Zorg en vragen‎ > ‎

Zorgprofiel

Inleiding

De Wet op het Passend Onderwijs, in werking vanaf schooljaar 2014, omvat een heel verhaal over beter onderwijs voor leerlingen met een handicap. Waar het echter op neerkomt is simpel: er is bezuinigd op het speciaal onderwijs dat voor deze leerlingen bedoeld is. Daarom moeten de reguliere scholen meer leerlingen zelf opvangen en minder snel doorverwijzen naar een school voor speciaal onderwijs.

Voor onze school voor persoonlijk onderwijs verandert er weinig. We hebben veel kleinere klassen dan andere scholen, we bieden meer onderwijs en we bieden een duidelijke structuur op onze overzichtelijke school. Voor snelle leerlingen betekent het dat we ze kunnen laten doorgroeien naar een hoger schoolniveau. Voor leerlingen met en extra zorgvraag betekent het dat we ze toch kunnen laten aansluiten op een schoolniveau dat ze zonder onze extra aandacht niet hadden kunnen bereiken. Wij hoeven daardoor sowieso al nauwelijks leerlingen door te verwijzen naar het speciaal onderwijs. Op de Isaac Beeckman Academie is in vier jaar tijd zelfs geen enkele leerling doorverwezen. De drie leerlingen die deze overstap toch maakten, deden dat omdat ze Vmbo-t gingen doen (wat de Isaac Beeckman Academie niet heeft) en een andere reguliere school hun zorgvraag niet aan kon.

In dit document leggen we vast hoe we dit tot nu toe hebben gerealiseerd en hoe we dit in de toekomst zullen blijven doen. Heeft u na lezing van dit document suggesties voor verbetering? We houden ons aanbevolen voor uw ideeën! Graag per e-mail naar: bestuur@svpo.nl. 

Kenmerken van onze organisatie

Scholen hebben al lange tijd te maken met een toename van de overhead. Er gaat steeds meer tijd en geld zitten in administratie en management, waardoor minder middelen overblijven voor het onderwijs zelf. Dat is een ontwikkeling die zich ook in andere sectoren voordoet, zoals bijvoorbeeld de zorg. 

Over elke aparte handeling moet verantwoording afgelegd worden. Er wordt minder aan het oordeel van docenten overgelaten (net zoals aan dat van zorgverleners en artsen in het geval van de zorgsector). Dat heeft te maken met een verantwoordingscultuur die is ontstaan doordat we in onze samenleving geen fout meer accepteren en anders wel verhaal komen halen. De keerzijde is dat er van alles en nog wat moet worden geadministreerd en de protocollen minutieus gevolgd moeten worden, waardoor medewerkers minder tijd hebben voor waar het werkelijk om gaat: het onderwijs, de zorg, etc. De oplossing is om medewerkers te beoordelen op hun gehele functioneren en niet op elke individuele handeling.

Er is ook meer overhead ontstaan doordat er geen duidelijke keuzen gemaakt worden. Niemand verkoopt graag 'Nee' en in het geval van scholen betekent het dat er allerlei verschillende richtingen bijkomen. Er zijn scholen met een theaterklas, muziekrichting, tweetalige stroming, technasium, fast lane English, enzovoorts. Dat is allemaal prachtig, maar voor de organisatoren of coördinatoren en de faciliteiten van al die richtingen is geld en tijd nodig. Die middelen besteden wij liever aan onze richting: goed onderwijs met veel doorgroeimogelijkheden.

Ook zaken als het dagelijks aanpassen van lesroosters maakt de schoolorganisatie ingewikkelder en onttrekt middelen aan het onderwijs. In plaats van de roostermaker die al die aanpassingen in goede banen leidt, stellen wij een extra docent aan. 

Op een andere manier leidt een gebrek aan samenhang in het vakkenpakket van leerlingen tot veel overhead. Als leerlingen veel verschillende pakketten hebben, kunnen docent er niet meer van uitgaan dat iedereen in een klas bepaalde achtergrondkennis heeft. Docenten moeten daardoor meer herhalen, waardoor onderwijstijd verloren gaat. In plaats daarvan kiezen wij ervoor om leerlingen een bredere vakkenpakket met meer samenhang te geven. Iedereen die Biologie heeft, heeft bijvoorbeeld ook Scheikunde. De docent Biologie hoeft daardoor niet eerst een introductie Scheikunde te geven voor een deel van de leerlingen die dat laatste vak niet heeft. 

De gemene deler is dat er veel op overhead valt te besparen door de organisatie eenvoudig te houden. Er zijn dan minder managers en coördinatoren nodig en docenten zijn minder tijd kwijt aan administratie en organisatie van hun werk. Door docenten bovendien minder leerlingen te geven, besparen ze tijd vanwege het geringere aantal mentorgesprekken, de kleinere hoeveelheid nakijkwerk, de kortere rapportvergaderingen (minder leerlingen te bespreken), etc. Die tijdwinst kunnen docenten investeren in de kerntaak: goed onderwijs. 

Het moeilijkste daarbij is niet zozeer om de school bij de opzet eenvoudig te houden. Dat is bij onze scholen (Isaac Beeckman, Tjalling Koopmans) al gedaan. Er zijn kleine klassen met gemiddeld 16 leerlingen, er zijn daarvoor heldere keuzen gemaakt, er is een vast rooster zonder overbodige tussenuren, etc. De uitdaging is echter om dat zo te houden en daarvoor moeten we de druk weerstaan om de school complexer te maken. Die druk is er helaas doorlopend, wat twee recente voorbeelden goed illustreren:
  • Volgens vakbond Aob mogen docenten de tijd die ze winnen vanwege het geringe aantal leerlingen, niet aan onderwijs besteden. In plaats daarvan moeten ze de tijdwinst besteden aan… vergaderen. In de CAO zou namelijk staan dat docenten minimaal 55% van hun tijd aan overhead, zoals nakijken en vergaderen, moeten besteden. 
  • De onderwijsinspectie vreest dat het principe van de vrij opneembare dagen voor onze leerlingen, niet in overeenstemming is met de wet op de leerplicht. Die vrije dagen zijn niet alleen aantrekkelijk voor ouders en leerlingen, maar zorgen ook voor minder gedoe en discussie bij het opnemen van verlof. Dat draagt er aan bij dat de administratie en het regelen van verlofdagen eenvoudiger is.
Alleen als we dit soort druk weerstaan, kunnen we de overhead binnen de perken houden ons persoonlijk onderwijs betaalbaar houden:
  • Kleine klassen en ruim voldoende onderwijstijd (voor veel persoonlijke aandacht voor elke leerling); 
  • Klassen ingedeeld naar tempo en niveau van leerlingen (om ook klassikaal onderwijs goed mogelijk te houden);
  • Duidelijke structuur van de onderwijsorganisatie: overzichtelijke school, geen tussenuren, zo min mogelijk lesuitval, zo veel mogelijk vast rooster.
Met deze kenmerken van het onderwijs kunnen ook zogeheten zorgleerlingen goed meekomen. Tot op heden is er dan ook geen aanvullende rugzakfinanciering nodig geweest om zorgleerlingen op te vangen. Leerlingen die vanuit de basisschool een rugzak hadden, hebben wij steeds gewoon op school kunnen opvangen. 

Kenmerken van onze leerlingen

Hieronder is een overzicht opgenomen van leerlingen die op de Isaac Beeckman Academie (Kapelle, Zeeland) stonden ingeschreven, per 1 oktober 2012 (de datum van 1 oktober is de wettelijke teldatum in het voortgezet onderwijs).

Omdat wij voor zorgleerlingen geen extra financiering nodig hebben, lijkt het in de officiële statistieken alsof er geen zorgleerlingen zijn. In die statistieken telt een leerling namelijk alleen als zorgleerling indien er extra geld voor wordt ontvangen. Deze statistiek geeft daardoor een vertekend beeld van de school. Om die reden zijn in het overzicht hieronder als zorgleerlingen meegerekend diegenen die ofwel een rugzak op de basisschool hadden, ofwel een onafhankelijk vastgestelde zorgindicatie hebben.

Leerlingen schooljaar 2012/13 totaal (leerjaar 1, 2 en 3)235100%
Dyslexie146,0%
PDD/Nos, Asperger93,8%
Beperking gezicht of gehoor20,9%
Overig20,9%

In schooljaar 2012/13 zijn er twee leerlingen overgestapt naar het speciaal onderwijs. Beide leerlingen functioneerden weliswaar goed op de Isaac Beeckman Academie, maar haalden het vereiste Havo-niveau niet. Op een andere reguliere school voor Vmbo-t was de basiszorg niet voldoende om hen daar onderwijs te kunnen bieden en om die reden zijn zij naar het speciaal onderwijs gegaan.

De aantallen in het schema hierboven zijn bijzonder klein, waardoor we erg voorzichtig moeten zijn om er conclusies aan te verbinden. Het percentage dyslectische leerlingen wijkt niet sterk af van landelijke gemiddelden (in 2010 was dat bijvoorbeeld: 11% bij Havo en 4% bij Vwo (bron: Dyslexie en dyscalculie in het voortgezet onderwijs, Sontag en Donker, KPC, mei 2012)

Het percentage leerlingen met PDD/Nos of Asperger is iets hoger dan landelijk gemiddeld. Dat heeft er mee te maken dat deze leerlingen in de vertrouwde sociale sfeer op school en de vrij gestructureerde organisatie (geen roosterwijzigingen bijvoorbeeld) weinig van hun aandoening merken. Dat heeft een zichzelf versterkend effect, omdat andere leerlingen ook weinig bijzonders aan hen merken.

Tot slot valt op dat er weinig leerlingen met een lichamelijke beperking zijn. De reden is dat er in het gebouw van de Isaac Beeckman Academie geen lift aanwezig is. Het is bouwkundig te kostbaar gebleken om deze alsnog te realiseren.

Voor het Tjalling Koopmans College is het nog te kort dag om daar al informatie over de percentages zorgleerlingen te kunnen afleiden. Omdat de school vrijwel identiek is aan de Isaac Beeckman Academie, mogen we er redelijkerwijs van uit gaan dat ook deze percentages van gelijke omvang zijn.

Zorg

De basiszorg wordt door de Onderwijsinspectie als voldoende beoordeeld, waarbij de school het vooral opvallend goed doet op criteria zoals het bewaken van de onderwijsdoelen, het realiseren van leeropbrengsten en de kwaliteit van het onderwijsproces. 

Mogelijkheden van de zorg

Uitgangspunt is dat alle leerlingen zoveel mogelijk gewoon meekomen. De school is daar met het persoonlijk onderwijs goed op toegerust. De spil in de leerlingenzorg is de mentor. Ook deze heeft gemiddeld (minder dan) 16 mentorleerlingen, waardoor een goed onderhouden contact mogelijk is. De mentor vormt voor zowel ouders als leerling een makkelijk direct bereikbaar aanspreekpunt. Via dit contact, maar ook via een doorlopend overzicht van vorderingen via het ouderportaal en inzicht in de agenda en het lesmateriaal, worden ouders op de hoogte gehouden van de ontwikkeling van hun kind. Omgekeerd zorgt het laagdrempelige en directe contact met één aanspreekpunt in de school voor communicatie omtrent de thuissituatie waar dat voor het onderwijs of de sfeer in de klas van belang kan zijn.

Verder zijn er enkele generieke maatregelen van kracht. Van lesmateriaal is waar mogelijk een audio-versie beschikbaar, het in gebruik zijnde elektronische leersysteem houdt automatisch rekening met vormen van dyslexie en docenten stellen op aanvraag vergrote exemplaren van toetsen ter beschikking. Leerlingen die over een dyslexie-verklaring beschikken kunnen extra tijd krijgen voor toetsen.

Voor dyslectische leerlingen is de beschikbaarheid van de audio-versie van lesmateriaal een belangrijk punt van aandacht. Er valt veel winst te halen met een betere beschikbaarheid, gezien het percentage leerlingen met (een vorm van) dyslexie. Er wordt daarom gewerkt aan het toevoegen van geluidsmateriaal in het leersysteem. Leerlingen hoeven dit materiaal dan niet meer op te zoeken, maar hebben het direct beschikbaar. Verder wordt het leersysteem uitgebreid met een door de mentor instelbare optie waarmee een vorm van spelcorrectie beschikbaar komt voor leerlingen met dyslexie.

Een belangrijke, meer indirecte, maatregel is de structuur van de schoolorganisatie. Kenmerken zoals een vast rooster, beperkte wisseling van klas, overzichtelijk schoolgebouw, etc. geven een zekere rust. Dat wordt versterkt door de zichtbaarheid van docenten op school. Uitgangspunt is dat docenten hun niet-onderwijsgevende taken zoveel mogelijk op school doen. Doordat ook de klassen nog eens klein zijn, zijn er in verhouding tot het aantal leerlingen relatief veel docenten aanwezig. Het resultaat is een overzichtelijke en sociaal veilige school. Leerlingen weten zich daar gekend - iedereen is een persoon, geen nummer. De essentie van persoonlijk onderwijs is dat docenten een goed persoonlijk contact onderhouden met elke leerling.

Grenzen aan de zorg

De school verzorgt al onderwijs aan leerlingen met uiteenlopende onderwijs- en zorgbehoeften en stelt hierbij doelen die aansluiten bij het niveau en de behoeften van elke leerling. De school wil er voor elk kind zijn en is eerlijk wanneer het haar grenzen betreft. De balans in de groep is daarbij het uitgangspunt.

Buiten de standaard aanwezige zorg, heeft de school geen aanvullende zorg in huis. Het is een bewuste keuze om de zorg zo breed mogelijk te delen en daar de middelen voor in te zetten. De geleverde zorg biedt leerlingen met een zorgbehoefte de mogelijkheid om toch gewoon mee te komen. Voor andere leerlingen betekent het dat ze boven hun niveau uit kunnen komen.

De school heeft geen aanvullende middelen voorhanden. Voor leerlingen die meer zorg nodig hebben, wordt een beroep op het samenwerkingsverband voor zorgleerlingen gedaan.
Comments