Nieuws‎ > ‎

Conformisme, een nuttige noodzakelijkheid of een kwalijk identiteitsverlies

Geplaatst 11 nov. 2011 16:33 door Geert Stienissen   [ 11 nov. 2011 16:36 bijgewerkt ]

We worden allen voortdurend beïnvloed. Ons gedrag passen we dan ook vaak aan. Indien we een meerderheid volgen heet dit conformisme (meerderheidsinvloed). Talrijke experimenten tonen de buigbaarheid van onze mentale ruggengraat aan.

 

In 1935 bedacht de Turk Muzafer Sherif één van de eerste experimenten rond sociale beïnvloeding. Sherif geloofde dat Amerikanen meer naar conformisme neigden omdat hun democratische model, in het interbellum nog eerder uitzondering dan regel in de wereld, de nadruk legde op gemeenschappelijke standpunten. De sociaal psycholoog liet mannelijke studenten alleen of per twee à drie personen plaatsnemen in een donkere kamer. In deze kamer projecteerde hij één lichtspot op een vijftal meter afstand van de proefpersonen. Sherif wist dat zonder een referentiekader zo’n spot zich grillig lijkt te gedragen voor de menselijke waarneming. Deze perceptuele illusie heet het autokinetisch effect.

 

De proefpersonen werd in eerste instantie individueel gevraagd op welke wijze ze de beweging van het licht beoordeelden. Ze waren niet op de hoogte van de illusie. De meningen liepen uiteen van enkele centimeters tot vele meters. Vervolgens werden ze in een groep met anderen geplaatst. Ze gaven aanvankelijk erg uiteenlopende schattingen maar al snel groeiden ze naar een quasiconsensus toe, een groepsnorm. Achteraf peilde Sherif opnieuw naar de inschatting van elke individuele proefpersoon. Zijn nieuwe beoordeling viel bijna altijd binnen de nieuwe groepsnorm met een mogelijk sterke afwijking van zijn oorspronkelijke mening.

 

Bekender zijn de conformiteitsexperimenten van Solomon Asch uit de jaren ‘50. Asch achtte het conformiteitseffect van Sherif weinig realistisch. Hij meende dat de van vrijheid doordrongen Amerikanen net minder geneigd waren de massa te volgen. De fout in Sherif’s experiment was het dubbelzinnige referentiekader, zo meende hij. Echt conformisme, zo betoogde Asch, is dat de groep de mening van de proefpersoon aanvecht en dat laatste, hoewel hij duidelijk waarneembaar gelijk heeft, toegeeft aan de groep.

 

In zijn eerste proef nodigde Asch zeven studenten uit om deel te nemen aan een experiment over visuele discriminatie. Ze kregen de opdracht om aan te geven welke lijn even groot was als de standaardlijn. Bij iedere ronde was één lijn van de drie inderdaad identiek als de opgegeven standaardlijn. Het foutenpercentage bedroeg minder dan één percent in deze setting.

 

Bij de tweede proef werd aan de studenten gevraagd hun mening luidop te zeggen. Bij deze proef was er slechts één echte proefpersoon. Deze zat op de voorlaatste plaats. Zijn zes “quizgenoten” gaven op een onpersoonlijke wijze vooraf ingestudeerde antwoorden. Er waren zes beurten (de eerste twee en zes andere verspreid over het experiment) waarbij ze correct antwoordden om het experiment geloofwaardig te houden. Bij twaalf andere rondes gaven ze een verkeerd antwoord. Dit experiment werd honderddrieëntwintig keer herhaald.

 

Slechts een kwart van de proefpersonen behield zijn onafhankelijkheid tijdens dit experiment, terwijl meer dan één derde zich conformeerde aan de mening van de eensgezinde -maar ogenschijnlijk waarneembaar- foute meerderheid. Ter herinnering, het foutenpercentage was niet eens één percent bij het vooronderzoek. Sommige proefpersonen gaven achteraf te kennen dat het voor hen gemakkelijker was om de mening van de meerderheid te volgen, hoewel ze aan de correctheid ervan twijfelden. Bij andere proefpersonen wierp het verschil in mening een conflict op dat werd opgelost door zichzelf wijs te maken dat de groep en niet zij het bij het rechte eind hadden.

 

Recent onderzoek van de neurowetenschapper Gregory Burns bewijst dat ons brein ingesteld is op de mening van anderen. We zien de werkelijkheid voor een groot deel zoals de groepsconsensus ons vertelt dat we ze moeten zien. Hierdoor wordt de waarheid een kwestie van perceptie.

 

Conformisme hoeft niet noodzakelijk slecht te zijn. Het maakt onze leefwereld voorspelbaar, geeft ons structuur en maakt dat we ons gedragen binnen bestaande (onuitgesproken) conventies, zoals in een rij wachten. Anderzijds blijven we best op onze hoede voor de dictatuur van de groep, die ons in haar macht houdt en waardoor we onvermijdelijk ons “zelf” verliezen. Bewustzijn over groepsdruk via experimenten zoals dat van Asch vermindert de kans dat we volledig zwichten voor de meerderheid en in een ongezonde situatie belanden.  

 

© Geert Stienissen, 12 november 2011
 

Solomon Asch