Een inleiding over het Bahá'í Geloof
door Prof. Dr. F. Kazemzadeh120

Het Bahá'í Geloof is een godsdienst die werd gesticht door Mírzá Husayn-`Alí (1817-1892), bekend als Bahá'u'lláh, de Heerlijkheid des heren. Het woord bahá'í komt van Bahá (glorie, heerlijkheid) en duidt een volgeling van Bahá'u'lláh aan.

Het geloof vindt zijn oorsprong in de Bábí godsdienst, in 1844 gesticht door Mírzá `Alí-Mohammed uit Shíráz, bekend als de Báb.

Het Bábí geloof legde de nadruk op de komende verschijning van "Heem die God zal openbaren", een nieuwe profeet of boodschapper van God. Het Bábi geloof was op zijn beurt voortgekomen uit de Shí‘ah Islám die gelooft in de komende wederkomst van de Twaalfde Imám (opvolger van Mohammed), die de godsdienst zou vernieuwen en de gelovigen zou leiden. Deze Messiaanse gedachte vormde de grondslag van de Shaykhí school, die zo genoemd werd naar Shaykh Ahmad-í-Absá'í.

Hij en zijn opvolger, Siyyid Kázim-í-Rashtí, stapten van de traditionele, letterlijke uitleg af en gaven allegorische uitleg aan leerstellingen zoals de opstanding uit het graf, het laatste oordeel en de terugkeer van de Twaalfde Imám. Zij en hun volgelingen, bekend staand als Shaykhí's, kwamen ertoe de verschijning van de Qá'ím ("Hij Die zal opstaan", de Twaalfde Imám) in de nabije toekomst te verwachten.

Op 23 mei 1844 verkondigde in Shíráz, Irán, een jonge afstammeling van Mohammed Siyyid `Alí-Mohammed, aan een van de Shaykhí geleerden, Mullá Husayn-i-Bushrú'í, dat Hij de verwachte Qá'ím was. Mullá Husayn werd de eerste discipel van Siyyid `Alí-Mohammed Die de titel van Báb aannam, de Poort of Weg van genade naar een wezen dat nog onttrokken was aan het oog van de mensheid.

De leringen van de Báb, waarvan de belangrijkste was: de tijding van de komst van "Hem die God zal openbaren", verbreidden zich spoedig over geheel Perzië en wekten hevige tegenstand op van de geestelijkheid en regering. De Báb werd in hechtenis genomen en, na verscheidene jaren van opsluiting, ter dood veroordeeld. In 1850 werd Hij naar Tabríz gebracht waar Hij op een plein met touwen aan een muur werd vastgebonden. Een eenheid van een paar honderd soldaten vuurde een salvo op Hem af. Toen de rook optrok, zag de menigte die zich op de plaats van de executie verdrong, dat de touwen kapot geschoten waren, maar dat de Báb was verdwenen. Men vond Hem ongedeerd in een aangrenzend gebouw, waar Hij zich rustig onderhield met een discipel. De executie werd herhaald; deze keer met het beoogde succes. Er vond daarna op grote schaal vervolging van de Bábí's plaats, waardoor uiteindelijk meer dan 20.000 mensen hun leven verloren.

Geschiedenis en verbreiding

Bahá'u'lláh, Die één van de eerste discipelen van de Báb was, werd gearresteerd in verband met een mislukte aanslag op het leven van de Shah van Perzië, Násiri'd-Dín, in augustus 1852. Die aanslag werd uitgevoerd door twee Bábí's die hun meester wilden wreken.

Ofschoon Bahá'u'lláh van het complot niet op de hoogte was, wierp men hem in de z.g. Zwarte Put, een beruchte kerker in Tihrán. Daar werd Hij Zich bewust van Zijn roeping als boodschapper van God. Hij werd vrijgelaten in 1853 en verbannen naar Baghdád.

Onder het leiderschap van Bahá'u'lláh leefde daar de Bábí gemeenschap weer op. De verontruste Perzische regering drong er bij de ottomaanse regering op aan om zowel Bahá'u'lláh als zijn groeiend aantal volgelingen verder van de grens met Perzië te verwijderen.

Voordat Hij naar Constantinopel werd overgebracht, vertoefde Bahá'u'lláh gedurende twaalf dagen in een tuin buiten Baghdád waar Hij in april 1863 aan een klein aantal Bábí's verkondigde dat Hij de boodschapper van God was, wiens komst door de Báb was aangekondigd.

Van Constantinopel, waar Bahá'u'lláh ongeveer vier maanden doorbracht, werd Hij naar Adrianopel gezonden. Daar proclameerde Hij in het openbaar Zijn roeping in zendbrieven ("tafels"), gericht aan de heersers van Perzië, Turkije, Rusland, Pruisen, Oostenrijk en Groot-Brittannië, evenals aan de Paus en aan de gezamenlijke christelijke en islamitische geestelijkheid.

Een overstelpende meerderheid van de Bábí's erkende Bahá'u'lláh's aanspraak en stond van die tijd af bekend als Bahá'ís. Een kleine minderheid volgde de halfbroer van Bahá'u'lláh, Mírzá Yahyá Subh-i-Azál, en veroorzaakte daardoor een tijdelijke breuk in de gelederen van de Bábí's. Verbitterd door zijn mislukking, wist hij, geholpen door medestanders, de Turkse regering ertoe te bewegen Bahá'u'lláh naar `Akká (Akko) in Palestina te verbannen. Hij werd echter ook zelf het slachtoffer van zijn intriges en verbannen naar het eiland Cyprus.

Gedurende bijna twee jaar werden Bahá'u'lláh, Zijn familie en een aantal volgelingen opgesloten in de citadel van `Akká, die als gevangenis diende. Een van Zijn zonen en verscheidene metgezellen stierven. Toen er enige verlichting in Zijn staat van hechtenis kwam, werd het Bahá'u'lláh toegestaan om in een huis binnen de muren van `Akká te verblijven, en later buiten de stad.

Nog voor het einde van zijn leven, in 1892, zag Bahá'u'lláh Zijn religie al buiten Perzië en het Ottomaanse Rijk verbreid, tot in de Russische Kaukasus, Turkestan, India, Birma, Egypte en de Soedan toe.

Bahá'u'lláh benoemde Zijn oudste zoon, `Abdu'l-Bahá, Dienaar van Bahá (1844-1921), tot leider van de Bahá'í gemeenschap en gezaghebbend vertolker van Zijn leringen. `Abdu'l-Bahá bestuurde de zaken van de beweging vanuit Palestina en nam ook actief deel aan de verbreiding van het geloof door van 1910 tot 1913 reizen te ondernemen naar Afrika, Europa en Amerika. `Abdu'l-Bahá benoemde zijn oudste kleinzoon, Shoghi Effendi Rabbani (1896-1957) tot zijn opvolger, tot Behoeder van de Zaak en gezaghebbend vertolker van de leringen van Bahá'u'lláh, en verzekerde op deze wijze de eenheid onder de gelovigen.

Tijdens de ambtstijd van `Abdu'l-Bahá werden er Bahá'í groepen gevestigd in Noord-Afrika, het Verre Oosten, Australië, de Verenigde Staten en in Europa. Sindsdien heeft de weging zich tot praktisch elk land in de wereld verbreid, met in het bijzonder grote en bloeiende gemeenschappen in Irán, India, de verenigde Staten en in bepaalde gebieden van Zuidoost-Azië en de Stille Oceaan. Er zijn geen officiële statistieken van het ledenaantal van de gehele Bahá'í gemeenschap beschikbaar. In 1979 echter woonden er Bahá'ís in meer dan 100.000 plaatsen over de gehele wereld, met meer dan 125 Nationale geestelijke Raden (nationale bestuurslichamen) en meer dan 20.000 Plaatselijke Geestelijke Raden.

Heilige Geschriften

De Bahá'í Geschriften omvatten het gehele verzamelwerk van de Báb en Bahá'u'lláh en de kommentaren en amplifikaties door `Abdu'l-Bahá en Shoghi Effendi. De geschreven nalatenschap van Bahá'u'lláh van meer dan 100 werken omvat de Kitáb-i-Aqdas, Het Heiligste Boek, het repositorium van Zijn wetten; de Kitáb-i-Iqán, Het Boek van Zekerheid, een ontvouwing van belangrijke leringen aangaande het wezen van God en van religie; De Verborgen Woorden, korte meditaties ter verheffing van de ziel en de ter rechtzetting van het gedrag van de mens; De Zeven Valleien, een mystieke verhandeling over de zeven stadia die de zoekende ziel moet doormaken eer zij het einddoel van haar bestaan bereikt; Epistle to the Son of the Wolf, Zijn laatste grote werk; verder talrijke gebeden, meditaties, vermaanbrieven en zendschrijvens.

De Bahá'ís geloven dat de geschriften van Bahá'u'lláh zijn geïnspireerd en Gods openbaring voor dit tijdperk vormen.

Religieuze en maatschappelijke leerstellingen

Bahá'u'lláh leert ons dat God onkenbaar is en iedere menselijke eigenschap, zoals lichamelijk bestaan, opstijgen, en neerdalen, vooruitgang en teruggang te boven gaat. Geen rechtstreekse band kan Hem op enigerlei wijze met Zijn schepping verbinden.

Geen teken kan Zijn aanwezigheid of afwezigheid aanduiden. Maar het menselijk onvermogen om het goddelijk Wezen te kunnen begrijpen leidt niet tot het onvermogen om God te kennen, daar God verkozen heeft Zichzelf te openbaren door Zijn boodschappers, onder wie Abraham, Mozes, Zoroaster, de Boeddha Gautama, Jezus Christus, Mohammed en de Báb, die alle de vertolkers zijn van hem die de binnenste kern van het heelal is. De Boodschappers, in het Bahá'í woordgebruik "Manifestaties", worden in het bezit gezien van een tweevoudige staat, een tweedelig bestaan. De eerste staat is die van louter geest en eenheid in wezen met God, waardoor men kan spreken van de eenheid van de Boodschappers van God; zij zijn immers allen de manifestaties van Zijn wil, en de vertolkers van Zijn woord. Dit leidt niet tot versmelting (syncretisme), daar de andere staat die van verscheidenheid is. Dienaangaande bezit iedere Manifestatie van God een onderscheiden individualiteit, een specifieke Zending. Terwijl dus het wezen van alle religies één is, vertonen zij kenmerkende trekken die in verband staan met de noden van bepaalde tijden en plaatsen en met het peil van de beschaving waarin een manifestatie verschijnt. Daar religieuze waarheid als betrekkelijk, openbaring als voortschrijdend en vóórtdurend worden beschouwd, gaan de bahá'ís ervan uit dat ook in de toekomst Manifestaties zullen verschijnen; volgens Bahá'u'lláh echter niet voordat een volle duizend jaar verstreken zijn na zijn eigen Openbaring.

Volgens de Bahá'í leringen is God de Schepper en is Hij dat altijd geweest; daarom is er nooit een toestand geweest waarin de schepping niet heeft bestaan. De mens werd geschapen uit Gods Liefde: "Verborgen in Mijn onheuglijk bestaan en in de aloude eeuwigheid van Mijn wezen wist Ik, dat Ik u liefhad; daarom schiep Ik u." Het doel van het menselijk bestaan is, zoals Bahá'u'lláh leert, God te kennen en te eren en een in elk opzicht voortschrijdende beschaving te bevorderen.

De mens, die door Bahá'u'lláh "het meest edele en volmaakte schepsel" wordt genoemd, is begiftigd met een onsterfelijke ziel, die na scheiding van het lichaam een nieuwe aard van bestaan begint.

Hemel en hel zijn symbolen voor de relatie van de ziel tot God. Nabijheid tot God leidt tot goede daden en schenkt oneindige vreugde terwijl het afstand nemen van God naar kwaad en lijden voert. Terwille van zijn verheven bestemming moet de mens de Boodschapper Gods erkennen binnen wiens machtsbereik hij leeft, en elke verordening naleven "van hem die het verlangen der wereld is". Deze dubbele verplichting is onscheidbaar.

Bahá'u'lláh leert, dat de beschaving zich tot een punt heeft ontwikkeld waarop eenheid van de mensheid de doorslaggevende vereiste is. In de woorden van Shoghi Effendi:

"Het bahá'í Geloof verkondigt de noodzaak en de onafwendbaarheid van de eenwording der mensheid, verklaart dat deze geleidelijk naderkomt en maakt er aanspraak op dat slechts de herscheppende geest van God, die werkzaam is bij monde van Zijn uitverkoren Woordvoerder, er uiteindelijk in zal slagen dit tot stand te brengen. Het legt bovendien aan zijn volgelingen de plicht op voortdurend naar de waarheid te zoeken, verwerpt alle vormen van vooroordeel en bijgeloof, verklaart dat religie tot doel heeft vriendschap en kameraadschap te bevorderen, verkondigt het onontbeerlijke samengaan van religie en wetenschap en erkent dat dit het voornaamste middel vormt voor een vreedzame en ordelijke vooruitgang van de menselijke samenleving. Het houdt vast aan het onwrikbare beginsel van gelijke rechten, kansen en voorrechten voor mannen en vrouwen, dringt aan op verplicht onderwijs, schakelt uiterste van armoede en rijkdom uit, heft de instelling van het priesterschap op, verbiedt slavernij, ascetisme, bedelarij en het kloosterwezen, schrijft monogamie voor, ontraadt echtscheiding, legt de nadruk op de noodzaak van gehoorzaamheid aan de regering, verheft ieder werk dat tot stand komt in een geest van dienstbaarheid tot het niveau van aanbidding, dringt aan op de schepping dan wel keuze van een internationale hulptaal en geeft het grondpatroon voor de instellingen die de algemene vrede van de mensheid moeten grondvesten en handhaven."

Gemeenschapsleven

Het lidmaatschep van de Bahá'í gemeenschap staat open voor ieder die geloof betuigt in Bahá'u'lláh, en Zijn leringen aanvaardt. Er zijn geen inwijdingsriten, geen sacramenten, en er is geen geestelijke stand. Een bahá'í is echter geestelijk gehouden om dagelijks te bidden; negentien dagen per jaar te vasten, d.w.z. tussen zonsopgang en zonsondergang niet te eten en te drinken; zich volledig te onthouden van verdovende middelen, alcohol of andere stoffen die de geest aantasten tenzij op medisch advies; monogaam te leven; toestemming van de wederzijdse ouders te verkrijgen voor het aangaan van een huwelijk; op de eerste dag van elke maand van de bahá'í kalender het Negentiendaagsfeest bij te wonen.

Het Negentiendaagsfeest, oorspronkelijk ingesteld door de Báb, brengt de bahá'ís per plaats tezamen voor gebed en schriftlezing, het bespreken van gemeenschappelijke zaken en het genoegen van elkaars gezelschap. De Feesten zijn bedoeld om algehele deelname aan het gemeenschapsleven te verzekeren en de geest van broederschap en eensgezindheid aan te kweken. Uiteindelijk zullen de bahá'ís in iedere plaats een Huis van aanbidding oprichten, met in verband daarmee: een bejaardentehuis, een gezinsvervangend tehuis, een onderwijsinstelling en een verpleegtehuis. In de zeventiger jaren bestonden dergelijke Bahá'í tempels in Wilmette (USA). Langenhain bij Frankfurt (Duitsland), Kampala (Oeganda), Sydney (Australië) en Panama. (Noot v.d. vert.: de tempels van New Delhi en West Samoa, d.w.z. Azië en Oceanië waren in 1979 in aanbouw.) In Bahá'í godshuizen wordt niet gepreekt; de diensten kunnen bestaan uit schriftlezingen uit de heilige boeken van alle godsdiensten.

De Bahá'ís bedienen zich van een kalender die door de Báb werd ingesteld en door Bahá'u'lláh werd bevestigd. Het jaar is verdeeld in 19 maanden van ieder 19 dagen, met een toevoeging van de 4 schrikkeldagen (c.q. 5 in een schrikkeljaar). Het jaar begint op de eerste dag van de lente, 21 maart, één van de negen heilige dagen. Andere heilige dagen waarop niet gearbeid mag worden, zijn de dagen waarop de Verkondiging van de Zending van Bahá'u'lláh wordt herdacht (21 april, 29 april en 2 mei); de dag van de Verkondiging van de Zending van de Báb (23 mei); de geboorte van Bahá'u'lláh (12 november); de geboorte van de Báb (20 oktober); het heengaan van Bahá'u'lláh (29 mei); en de marteldood van de Báb (9 juli).

Organisatie en bestuur

De Bahá'í gemeenschap wordt bestuurd volgens de grondbeginselen die door Bahá'u'lláh verkondigd werden, en door de instellingen die door Hem in het leven geroepen en door `Abdu'l-Bahá verder ontwikkeld en ontplooid werden. Deze beginselen en instellingen vormen het Bahá'í bestuursstelsel. De Bahá'ís geloven dat dit stelsel een blauwdruk is voor de toekomstige wereldorde.

Het bestuur van de Bahá'í gemeenschap begint op het plaatselijk vlak met de verkiezing van een Plaatselijke Geestelijke Raad. Het kiesstelsel staat geen partijen of groeperingen toe; kandidaatsstelling en het voeren van propaganda zijn niet geoorloofd. De Plaatselijke Geestelijke Raad is rechtsbevoegd in alle plaatselijke kwesties van de Bahá'í gemeenschap. Alle plaatselijke gemeenschappen kiezen eens per jaar gedelegeerden voor een nationale conventie, die een Nationale geestelijke Raad kiest, met landelijke rechtsbevoegdheid. Om de 5 jaar kiezen de leden van alle Nationale geestelijke Raden op een internationale conventie het hoogste bestuurslichaam: het Universele Huis van gerechtigheid.

Overeenkomstig de Geschriften van Bahá'u'lláh werkt het Universele Huis van gerechtigheid als het hoogste wetgevende, uitvoerende en justitiële lichaam van het Bahá'í gemenebest. Het doet uitspraken op basis van de wetten van Bahá'u'lláh en kan nieuwe wetten uitvaardigen in kwesties waarin de heilige Teksten niet voorzien. De zetel van het Universele Huis van gerechtigheid is Haifa, Israël, in de onmiddellijke nabijheid van de graftomben van de Báb en `Abdu'l-Bahá, en niet ver van de graftombe van Bahá'u'lláh in Bahjí bij Akko.

Het Bahá'í Geloof kent ook instellingen, bestaande uit benoemde personen, zoals De handen van de Zaak van God en Continentale Raadgevers. De eerstgenoemde instelling werd door Bahá'u'lláh in het leven geroepen en kreeg later door `Abdu'l-Bahá de taak toegewezen, het geloof te verbreiden en de gemeenschap te beschermen. De Handen van de Zaak die tijdens het leven van Shoghi Effendi door hem werden benoemd, dienen nu onder leiding van het Universele Huis van Gerechtigheid. De Continentale Raadgevers voeren dezelfde taken uit als de Handen van de Zaak, maar zijn door het Universele Huis van Gerechtigheid benoemd. Hulpraadsleden die door Raadgevers worden benoemd, en onder hun leiding dienen, staan hen bij met het adviseren, bezielen en bemoedigen van de Bahá'í instellingen en de individuele gelovigen.

Bron >>