Leen- laat- en cijnsgoederen


Al in de 8e eeuw werd grond in leen gegeven. De leenman was in het bijzonder verplicht tot gewapende dienst (= dienst met paard en 'harnas').1 Die leenmannen behoorden tot de hoge adel en geestelijkheid (markgraven, graven, hertogen en bisschoppen). Op hun beurt gaven de leenmannen vaak gedeeltes van wat zij in leen ontvangen hadden in leen uit. Zij werden dan op hun beurt leenheer. Zo kreeg men dus lenen en achterlenen, leenmannen en achterleenmannen.2

De delen van lenen die weer in leen uitgegeven werden, noemde men achterlenen of "cloppel-leen", "verspleten leen" of "splissleen". Deze lenen waren in bezit van kleine boeren of "huysluyde".3 Wat van het hoofd- of "principael"-leen overbleef, werd stokleen genoemd. Zo'n stokleen of stamgoed was (meestal) in handen van een bepaalde familie.4

Het leengoed was enerzijds een beloning voor bewezen diensten, anderzijds stelde de opbrengst van het land de leenman (vazal) in staat om met paard en wapenrusting de koning (leenheer) te dienen. Een vazal kon eigen grond hebben (allodium) en leengrond (beneficium). De leenman had de volle beschikking over zijn leen. Hij mocht een ontvangen leen in achterleen geven. De lenen zijn erfelijk geworden.

Het leen dat iemand ontving ter verdediging van een versterkte plaats, heette "borchleen" (burchtleen).


Leen was een zakelijk recht. De leenman (vazal) hoefde geen cijns te betalen. Maar hij was verplicht tot het doen van hulde en manschap. Dit betekent belofte van trouw en hulp. Deze belofte legde de leenman af in handen van de leenheer of van diens plaatsvervanger (stadhouder) als hij het leen verhief. Bij het verheffen (ontvangen) van het leen en het doen van hulde en manschap betaalde de leenman de hofrechten en heergewaden (hergeweide). Hofrechten zijn gelden die men griffierechten zou kunnen noemen. Met heergewaden is de krijgsuitrusting bedoeld. Aanvankelijk werden zij in natura gegeven. Op den duur werden zij vervangen door geld. Het leen werd niet alleen verheven als het voor het eerst in leen gegeven werd. Maar ook bij elke overgang van het leen op een andere leenman moest telkens opnieuw het leen verheven worden. Dan moest ook weer hulde en manschap gedaan worden en moesten de hofrechten en heergewaden betaald worden.5

In de Frankische tijd moest bij oorlog iedere vrije onderdaan dienen en zijn eigen uitrusting betalen. Door de talrijke oorlogen bracht dit velen tot armoede. Zij stonden dan hun grond af aan een heer, waarna ze als pachters op hun vroegere bezit bleven werken. Vaak werden zij zelfs horigen. Zo kreeg een aanzienlijk heer naast zijn lijfeigenen vaak veel horige pachters op zijn bezit. Die horige pachters (laten) werden door hem onderhouden en bewapend. Dit bracht grote kosten met zich mee en die heren kregen daarom stukken land in leen voor de tijd van hun leven. Over de opbrengst ervan konden zij vrij beschikken. Soms werden ook ambten of tollen waaraan hoge inkomsten verbonden waren, in leen gegeven. Na de dood van Karel de Grote verzwakte het rijk door burgeroorlogen. De positie van de leenmannen werd zó machtig dat zij zich als onafhankelijke vorsten gedroegen. Onder de burgeroorlogen en plundertochten leden het meest de kleine boeren. Zij moesten bescherming zoeken bij een naburig machtig heer. En weer verminderde het aantal gewone vrije mensen.

Horigen of laten behoorden tot een stand die tussen de vrijen en de slaven in lag. De horige was in economisch opzicht afhankelijk van de hofheer. De laat was bevoegd tot gebruik van het laatgoed. In beginsel was een laat gebonden aan de grond. Hij mocht oorspronkelijk zijn laatgoed niet verlaten. De houder van een laatgoed had het nuttig gebruik en de eigenaar het naakte bezit van een laatgoed. De laat had op het goed een zakelijk recht van gebruik. Dit recht had hij aanvankelijk alleen voor het leven. Het werd tenslotte een soort erfrecht. Zo'n erfpachter werd een bezeten laat genoemd. De laat werd van horige tot pachter. Jaarlijks moest hij een bepaalde cijns betalen. Als regel gold dat de laat (pachter) de eigendom had van datgene wat op de grond gebouwd werd. Het huis dat door de grondgebruiker gebouwd was, behoorde hem toe.6 Op de laatgoederen ontstonden dus de eerste buurtschappen.

Bij dood van de laat mocht de landheer (grondeigenaar) het beste stuk vee uit de nalatenschap kiezen ("keuren"). Dit noemde men een keurmede.7 Zo'n keurmede was bij sommige goederen te Kerkrade een paard, bij andere een koe. Later werd de keurmede in natura vervangen door een geldelijk bedrag. Ook de cijns, oorspronkelijk in natura, werd later in geld uitbetaald.

Ook vrouwen worden als laat vermeld. De laten waren niet altijd mannen.


Het systeem van laatgoed heeft als agrarisch systeem nuttig gewerkt. Op den duur heeft het meer tot bescherming dan tot onderdrukking van de horigen (laten) bijgedragen.8


Alle rechtskwesties betreffende de lenen moesten gebracht worden voor het leenhof van Rode te 's-Hertogenrade. De abdij Kloosterrade bezat een eigen leenhof.


Kwesties betreffende cijns- en laatgoederen werden behandeld voor het hof van de schepenbank Kerkrade wat betreft de goederen van de heer, en voor het laathof van Kloosterrade, voor wat betreft de goederen van de abdij.

Er deed zich oudtijds het verschijnsel voor dat niet elk laatgoed als zodanig is aangegeven. Veel laatgoederen zijn te vinden onder de naam 'leen'. Voor een laatgoed was een keurmede verschuldigd bij dood van de laat, en ook moest jaarlijks een cijns betaald worden. Leengoed was vrij van die verplichtingen. In de 17e eeuw komt laatgoed ook voor onder de naam 'keurmedegoed'. Aan cijns en keurmede kan men dus zien dat een laatgoed bedoeld is als in oude stukken de naam 'leen' gebruikt is.

Behalve leenmannen en laten kende men ook pachters. Meestal moest jaarlijks de helft van de opbrengst aan de eigenaar betaald worden als pachtsom. Daarom heet zo'n pachter ook wel: halfwin. Dit systeem komt o.a. nog voor in Latijns Amerika. De pachter moet er zelf het zaad kopen en zelf eventuele hulpkrachten (bij oogst bijv.) betalen. In feite krijgt hij dus veel minder dan de helft. De kosten zijn immers ook voor zijn rekening.

Als regel gold dat de huurder (pachter) de eigendom had van de opstal, het op de grond gebouwde. Het huis dat door de grondgebruiker gezet was, behoorde hem volgens deze regel toe. Bij het einde van de huur (of pacht) moest dit huis aan de grondgebruiker vergoed worden. De verhuurder moest het tegen taxatie overnemen. Als de grond aan een ander verhuurd werd, dan werd het erop gebouwde huis aan de nieuwe huurder verkocht. Dit gaf aanleiding tot allerlei moeilijkheden. De eigenaar gaf er dan veelal de voorkeur aan om de huurder die hij had in de huur te handhaven. De huur (pacht) werd aangegaan voor meerdere jaren.

Behalve gewone pacht had men nog erfpacht, dit is een erfelijke pacht. De erfpachter betaalde aan de grondeigenaar een jaarlijks bedrag. Erfpacht is een pacht waarvan de duur niet aan het leven van de pachter verbonden is, maar erfelijk is.


Een cijns is een vergoeding die door de landgebruiker betaald wordt aan de landeigenaar. Cijnsgoederen zijn dus goederen waarvoor een bepaalde cijns, een bepaalde vergoeding verschuldigd was.

De “ophelder” of “aufhalter” van een goed was degene die dat goed ontving voor zichzelf en anderen. Hij inde de cijns en gaf die dan samen met de door hemzelf verschuldigde cijns aan de landsheer.



Wij vinden hier na 1300 de volgende soorten goederen:

1. leengoed;

2. laatgoed (keurmedegoed);

3. cijnsgoed;

4. pachthoeves;

5. pachtmolens.


In Kerkrade is maar één gebied bekend dat vrij was van alle rechten en plichten. Het was het Loosbos. Dit bos, gedeeltelijk gelegen in Eygelshoven, dankt zijn naam aan het feit dat het "loos ende vrij" was.



De laat- en cijnsgoederen hadden bijna allemaal de naam “hoeve”. Met hoeve werd vroeger niet altijd een boerderij bedoeld. Men duidde er ook vaak alleen een stuk land mee aan. De oorspronkelijke betekenis van “hoeve” of “hof” is een stuk land van 60 morgen. Later verzwakte de betekenis ervan. Er werd toen alleen een stuk land mee bedoeld. Soms is zowel het land als ook een huis ermee aangegeven. Hoeve betekent dus ofwel een stuk land ofwel een stuk land plus huis (boerderijtje). Of met de aanduiding “hoeve” bij de laatgoederen steeds een huis (boerderij) plus land bedoeld is, is niet zeker. Weliswaar is bij elk laatgoed een huis vermeld, maar dat betekent niet dat met dat huis een boerderijtje bedoeld is. Er kan een gewoon woonhuis mee zijn aangegeven. Verder is het huis niet steeds gelegen bij de “hoeve” [= het land]. Zo lag het huis van de “Kuypenbinder” in Kerkrade-Kom, terwijl het land [= de hoeve] gelegen was in de buurt van Nulland.


naar volgende pagina

1 Onder "harnas" werd hier vroeger verstaan: lange lansen, hellebaarden, lange degens, grote messen en bogen. Zie: Mr. K.J.Th. Janssen de Limpens, Rechtsbronnen van het hertogdom Limburg en de landen van Overmaze, Bussum 1977, blz. 23, rechtsbron A.3, art. nr. 73.

2 Nijhofs Geschiedenislexicon Nederland-België, ’s-Gravenhage 1981. Zie ook: Mr. A.S. De Blécourt, Kort begrip van het Oud-Vaderlands burgerlijk recht, 7e dr., bewerkt door Mr. H.F.W.D. Fischer, Groningen 1967, blz. 207-208.

3 Algemeen Rijksarchief van België (ARAB), Leenhof van Brabant nr. 5492, fol. 1v en 4v, en nr. 5493 fol. 1r.

4 Middelnederlandsch Handwoordenboek, bewerkt door J. Verdam, 's-Gravenhage 1932.

5 De Blécourt 1967, p. 209.

6 De Blécourt 1967, p. 107, 110, 181-182. -Vergelijk ook: Janssen de Limpens 1977, p. 36, Rechtsbron Nr. A3, art. 111.

7 De Blécourt 1967, p. 28, 51, 199, 207. - Zie ook: Prof.Mr. B.H.K. Hermesdorf, ‘Uit het Rechtsleven tussen Jeker en Niers’, in: Limburg's Verleden I, Maastricht 1960, p. 249-364. Zie eventueel ook: Mr. K.J.Th. Janssen de Limpens, Leen- en laathoven in de Maaslandse Territoria vóór 1795, Maastricht 1974.

8 De Blécourt 1967, p. 28.