Actueel‎ > ‎

Nieuwsbrief 3 - GGZ-inclusief werken: een ladder met sporten?

De vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg werpt in wezen een vraag op aangaande maatschappelijke verantwoordelijkheid: wie draagt de verantwoordelijkheid voor het bijdragen aan het welbevinden en de ontplooiing van, de zorg voor mensen met een psychische kwetsbaarheid middenin de samenleving en in de eigen omgeving? … Tja, is dit niet de verantwoordelijkheid van ons allemaal? Ook al is duidelijk dat in Vlaanderen en België nog een hele weg valt af te leggen op vlak van een ggz die zich meer in de samenleving afspeelt (ambulantisering), de reflex bestaat nogal eens dat de vermaatschappelijking effectief bij de ggz zelf ligt terwijl dat niet altijd zo hoeft te zijn of niet steeds alleen bij de ggz ligt. Niet alleen binnen de ggz maar ook bij belendende sectoren en diverse (levens)domeinen is vermaatschappelijking een belangrijk principe. Deze derde nieuwsbrief van Mentalis wil vanuit enkele niet-ggz-specifieke hoeken in beeld laten brengen hoe men ggz-inclusief werkt.

Als sportclub onder sportclubs, als sporter onder sporters

… dat is het motto van Psylos vzw. Psylos vzw overkoepelt en ondersteunt sportclubs voor mensen met een psychische kwetsbaarheid. Deze clubs hebben een link met één of meerdere zorgsettings werkzaam binnen de geestelijke gezondheidszorg. Sommige clubs staan ook reeds open voor mensen die ambulante hulpverlening krijgen. Via de aangesloten clubs wil Psylos mensen met een psychische kwetsbaarheid op een duurzame manier in beweging zetten, waar nodig in de exclusieve context van de Psylosclub, waar mogelijk geïntegreerd in het reguliere sportaanbod. Psylos doet dit via een kwalitatief sportaanbod op maat van de sporters, zowel in de aangesloten clubs als via een gevarieerde activiteitenkalender en kant-en-klare beweegpakketten zoals Stap je mee?. Ook bij de clubondersteuning ligt de focus op maatwerk: vraaggestuurd en pro-actief. Deze is gericht op een kwalitatieve clubwerking en een goed contact met lokale sportactoren in functie van samenwerking en integratie. Psylos en haar clubs richten hun pijlen dus ook op de brede sportsector. Via diverse acties zoals infosessies op de sportraad, clubbezoeken, promotiefilmpjes en de inzet van ambassadeur Filip Meirhaeghe wil Psylos reguliere sportactoren informeren, sensibiliseren en inspireren. In de Psylosclubs wordt het individueel sporttraject van de leden begeleid. Voor sommigen biedt de Psylosclub de ideale omkadering, anderen stromen door naar een reguliere club in de buurt. Sporten in de Psylosclub betekent vaak een nieuwe start naar een gezondere levensstijl of een springplank naar de reguliere sportclub.

Meer info: www.psylos.be, 016 22 04 15 of info@psylos.be



Wat kunnen de CLB’s betekenen voor GGZ en wat kan GGZ betekenen voor de CLB’s?


Het decreet op de centra voor leerlingenbegeleiding van 1998 geeft aan de CLB’s een opdracht als draaischijffunctie tussen onderwijs en de wereld van welzijn en gezondheid. Belangrijk is te beseffen dat CLB’s steeds vertrekken vanuit een onderwijscontext. Een context die een andere finaliteit heeft dan een welzijns- en gezondheidscontext. CLB’s stellen altijd het belang van het kind centraal. Het CLB en de GGZ kunnen op verschillende manieren naar elkaar een rol spelen.  De dubbele benaming jongere/leerling wordt in deze tekst gehanteerd om het intern woordgebruik van beide sectoren in de verf te zetten en toch aan te tonen dat het om hetzelfde gaat.


De eerst en meest voorkomende vorm is de doorverwijsfunctie die CLB’s hebben voor leerlingen/jongeren met ggz-problemen. Hier kan het CLB binnen de brede instap doorverwijzen naar een CGG. Hier is het belangrijk dat CGG’s en CLB’s elkaar goed begrijpen en de juiste relevante informatie aan elkaar doorspelen. Dit enerzijds zodat GGZ aan de slag kan gaan met de cliënt op basis van nuttige en juiste gegevens van een reeds gelopen voortraject in de school. Terwijl anderzijds het CLB de nodige feedback krijgt om binnen het schoolgebeuren de leerling, maar ook de school te ondersteunen. Hoe vlugger de problematiek bij de leerling/jongere erkend wordt, hoe meer kans op resultaat er kan gecreëerd worden bij het hulpverleningstraject. Niet alle CLB-medewerkers hebben voldoende kennis om de signalen op een juiste manier te plaatsen en te interpreteren.

De tweede manier doet zich voor naar aanleiding van een signaal dat via de leerling/jongere het CLB bereikt, waarbij blijkt dat het probleem zich ofwel in de gezinscontext voordoet ofwel het probleem een dubbel aanpak vereist binnen de school en het gezin. Hierbij zal ook het CLB opnieuw zijn rol als draaischijf (of doorverwijzer) opnemen en het gezin pogen toe te leiden naar een CGG. Een samenwerking tussen CGG en CLB is dan ook geënt op het erkennen van elkaars expertise.

Een derde manier is deze van de schoolondersteuning. Als een CGG bijvoorbeeld vaststelt dat bepaalde problemen veel voorkomen in een bepaalde school, kan zij samen met het CLB een proces opzetten om na te gaan of de schoolcontext hier (mede) oorzaak van is. Tevens kan een volgende stap zijn dat CLB en CGG samen een traject opzetten met de school om maatregelen te nemen om de problemen aan te pakken en dit niet alleen in curatieve zin maar ook in preventieve zin.

Een vierde manier tenslotte bevindt zich duidelijk op het proactieve/preventieve vlak. Hier kan de sector GGZ mee een rol spelen bij de bewustmaking van leerlingen rond een bepaalde problematiek via de school, alsook bij het informeren over hoe zich te wapenen tegen de potentiële gevaren. Hier opnieuw spelen de CLB’s een rol als draaischijf. De jarenlange samenwerking rond alcohol en drugs kan hier als een voorbeeld naar voor geschoven worden. Belangrijk is hier dat de CLB’s informatie kunnen leveren over de schoolcultuur van waaruit de juiste preventieve acties dan kunnen opgezet worden. Iedere school is verschillend en vereist een aparte aanpak.

Belangrijk in al deze mogelijkheden is dat er goede afspraken komen tussen GGZ en CLB’s. Soms loopt het mis omdat de verwachtingen die beide partijen ten opzichte van elkaar hebben niet kloppen met de opdracht die de beide organisaties hebben. Respect voor elkaars eigenheid, cultuur en finaliteit is een grondvoorwaarde om op een goede manier te kunnen samenwerken. Daarnaast is er ook de voorwaarde dat we vertrouwen moeten hebben in elkaars professionaliteit. Een CLB zal niet zo maar doorverwijzen, of een CGG zal niet zomaar willen ingrijpen in de schoolcontext. Beide sectoren kampen met een tekort aan menskracht en middelen, maar door samen te werken kunnen we efficiënter en effectiever onze cliënt/leerling helpen. Onder het motto “goede afspraken, maken goede vrienden” is het dan ook aangewezen dat zowel op sectorniveau als op plaatselijk niveau netwerken worden opgezet. Tenslotte werken we toch allemaal voor hetzelfde doel, nl. het welzijn en de geestelijke gezondheid van de jongere/leerling, van deze jonge persoon.

Contacteer Dries Vandermeersch voor meer informatie (directeur GO! CLB Brussel).


SSeGA-project: Van een huurder verwacht SHM twee dingen: “hij betaalt zijn huur en hij gedraagt zich…zo niet, wordt hij geholpen.”

Het SSeGA-project is een samenwerkingsverband tussen enerzijds de Sociale Huisvestigingsmaatschappijen (SHM) ABC, De Ideale Woning, Woonhaven Antwerpen (Wonen) en anderzijds PC St.Amedeus, PC Broeders Alexianen en IBW De Vliering (Welzijn). De sociale diensten van SHM stellen vast dat een aantal huurders kampt met ernstige psychiatrische problemen (met inbegrip van verslavingsproblemen). Dit kan leiden tot een sociaal isolement voor de huurders, huurachterstal en/of overlast voor de buren en de ruimere omgeving. 


De sociale diensten stellen bovendien vast dat deze huurders doorgaans spontaan geen hulp inroepen bij de bestaande GGZ-voorzieningen. We hebben te maken met zorgwekkende zorgmijders die mogelijks ten gevolge van hun gedrag (lawaaihinder, burenruzies, wanbetaling, …), als neveneffect van hun psychiatrische problemen, dreigen hun betaalbare woonst te verliezen.

Voor deze huurders in het Antwerpse kan de sociale dienst van de SHM’s (en exclusief deze maatschappelijk werkers) beroep doen op het bemoeizorg-team. Het team, actief vanuit IBW De Vliering, werkt vanuit een psychiatrisch kader (team bestaande uit 3.6 VTE begeleiders en 3u/week psychiater).

De doelstellingen zijn overlast beperken, uithuiszetting voorkomen en sociale isolatie vermijden door een psychiatrische behandeling te starten, het herstelproces te bevorderen en maatschappelijke reïntegratie te stimuleren. Voor mensen die nog geen hulpverleningsgeschiedenis hebben, heeft deze manier van werken een preventieve waarde omdat probleemescalatie wordt vermeden en zorg wordt opgestart. Daarnaast kan adviesverlening aan de maatschappelijk werkers van de SHM’s of zorgcoördinatie voor cliënten met een complex netwerk ook aangewezen zijn.

De begeleiders van het bemoeizorg-team werken hoofdzakelijk outreachend en zijn gericht op het creëren van een vertrouwensrelatie met de cliënt. In aanvang is het in vele gevallen nodig de bemoeizorg-methodiek toe te passen omdat de cliënt zelf geen ziekte-inzicht heeft. Vanuit dat contact kan men komen tot het stellen van een psychiatrische diagnose, het maken van een risico-inschatting en het starten van een behandeling. Deze vorm van bemoeizorg in België is nieuw.

Tevens vernieuwend aan het project is het feit dat Wonen en Welzijn elkaar hebben opgeleid. De sociale diensten van de SHM’s hebben het bemoeizorg-team geleerd hoe sociaal wonen in elkaar zit en hoe contact leggen met sociale huurders. De GGZ-hulpverleners hebben de sociale dienst geleerd om naar bepaalde indicaties te kijken zodat zij als het ware een eerste inschatting kunnen maken en weten of ze iemand met problemen moeten doorverwijzen naar het bemoeizorg-team of naar andere hulpverlenende instanties. Door de wederzijdse vorming is er begrip voor elkaars werk gestimuleerd. Het heeft er voor gezorgd dat beide werkingen niet naast elkaar, maar met elkaar praten.

Bij dit alles is er ook regelmatig overleg met de SHM’s zodat zij op de hoogte blijven van die zaken die voor hen van belang zijn. Daarbij is het niet nodig dat zij informatie krijgen over het ziektebeeld. Daar speelt het voorwaardelijk beroepsgeheim. Er wordt enkel info uitgewisseld om ieder zijn werk goed te laten doen.

Contacteer ellen.berghmans@fracarita.org voor meer info of bezoek www.devliering.be

Proefwonen in Halle

In september 2011 ging het project Proefwonen van start. Het project uit Halle is één van de elf geselecteerde experimentele projecten Wonen-Welzijn. Dit project tracht de doorstroom van twee specifiek kwetsbare doelgroepen naar sociale huisvesting te bevorderen: personen met een verstandelijke beperking en psychiatrische patiënten.


In dit project wordt de toegang voor deze doelgroep via een overlegmodel tussen de woon- en welzijnspartners geregeld. Concreet betekent dit dat Woonpunt Zennevallei een woning ter beschikking stelt van het project en de welzijnspartners hierover informeert via een woningfiche. De welzijnsactoren kunnen geschikte kandidaat‐huurders voor de woning voorstellen via een aanmeldingsformulier. Doordat zij hun cliënten kennen weten ze wat de specifieke noden en verlangens zijn van de cliënt, zoals in welke buurt iemand zeker wel of niet wil wonen. Van de kandidaten worden naast geslacht en leeftijd enkel die kenmerken vermeld die van functioneel belang zijn op vlak van wonen. Er zijn in het project ook nog een aantal bijkomende voorwaarden zoals voldoen aan de inschrijvingsvoorwaarden voor sociale huisvesting, minstens een bepaalde periode onder begeleiding zijn van de aanmeldende dienst, bereid zijn om verder begeleiding te aanvaarden en leerpotentieel hebben met betrekking tot zelfstandig wonen. Van de aanmeldende welzijnspartner wordt verwacht dat ze deze voorwaarden toetsen alvorens een kandidaat aan te melden.

In een tweemaandelijks toewijzingsoverleg worden de woningen kort opnieuw beschreven. De kandidaat-huurders worden vervolgens anoniem voorgesteld. De aanmeldende welzijnspartner verdedigt de kandidatuur van de cliënt op de punten die vanuit vraagzijde belangrijk zijn. Vervolgens wordt de matching tussen woning en kandidaten besproken. Per beschikbare woning worden één hoofdkandidaat en één of twee reservekandidaten geselecteerd. Dit advies wordt overgemaakt aan het dagelijks bestuur (respectievelijk directiecomité of verhuurcomité) van de huisvestingsmaatschappij die de verhuring bekrachtigt. Belangrijk in de toewijzingsprodedure is dat de kandidaat-huurder de woning vooraf kan bezichtigen.

Het project heeft inmiddels 24 woningen toegewezen aan huurders uit deze twee doelgroepen. Meer uitgebreide informatie vind je in op onderstaande links: artikel in tijdschrift Alert (POW - editie 2014/3) en artikel in tijdschrift Woonwoord (VMSW - editie 31/winter 2014)

Liesbeth Naessens en Mieke Schrooten



LUSvzw verbindt mensen in een netwerkgroep: het verhaal van Hilde

LUSvzw versterkt netwerken van mensen met een welzijnsnood. Ook mensen met psychische problemen kunnen bij LUSvzw terecht. Iedereen heeft recht op een kwaliteitsvol leven in de samenleving, ook mensen die door moeilijke levensomstandigheden de regie van hun leven sterk uit handen gegeven hebben. Hiervoor is een netwerk van mensen onontbeerlijk. Voor velen is een persoonlijke achterban evident, tot je door ziekte, beperkingen, tegenslagen, …, niet meer in staat bent om je netwerk te onderhouden of verder uit te bouwen.


LUSvzw ondersteunt mensen die een netwerkgroep willen. Een netwerkgroep bestaat uit mensen die mee nadenken hoe ze de initiatiefne(e)m(st)er kunnen stimuleren om zijn/haar wensen te realiseren en de regie van zijn/haar leven (opnieuw) in handen te nemen. Samen met de betrokkene zoekt LUSvzw naar mensen uit het bestaande netwerk die ongeveer om de zes weken één à anderhalf uur willen samenkomen om te praten over de veranderingswensen van de initiatiefnemer. LUSvzw zoekt een facilitator die op vrijwillige basis de bijeenkomsten begeleidt zodat er concreet aan de slag gegaan wordt.

Hilde is een vrouw die de winst van een netwerk begrepen heeft, maar door psychische problemen aanmoediging nodig heeft om haar netwerk te versterken.

Wanneer Hilde kennismaakt met LUSvzw, is ze 41 jaar. Na haar scheiding is ze voor een langdurige begeleiding opgenomen in een psychiatrische voorziening. Bij het verlaten van de voorziening krijgt ze een sociale woning. Haar drie dochters wonen bij hun vader. Hilde is afhankelijk van een invaliditeitsuitkering. Af en toe komt haar moeder op bezoek en helpt haar in het huishouden. Ze gaat nog een tijdje één keer per week naar een dagtherapie. In haar agenda staat zo goed als elke dag een afspraak met een hulpverlener (huisarts, psychiater, OCMW-begeleiding, …). Deze afspraken zijn belangrijk voor haar, omdat het haar enige contacten met de buitenwereld zijn, behalve de sporadische bezoeken van haar moeder. Recent heeft ze een vrouw uit de buurt leren kennen die haar af en toe komt opzoeken. Ze wil haar leven opnieuw uitbouwen, een nieuwe stek in de samenleving vinden. En wie weet, op termijn co-ouderschap…

Hilde wil graag een netwerkgroep opstarten die haar kan stimuleren en ze wil hiervoor graag ondersteuning van LUSvzw. Hilde nodigt verschillende mensen uit: haar moeder, de nieuwe vriendin, een vroegere buurvrouw, een kennis met wie ze meer contact wenst. De drie eersten zeggen toe. Ze wil de bijeenkomsten bij haar thuis organiseren.

Tijdens de eerste bijeenkomsten komen verschillende aspecten van Hilde aan bod: haar kinderen, haar levensverhaal, haar ruime waaier aan interesses, de dingen die ze goed kan, … Het schept een indrukwekkend beeld van deze vrouw. Wanneer de groep haar aanmoedigt om enkele van haar vroegere hobby’s of interesses terug op te nemen, gaat ze er niet op in. Ze geeft zelf aan dat ze moeite heeft om de dingen vol te houden, ze raakt alles snel beu. Na drie bijeenkomsten haakt de buurvrouw af, wegens een drukke agenda, maar ook omdat ze vindt dat er geen resultaten zijn. De groep blijft bijeenkomen met de moeder en de vriendin. LUSvzw vindt een vrijwilliger, maar ook zij haakt af omdat ze de problematiek van Hilde te zwaar vindt. Een betaalde kracht van LUSvzw blijft de bijeenkomsten begeleiden.

Vanaf de vierde bijeenkomst vraagt Hilde of het thema communicatie kan besproken worden. Ze heeft vaak het gevoel dat anderen haar niet begrijpen. Het bespreken van dit onderwerp geeft haar het gevoel dat er naar haar geluisterd wordt. Langzaamaan brengt ze ook andere onderwerpen aan zoals ‘mama zijn’ en ‘hoe kan je vrienden maken.’ Ze grijpt deze onderwerpen aan om negatieve ervaringen uit het verleden te delen. De bijeenkomsten zijn voor haar ook een gelegenheid om na te denken over hoe ze opnieuw mama kan zijn voor haar kinderen. Intussen ziet ze haar kinderen meer en er wordt een regeling rond co-ouderschap uitgewerkt. Soms vraagt ze aan de groep ook advies over de opvoeding van de kinderen.

Ongeveer een jaar na de kennismaking met LUSvzw, leidt Hilde een ander leven. Ze heeft veel minder afspraken met hulpverleners, ze is aangesloten bij een buurtvereniging, ze heeft co-ouderschap voor de jongste dochters, de oudste verkiest om bij de vader te wonen. Ze heeft een man leren kennen met wie ze een relatie heeft, maar ze geeft aan dat hij nog niet de nieuwe ware is.

Meer info over onze visie en onze werking vind je op: www.lusvzw.be