(klik op ▼, ► om in / uit te klappen)

Citaten daoïsme

Opdracht

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?
En mijn even oude vader: Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.
Ik zei: Ik begrijp precies wat je bedoelt.

Deze website draag ik op aan iedereen die het net als ik, om wat voor reden dan ook, niet meer weet - in het bijzonder aan mijn moeder die op 25 juli 2011 en mijn vader die op 21 april 2012 ook het niet weten voorgoed achter zich lieten.

Disclaimer

Citaten op deze website zijn over het algemeen niet representatief voor de auteur of het werk in kwestie.

Ik ben het nergens mee eens of oneens, ook hiermee niet. Ik erken of ontken niets, ook dit niet. Dat geldt niet alleen voor de citaten maar ook en vooral voor alles wat gezegd moest blijven in mijn dwaalteksten.

Dwijsheid



Verlichting voor dummy'sHet weten > Dwijsheid

Deze pagina: Dwaalteksten over dwaasheid, wijsheid en dwijsheid.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.





Dat zal best

Niet weten is geen onwetendheid, en ook geen hoger weten.
Het is geen dwaasheid, en ook geen wijsheid.
Het is het onvermogen om dwaasheid te onderscheiden van wijsheid.
Niet weten is steno voor: niet weten te onderscheiden.

Natuurlijk, ik kan wel onderscheid maken, en dat doe ik ook onophoudelijk. Maar ik kan geen enkel onderscheid hard maken. Hoe dieper ik op een verschil inga, hoe meer het me ontglipt. Bij nader inzien houden mijn onderscheidingen geen stand. Ze zijn niet van schokbeton maar van ijs - ze smelten op mijn tong. Ze zijn van kalksteen - ze verbrokkelen onder mijn voeten. Ze zijn van drijfzand - ik zak er steeds dieper in weg. Begrippen blijken zeepbellen, theorieën kaartenhuizen, visies oogkleppen, geboden schoten in het duister, leefregels slagen in de lucht. Niet weten is een acuut, nee een chronisch, nee een chronisch-acuut besef van de grondeloosheid van ieder onderscheid - inclusief het onderscheid tussen gegrond en grondeloos.


Onderscheidingen verdwijnen niet in niet weten, zoals vaak gedacht wordt, maar worden erdoor gerelativeerd. Ze komen tussen haakjes te staan. Tussen aanhalingstekens. Ze hangen in het luchtledige.

Steeds wanneer zich een gedachte voordoet, een weten, een verschil, een oordeel, een standpunt, een stellingname, fluistert niet weten: "Ja, ja. Dat zal best":

Heilig versus werelds? Ja, ja. Dat zal best.
Alles is liefde? Ja, ja. Dat zal best.
Goed versus slecht? Ja, ja. Dat zal best.
Ik versus anderen? Ja, ja. Dat zal best.
Dualiteit versus non-dualiteit? Ja, ja. Dat zal best.
Dwaas versus wijs? Ja, ja. Dat zal best.
Iemand versus niemand? Ja, ja. Dat zal best.
Weten versus niet weten? Ja, ja. Dat zal best.

Van zichzelf is niet weten niet wijs en niet dwaas. Je kunt ook zeggen dat het beide is; vandaar dwijs.


Een röntgenstraal

Leerling: Wat is dwijsheid?
Meester: Een röntgenstraal.
Leerling: Wat zie je als je hem op dwaasheid richt?
Meester: Louter transparantie.
Leerling: En als je hem op wijsheid richt?
Meester: Louter ondoorzichtigheid.


Van de wijs

Leerling: Wat is wijsheid?
Meester: Niet weten wat wijs is.



Meester: Wat is wijsheid?
Leerling: Niet weten wat wijs is.
Meester: Wijsneus.



Meester: Wat is wijsheid?
Leerling: Ik zeg niks.
Meester: Wijsneus.


Een dwijsvinger

Onder een dwijsvinger versta ik een wijsvinger naar dwijsheid oftewel een middelvinger naar wijsheid.


Een hele gare

Voelen
Leerling: Zijn er bepaalde dingen die een dwijze niet voelt?
Meester: Niet dat ik weet.
Leerling: Wat voelt u zoal?
Meester: Blijdschap, lust, weerstand, honger, verzadiging, euforie, schaamte, schuld, verveling, melancholie, pijn, boosheid, woede, ergernis, verdriet, weemoed, ontroering, medelijden, onverschilligheid, jaloezie, liefde, haat, hartstocht, lauwheid, sympathie, antipathie, ongeduld, geduld, bezorgdheid, angst, verheugenis, walging en wat al niet.
Leerling: Kortom, je weet maar nooit?
Meester: Precies.
Leerling: Net als ik!
Meester: Wat had je dan gedacht?
Leerling: Dat een dwijze alleen maar fijne gevoelens had.
Meester: Zoals?
Leerling: Liefde, geluk en innerlijke vrede.
Meester: Dan zou hij maar een half mens zijn.
Leerling: Een halve gare!
Meester: In ieder geval geen dwijze.
Leerling: Wat hebben al die gevoelens te betekenen?
Meester: Ik zou het echt niet weten.
Leerling: Wilt u zeggen dat ze niets te betekenen hebben?
Meester: Hoe moet ik dat weten?
Leerling: Wat verstaat u onder dwijsheid?
Meester: Voelen wat je voelt zonder te weten wat het te betekenen heeft.

Doen
Leerling: Zijn er bepaalde dingen die een dwijze nooit doet?
Meester: Niet dat ik weet.
Leerling: Wat doet u zoal?
Meester: Ik zing, ik klaag, ik zwijg, ik spreek, ik mopper, ik scheld, ik zoek ruzie, ik vlei, ik dreig, ik lach, ik huil, ik help, ik hinder, ik hou me aan regels, ik overtreed regels, ik confronteer, ik mijd, ik werk, ik luier, ik slaap, ik lig wakker, ik snoep, ik poep, ik laat winden en boeren, ik krab mezelf, ik maak goeie grappen, ik maak slechte, ik leef mij in en ik hoop op het ergste, ik doe mijn best, ik loop de kantjes eraf, ik help, ik laat mensen in hun sop gaarkoken en wat al niet.
Leerling: Kortom, je weet maar nooit?
Meester: Precies.
Leerling: Net als ik!
Meester: Wat had je dan gedacht?
Leerling: Dat een dwijze alleen maar positieve dingen deed.
Meester: Zoals?
Leerling: Liefhebben, troosten en verlossen.
Meester: Dan zou hij maar een half mens zijn.
Leerling: Een halve gare!
Meester: In ieder geval geen dwijze.
Leerling: Wat heeft al dat gedoe te betekenen?
Meester: Ik zou het echt niet weten.
Leerling: Wilt u zeggen dat het niets te betekenen heeft?
Meester: Hoe moet ik dat weten?
Leerling: Wat verstaat u onder dwijsheid?
Meester: Doen wat je doet zonder te weten wat het te betekenen heeft.

Denken
Leerling: Zijn er bepaalde dingen die een dwijze nooit denkt?
Meester: Niet dat ik weet.
Leerling: Wat denkt u zoal?
Meester: De gekste dingen. De gewoonste dingen. De mooiste dingen. De lelijkste dingen. De wildste dingen en de tamste. De wreedste dingen en de schoonste. De meest abstracte dingen en de meest concrete. Niets menselijks is mij vreemd. Niets onmenselijks is mij vreemd.
Leerling: Kortom, je weet maar nooit?
Meester: Precies.
Leerling: Net als ik!
Meester: Wat had je dan gedacht?
Leerling: Dat een dwijze alleen maar goede dingen dacht.
Meester: Dan zou hij maar een half mens zijn.
Leerling: Een halve gare!
Meester: In ieder geval geen dwijze.
Leerling: Wat hebben al die gedachten te betekenen?
Meester: Ik zou het echt niet weten.
Leerling: Wilt u zeggen dat ze niets te betekenen hebben?
Meester: Hoe moet ik dat weten?
Leerling: Wat verstaat u onder dwijsheid?
Meester: Denken wat je denkt zonder te weten wat het te betekenen heeft.


Hele en halve woorden



half mens, halfmens
iemand die alleen nog maar positieve gevoelens en gedachten heeft en alleen nog maar goeie dingen doet

halve gare
1. iemand die meent een half mens te kunnen worden
2. iemand die meent een half mens voor zich te hebben
3. iemand die meent een half mens te zijn

helen
1. onder ogen zien dat je op dit moment geen half mens bent maar een heel
2. onder ogen zien dat je dat misschien altijd zult blijven, wat je ook probeert
3. onder ogen zien dat je dat misschien nooit onder ogen zult zien
4. onder ogen zien dat je dát misschien ook nooit onder ogen zult zien

hele gare
dwijze


Geheeld

Leerling: Als ik geheeld ben, zal ik dan eindelijk vrede hebben met mezelf?
Meester: Je hoopt nog steeds een halfmens te worden.


Ertussenin

Leerling: Wat is het verschil tussen de dwaas en de wijze?
Meester: De dwaas kiest het ruime sop, de wijze blijft aan land.
Leerling: En de dwijze?
Meester: Die valt tussen de wal en het schip.


De dwaas, de wijze en de dwijze


De dwaas meent dat de wereld echt is.
De wijze meent dat de wereld een illusie is.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat hij iemand is.
De wijze meent dat hij niemand is.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat hij een vrije wil heeft.
De wijze meent dat hij geen vrije wil heeft.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat hij in de wereld is.
De wijze meent dat de wereld in hem is.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat alles wezenlijk is.
De wijze meent dat alles leeg is.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat hij de film is.
De wijze meent dat hij het doek is.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat hij licht ziet.
De wijze meent dat hij licht geeft.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat het bewustzijn in de hersenen verschijnt.
De wijze meent dat de hersenen in het bewustzijn verschijnen.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat God hem heeft geschapen.
De wijze meent dat hij de Schepper is.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat alles relatief is.
De wijze meent dat alles absoluut is.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat hij moet doen.
De wijze meent dat hij moet laten.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat hij geboren is.
De wijze meent dat hij ongeboren is.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat hij zal sterven.
De wijze meent dat hij onsterfelijk is.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat het verleden en de toekomst echt zijn.
De wijze meent dat alleen het heden echt is.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat liefde de mensen verbindt.
De wijze meent dat liefde de mensen oplost.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat de waarheid onder woorden gebracht kan worden.
De wijze meent dat de waarheid onuitsprekelijk is.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat er iets te bereiken valt.
De wijze meent dat er niets te bereiken valt.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat hij iets nodig heeft.
De wijze meent dat hij niets nodig heeft.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat hij moet strijden.
De wijze meent dat hij moet aanvaarden.
De dwijze meent niets.


De dwaas meent dat hij houvast nodig heeft.
De wijze meent dat hij alles moet loslaten.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat het denken zal overwinnen.
De wijze meent dat het denken overwonnen moet worden.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat begeerte bevredigd moet worden.
De wijze meent dat begeerte overwonnen moet worden.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat er een leer is.
De wijze meent dat er geen leer is
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat de leer nergens is.
De wijze meent dat de leer overal is.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat hij verlicht kan worden.
De wijze meent dat hij al verlicht is.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent dat er een weg is.
De wijze meent dat er geen weg is.
De dwijze meent niets.

De dwaas meent iets te weten.
De wijze meent niets te weten.
De dwijze meent niets -
zelfs niet dat hij niets meent.


Stil verlangen

De dwaas wou dat hij wijs was.
De wijze wou dat hij dwaas was.
De dwijze niet.


Voorbij

Leerling: Wat is domheid?
Meester: Je vorige inzicht.
Leerling: Wat is wijsheid?
Meester: Je huidige inzicht.
Leerling: Wat is echte wijsheid?
Meester: Je volgende inzicht.
Leerling: Zo kun je wel aan de gang blijven.
Meester: Tja.
Leerling: Wat is de laatste wijsheid?
Meester: De inzichten voorbij.
Leerling: En de allerlaatste?
Meester: Het voorbijzijn voorbij.
Leerling: Wat heb je dan nog over?
Meester: Tja.
Leerling: Noem dat maar wijsheid.
Meester: Noem dat maar dwijsheid.


Niets maken

Leerling: Wat is dwijsheid?
Meester: Jezelf niets wijs maken.

Leerling: Wat is dwijsheid?
Meester: Jezelf niets maken.


Alleen voor jou

Leerling: Wat is dwijsheid?
Meester: Het goedkeuren niet goedkeuren, het afkeuren niet afkeuren.
Leerling: Hoe bereik ik dat?
Meester: Door niet reiken.
Leerling: Wat moet ik daarvoor doen?
Meester: Dat zou toch weer reiken zijn.
Leerling: Wat moet ik ervoor laten?
Meester: Dat zou nog steeds reiken zijn.
Leerling: Wanneer zal ik niet meer reiken?
Meester: Als je het allemaal niet meer weet.
Leerling: Wat heb ik dan bereikt?
Meester: Eigenlijk niets.
Leerling: Niets?
Meester: Niets om over naar huis te schrijven.
Leerling: Waarom geeft u het dan toch een naam.
Meester: Een naam?
Leerling: Dwijsheid.
Meester: O, dat.
Leerling: Nou?
Meester: Dan lijkt het nog wat.
Leerling: Voor wie?
Meester: Voor jou natuurlijk.


Dwijze, dwijsneus


Dwijze
betekent op deze website hetzelfde als dwijsneus: iemand die geen onderscheidingen weet te maken, of althans, die het heilige geloof in zijn onderscheidingen is kwijtgeraakt. De dwijze is niet in de ban van "onjuiste" opvattingen zoals een dwaas, niet in de ban van "juiste" opvattingen zoals een wijze, niet in de ban van welke opvatting dan ook, zelfs niet van de opvatting dat hij niet in de ban van een of andere opvatting zou (mogen) verkeren. Hij is wetend niet wetend, denkend niet denkend, doende niet doend, kortom, dwijs.

Niet alleen is de dwijze het weten voorbij maar ook het niet weten - en daardoor geen van beide. Vandaar dat hij zich zelfs niet het Grote Onbekende waant, of de Eeuwige Stilte, of het Wonderbaarlijke, of het Numineuze, of het Mysterie, of wat dan ook, noch weet hij zich de Getuige daarvan, of een non-entiteit die alleen maar is en luistert naar de naam Niemand; noch weet hij zich kwetsbaar of onkwetsbaar, almachtig of overgeleverd; noch leeft hij in overgave of genade, noch weet hij zich vrij of onvrij of iets ertussenin of ernaast of erboven of erachter of eronder.

De dwijze weet alleen maar niet.

Onthutsend eenvoudig eigenlijk. Vindt u niet?


Geen-zienswijze

Leerling: Dwijsheid is ook maar een zienswijze.
Meester: Welke dan?
Leerling: De zienswijze dat wij niets kunnen weten.
Meester: Dat wij niets kunnen weten is een zienswijze maar geen dwijsheid.
Leerling:  Ik bedoelde natuurlijk de zienswijze dat wij zelfs niet niets weten.
Meester: Dat wij zelfs niet niets weten is een zienswijze maar geen dwijsheid.
Leerling: Wat is dwijsheid dan wel?
Meester: Geen-zienswijze.


Onderscheidingsonvermogen

Dat de wijze over wijsheid beschikt - kennis, inzicht, onderscheidingsvermogen - betekent nog niet dat de dwijze over dwijsheid beschikt. Dwijsheid is eerder een onderscheidingsonvermogen. Het is niet zozeer iets waarover je beschikt als iets waarover je de beschikking bent kwijtgeraakt - of waardoor je niet langer beschikt wordt.

Willen we ons voor de verandering positief uitdrukken, dan moeten we dwijsheid omschrijven als het inzicht dat al onze onderscheidingen grondeloos zijn. Met deze kunstgreep introduceren we natuurlijk wel het - grondeloze - onderscheid tussen gegrond en grondeloos. Net zoals het woord dwijsheid, dat het onderscheid tussen dwaasheid en wijsheid zoekt te overstijgen, zich ongevraagd positioneert tussen deze termen in, en, of ik het nou leuk vind of niet, maar liefst drie nieuwe onderscheidingen introduceert: dwaasheid - dwijsheid, dwijsheid - wijsheid, en (dwaasheid - wijsheid) - dwijsheid. Voor het geval u eroverheen heeft gelezen: ik heb en passant ook nog onderscheid gemaakt tussen onderscheiden en niet onderscheiden, en tussen inzicht en geen inzicht. Dit heet: van kwaad tot erger. Wat ons weer de onderscheidingen kwaad - goed, en erger - beter oplevert. Want spreken is verdelen. Maar zwijgen is daarom nog geen verenigen.


Terugtrekken

Een beginnende leerling zei: Wat is dwijsheid?
De meester zei: Een almaar terugtrekkende beweging.
De leerling zei: Waaruit?
De meester zei: Het almaar oprukkende weten.

Een halfwas leerling zei: Wat is dwijsheid?
De meester zei: Een almaar terugtrekkende beweging.
De leerling zei: Waaruit?
De meester zei: Het almaar oprukkende niet weten.

Een gevorderde leerling zei: Wat is dwijsheid?
De meester zei: Een almaar terugtrekkende beweging.
De leerling zei: Waaruit?
De meester zei: De almaar oprukkende dwijsheid.

De ene meester zei: Wat is dwijsheid?
De andere meester zei: Een almaar terugtrekkende beweging.
De ene meester zei: Waaruit?
De andere meester zei: Een almaar terugtrekkende beweging.


Hm

Leerling: Wat is dwijsheid?
Meester: Niet weten wat je ergens van moet denken.
Leerling: Waarvan?
Meester: Waar dan ook van.
Leerling: Hm.
Meester: Wat is er?
Leerling: Ik weet niet wat ik daarvan moet denken.
Meester: Dat is dwijsheid.


Ramen lappen


Dwijsheid is als ramen lappen - niet om des te beter naar buiten te kijken, niet om de aandacht op het glas te vestigen maar uitsluitend vanwege het lappen zelf, het schoonpoetsen, het wissen. Vandaar dat dwijsheid zich het beste laat uitdrukken in dwaalteksten: stukjes zonder inhoud of pretentie die alleen het weerspreken zelf willen demonstreren, het ontdenken van iedere gedachte, het ontzeggen van elk gezegde, zonder eind.


Pet

Meester: Wat is wijsheid?
Leerlingen:
Geestelijke rijkdom.
Geestelijke armoe.
Geestelijk bankroet.
Wat denkt u meester?
Meester: Gooi maar in mijn pet.



Krumpie

Een gevleugelde uitspraak, meen ik, van het olifantje Krumpie, dacht ik, in mijn favoriete jeugdboek, geloof ik, De zeven wonderdaden van Kevertje Plop, of zoiets, van ene Jean Dulieu, vermoed ik, luidt: Misschien wel, maar misschien ook niet.

Al rond mijn zevende, toen mijn vader dit verhaal aan mij voorlas onder de hoogtezon, heeft deze uitspraak zich althans in deze vorm in mij vastgezet - ook al zou het nog decennia duren voordat ik zelf een soort Krumpie werd.

Als definitie van dwijsheid kan deze uitspraak zich misschien wel meten met de beste - maar misschien ook niet.


Op losse schroeven

Leerling: Getuigt dwijsheid niet van een diep wantrouwen?
Meester: Jegens wat?
Leerling: Jegens de wereld?
Meester:  Zeker.
Leerling: Jegens de ander?
Meester: Beslist.
Leerling: Jegens jezelf?
Meester: Uiteraard.
Leerling: Jegens je gedachten?
Meester: Nou en of.
Leerling: Zo wil ik niet leven.
Meester: Hoe niet?
Leerling: In wantrouwen.
Meester: De dwijze wantrouwt zelfs het wantrouwen.
Leerling: Maar dat zet het hele wantrouwen op losse schroeven!
Meester: Daar zou ik maar niet al te zeer op vertrouwen.


Dat zeg ik

Leerling: Waar gelooft u eigenlijk in?
Meester: Nergens in.
Leerling: Behalve in uzelf.
Meester: Ook niet.
Leerling: Behalve in niet geloven dan.
Meester: Ook niet.
Leerling: Dat gelooft u toch zeker zelf niet.
Meester: Dat zeg ik.
Leerling: Dwaasheid!
Meester: Dwijsheid!


Paranoia

Leerling: Wat is dwijsheid?
Meester: Paranoia.
Leerling: Wat is paranoia?
Meester: De zoveelste poging van de geest om de macht over te nemen.
Leerling: Dus u gelooft dat wij een geest hebben?
Meester: Ik niet.
Leerling: Gelooft u dan dat wij geen geest hebben?
Meester: Dat ook niet.
Leerling: Maar u gelooft wel in macht?
Meester: Nee.
Leerling: U gelooft niet in macht?
Meester: Dat ook niet.
Leerling: Waarom definieert u paranoia dan als een poging van de geest om de macht over te nemen?
Meester: Ik zeg maar wat.
Leerling: O.
Meester: Wat ik ook zeg, ik zeg maar wat.
Leerling: Aha.
Meester: Gesnopen?
Leerling: U zegt maar wat.
Meester: Ook als ik zeg dat ik maar wat zeg.
Leerling: Dus eigenlijk niet?
Meester: Ook als ik zeg: "ook als ik zeg dat ik maar wat zeg".
Leerling: Dat mag gerust paranoia heten.
Meester: Of dwijsheid.


De voorhof

Leerling: Twijfel is de voorhof die ieder doorgaan moet die de tempel der wijsheid wil binnentreden.
Meester: Wijsheid is de voorhof die ieder doorgaan moet die de tempel der twijfel wil binnentreden.


Een twijfelen

Leerling: Ik vraag mij af, wat voor twijfelen is dwijsheid?
Meester: Een twijfelen dat zich niets meer afvraagt.


Polderwijsheid

Niet weten is als de polder. Vlak en open. De grootste hoogte is de grootste diepte. Je voetstuk steekt niet boven het maaiveld uit, het maaiveld niet boven je voetstuk. Geen bergen, geen dalen. Niets om je achter te verbergen, niets om in te verdwalen, niets om de weg terug te vinden, niets om naartoe te lopen, niets om vandaan te lopen, niets dan meer van hetzelfde, schijnbaar ingesloten door een onbereikbare einder. De polder biedt maat noch houvast. De ene polder is de andere. In de polder zijn is blind zijn voor de polder.*

In aansluiting op deze metafoor kunnen we dwijsheid polderspiritualiteit of polderwijsheid noemen. Een ander woord voor dwijselijk is polderwijs, een ander woord voor dwaalgesprek een polderkoan, et cetera.



* polderblindheid: onvermogen tot het schatten van de juiste afstand, door het ontbreken van markante herkenningspunten in een polderlandschap (Van Dale)


Zwijgen

Leerling: Wie twijfelt aan zijn oordeel moet zwijgen!
Meester: Ik kan toch niet de hele dag mijn mond houden.


Onbeschaamd

Leerling: U heeft een rotsvast vertrouwen en daar benijd ik u om.
Meester: Maar?
Leerling: Waarop vertrouwt u nou eigenlijk?
Meester: Tja.
Leerling: Nou?
Meester: Nergens op.
Leerling: Wat is dat nou voor vertrouwen!
Meester: Een vertrouwen dat nooit beschaamd wordt.


Het toppunt

Leerling: Wat is zekerheid?
Meester: Het toppunt van twijfel.


Het Niets

In de spiritualiteit en de mystiek is het Niets (met een hoofdletter) een neutrale term voor de onkenbaar geachte grond van alle verschijnselen, namelijk datgene wat ze voortbrengt, in stand houdt en weer opslokt. Een hoger iets (of iets noch niets) dus, beter bekend onder eufemismen als het Absolute, het Ene, Eenheid, de Non-dualiteit, het Geheel, het Al, het Universum, Big Mind, Dit, het Nu, het Hier-en-Nu, het Eeuwige Nu, het Eeuwige, het Ik, het Zelf, Geen-zelf, het Kennen, Keuzeloos Gewaarzijn, Ruimte, Openheid, het Bewustzijn, het Zijn, de Realiteit, Anatman, Brahman, de Bron, de Liefde, God, het Hoogste, het Diepste, de Grond, de Ongrond, het Mysterie, het Numineuze, Waarheid, je Oorspronkelijke Gezicht en je Ware Aard.

Voor de dwijze staat het niets niet voor de onkenbare grond van alle verschijnselen maar gewoon voor de grond van onze kennis, te weten, geen, en ook wel voor het geheel van onze kennis, te weten, geen. Zelfs dat zijn kennis grondeloos is, ken de dwijze niet bewijze. Beschaafd gezegd: het niets van de dwijze is geen metafysisch of kosmologisch niets maar een epistemologisch niets. Grof gezegd: het niets van de dwijze stelt geen reet voor. Geen flikker. Geen donder. Geen moer. Geen bal. Geen ruk. Geen fuck. Hoe rijk is onze spreektaal wanneer het om het Onzegbare gaat.

Maar hoe we het ook (niet) zeggen, het niets van de dwijze is geen hoger iets. Het brengt niets voort, het houdt niets in stand en het slokt niets op. De dwijze weet alleen maar niet.


Het spijt me: meer kan ik er echt niet van maken.


Een hele opluchting

Is het epistemologische niets fundamenteler dan het metafysische omdat het er theoretisch aan voorafgaat, namelijk in die zin dat eerst aan bepaalde kennisvoorwaarden voldaan moet zijn voordat we waar dan ook over kunnen spreken? Of is omgekeerd het metafysische niets fundamenteler dan het epistemologische omdat het daarin is dat het epistemologische niets eerst als verschijnsel verschijnt? Of zijn beide nietsen herleidbaar tot een onderliggend niets? Of zijn ze ten enen male onvergelijkbaar?

Moeten we deze vragen opvatten als reëel of verschijnen ze op hun beurt als schijnvragen in weet ik veel welk niets of iets of iets noch niets? Dient men deze vragen te beantwoorden of de rug toe te keren of heeft men daar niets over te zeggen? En wie is eigenlijk die men?

Ook met betrekking tot deze kwesties staat de dwijze met lege handen, en dat mag gerust een opluchting heten.


Doen alsof

Leerling: Wat is dwijsheid?
Meester: Weten dat je steeds alleen maar doet alsof.
Leerling: Alsof wat?
Meester: Alsof je sommige dingen weet. Alsof je andere dingen niet weet.
Leerling: Meent u dat nou?
Meester: Wat maakt het uit als ik toch alleen maar doe alsof?


Dwijsbegeerte

Zoals het woord wijsheid ons op het woord dwijsheid bracht, zo suggereert wijsbegeerte het woord dwijsbegeerte. En zoals wijsbegeerte gedefinieerd kan worden als het construeren van onderscheidingen, met name de allerhoogste, zo kunnen we dwijsbegeerte definiëren als het deconstrueren van onderscheidingen - met name de allerhoogste. Denk hierbij aan:

Vrijheid - gebondenheid, macht - overmacht, hemel - aarde, eenheid - veelheid, vorm - leegte, het eendere - het andere, eenheid - tweeheid - veelheid, leegte - volheid, ik - gij, heilig - profaan, hoger - lager, afgescheiden - verbonden, immanent - transcendent, subject - object, buitenwereld - binnenwereld, geest - lichaam, teken - betekende, absoluut - relatief, verlicht - onverlicht, lijden - vreugde, waarheid - leugen, echt - vals, spontaan - berekenend, weg - doel, leven - dood, geboren - ongeboren, vergankelijk - onvergankelijk, in de tijd - buiten de tijd, bestaand - onbestaand,  reëel- illusoir, gegrond - grondeloos, weten - niet-weten, dualiteit - non-dualiteit, constructie - deconstructie, verlicht - onverlicht, wijsheid - dwaasheid, wijsbegeerte - dwijsbegeerte, et cetera.

Deconstructie leidt niet tot een "hoger inzicht" in de "transcendente eenheid van schijnbare tegenstellingen", zoals dat zo mooi heet, maar gewoon tot een toestand van - ja, wat? Kalme verbijstering? En mag het eigenlijk wel een toestand heten als je niet voortdurend kalm bent en niet voortdurend verbijsterd, en ook niet voortdurend je?

Een dwijsgeer kunnen we dan definiëren als iemand die geneigd is tot het deconstrueren van onderscheidingen; dwijsgerig betekent deconstructief; dwijselijk betekent op de wijze van een dwijsgeer.


(Ont)stellend

Leerling: Wat is het verschil tussen wijsbegeerte en dwijsbegeerte?
Meester: De eerste is stellend, de tweede ontstellend.


Vinden of kwijtraken

Leerling: Wat is het verschil tussen wijsbegeerte en dwijsbegeerte?
Meester: Wijsbegeerte wil de waarheid vinden, dwijsbegeerte wil zich ervan ontdoen.
Leerling: Heeft u de waarheid gevonden of zich ervan ontdaan?
Meester: Tja.
Leerling: Is men beter af met of zonder waarheid?
Meester: Wat weet ik daarvan?
Leerling: Zo te horen bedrijft u liever dwijsbegeerte?
Meester: Daar ga ik niet vanuit.


Normaal?

Leerling: Wat is dwijsheid?
Meester: Het weten valt weg.
Leerling: Bent u dan onwetend geworden?
Meester: Niet weten valt weg.
Leerling: Valt alles dan weg?
Meester: Het wegvallen valt weg.
Leerling: En dan is alles weer normaal?
Meester: Normaal?


(Fil)asofie

Wijsbegeerte is een vertalende ontlening aan het Griekse philosophia [philos, vriend + sophia, wijsheid]. Bewandelen we deze weg in omgekeerde richting vanuit de nieuwvorming dwijsbegeerte, dan komen we als vanzelf tot filasofie [Philos + a, niet + sophia].

Afleidingen van filasofie liggen nogal voor de hand, maar ik noem ze toch. Een dwijsgeer, iemand die filasofie bedrijft, heet een filasoof; het bedrijven van filasofie, filasoferen; iets filasofie-achtigs, filasofisch. Een filasofeem is een filasofische stelling of uitspraak en een filasofaster is iemand die voorwendt een filasoof te zijn: een nepdwijze.

Van filasofie is het maar een kleine stap naar asofie. We hoeven alleen maar het voorvoegsel philos (vriend van, liefhebber van) te amputeren en we houden de staart a- (niet) + sophia (kennis, wijsheid) over, asofie: geen-kennis, niet-weten. Ik doe moeiteloos afstand van het philos, want niet-weten is in mijn beleving niet iets waar je van houdt, of niet van houdt, of beide, of geen van beide. Wat maakt het uit of ik ervan hou. We noemen de obscurantist toch ook geen fobosoof?

Asofie laat zich net zo vervoegen als filosofie en filasofie. Een asoof is een dwijze, een niet-wetende. Als bijvoeglijk naamwoord gebruiken we asofisch, in de betekenis van dwijs, niet-wetend. Asoferen is niet-weten beoefenen (of ondergaan; het is maar hoe je het beleeft). Een asofeem is een stelling of uitspraak die getuigd van niet-weten, en een asofaster is iemand die voorwendt niet-wetend te zijn. Een asofisme is een dwaaltekst en een asofist is iemand die dwaalteksten schrijft (of spreekt, of denkt).


Beschermheilige

Leerling: Hoe heet de beschermheilige van de dwijze?
Meester: Asofia.


Waar moet ik om vragen?

Leerling: Waar kan ik meer over dwijsheid te weten komen?
Meester: In iedere kantoorboekhandel.
Leerling: Waar moet ik om vragen?
Meester: Een dummy.


Het Boek der Dwijsheid

Leerling: Het Boek der Dwijsheid is een dummy.
Meester: Waar heb je dat gelezen?
Leerling: In het Boek der Dwijsheid.
Meester: Dat was toch een dummy?
De leerling wist niets meer te zeggen.
Meester: Dummy.


Standvastig

Meester: De wijze verandert nooit van mening.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Omdat hij er geen meningen op nahoudt.

Meester: De wijze verandert nooit van mening.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Omdat hij alle meningen erop nahoudt.
 
Leerling: De wijze verandert nooit van mening.
Meester: Dat is jouw mening.


Geleerd

Een leerling zei: De dwaas leert van zijn ervaringen, de wijze negeert ze.
De meester negeerde hem.


Wegwijzers




Wijsheid





Dwijsheid


Adoxie, onzinnig(heid), paradoxie

Naar analogie van woorden als orthodoxie en heterodoxie zouden we dwijsheid - het ontbreken of althans het tussen haakjes staan van iedere mening - adoxie (a- + doxie: geen mening) kunnen noemen.

Orthodoxie is rechtzinnigheid, heterodoxie is onrechtzinnigheid of vrijzinnigheid. Het is dus niet vergezocht om adoxie terug te vertalen als onzinnigheid. In normaal Nederlands duidt dit woord echter op een gebrek aan gezond verstand - voor velen iets negatiefs. Om het verschil tussen deze betekenis en die van adoxie aan te geven, schrijven we daarom on-zinnigheid met een streepje tussen on en zinnigheid. De bijbehorende adjectieven zijn respectievelijk adox en on-zinnig, in de betekenis van dwijs. Zoals men van een christen kan zeggen dat hij rechtzinnig is omdat hij in overeenstemming met de rechte leer leeft, zo kan men van een dwijze zeggen dat hij on-zinnig is omdat hij "in overeenstemming met" de Lege Leer leeft.

Voor zover dwijsheid zich manifesteert als een eindeloze nevenschikking van meningen (standpunten, perspectieven, oordelen et cetera) waartussen de dwijze geen onderscheid weet te maken, is paradoxie [Grieks, para, naast, bij + doxa] een voor de hand liggend synoniem.

Uiteraard is dit allemaal woordspielerei. Het voegt niets toe aan het elementaire niet weten. Weg ermee.


(Niet) het einde

Dwijsheid is niet het einde van het weten.
Daarvoor zou er eerst een weten moeten zijn.
Maar welk weten dan wel?
Op welke gronden?
Geen gronden te vinden.
Zonder gronden geen weten.
Zonder weten geen einde van het weten.
Zonder einde van het weten geen niet weten.
Dwijsheid is het einde van niet weten.


Verstrooid

Leerling: Wat is de overeenkomst tussen dwijsheid en dementie?
Meester: Beiden leiden tot verstrooiing.
Leerling: En het verschil?
Meester: Bij dwijsheid is het denken nog intact.


Waarheidsziekte, waarheidszucht

Vroeger werd overdreven weetgierigheid weetziekte genoemd. Net zo kan men een heftig verlangen naar de waarheid, waarheidsziekte of waarheidszucht noemen.

Waarheidszucht berust op de grondeloze veronderstelling dat (de) waarheid bestaat, dat zij tijdloos en universeel is, belangrijk om te kennen en fijn om te weten, verkrijgbaar, houdbaar en overdraagbaar, ter meerdere eer en glorie van ieder individu afzonderlijk en de mensheid in het algemeen.

Waarheidszucht wordt door niet weten niet zozeer bevredigd als wel uitgedoofd, wat toevallig de betekenis van het woord nirwana is, maar dit terzijde. De dwijze veronderstelt niet dat de waarheid bestaat, laat staan dat zij welbepaalde, overwegend plezierige eigenschappen bezit. Hierdoor komt het zoeken ernaar vanzelf op losse schroeven te staan. De dwijze veronderstelt evenmin dat de waarheid niet bestaat, waardoor ook het niet-zoeken op losse schroeven komt te staan.

De lijn van dit betoog doortrekkend komt men wellicht in de verleiding dwijsheid te definiëren als, bijvoorbeeld, zoeken en niet zoeken, of zoeken noch niet zoeken, of het zoeken en niet zoeken voorbij. Maar draait het niet veeleer om de losse schroeven zelf, waarop niet alleen de waarheid is komen te staan maar ook het niet weten, om nog maar te zwijgen over de dwijze zelf en - grote stappen, snel thuis - meteen maar de hele mikmak, wat dat ook moge wezen, de losse schroeven incluis?

De dwijze meent niet dat hij de waarheid heeft noch dat hij haar niet heeft, niet dat hij haar leeft noch dat hij haar niet leeft, niet dat hij haar is noch dat hij haar niet is, en zo voort voor alle werkwoorden die u hem maar voor de voeten kunt werpen.


Een boom

Leerling: De wijze is een vrijstaande boom in de volle zon.
Meester: Ik mag graag in zijn schaduw staan.


Nul of oneindig?

Leerling: Wat is het verschil tussen de dwaas, de wijze en de dwijze?
Meester: De dwaas heeft het verstand op nul en de blik op oneindig. De wijze heeft het verstand op oneindig en de blik op nul.
Leerling: En de dwijze?
Meester: Daar ben ik nog steeds niet achter.
Leerling: Maar dat bent u nota bene zelf!
Meester: Daar ben ik nog steeds niet achter.


De andere kant

Leerling: Wat is wijsheid?
Meester: Kijken naar wat je weet.
Leerling: Wat is dwijsheid?
Meester: Kijken naar wat je niet weet.


Drenkelingen

Leerling: Wat is de overeenkomst tussen de wijze en de dwijze?
Meester: Beide zijn drenkelingen.
Leerling: Waarin verdrinkt de wijze?
Meester: In de zee van het weten.
Leerling: En de dwijze?
Meester: In de zee van niet weten.
Leerling: Wat maakt het dan nog uit.
Meester: Vraag dat maar aan de wijze.