Op deze pagina vinden jullie informatie over het futurum in het Nederlands: theorie en enkele oefeningen.
Het futurum wordt in het Nederlands gebruikt om iets uit te drukken in de toekomst: morgen, overmorgen, volgende week,...
Er zijn 3 manieren:
Presens: zeer nabije toekomst.
Ik kook vanavond spaghetti.
Gaan + infinitief
Opgelet: de infinitief komt op het einde van de zin.
Ik ga volgende week zwemmen.
Ik ga boodschappen doen.
Opgelet: je kan niet 2 keer gaan in dezelfde zin gebruiken.
❌Ik ga naar huis gaan. ➡️ ✅ Ik ga naar huis.
Zullen + infinitief
Opgelet: 'zullen + infinitief' drukt niet alleen iets in de toekomst uit, maar ook een belofte (promesse/promise) of een intentie (intention).
Opgelet: de infinitief komt op het einde van de zin.
Ik zal volgende week zwemmen.
Wij zullen naar huis gaan.
Opgelet: 'Zullen' heeft 2 vormen: zal (singularis) en zullen (pluralis). 'Jij zult/Zul jij' is ook correct.
❌ Hij zalt boodschappen doen. ➡️ ✅ Hij zal boodschappen doen.
Oefeningen met 'zullen'
Oefeningen met 'gaan'