Wat kan ik doen?

Autonomie

Als je deelnemers het gevoel hebben dat ze (mee) kunnen beslissen over de oefenkans verhoogt dat de motivatie en zullen ze ook beter oefenen. Die autonomie kan je wel het best afstemmen op de competentie en bereidheid van je groep. Hieronder vind je negen concrete vertalingen daarvan: drie tips en zes voorbeelden van activiteiten.

Drie tips

  • Het is altijd goed om uit te leggen wat je gaat doen en waarom. Als mensen dat weten, kunnen ze dingen een plaats geven. Of ze kunnen reageren waardoor je de activiteit eventueel kan aanpassen.
  • Geef geleidelijk meer autonomie. Als je een groep hebt die nog niet vertrouwd is met de oefenkans, elkaar nog niet goed kent, minder taalvaardig is, neem je het best de regie wat in handen. Naarmate de mensen groeien daarin, geef je hen meer verantwoordelijkheid om mee te beslissen en zelf acties te ondernemen.
  • Laat het anderzijds niet te los: soms is het goed dat mensen een duwtje krijgen en dat jij dat duwtje geeft. Deelnemers kunnen bvb geneigd zijn om rond te tafel te blijven zitten en te praten, terwijl het wel goed is om naar buiten te gaan en de echte wereld in te stappen. Daar kan je dan beter de keuze beperken: we gaan sowieso naar buiten, maar je kan wel kiezen waarheen of wat we gaan doen.

Zes voorbeelden van gestructureerde autonomie

Gestructureerde autonomie betekent dat je een bepaalde 'verplichte' structuur gebruikt maar dat je daarbinnen wel autonomie geeft. Dat is een handig principe, want zo kan je de graad van autonomie wat gaan tunen. Hieronder zes voorbeeldjes van activiteiten die daaraan voldoen:

  • een ganzenbord: je maakt een ganzenbord met vakjes waarin korte vraagjes staan over thema's die de deelnemers interesseren (= structuur). Wie op een vakje komt, moet de vraag beantwoorden. In elk vakje kan je de keuze geven tussen twee vraagjes (= autonomie). Je kan deelnemers ook per twee een pion geven en dan beslissen ze wie de vraag beantwoordt (= autonomie). Je kan ook vakjes met een vraagteken maken en dan stel jij een vraag of ze stellen een vraag aan elkaar...
  • een verzameling prenten: je verzamelt een hoop prenten uit tijdschriften (= structuur). Daaruit laat je de deelnemers een prent kiezen die hen aanspreekt (= autonomie). Zo bepaal jij het algemene kader, maar kunnen deelnemers beslissen waar ze over willen vertellen.
  • foto's van een wandeling: tijdens een wandeling laat je deelnemers twee of drie foto's maken van iets wat hen interesseert (=autonomie). Daarna beslis je in groep welke foto het interessantst is om over te praten (= structuur vanuit de groep).
  • het groepsrecept: je vraagt mensen om twee ingrediënten mee te brengen. (Dat kan je ook nog verder structureren: twee specerijen, twee groenten, ...). Daarna gaan jullie samen op zoek naar een recept waarbij van elke deelnemer tenminste één ingrediënt wordt gebruikt.
  • de spreekkoffer: je maakt een koffer met daarin bvb 9 thema's waar de deelnemers interesse in hebben (= structuur). Elk van die thema's heeft een spreek- of een doe-activiteit. Deelnemers beslissen samen over welk thema ze het willen hebben en wat ze gaan doen: handelen of praten (= autonomie).
  • de gast: je beslist om een gast uit te nodigen. Je laat de deelnemers kiezen tussen een drietal kandidaten (= structuur met daarbinnen een keuze). Daarna beslis je samen hoe je de gast gaat ontvangen (= autonomie).

Dit zijn maar een paar voorbeelden van een principe dat zeer breed inzetbaar is. De onderliggende idee is: jij bakent af en daarbinnen geef je keuze.