Iets over de school

Een korte geschiedenis

“Maria Immaculata” werd op 5 september 1949 opgericht door de Zusters van Roosendaal. Het was een R.K. Instituut voor middelbaar onderwijs aan meisjes. In 1957 werd de eerste en voorlopig ook laatste mannelijke leerling toegelaten. Pas vanaf 1964, toen negen jongens de onderwijzersopleiding gingen volgen, ontwikkelde het Maria Immaculata Lyceum (MIL) zich tot een gemengde school.

 

Gebouw

De eerste jaren was er een sterke band met het Maria College. Veel leerkrachten gaven aan beide opleidingen les. Bovendien bevonden de twee scholen zich in hetzelfde gebouw en deelden ze de administratie.

De allereerste klas van het MIL, bestaande uit 25 meisjes, had zo nu en dan les in een tot klaslokaal omgetoverde voorraadkast. In de jaren daarop werden onder meer een spreekkamer, de personeelskamer en een kleedkamer bij de gymzaal als lokaal gebruikt.

In maart 1953 kreeg het MIL een eigen gebouw met, zo bleek al snel, te weinig lokalen. Het groeiende aantal leerlingen maakte de bouw van eerst noodbarakken en later volwaardige nieuwe lokalen noodzakelijk. In 1989 was het leerlingenaantal dusdanig gegroeid dat een nieuwe, ingrijpende verbouwing noodzakelijk was.

Het leerlingenaantal bleef stijgen totdat er een leerlingenstop ingevoerd werd voor met name het eerste leerjaar en Havo 4. De barakken werden vervangen door nieuwe, volwaardige lokalen. De afgelopen vier jaren had de school te maken met een structureel lokalentekort. Het schoolbestuur heeft uiteindelijk gezorgd voor een bouwproject van vier nieuwe lokalen.

 

Onderwijs

Het MIL was aanvankelijk een middelbare meisjesschool (MMS) met daarnaast een Literair Pedagogische afdeling -de onderwijzersopleiding- die later HBS-C werd genoemd. Vanaf 1958 konden de leerlingen van het MIL een HBS-B opleiding volgen. En in 1967 volgde de gymnasiumafdeling.  Niet lang daarna moest worden omgeschakeld naar het nieuwe ‘Mammoet’-systeem. Dat had tot gevolg dat er in de periode 1969-1974 twee onderwijssystemen naast elkaar bestonden, het ‘oude’ met MMS, HBS-B en –C en gymnasium en het nieuwe met HAVO (Hoger Algemeen Vormend Onderwijs) en VWO (Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs).

De laatste jaren is opnieuw het een en ander veranderd. In de eerste drie leerjaren kwam de ‘basisvorming’ en het ‘profielvoorbereidend jaar’. In de bovenbouw volgde in het schooljaar 2001/2002 de ‘tweede fase’ ofwel ‘havo/vwo nieuwe stijl’. In 2003 hebben de havo-5 leerlingen voor het eerst het examen havo nieuwe stijl afgelegd. Het jaar daarop was het de beurt aan de VWO-6 leerlingen om het examen vwo nieuwe stijl af te leggen.

Ingaande het schooljaar 2007/2008 zijn er weer wijzigingen doorgevoerd in de bovenbouw, met name in de profielenstructuur. Ook is de interne organisatie van de bovenbouw gereviseerd.

 

Het MIL nu

Op het MIL zitten tegenwoordig circa 800 leerlingen, verspreid over 35 klassen. Er zijn 72 personeelsleden, waarvan 60 docenten (inclusief de part timers).

 

In- en uitstromers

De eerste klas is een brugklas. Aan het einde daarvan worden de leerlingen afhankelijk van hun prestaties bevorderd naar HAVO 2 of VWO 2. Als blijkt dat kinderen het HAVO/VWO-niveau niet aan kunnen, moeten ze ‘uitstromen’ naar het VSBO. Zeer goede leerlingen uit het eerste brugjaar van het VSBO kunnen ‘instromen’ in HAVO 2. HAVO 4 kent doorgaans een instroom van kinderen met een VSBO-diploma. Vanwege een leerlingenstop kan het M.I.L. niet alle aangemelde leerlingen aannemen.

 

Van basisvorming via de tweede fase naar het eindexamen
Klas 1 en 2 van de onderbouw van het voortgezet onderwijs heet sinds enige tijd de ‘basisvorming’. In de eerste twee klassen wordt de basis gelegd voor een succesvolle opleiding. De leerlingen doen kennis op, leren vaardigheden aan en wennen geleidelijk aan de studiehouding die ze in de bovenbouw nodig hebben. Het derde leerjaar is het ‘profielvoorbereidende’ jaar. Aan het eind daarvan moet worden gekozen uit een van de volgende profielen: Cultuur en Maatschappij, Economie en Maatschappij en Natuurwetenschappen. Het laatste profiel valt uiteen in Natuur en Gezondheid en Natuur en Techniek.

In de bovenbouw (de ‘tweede fase’) volgen de leerlingen naast een aantal verplichte vakken de vakken die tot hun profiel horen en tenminste één ‘vrij’ vak naar keuze. Een gedeelte van de vakken wordt afgerond met een schoolexamen, een ander deel met zowel een schoolexamen als een centraal schriftelijk eindexamen.

 

Speerpunten van de tweede fase

Een van de belangrijkste vernieuwingen van de tweede fase is dat leerlingen niet langer vrij kunnen kiezen uit een groot aantal vakken. Door de invoering van de profielen hoopt men de aansluiting tussen voortgezet onderwijs en vervolgonderwijs te verbeteren.

Nog belangrijker is dat leerlingen meer dan vroeger zelf verantwoordelijk zijn voor hun leerproces en dat ze ertoe worden aangezet actief en zelfstandig te leren.

Door deze ontwikkelingen verandert de rol van de leerkracht. De docent is veel minder dan vroeger iemand die voor de klas leerstof staat uit te leggen; zijn of haar taak is tegenwoordig vooral de leerlingen te begeleiden bij het leren.

 

Personele organisatie

De schoolleiding bestaat uit de rector en twee conrectoren.

In zowel de onderbouw als de bovenbouw is er een leerlingbegeleider. In de bovenbouw is de coördinatie in handen van drie profielcoördinatoren en de decaan. Met al deze mensen kunnen de leerlingen te maken krijgen, maar in de praktijk zal dat niet vaak het geval zijn.

Wel kan het zijn dat de leerlingbegeleider hen aanspreekt, vooral als ze zich niet helemaal houden aan de regels die op het MIL gelden. De centrale figuur als het gaat om de directe begeleiding van leerlingen is zowel in de onderbouw als in de bovenbouw de mentor.