Zwerven en navigeren combineert de vrijheid van ongestructureerd reizen (rondtrekken, verkennen) met de noodzaak om je weg te vinden, of dit nu te voet, per fiets, boot of camper is. Het gaat om het ontdekken van nieuwe plekken, vaak buiten de gebaande paden, ondersteund door moderne technologie of traditionele hulpmiddelen.
Het belangrijkste onderdeel van het kompas is de vrij draaiende magnetische naald die zich richt naar de noord-zuid lijnen van het magnetisch veld van de Aarde. Eén kant van die naald wijst altijd naar het magnetische noorden. Vaak is die kant van de naald rood gemaakt! Verder heeft ieder kompas een schaalverdeling waarop de vier windstreken staan aangegeven, dit wordt de kompasroos genoemd. Bij de meeste kompassen wordt gebruik gemaakt van booggraden als schaalverdeling.
Omdat het magnetische noorden in Nederland/België bijna gelijk is aan het geografische noorden kun je hier heel gemakkelijk met een kompas je richting bepalen. Op andere plaatsen op de wereld kan het verschil tussen het magnetische en het geografische noorden veel groter zijn en bovendien schommelt dat verschil ook nog eens. Als dat zo is moet je daar rekening mee houden als je met kaart en kompas werkt. Dat verschil wordt de declinatie genoemd.
Nog iets waar je rekening mee moet houden is dat een kompas dus met magnetisme werkt. Dat betekent dat als je met een kompas te dicht in de buurt van metaal of een andere magnetische bron komt het kompas af gaat wijken. Op een ijzeren boot bijvoorbeeld kan een normaal kompas flink afwijken. Ook als er een marifoon of radar aan boord is bestaat de kans op afwijking. Deze afwijking wordt deviatie genoemd. Met behulp van een een kompassteller wordt deze deviatie geneutraliseerd. Kleine magneetjes corrigeren de kompasnaald. Als je bezig bent met het bepalen van je richting kan de deviatie zonder kompassteller je wel eens op een heel andere plaats kunnen brengen als eigenlijk de bedoeling was. Houd het kompas ook niet te dicht bij bijvoorbeeld een horloge of de gesp van een broeksriem. Bewaar een kompas ook niet in de nabijheid van sterke magneten.
Een stripkaart (ofwel een kaart die "gestript" is van overbodige informatie), ook wel ten onrechte strippenkaart genoemd, kun je zien als een oleaat met zijwegen die strak getrokken is en waar de zijwegen op regelmatige afstand gezet zijn. De hiker loopt langs een rechte lijn, van onder naar boven, waar de zijwegen met korte streepjes op zijn aangegeven. Deze routetechniek wordt buiten scouting ook wel de visgraat genoemd.
Men zegt dat de stripkaart ontstaan is in New York, door taxichauffeurs die op deze manier hun route optekenden. Ook in de Tweede Wereldoorlog zou de stripkaart gebruikt zijn, en wel door de geallieerden die achter de Duitse linies gedropt werden. Zo'n verzetsstrijder kreeg een stripkaart als uitleg hoe hij van het droppunt naar zijn contactpersoon moest komen. Wanneer hij werd gepakt door de Duitser, hadden ze niks aan de kaart, want ze wisten niet waar het begonnen of gebleven was.
Bolletje-pijltje is een vrij eenvoudige techniek om een route aan te geven, en heeft wel wat weg van een kruispuntenroute. Het bolletje (dikke punt) staat voor het kruispunt. Het pijltje geeft aan welk pad van de splitsing gevolgd moet worden. Soms geeft men de niet te volgen paden aan met een stomp lijntje (zonder pijlpunt). Dat is vooral handig bij veelsplitsingen, of gewoon om de zoveel tijd zodat de hikers uit kunnen vinden of/waar ze fout gelopen zijn.
Bij een blinde vlek op een topografische kaart wordt een deel van de kaart weggeknipt of er wordt iets in thema overheen geplakt. De hikeloper moet de blinde vlek op de gok of met logisch denken overbruggen. Al na gelang de leeftijd van de hikers kun je de blindevlek aanpassen in grootte en plaatsing.
Bij een coördinatenroute maak je gebruik van een topografische kaart en kaartcoördinaten om je route te kunnen lopen. Als je de schaal van de stafkaart weet, kun je tot op 10 meter nauwkeurig bepalen waar je bent.
Op de stafkaart staan van boven naar beneden (noord naar zuid) en van links naar rechts (west naar oost) lijnen getekend. Deze lijnen zijn genummerd: de noord-zuidlijnen zijn genummerd van 1 tot 299 en de west-oostlijnen van 300 tot 600. De lijnen vormen het coördinatengrid; in dit geval van het Nederlands Rijksdriehoeks-grid. Het plaatje onderaan deze pagina laat een klein stukje van zo'n stafkaart zien, waarbij je de noord-zuidlijnen 112 en 113 ziet, en de west-oostlijnen 398 en 399.
Ieder vierkantje van de stafkaart beslaat in werkelijkheid een gebied met een grootte van 1 km bij 1 km. Omdat de schaal van een stafkaart 1:25.000 is, vormen deze lijnen dus kaartvierkanten van 4 bij 4 cm. De kaartvierkanten kunnen we door middel van een kaarthoekmeter nog verder onderverdelen, in 100 stapjes in de breedte en 100 stapjes in de hoogte. Wanneer je met de kaarthoekmeter één zo'n kaartvierkant opmeet, zie je namelijk dat hij "100" breed is, en "100" hoog.
Een fotoroute is een routetechniek, waarbij er een fotoserie gemaakt wordt van de te lopen route.
Doordat tegenwoordig aardig wat mensen een digitale camera en kleurenprinter hebben is dat vrij makkelijk te maken en leuk om te lopen.
De fotoserie geeft de te lopen route weer. Vaak staat er ook een persoon op die gedurende de hele route aanwijst in welke richting de hikers hun weg moeten vervolgen.
Het Global Positioning System (GPS) is een plaatsbepalingssysteem, oorspronkelijk ontwikkeld voor het Amerikaanse leger. Het kan helpen bij het vinden van je positie en in welke richting je zou moeten gaan om op een bepaald punt te komen. Als een GPS-ontvanger (GPSr) namelijk weet waar je bent en waar je naartoe wilt, kan hij (als je tenminste in beweging bent) bepalen of je in de goede richting gaat.
Een GPSr is dus geen kompas, maar een elektronisch hulpmiddel, dat door zijn rekenmogelijkheden ook extra informatie kan geven, zoals je snelheid, de waarschijnlijke aankomsttijd en de afgelegde afstand.
Een Helikopterroute is een variatie op bolletje-pijltje en de Vectorroute. De kompasrichtingen worden als "helikopterbladen" aangegeven vanuit één punt. Zorg dat de pijlen goed genummerd zijn dat voorkomt veel verwarring. Eén van de pijlen is extra dik, en dient als Noordpijl. Door de lengte van de pijlen te variëren kan de lengte tot het volgende kruispunt worden aangeduid. Wanneer één richting vaker gebruikt wordt, overlappen de pijlen. Het komt dus voor dat bij één pijl twee cijfers staan.
Het maankompas kun je gebruiken om je tijdens een nachthike op te orienteren.
De maan staat wat minder stevig op dezelfde plaats als de zon maar ook aan de maan kun je zien in welke richtingen de windstreken liggen. Een volle maan staat om 12 uur ‘s nachts in het Zuiden. De halve maan na de volle maan (Een afnemende maan) staat om 12 ’s nachts in het Oosten. De halve maan voor de volle maan (Een wassende maan) staat om 12 uur ‘s nachts in het Westen. Natuurlijk kun je dit op de gok doen maar je kan ook een “maankompas” gebruiken.
De naam "kompas" doet vermoeden dat een magnetische naald het noorden aan wijst. bij een maankompas is dit niet het geval. dit bestaat uit twee schijven met;
Op de onderste de windstreken op de rand, en de maanstanden om het midden. (Volle maan bij Zuid, Nieuwe maan bij Noord )
In de bovenste, kleinere, schijf een venstertje waardoor je de maanstand op de onderste kan zien. Op de rand de uren van de klok. 12 uur boven het venster. 1 tot en met 6 naar rechts (oostom) waarbij de 6 op 90° komt (oost) van 12 terug naar 6 naar links (westom) waarbij 6 op de plaatst van de 90° (west). In het midden een splitpen en klaar!
Het maankompas gebruik je als volgt:
Draai de bovenste schijf tot je staande maanstand in het venstertje ziet.
Draai het hele kompas tot de juiste tijd naar de maan wijst.
Op de onderste schijf kun je nu de windstreken aflezen.
Om middernacht zijn de maanstanden als volgt:
Nieuwe maan – Noord -- 0°
1/2 Afnemende maan – Oost -- 90°
Volle maan – Zuid -- 180°
1/2 Wassende maan – West -- 270°
Ezelsbruggetje
Als je de oostkant van de maan ziet staat hij om middernacht in het Westen en andersom.