Vredesmissie Libanon (1979-1985)

De Nederlandse bijdrage aan UNIFIL bestond in de periode 1979-1983 uit een bataljon (Dutchbatt) en daarna, tot en met 1985, uit een compagnie (Dutch Infantry Company, afgekort DIC).

De opleiding van het eerste bataljon voor uitzending in maart 1979.

Het formeren van het eerste bataljon.

Het eerste probleem dat moest worden opgelost (en welks oplossing heeft doorgewerkt in de opzet van de verschillende opleidingen), was de samenstelling van de eenheid die naar Libanon zou gaan vertrekken. Een pantserinfanteriebataljon bestond in 1979 uit verscheidene eenheden van diverse lichtingsploegen in verschillende fasen van hun opleidings- of parate tijd. Op het moment dat in januari 1979 werd bekendgemaakt dat 44 Pantserinfanteriebataljon zich gereed moest gaan maken voor uitzending was het bataljon samengesteld als aangegeven in onderstaande afbeelding.

Gearceerd: schoolperiode; de rest: parate periode.

Op de datum van uitzending, begin maart 1979, zou het bataljon beschikken over:

  • de A-Compagnie (A-Cie) en het A-Mortierpeloton (A-Mrpel) van de lichtingsploeg 78-4 die nog tot en met augustus 1979 in dienst zouden zijn;
  • de B-Compagnie (B-Cie) en het B-Mortierpeloton (B-Mrpel) van de lichtingsploeg 78-6 die net in maart 1979 paraat zouden worden en tot en met december 1979 in dienst zouden zijn;
  • het Antitankpeloton (Atpel) alsmede het Verkennerspeloton (Verkpel) van de lichtingsploeg 78-6, die ook in maart 1979 paraat zouden worden en eveneens tot en met december 1979 in dienst zouden zijn;
  • de Staf-, staf- en verzorgingscompagnie (Ssv-cie) bestaande uit personeel van de lichtingsploegen 78-1 tot en met 78-5 (niet in bovenstaande afbeelding opgenomen).

Op het moment van uitzending zouden er geen derde pantserinfanteriecompagnie en geen derde mortierpeloton aanwezig zijn. Deze eenheden zouden pas weer (als schooleenheden) opkomen in mei 1979. De pantserinfanteriecompagnieën, de mortierpelotons, het antitankpeloton en het verkennerspeloton worden aangeduid als ondas-eenheden (onderdeelsaanvullingssysteem), aangezien zij als geheel tot een lichtingsploeg behoren en als geheel opkomen en afzwaaien. De Staf-, staf- en verzorgingscompagnieën wisselt iedere twee maanden ongeveer een zesde van zijn personeel en wordt daarom aangeduid als indas-eenheid (individueel aanvullingssysteem).

De uitgangspunten voor uitzending, en ook voor de op te zetten opleidingen, waren (voor zover van belang voor het opleidingsaspect):

  • de eenheden die zouden worden uitgezonden moesten behalve voor hun VN-taak ook nog steeds (evenwel aangepast) worden opgeleid voor hun NAVO-taak bij ILk;
  • de schoolperiode (de eerste 4 maanden na opkomst) zou moeten blijven zoals ze was voor de andere eenheden van ILk en kon dus niet worden gebruikt voor de (aanvullende) VN-opleiding;
  • de normale diensttijd van 14 maanden (kader 16 maanden) mocht niet worden overschreden en de eenheden dienden dus weer in Nederland terug te zijn om op hun normale tijd met hun lichtingsploeg te kunnen afzwaaien.

Voor de situatie bij 44 Pantserinfanteriebataljon zou dat betekenen dat alleen de A-Compagnie en het A-Mortierpeloton konden worden uitgezonden na een aangepaste opleiding in de parate periode (januari en februari 1979). De B-Compagnie en het B-Mortierpeloton konden pas beginnen met hun voorbereiding na het paraat worden in maart 1979 en zouden dus niet met de eerste uitzending kunnen vertrekken. De oplossing werd gevonden in het combineren van de lichtingsploegen van 43 Pantserinfanteriebataljon (te Assen) en 44 Pantserinfanteriebataljon. Bij 43 Pantserinfanteriebataljon lag het lichtingsploegenschema iets anders dan bij 44 Pantserinfanteriebataljon (zie bovenstaande afbeelding), zodat daar op het moment van uitzending in maart 1979 twee pantserinfanteriecompagnieën en twee mortierpelotons paraat zouden zijn. De C-Compagnie en het C-Mortierpeloton zouden echter nog maar drie maanden in Libanon kunnen dienen wilden zij op tijd (juni 1979) in Nederland kunnen afzwaaien. De uiteindelijke oplossing was dat uit de lichtingsploegen van 43 en 44 Pantserinfanteriebataljon een bataljon zou worden samengesteld voor uitzending naar Libanon (44 Pantserinfanteriebataljon VN), bestaande uit:

  • twee pantserinfanteriecompagnieën;
  • twee mortierpelotons;
  • een antitankpeloton;
  • een verkennerspeloton;
  • een Staf-, staf- en verzorgingscompagnie.

In Nederland zouden de overige eenheden worden samengevoegd in een bataljon (43 Pantserinfanteriebataljon) in Assen dat de opleiding voor Libanon zou gaan verzorgen. Na de uitwisseling van de eenheden in januari 1979 tussen Zuidlaren en Assen was de situatie voor het uit te zenden bataljon als weergegeven in onderstaande afbeelding.

De situatie in januari 1979 bij het uit te zenden bataljon.

Het formeren van de Aanvullingsdetachementencompagnie.
Behalve de pantserinfanteriecompagnieën, de mortierpelotons, het antitankpeloton, het verkennerspeloton en de Staf-, staf- en verzorgingscompagnie kreeg 44 Pantserinfanteriebataljon ook nog een Aanvullingsdetachementencompagnie (Aanvdetcie) om het bataljon zelfstandig te maken, voor zover het niet zou kunnen terugvallen op logistieke en andere diensten van UNIFIL. Deze Aanvullingsdetachementencompagnie, die bij het bataljon al gauw de Delta-compagnie (D-Cie) werd genoemd, werd in januari 1979 in Zuidlaren geformeerd. In de D-Cie werd enerzijds extra personeel opgenomen voor de eenheden die het bataljon zelf reeds had, anderzijds verschenen daarin functionarissen en eenheden die bij een pantserinfanteriebataljon normaal niet voorkomen. Als voorbeeld van het eerste: extra personeel voor bevoorradingspeloton, onderhoudspeloton en geneeskundig peloton; als voorbeeld voor het tweede: de eigen brigade Koninklijke marechaussee, het geniepeloton, het herstelpeloton, de sportinstructeur, de tolken en de contra-inlichtingenploeg. De Aanvullingdetachementencompagnie was door haar samenstelling een indas-eenheid.

De opleiding van het eerste bataljon voor uitzending.

De tijd die tussen de bekendmaking van de uitzending op 12 januari 1979 en het vertrek nog overbleef moest worden besteed aan een aanvullende opleiding. Daarvoor waren nog zes weken beschikbaar (22 januari t/m 2 maart 1979). Het programma bestond uit vijf opleidingsblokken en een blok inschepingsverlof, nl.:

  • Pantserstorm;
  • Schayk;
  • Infanterieschietkamp; Artillerieschietkamp (ISK, ASK);
  • pelotonsopleiding;
  • algemene vorming (AV).

De ondas-eenheden (t.w. pantserinfanteriecompagnie, mortierpeloton, antitankpeloton, verkennerspeloton) zouden alle vijf blokken moeten gaan uitvoeren; de beide indas-eenheden (Ssvcie, Aanvdetcie) zouden grotendeels in hun organieke functie gaan werken en alleen de algemene vorming (AV) als aanvullende opleiding volgen.

De aangepaste oefening Pantserstorm.
Voor de aangepaste oefening Pantserstorm waren vijf dagen beschikbaar. Het Korps Commandotroepen (KCT) heeft daarvoor een speciaal programma opgesteld en het onder zijn leiding laten uitvoeren. Dit programma was enerzijds gericht op de fysieke vorming en anderzijds op het aanleren van technieken die men in Libanon dacht nodig te hebben. De onderwerpen in deze aangepaste oefening waren: marstraining met bepakking, gebruik van kaart en kompas, wacht en posten, patrouilles te voet, leggen en ruimen van hindernissen, lijfsbehoud, onderkennen van hinderlagen en de reactie erop, koken, bakken en braden, kappen en hakken, doorzoekprocedures van personen en voertuigen.

Het aangepaste programma Schayk.
Voor het aangepaste programma Schayk, dat werd opgezet en uitgevoerd onder leiding van instructeurs van het Genie-Opleidingscentrum (GOC), waren drie dagen beschikbaar. Op het oefenterrein in Schayk werden de volgende facetten behandeld: onderkennen van en behandelingen met mijnen, de mijndetector, prikkeldraadversperringen, gebruik van prikkelband, kennis van trotyl, slagpijpjes en ontstekers, boobytraps.

De schietopleiding ISK.
Voor de schietopleiding in het Infanterieschietkamp waren eveneens drie dagen beschikbaar; de mortierpelotons gingen nog een dag naar het Artillerieschietkamp om mortier te schieten. Iedereen schoot in ieder geval met zijn persoonlijke wapen (geweer Fal, pistoolmitrailleur Uzi of pistool) en wierp een of meer scherpe handgranaten. Door de organieke schutters en helpers werd geschoten met de groepswapens zoals de mitrailleur .50" en de tlv 84 mm. Bovendien werd waar mogelijk (gezien beschikbare tijd en munitie) ook door anderen met deze groepswapens geschoten en ook was er voor een aantal militairen gelegenheid een scherpe law af te vuren. De nabijgevechtsbaan en de gevechtsbaan waren zowel voor het personeel van de pantserinfanteriecompagnieën als dat van de pantserondersteuningscompagnie in het programma opgenomen. Voorts hebben de pelotons nog (hoewel in tijd zeer beperkt) in Oostdorp kunnen oefenen.

De pelotonsopleiding.
Onder de naam pelotonsopleiding werd een programma uitgevoerd onder leiding van het eigen kader in de kazerne te Zuidlaren en op de oefenterreinen in de buurt ervan. In dit programma, waarvoor drie dagen beschikbaar waren, waren de onderwerpen: de bereden patrouille, het bouwen van één- en tweemansputten, de techniek van het bouwen met zandzakken, inrichten van en dienst doen op een roadblock en verkeerssluis, waarnemen met infrarood- en dagkijkers, objectbeveiliging en escorteren.

De algemene vorming.
In de tijd die dan nog over was werden, onder leiding van het eigen kader, maar ook door een aantal specialisten, de lessen algemene vorming (AV) gegeven. Daarin werd aandacht besteed aan de zelfhulp/kameradenhulp, sport, waarbij o.a. het ongewapend gevecht (bv. ontwapenen, fouilleren, opbrenggrepen), marsen, nbc, krijgstucht, oorlogsrecht, voorlichting, verbindingen en materieelherkenning. Voor de chauffeurs en de voertuigcommandanten was er nog tijd om het rijden met de periscoop en gesloten luiken te beoefenen. De boordschutters leerden (hoewel zeer beperkt) als (hulp)chauffeur het voertuig over een kleine afstand te verplaatsen. Voor zover er nog tijd was kregen ook de andere leden van groepen en pelotons een opleiding op de groepswapens, met name op de mitrailleur .50".

De opleiding van de indas-eenheden.
Het was noodzakelijk dat het personeel van de Staf-, staf- en verzorgingscompagnie en van de Aanvullingsdetachsmentencompagnie zijn organieke functie uitoefende voor de voorbereiding van de uitzending van het bataljon. Intendance-, onderhouds- en herstelpersoneel, geneeskundig personeel waren bezig met resp. het vervangen van de uitrusting, het kleden van het uit te zenden personeel, het gereedmaken van de voertuigen, wapens en verbindingsmaterieel en het keuren, vaccineren en zo nodig saneren. Het personeel van de stafsecties had het druk met appellijsten, operatiebevelen en lijsten met mee te nemen materieel. Beide eenheden waren dus grotendeels in hun functie werkzaam. Voorts was er eigenlijk alleen nog tijd voor het volgen van de lessen AV. Chauffeurs, geneeskundig personeel en verzorgers die met de ondas-eenheden meegingen naar Pantserstorm, Schayk en ISK/ASK werden daar wel zoveel mogelijk in de gelegenheid gesteld het programma te volgen.

De opleiding van de aflossingen van Dutchbatt.

De opleiding van de aflossingen na maart 1979 was eveneens gebaseerd op de gegeven uitgangspunten en het tweemaandelijkse opkomstschema. Dit had tot gevolg dat een deel van de ondas-eenheden na de schoolperiode van 4 maanden een vervolgopleiding van eveneens 4 maanden onderging terwijl andere eenheden daarvoor slechts 2 maanden ter beschikking hadden. De eerstgenoemde eenheden deden ongeveer 5 maanden dienst in Libanon, de laatstgenoemde ongeveer 6,5 maand. De laatste maand van de diensttijd werd in Nederland doorgebracht en o.a. besteed aan verlof, uitkeuren enzovoorts.

De opleidingen van de ondas-eenheden.

Nadat 44 Pantserinfanteriebataljon in aangepaste samenstelling was vertrokken is 43 Pantserinfanteriebataljon in Assen weer gaan fungeren als opleidingsbataljon voor de aflossende ondas-eenheden, nl. de pantserinfanteriecompagnieën, de mortierpelotons, de antitankpelotons en de verkennerspelotons.

De opleiding van de ondas-eenheden bij 43 Pantserinfanteriebataljon.
Zoals eerder werd gesteld moesten de eenheden zowel voor de vervulling van hun NAVO-taak bij ILk als voor hun taak bij UNIFIL worden opgeleid. Het was onvermijdelijk dat de opleiding voor de NAVO-taak beperkter was dan bij de bataljons die niet naar Libanon gingen, en die een parate periode van 10 maanden hadden. In de syllabus van zowel de 2- als de 4-maandse opleiding werd dan ook gesteld dat als eindeisen moesten worden gezien dat in de opleidingsgang rekening was gehouden met:

  • het op de juiste wijze kunnen uitvoeren van de VN-vredestaken tot en met pelotonsniveau;
  • het kunnen optreden als eenheid binnen een painfbat bij oorlogstoestand.

Voor de pantserinfanteriecompagnie, het mortierpeloton, het antitankpeloton en het verkennerspeloton werd in diezelfde syllabus gesteld dat men moest komen tot de eindeisen zoals die golden voor de periode I van de VAOV-lLk, t.w. de drie maanden volgende op de schoolperiode. Het zal duidelijk zijn dat dit met een 2-maandse opleiding, waarin ook nog VN-opleidingen werden gegeven, nauwelijks mogelijk was. Zelfs voor de 4-maandse opleiding was het vaak niet mogelijk die eindeisen geheel te halen. De onderwerpen die in de voorbereiding van het bataljon voor vertrek in maart 1979 werden gegeven keerden weer terug in de syllabus voor de ondas-eenheden. Zij gingen deelnemen aan de algemene vorming, de aangepaste oefening Pantserstorm, de aangepaste oefening Schayk en aan een ISK-periode. Bij de onderdeelsvorming werd een blok VN-Opleiding van vier dagen ingevoegd. In het ISK werd als demonstratie geschoten met de mortier 2" en met de handfire rocket. De mortier 2" was, niet direct in 1979 maar enige tijd later, in Libanon in de bewapening opgenomen om daarmee lichtgranaten te verschieten en zo bij duisternis in het voorterrein patrouilles van een van de partijen te kunnen waarnemen. Ook de hand fire rocket, een soort lichtfakkel, die uit de hand werd verschoten, diende hetzelfde doel. Bovendien werd een demonstratie gegeven met de gasgranaat die vanaf het geweer Fal kan worden verschoten. Alle militairen deden schietervaring op met de mitrailleur MAG en de mitrailleur .50" en wierpen ten minste drie scherpe handgranaten. Ieder schoot behalve met zijn persoonlijke wapen ook met de Fal en de Uzi. De AV-lessen die de ondas-eenheden volgden waren grotendeels dezelfde als bij de andere eenheden van ILk, maar met een ander accent en soms met een iets andere invulling op bepaalde punten. De afwijkingen kwamen grotendeels neer op het volgende.

  • Bij de lessen krijgstucht/oorlogsrecht werd speciale aandacht besteed aan de geweldsinstructie zoals die gold voor UNIFIL. Ook de speciale aspecten van het oorlogsrecht die aan het optreden in VN-verband kunnen zijn verbonden kregen extra aandacht.
  • Er werden meer uren besteed aan voorlichting. Deze lessen werden gegeven door specialisten of — zeker nadat er wat militairen uit Libanon waren teruggekeerd — door militairen die reeds dienst hadden gedaan bij UNIFIL. De lessen gingen over land en volk van Libanon en organisatie en taak van UNIFIL en van Dutchbatt.
  • Bij de lessen lichamelijke oefening werd aandacht besteed aan het ongewapende gevecht. Het ontwapenen, het fouilleren en opbrenggrepen maakten deel uit van het programma; voorts werd gewerkt aan goede lichamelijke conditie en uithoudingsvermogen .
  • Ook de lessen verbindingen werden door iedereen gevolgd. Hier was de eis dat iedereen eenvoudige radioprocedures kon toepassen i.v.m. het doen van meldingen en dat iedereen met de veldtelefoon kon omgaan.
  • Bij de lessen materieelherkenning lag uiteraard de nadruk op de voertuigtypen zoals die in Libanon voorkomen.

De VN-Opleiding besloeg 4 dagen en werd in de vorm van velddienst gegeven (de oefening WaakSaam). Zij bevatte de onderwerpen objectbewaking, afsluiten en doorzoeken van gebouwen, hindernissen, rapportages, veldversterkingen, patrouilles (zowel te voet als bereden), wachten en posten, inrichten van en dienst doen op roadblock en verkeerssluis, escorteren, ontwapenen, fouilleren en opbrengen van arrestanten.

De indas-opleidingen.

Nadat in maart 1979 het eerste bataljon naar Libanon was vertrokken werd bij 42 Painfbrig in Assen een compagnie opgericht die de opleiding van de indas'ers zou gaan verzorgen, t.w. 42 Administratieve en Instructiecompagnie (42 A&ICie). Deze zou tevens de taak krijgen al het terugkerende personeel op te vangen en af te handelen tot vertrek met groot verlof voor de dienstplichtigen of tot plaatsing bij een nieuw onderdeel voor het beroepspersoneel. Aangezien het dienstplichtige indas-personeel iedere twee maanden na de basisopleiding bij de opleidingsscholen bij 42 A&ICie binnenkwam moest de indas-opleiding in een 2-maandsprogramma passen (10 oefenweken).

De 10-weekse indas-opleiding.
Het indas-personeel bestemd voor de Staf-, stafen verzorgingscompagnie, de Aanvullingsdetachementencompagnie [na reorganisatie bij Dutchbatt per l juni 1979 is er sprake van een Staf- en Stafcompagnie (Ststcie) en een Verzorgingscompagnie (Vzgcie)], de compagniesstaf van de Pantserondersteuningscompagnie en voor de staf van UNIFIL werd opgeleid door zorg van 42 A&ICie. De inhoud van deze 10-weekse opleiding bestond uit een introductieprogramma van een week om iedereen op hetzelfde uitgangsniveau te krijgen en bekend te maken met de gewoontes op de kazerne in Assen (niet te vergeten dat de ondas'ers reeds gedurende 4 maanden schoolperiode op de kazerne aanwezig waren geweest). Na deze introductieweek volgde een opleidingsperiode van 7 weken waarin de AV-lessen en de speciale VN-onderwerpen werden gegeven. Dan volgden nog een week functionele tewerkstelling en een week inschepingsverlof. Ook de indas-opleiding bevatte de 3-daagse periode in Schayk, een 3-daagse periode ISK (waarbij ook de demonstratie mortier 2", de hand fire rocket en de gasgranaat) en een 4-daagse VN-Opleiding te velde; het deelnemen aan Pantserstorm was door de capaciteit bij het Korps Commandotroepen voor deze opleiding niet mogelijk. Korporaals technisch specialist en kort-verbandvrijwilliger, alsmede marechaussees der Ie en 2e klasse volgden een opleiding van 6 weken.

De functionele tewerkstelling.
In de negende week van de 10-weekse opleiding werd het indas-personeel functioneel tewerkgesteld. Dit was nodig omdat het alleen nog maar was opgeleid op een opleidingscentrum en daarna bij 42 Administratieve en Instructiecompagnie en nog geen praktische dienst had gedaan. Chauffeurs moesten worden omgeschoold op de oudere typen voertuigen die nog deel uitmaakten van de organisatie van Dutchbatt. Voor een aantal functies waren speciale tewerkstellingen geregeld. Zo werden de geneeskundige soldaten en korporaals gedetacheerd bij drie burgerziekenhuizen, de korporaals tandarts-assistent naar de militaire tandarts, de soldaten en korporaals bestemd voor het veldpostkantoor in Libanon naar het veldpostkantoor te Utrecht en het verbindingspersoneel naar het Verbindingscentrum Den Haag.

De kadercursussen.

Met ingang van maart 1980 werden de beroepsmilitairen die geen deel uitmaakten van een ondaseenheid bijeengebracht om de zg. kadercursus te gaan volgen. Deze duurde drie weken, waarvan er twee grotendeels waren bestemd voor de opleiding en voorbereiding; de derde week was voor het inschepingsverlof. Uit de evaluatie van de eerste cursus bleek dat men de voorkeur gaf aan een all-ranks-opzet (m.n. ook het gebruik van de eetzaal en de mess) en in de volgende cursussen is daaraan voldaan. Al gauw bleek dat niet alleen een aanvullende opleiding van belang was, maar dat misschien het bij elkaar brengen voor een periode van bijna twee weken van onderofficieren en officieren, afkomstig van alle mogelijke onderdelen, voorafgaande aan de uitzending ten minste even belangrijk was. Tijdens de lessen, maar ook tijdens de avonduren, leerde men elkaar kennen en op het moment dat men dan met de rotatie naar Libanon vertrok kende men bij iedere eenheid van het bataljon wel één of meer collega's van de kadercursus.

De opleidingen voor Dutch Infantry Company.

In 1983 werd Dutchbatt vervangen door Dutch Infantry Company. De opleiding daarvan werd verzorgd door het Opleidingsdetachement Libanon (ODL) dat werd opgericht in Veldhoven op de lokatie van het Pantserinfanterie-rij- en opleidingscentrum (Piroc). Voor deze aflossingen werden opgezet: een 8-weekse opleiding, een 6-weekse, voor het verzorgingspeloton en een 2-weekse (de opvolger van de kadercursus). In grote lijnen was de inhoud dezelfde als van de opleidingen in Assen. Veel aandacht werd besteed aan het schieten, de fysieke training, de verbindingen, de gezondheidszorg en de voorlichting. Evenals in Assen werd een deel van de VN-opleiding gegeven in de vorm van een oefening, ook hier oefening Waak-Saam geheten. Daarin weer de bekende onderwerpen, bv. als lid en als commandant van een patrouille kunnen optreden, optreden bij een roadblock, objectbewaking, escorteren, enz. Het opleidingsblok Schayk was niet meer in deze opleiding opgenomen, evenmin als het opleidingsblok Pantserstorm. Wel werd nog een aantal lessen mijnen en springmiddelen gegeven bij het ODL zelf.

Sturing van de opleidingen.

De vergaderingen Staf-Ochtendblad (Landmachtstaf).

Nadat de syllabussen waren gemaakt en met de eerste opleidingen van de aflossende eenheden was begonnen is er maandelijks een deelvergadering Staf-Ochtendblad gehouden met deelneming van de functionarissen van Staf-Ochtendblad en van 42 Pantserinfanteriebrigade die met de opleidingen en met de personele vulling waren belast. In die vergaderingen werd v.w.b. het opleidingsaspect gesproken over de wijze waarop de opleidingen bijsturing behoefden. De signalen daarvoor waren afkomstig uit stafbezoeken uit Nederland, uit de terugkoppeling of uit wensen van het bataljon die via de radio aan de Landmachtstaf werden doorgegeven.

De terugkoppeling.

In 1980 werd een terugkoppelingssysteem opgezet, bestaande uit een vragenformulier dat de teruggekeerde militairen werd voorgelegd op de dag dat zij in Assen kwamen inleveren en uitkeuren. Daarin konden de teruggekeerden waarderingen geven bij een aantal gerichte vragen over de opleidingen, maar ook was er ruimte voor eigen opmerkingen en wensen. Na iedere rotatie werd zo'n terugkoppeling geëvalueerd en aan de deelvergadering Staf-Ochtendblad voorgelegd. Een aantal malen is aan de hand van de uitkomst van een of meer terugkoppelingen de opleiding wat bijgesteld.

Afsluiting.

Terugblikkend op de opleidingen kan worden gezegd dat in heel korte tijd een acceptabel opleidingsprogramma is opgezet voor een actie waarover aanvankelijk weinig bekend was. Het bleek dat de normale opleiding zoals die bij de landmacht werd gegeven een heel goede uitgangsbasis was voor het opzetten van opleidingen voor het optreden in UNIFIL-verband. Vaak moest prioriteit worden gevraagd voor de Libanon-opleidingen, bv. in het ISK, bij Pantserstorm en bij het GOC. Alle betrokkenen zagen het belang hiervan in en hebben zonder uitzondering voorrang gegeven aan de Libanon-opleidingen.

Bron: Majoor mr. J.R.G. Jorfriet (Militaire Spectator Jaargang 15, nummer 12 -  1989).

Correcties en/of aanvullingen? Stuur een e-mail.




Herinneringstegel A-cie lichting 81-5.