Autonomie

De kracht van autonomie

Autonomie of zelfbeschikking is een erg krachtige motivator: mensen willen het gevoel hebben dat ze zelf over iets kunnen beslissen. Als dat zo is, dan zullen ze meer geneigd zijn om iets te doen.

We gaven in het hoofdstuk over motivatie al wat uitleg over autonomie en de gradaties daarin: de eenvoudigste vorm van autonomie is dat mensen weten waar ze staan, wat er gaat gebeuren. Als een tandarts geen uitleg geeft en zomaar begint te boren, dan is dat onprettig. Krijg je eerst uitleg over het hoe en waarom, dan zal het nog even veel pijn doen maar het gevoel is toch helemaal anders. In een oefenkans is het evenzeer prettig voor deelnemers dat je uitlegt wat je gaat doen en waarom. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar toch vergeten we dat al te vaak. Je kan ook nog verder opklimmen in de gradaties van autonomie: je kan de deelnemers een beperkte keuze geven (bvb tussen twee onderwerpen; wel of geen feedback; naar buiten of binnen blijven....) of een ruimere keuze over de activiteit, de methodiek, het gespreksonderwerp.... Nog een stap verder is samen met de deelnemers overleggen wat je gaat doen en hoe je dingen aanpakt. Tenslotte kan je de deelnemers helemaal zelf laten beslissen.

Maarten Vansteenkiste van de Universiteit Gent onderzoekt (onder andere) in welke mate het verlenen van autonomie bijdraagt tot het leren. Zijn onderzoek toont aan dat autonomie een succesfactor is, niet alleen bij keuze van het onderwerp (wat gaan we doen of bespreken) maar ook bij keuze van de organisatie (hoe gaan we dat doen: bvb wat eerst en wat daarna, hoe lang, in welke groepsvorm etc). Dat is interessant om weten: als je mensen betrekt of op zijn minst informeert, zelfs over het proces, dan zullen ze beter leren.

Het is wel zo dat er een direct verband verband bestaat tussen autonomie en competentie: als mensen competenter zijn, kunnen ze meer autonomie aan (en omgekeerd). Competentie moet je hier in brede zin beschouwen: het gaat bij een oefenkans om talige competentie, maar ook om leervaardigheid, bereidheid, maturiteit... Een pas beginnende groep met laaggeschoolde deelnemers zal bvb niet de competentie (bereidheid en maturiteit) hebben om zelf te beslissen wat er gaat gebeuren op een sessie: zij hebben structuur en sturing nodig. Maar als ze al een paar maand bij elkaar komen voor de oefenkans, dan stijgt hun competentie vanzelf: ze worden talig sterker, ze raken vertrouwd met de methodieken, ze kennen elkaar beter, ze weten wat er goed gaat en wat er ontbreekt etc. Dan is het goed om geleidelijk meer autonomie in te bouwen.

Werken met gestructureerde autonomie

Een interessant begrip is de zogenaamde gestructureerde autonomie: mensen krijgen een structuur aangeboden (wat dus een sturing is) maar binnen die structuur is er plaats voor autonomie. Dat is erg handig omdat de graad van autonomie kan aangepast worden en dat is precies wat deelnemers vaak nodig hebben: de ene kan en wil wat meer autonomie dan de andere. Een mooi voorbeeld van hoe dat werkt, is het programma 'Alleen Elvis blijft bestaan': daarin mag de gast negen tv-fragmenten meebrengen die voor hem of haar een betekenis hebben. Er worden echter ook drie fragmenten gekozen door de presentator (de vraagtekens). Tijdens het gesprek mag de gast soms kiezen welk fragment hij of zij wil bespreken, maar even vaak beslist de presentator. Op die manier is er dus een structuur (12 fragmenten) en daarbinnen bestaan gradaties van autonomie: soms stuurt de presentator en soms mag de gast beslissen. Soms is dat een zelf gekozen onderwerp en soms een opgelegd. Dat is erg handig want als presentator kan je ervoor zorgen dat de onderwerpen boeiend blijven voor de kijkers en je kan ook de tijd goed bewaken (want geen autonomie gaat sneller). Aan de andere kant heeft de gast het gevoel dat hij of zij autonomie heeft.

In een oefenkans kan je datzelfde principe toepassen. Dat geeft het bijkomende voordeel dat je kan afstemmen op de competentie van de deelnemers. Op de volgende pagina geven we een aantal concrete voorbeelden van methodieken die volgens dit principe werken.

Stimuleren van autonoom leren

Een ander aspect van autonomie is het autonome leren. Het is goed om stil te staan bij de vraag: hoe kan ik als begeleider mijn deelnemers motiveren en ondersteunen om zelf te gaan oefenen met taal, ook buiten de eigen activiteit. Opnieuw geldt daar het principe van opklimmende autonomie: in het begin hebben mensen sturing en ondersteuning nodig maar geleidelijk kan je meer loslaten en hen aanmoedigen zelf dingen in handen te nemen. Dat wil zeggen: je kan hen bvb na een sessie tien woorden meegeven op kaartjes en hen vragen dat elke dag te oefenen tegen de volgende sessie. Of je kan hen 'verplichten' om allemaal naar hetzelfde programma te kijken op televisie (bvb een stukje nieuws op Ketnet). Je kan een activiteit doen en hen vragen dat thuis opnieuw te doen. Je kan hen opdragen om een praatje te maken met een Nederlandstalige buur (en dan een selfie te nemen). Of naar de bib te gaan en een boek te ontlenen etc.

Een bezwaar zou kunnen zijn dat zulke strakke sturing wat te formeel of verplichtend aanvoelt: we krijgen toch geen huiswerk? Dat is enigszins zo, maar anderzijds hebben mensen wel graag sturing als ze nog niet gewoon zijn om zelf dingen op te nemen. Daarom is het in vele gevallen toch een goed idee om in de beginfase wat te gaan dirigeren. Eenmaal de gewoonte er is, bespreek je verdere mogelijkheden met de deelnemers, bouw je individuele verschillen in, geef je keuze etc.

We gaan in de voorbeelden niet dieper in op dit aspect omdat het voor sommige organisaties minder relevant zal zijn (bvb omdat ze een wisselend publiek hebben), maar stimuleren van dat autonome oefenen kan wel een hefboom zijn met een draagkracht ver buiten de eigenlijke oefenkans. En dat is het overwegen waard.