Nieuws‎ > ‎

Emotietheorieën

Geplaatst 3 feb. 2012 03:34 door Geert Stienissen   [ 3 feb. 2012 03:37 bijgewerkt ]

Ongeveer anderhalve eeuw geleden viel de Engelse bioloog Charles Darwin iets verbazingwekkend op over de manier waarop we onze emoties uitdrukken. Het viel hem op dat mensen uit verschillende culturen dezelfde gezichtsexpressies overbrengen, hoewel de talen enorm verschillen. Een glimlach betekent overal hetzelfde zo wist Darwin uit zijn vele reizen. Darwin had hiervoor een verklaring: gezichtsuitdrukkingen zijn niet aangeleerd maar liggen vast in onze hersenen. Paul Ekman zou vele jaren later met empirisch bewijs komen voor deze stelling.

Rond de eeuwwisseling naar de 20ste eeuw komen twee wetenschappers (de Amerikaan William James en de Deen Carl Lange) onafhankelijk van elkaar rond dezelfde tijd tot eenzelfde conclusie. De James-Lange theorie bevat twee hoofdkenmerken:

1)   Prikkels geven aanleiding tot een lichaamsreactie.

2)   Het feit dat we de lichaamsreactie gewaarworden, leidt tot een emotie.

Deze theorie is het gemakkelijkst uit te leggen via een voorbeeld: Bv. een woeste hond rent op jou af, je maakt rechtsomkeer en verschuil je achter een afsluiting, terwijl je daar zit besef je dat je erg bang was.

Volgens de James-Lange theorie reageren mensen op een prikkel met een lichaamsreactie (bv. droge mond of kippenvel) die veroorzaakt wordt door het autonoom zenuwstelsel. Emoties zijn bij hen het gevolg van de lichaamsreactie. Schematisch valt dit te noteren als: stimulus à fysiologische reactie à emotie

De theorie van James en Lange kan in wetenschappelijke kringen niet meer op veel bijval rekenen. Dat emoties louter het gevolg zijn van een lichaamsreactie is geen gemakkelijk te verdedigen standpunt. Zo dachten Walter Cannon en Philip Bard er als eerste over.

In de jaren 1920 suggereerden deze twee onderzoekers dat mensen gelijktijdig lichaamsreacties en emoties ervaren op basis van een prikkel. Fysiologische reacties zijn immers te traag om emoties uit te lokken, zo argumenteerden ze. Het standpunt dat de lichaamsreacties en de emoties op hetzelfde moment via de thalamus in de hersenen ontstaan, is bekend als de Cannon-Bard theorie. Schematisch ziet het er zo uit: stimulus à fysiologische reactie + emotie

Een volgende theorie hecht belang aan cognitie voor de interpretatie van prikkels. De tweefactorentheorie of Schachter-Singer theorie gebruikt elementen uit de theorieën van James-Lange en Cannon-Bard. De aandacht verschuift wel deels. De psychologen besluiten op basis van onderzoek dat een combinatie van fysiologische reacties en de verwerking van informatie uit de omgeving (interpretatie) resulteert in emoties.

Laten we dit staven met een voorbeeld: Bv. verhoogde hartslag (= fysiologische reactie) zegt als dusdanig weinig over onze emotie. Maar dankzij de interpretatie van de omgeving realiseren we ons dat de verhoogde hartslag een gevolg is van verliefdheid (en niet van woede, angst, …). 

Schachter en Singer voerden in 1962 een onderzoek uit met studenten. Ze dienden één groep proefpersonen een injectie met het pepmiddel adrenaline toe. Adrenaline veroorzaakt onder meer een versnelde hartslag. Een tweede groep kreeg een injectie met een niet-werkzame stof (placebo). Na de inspuitingen werden de proefpersonen in twee kunstmatig gecreëerde omgevingen geplaatst. Een groep kreeg te maken met een grapjas, de andere groep met een vervelende vragensteller.

De twee situaties hadden weinig effect op de studenten die een placebo-injectie kregen. Maar de proefpersonen die met adrenaline werden geïnjecteerd vertoonden wel emoties. Het bijzondere was dat hun emotie afhankelijk was van de situatie. De proefpersonen die in het gezelschap verkeerden van de moppentapper werden blij en uitbundig. De proefpersonen in vervelend gezelschap boos.

De conclusie ligt voor de hand. Eenzelfde lichaamsreactie (verhoogde hartslag) kan gepaard gaan met twee totaal verschillende emoties (in dit geval woede en blijheid). Dus om tot die emotie te komen speelt de interpretatie van de omgeving (cognitie) een essentiële rol.

De inbreng van cognitie in de emotietheorie veroorzaakte levendige discussies in de academische wereld. Zajonc en Lazarus voerden misschien wel het bekendste debat. Voor Robert Zajonc ontstonden emoties voor de cognitieve processen en waren ze dus onafhankelijk van cognitie. Robert Lazarus stond dicht bij theorie van Schachter en Singer. Volgens hem maken emoties deel uit van het cognitieve proces.

Van de talrijke andere theorieën over emoties bespreken we er nog één. De Nederlandse psycholoog Nico Frijda schrijft dat emoties de aanjagers zijn van gedrag. Ze dienen om de noden van een persoon te vervullen en geven dus aan in hoeverre die bereikt zijn. Als dusdanig bepalen ze het gedrag van mensen.

© Geert stienissen, januari 2012.