04. De Batavia

(c) Stichting Wiebe Hayes

Het schip

In de beginjaren van de handel op de Oost waren de gebruikte schepen nog klein, de vier eerste scheepjes waren samen goed voor ongeveer 1100 ton vracht. De Hollandse schepen groeiden in deze jaren echter in hoog tempo en in 1626 beschreven de Heeren Zeventien (het dagelijks bestuur van de VOC) specificaties voor de bouw van een nieuw scheepstype, het spiegelretourschip. De afmetingen waren voor die tijd reusachtig, 45 meter lang over de stevens en meer dan 10 meter breed. De Batavia werd naar deze specificaties gebouwd en was dus ook een zogenaamd spiegelretourschip. Een driemaster met een zeiloppervlak van meer dan 1100 m2. Het schip was verder voorzien van bijboten in de vorm van een sloep en een jol en voer voor rekening van de Kamer (afdeling) Amsterdam van de VOC. De Batavia was verder uitstekend bewapend met haar 32 kanonnen.

De lading

In 1628, het jaar dat de gloednieuwe Batavia voor vertrek op de rede van Texel (de voorhaven van Amsterdam) lag, ging het de VOC ronduit voor de wind. De lading van de Batavia getuigde hiervan. Aan boord waren o.a. 12 kisten met gemunt zilver, goud (1/5 van het totale kapitaal van de VOC in de Oost) en luxe gebruiksgoederen. Laken, wijnen, kaas, schitterende kleding, handelswaar etc. en een kistje met zeer kostbare juwelen (o.a. een grote camee van agaat die in het jaar 312 voor de Romeinse keizer Constantijn was gesneden). Verder bijvoorbeeld 130 grote blokken van zandsteen, die samen een poort moesten gaan vormen voor het in aanbouw zijnde Casteel in Batavia, maar op deze reis vooral als ballast dienden. Voor de honderden opvarenden moest bovendien alle voedsel meegenomen worden voor de heenreis, die wel tot 15 maanden kon duren.

De bemanning

Aan boord waren 303 mannen (en oudere jongens) en 38 vrouwen en kinderen. Aan boord van een VOC-schip was de opperkoopman hoogste in rang. Op een VOC schip was de gezagvoerder (de commandeur) geen zeeman. Op de Batavia was Francisco Pelsaert de commandeur. Onder hem stond, aan boord van de Batavia, schipper Ariaen Jacobsz. Op een eerdere reis hadden zij al eens op een onaangename wijze kennisgemaakt. Na een heftige ruzie met Pelsaert was Jacobsz toen wegens wangedrag berispt. Voor de schippers was het vaak moeilijk een niet-zeeman boven zich te accepteren. Jacobsz was ronduit wraakzuchtig van aard. Belangrijk in deze dramatische geschiedenis was verder de onderkoopman Jeronimus Cornelisz, voordien apotheker in Haarlem, doortrapt en scherp van tong. Door zijn gedrag werd hij mogelijk niet meer in Haarlem geaccepteerd (waarschijnlijk als volgeling van de goddeloze Torrentius) en was hij daarom in dienst getreden bij de VOC.

Over het algemeen kan gezegd worden dat kundige mensen gewoonlijk aan wal voldoende kansen hadden en zich de ontberingen van een schip niet op de hals haalden. De bemanningsleden waren meestal ongekend ruw, minder goed in hun vak en vaak moeilijk in de hand te houden.

Een groot aantal mensen aan boord reisde mee naar Batavia (het huidige Jakarta) om daar een functie te vervullen of om zich daar bij echtgenoot of vader te voegen. Onder de vrouwen waren Lucretia van der Mylen en haar kamenierster (dienstmeisje) Swaentie Hendricx.

Wiebe Hayes uit Winschoten was een van de soldaten die voor de VOC in Indië ingezet zou worden. De soldaten voeren mee in burgerkledij. Hun uitrusting zouden ze pas krijgen op de plaats van bestemming.

Als we ons realiseren dat de Batavia zo’n 45 meter lang was (over de stevens) en ruim 10 meter breed en er bijna 350 bemanningsleden waren (naast lading, werkruimten en verblijfruimten voor voorname gasten en kader), kunnen we ons voorstellen dat het schip tot in iedere hoek met mensen gevuld moet zijn geweest. Comfortabel was het zeker niet en bij kou nog minder, want vuur om zich te warmen was onmogelijk in verband met brandgevaar. Slechts in de kombuis mocht vuur worden gemaakt.