparus Poyck samen (1725)

                                    Petrus Casparus Poyck (1740)

                                    Weduwe Aldegundis Jacobina Poyck-de Grupello (1783)

                                    Augustinus Poyck (1796)

 

naar volgende pagina

[1] De Blécourt 1967, p. 105.

[2] An.Rod. fol. 4v .

[3] idem fol. 4v .

[4] idem fol. 2r.

[5] ARAB, Rk nr. 572, fol. 26r.

[6] Archief Haus Hall, oorkonden nrs. 16 en 17, gepubliceerd in: Fritz Reuters, EDEREN, Die Geschichte eines Dorfes im Jillicher Land, 1981/82, p. 69 en 71.

[7] RAL, LvO nr. 2464.

[8] Kloosterrade, hs. 26.

[9] Kloosterrade, hs 10, p. 441.

[10] Gemeente-archief van Kerkrade, z.g. "Gemeenteboek" uit 1771, p. 4 t/m 12.

[11] RAL, LvO nr. 2464.

[12] ARAB, Leenhof van Brabant nr. 2 fol. 92r; ARAB, Leenhof van Brabant nr. 4, fol. 315v/316r; ARAB, Rk 568 fol. 17v; Rk 51061 fol. 7r.

[13] ARAB, Leenhof van Brabant nr. 2 fol. 90v; ARAB, Leenhof van Brabant nr. 4 fol. 313r.

[14] ARAB, Chambre de Brabant, nr. 2049. – Zie bijlage 1 (p. 59).

[15] ARAB, Leenhof van Brabant nr. 2 fol. 92r; ARAB, Leenhof van Brabant nr. 4, fol. 315v/316r; ARAB, Rk 568 fol. 17v; Rk 51061 fol. 7r.

[16] L. Augustus, 'Het geslacht Ederenstein op het gelijknamige kasteel te Kerkrade', Het Land van Herle, XXVI (1976), nr. 3, pag. 51-60.

[17] Historisches Archiv der Stadt Koln; Kloster Weiher, Urk. 12; & Geistl. Abt. Urk. 288; beide in regestvorm gepubliceerd in: Reuters 1981/82, resp. p. 18 en p. 20.

[18] zie: De Blécourt 1967, p. 97-100.

[19] Galesloot 1865,  p. 109.

[20] Galesloot 1865,  p. 109; zie ook p. 108 ervan.

[21] ARAB, Leenhof van Brabant nr. 2 fol. 95r.

[22] ARAB, Leenhof van Brabant nr. 4 fol. 308v.

[23] ARAB, Rk nr. 572, fol. 26r.

[24] idem.

[25] “Schloss und Burg” : dit is m.i. een pleonasme. Met beide woorden wordt een adellijk huis aangeduid (Middelnederlandsch Handwoordenboek). "Schloss und Burg" is dan: het hele kasteel.

[26] ARAB, Rk 572, fol. 26r; Reuters 1981/82, p. 69 en 71, archief Haus Hall, oorkonden nos. 16

en 17.

[27] ARAB, Rk nr. 572, fol. 26r; Archief Haus Hall, oorkonden nrs. 16 en 17, in Reuters (1981/82),

p. 69 en 71.

[28] Archief Haus Hall, oorkonde nr. 16, in: Reuters (1981/82), p, 69.

[29] ARAB, Leenhof van Brabant nr. 4 fol. 315v/316r.

[30] Alb. Corten, 'Kasteel Erenstein', Limburgs Landschap 27, 7e jrg., juni 1980, p. 24.

[31] Idem.

[32] Galesloot 1865, p. 266.

[33] idem  p. 235.

[34] idem p. 214.

[35] Galesloot 1865,  p. 114; ARAB, Leenhof van Brabant nr. 2 fol. 91r; ARAB, Leenhof van Brabant nr. 4 fol. 310v; ARAB, Rk nr. 568 fol. 15r; ARAB, Rk nr. 51061 fol. 4v.

[36] ARAB, Leenhof van Brabant nr. 2 fol. 92r; ARAB, Leenhof van Brabant nr. 4 fol. 315v.

[37] ARAB, Leenhof van Brabant nr. 4 fol. 315v; ARAB, Rk nr. 568 fol. 17v; ARAB, Rk nr. 51061 fol. 7r.

[38] ARAB, Leenhof van Brabant nr. 4 fol. 316r; ARAB, Rk nr. 568 fol. 17r; ARAB, Rk nr. 51061 fol. 7r.

[39] Galesloot 1865,  p. 212, 79, 214, 266; en ARAB, Leenhof van Brabant nr. 2 fol. 90v.

[40] Galesloot 1865,  p. 212, 79, 266; en ARAB, Leenhof van Brabant nr. 2 fol. 90v.

[41] idem.

[42] Galesloot 1865,  p. 266.

[43] idem p. 213 en 291.

[44] idem p. 212.

[45] idem p. 213.

[46] ARAB, Leenhof van Brabant nr. 2 fol. 91r; ARAB, Leenhof van Brabant nr. 4 fol. 310v; ARAB, Rk nr.568 fol. 15r; ARAB, Rk nr. 51061 fol. 4v.

[47] Galesloot 1865,  p. 212, 79, 214, 266; en ARAB, Leenhof van Brabant nr. 2 fol. 90v.

[48] ARAB, Leenhof van Brabant nr. 2 fol. 92v; ARAB, Leenhof van Brabant nr. 4 fol. 316r; ARAB, Rk nr. 568 fol. 17v; ARAB Rk nr. 51061 fol. 7v.

[49] ARAB, Leenhof van Brabant nr. 2 fol. 92r; ARAB, Leenhof van Brabant nr. 4 fol. 315r; ARAB Rk nr. 568 fol. 17v; ARAB, Rk nr. 51061 fol. 7r.

[50] H.J.M. Frusch, 'Beschouwingen over het eerste geslacht der Heren van Anstel, ca. 1075- ca. 1375', Kerkrade’s Verleden , Kerkrade 1967, p. 31.

[51] Frusch 1967, p. 31.

[52] zie: Janssen de Limpens 1974, p. 41; en dezelfde 1977, p. 346-349.

[53] Galesloot 1865,  p. 213 en 291.

[54] Frusch 1967, p. 33.

[55] ARAB, Leenhof van Brabant nr. 2 fol. 92r; ARAB, Leenhof van Brabant nr. 4 fol. 316r; ARAB, Rk nr. 568 fol. 17v; ARAB, Rk nr. 51061 fol. 7r.

[56] Een transcriptie ervan is gepubliceerd door Werner Freiherr von Negri, 'Die Laten von Ehrenstein im Jahre 1396', ZAGV, jrg. 1935, p. 194-199. - Een facsimile van een gedeelte van deze rol is gepubliceerd in Reuters (1981/82), p. 58 e.v. – Zie bijlage 2 (p. 60).

[57] ARAB, Rolrekening nr. 2978, aangehaald door L. Augustus, ‘Bij een plattegrond van Oud-Ehrenstein uit de 17e eeuw,’ Uit Kerkrade’s Verleden, Kerkrade 1967, voetnoot 6 op p. 71; ook aangehaald in: Augustus 1976.

[58] zie: De Blécourt 1967; vergelijk ook: Janssen de Limpens 1977, p. 416.

[59] Augustus 1976, p. 51-60.

[60] ARAB, Leenhof van Brabant nr. 2 fol. 90v.; ARAB, Leenhof van Brabant nr. 4 fol. 313r.

[61] zie: ARAB, Rk nr. 45154 fol. 18v; ARAB, Leenhof van Brabant nr. 5492 fol. 2r; ARAB, Rk nr. 574 fol. 11r; ARAB, Rk nr. 45155 fol. 26r; en ARAB, Rk nr. 45156 fol. 13v.

[62] Augustus 1976, p. 51-60.

[63] ARAB, Rk 27155 fol 24.

[64] Hanssen 1912, p. 101.

[65] ARAB, Rk 27155 fol. 14 en 24; ARAB Rk 2436 fol. 160-162.

[66] ARAB, Rk 2437, fol 19 en 22.

[67] Een transcriptie ervan is gepubliceerd door von Negri 1935, p. 194-199. - Een facsimile van een gedeelte van deze rol is gepubliceerd in Reuters (1981/82), p. 58 e.v. – Zie bijlage 2 (p. 60).

[68] een bezeten laat is iemand wiens laatgoed erfelijk is.

[69] tijnshoen = een hoen dat als "tijns" (pacht) opgebracht wordt.

[70] kapoen = gesneden, d.w.z. niet meer mannelijke haan.

[71] paasbrood = wittebrood.

[72] 1 kwart = ¼ kan = 2,45 liter.

[73] von Negri 1935, p. 192.

[74] idem.

[75] zie o.a. Kartenaufnahme der Rheinlande durch Tranchot und von Müffling 1803-1820, blad 76, Herzogenrath. Dit blad werd in 1805 getekend door Ing. Charier. Publicationen der Gesellschaft für Rheinische Geschichtskunde, XII-2.Abteilung - Neue Folge. Uitgave 1968. (z.g. Tranchot-kaart).

[76] Mr. G.D. Franquinet, Beredeneerde inventaris der oorkonden en bescheiden van de abdij Kloosterrade, Maastricht 1869, p. 105-106.

[77] ARAB, Leenhof van Brabant nr. 5492, fol. 2.

[78] ARAB, Rk 575, fol. 11.

[79] Onder “harnas” werd hier vroeger verstaan”lange lansen, hellebaarden, lange degens, grote messen en bogen. Zie: Janssen de Limpens 1977, p. 23 (Rechtsbron A3, Oude costumen van stad en hertogdom Limburg uit 1475, artikel nr. 73).

[80] ARAB, Rk 575, fol. 10.

[81] L. Augustus. “De familie Spies zu Ehrenstein en het pandheerschap over Kerkrade 1564-1689”, Uit Kerkrade’s verleden. Kerkrade 1967, p. 43.

[82] ARAB, Rk 576, fol. 12r en 12v.

[83] ARAB, Leenhof van Brabant nr. 4 fol. 315v-316r.; Augustus 1967, p. 44-45.

[84] Augustus 1967, p. 43.

[85] RAL, LvO 2205, fol. 47, aangehaald door Augustus 1967, p. 44.

[86] Haus Hall, Akte 12 en Oorkonde 177, aangehaald door Augustus 1967, p. 44-45.

[87] Augustus 1967, p. 46.

[88] ZAGV, jrg. 1 (1951), p. 43, aangehaald door Augustus 1967, p. 47.

[89] Haus Hall, oorkonde 189, aangehaald door Augustuas 1967, p. 48.

[90] RAL, LvO 2212 fol. 18, aangehaald door Augustus 1967, p. 49.

[91] Haus Hall, oorkonde 208, aangehaald door Augustus 1967, p. 52.

[92] RAL, LvO 2281, aangehaald door Augustus 1967, p. 59-60. Ook: Kloosterrade, hs 26, p. 708.

[93] Franquinet 1869, p. 106.

[94] Idem.

[95] Idem.

[96] Kloosterrade, hs 10, p. 741.

[97] Idem.

[98] Franquinet 1869, voetnoot 6 op p. 106-107.

[99] Kloosterrade hs 10, p. 742.

[100] zie gezinskaarten nos. 4079 en 4080, aanwezig bij de stichting Fontes Rodenses te kerkrade.

[101] Kloosterrade, hs 10, p. 743.

[102] RAL, Aanwinsten 1939, Abdij Kloosterrade, Diarium van Kloosterrade, onder 16 maart 1745, aangehaald door Augustus, ‘Kasteel Erenstein te Kerkrade en zijn bewoners in de 18e eeuw,’ De Maasgouw jrg. 96 (1977), afl. 5, kolom 136.

[103] Archief St. Lambertusparochie te Kerkrade, parochianenregisters nos. A 41 en A 43.

[104] RAL, LvO nr. 2451.

[105] ARAB, Leenhof van Brabant nr. 4 fo1. 315v.

[106] Augustus 1976, p. 51-60.

[107] Frusch 1967, p. 36.

[108] Franquinet 1869, p. 27.

ċ
Nico Moonen,
19 sep. 2013 13:51
ċ
Nico Moonen,
19 sep. 2013 13:51
ċ
Nico Moonen,
19 sep. 2013 13:52
ċ
Nico Moonen,
19 sep. 2013 13:52
ĉ
Nico Moonen,
19 sep. 2013 13:44