Verlichting voor dummy's > Het weten > Dwijsheid Deze pagina: Dwaalteksten over dwaasheid, wijsheid en dwijsheid. Auteur: Hans van Dam. Deze website: NIET-WETEN.NL. Dat zal bestNiet weten is geen onwetendheid, en ook geen hoger weten.Het is geen dwaasheid, en ook geen wijsheid. Het is het onvermogen om dwaasheid te onderscheiden van wijsheid. Niet weten is steno voor: niet weten te onderscheiden. Natuurlijk, ik kan wel onderscheid maken, en dat doe ik ook onophoudelijk. Maar ik kan geen enkel onderscheid hard maken. Hoe dieper ik op een verschil inga, hoe meer het me ontglipt. Bij nader inzien houden mijn onderscheidingen geen stand. Ze zijn niet van schokbeton maar van ijs - ze smelten op mijn tong. Ze zijn van kalksteen - ze verbrokkelen onder mijn voeten. Ze zijn van drijfzand - ik zak er steeds dieper in weg. Begrippen blijken zeepbellen, theorieën kaartenhuizen, visies oogkleppen, geboden schoten in het duister, leefregels slagen in de lucht. Niet weten is een acuut, nee een chronisch, nee een chronisch-acuut besef van de grondeloosheid van ieder onderscheid - inclusief het onderscheid tussen gegrond en grondeloos. Onderscheidingen verdwijnen niet in niet weten, zoals vaak gedacht wordt, maar worden erdoor gerelativeerd. Ze komen tussen haakjes te staan. Tussen aanhalingstekens. Ze hangen in het luchtledige. Steeds wanneer zich een gedachte voordoet, een weten, een verschil, een oordeel, een standpunt, een stellingname, fluistert niet weten: "Ja, ja. Dat zal best": Heilig versus werelds? Ja, ja. Dat zal
best.
Alles is liefde? Ja, ja. Dat zal best. Goed versus slecht? Ja, ja. Dat zal best. Ik versus anderen? Ja, ja. Dat zal best. Dualiteit versus non-dualiteit? Ja, ja. Dat zal best. Dwaas versus wijs? Ja, ja. Dat zal best. Iemand versus niemand? Ja, ja. Dat zal best. Weten versus niet weten? Ja, ja. Dat zal best. Van zichzelf is niet weten niet wijs en niet dwaas. Je kunt ook zeggen dat het beide is; vandaar dwijs. Een röntgenstraalLeerling: Wat is dwijsheid?Meester: Een röntgenstraal. Leerling: Wat zie je als je hem op dwaasheid richt? Meester: Louter transparantie. Leerling: En als je hem op wijsheid richt? Meester: Louter ondoorzichtigheid. Van de wijsLeerling: Wat is wijsheid?Meester: Niet weten wat wijs is. Meester: Wat is wijsheid? Leerling: Niet weten wat wijs is. Meester: Wijsneus. Meester: Wat is wijsheid? Leerling: Ik zeg niks. Meester: Wijsneus. Een dwijsvingerOnder een dwijsvinger versta ik een wijsvinger naar dwijsheid oftewel een middelvinger naar wijsheid.Een hele gare
Leerling: Zijn er bepaalde dingen die een dwijze niet voelt? Meester: Niet dat ik weet. Leerling: Wat voelt u zoal? Meester: Blijdschap, lust, weerstand, honger, verzadiging, euforie, schaamte, schuld, verveling, melancholie, pijn, boosheid, woede, ergernis, verdriet, weemoed, ontroering, medelijden, onverschilligheid, jaloezie, liefde, haat, hartstocht, lauwheid, sympathie, antipathie, ongeduld, geduld, bezorgdheid, angst, verheugenis, walging en wat al niet. Leerling: Kortom, je weet maar nooit? Meester: Precies. Leerling: Net als ik! Meester: Wat had je dan gedacht? Leerling: Dat een dwijze alleen maar fijne gevoelens had. Meester: Zoals? Leerling: Liefde, geluk en innerlijke vrede. Meester: Dan zou hij maar een half mens zijn. Leerling: Een halve gare! Meester: In ieder geval geen dwijze. Leerling: Wat hebben al die gevoelens te betekenen? Meester: Ik zou het echt niet weten. Leerling: Wilt u zeggen dat ze niets te betekenen hebben? Meester: Hoe moet ik dat weten? Leerling: Wat verstaat u onder dwijsheid? Meester: Voelen wat je voelt zonder te weten wat het te betekenen heeft. Doen Leerling: Zijn er bepaalde dingen die een dwijze nooit doet? Meester: Niet dat ik weet. Leerling: Wat doet u zoal? Meester: Ik zing, ik klaag, ik zwijg, ik spreek, ik mopper, ik scheld, ik zoek ruzie, ik vlei, ik dreig, ik lach, ik huil, ik help, ik hinder, ik hou me aan regels, ik overtreed regels, ik confronteer, ik mijd, ik werk, ik luier, ik slaap, ik lig wakker, ik snoep, ik poep, ik laat winden en boeren, ik krab mezelf, ik maak goeie grappen, ik maak slechte, ik leef mij in en ik hoop op het ergste, ik doe mijn best, ik loop de kantjes eraf, ik help, ik laat mensen in hun sop gaarkoken en wat al niet. Leerling: Kortom, je weet maar nooit? Meester: Precies. Leerling: Net als ik! Meester: Wat had je dan gedacht? Leerling: Dat een dwijze alleen maar positieve dingen deed. Meester: Zoals? Leerling: Liefhebben, troosten en verlossen. Meester: Dan zou hij maar een half mens zijn. Leerling: Een halve gare! Meester: In ieder geval geen dwijze. Leerling: Wat heeft al dat gedoe te betekenen? Meester: Ik zou het echt niet weten. Leerling: Wilt u zeggen dat het niets te betekenen heeft? Meester: Hoe moet ik dat weten? Leerling: Wat verstaat u onder dwijsheid? Meester: Doen wat je doet zonder te weten wat het te betekenen heeft. Denken Leerling: Zijn er bepaalde dingen die een dwijze nooit denkt? Meester: Niet dat ik weet. Leerling: Wat denkt u zoal? Meester: De gekste dingen. De gewoonste dingen. De mooiste dingen. De lelijkste dingen. De wildste dingen en de tamste. De wreedste dingen en de schoonste. De meest abstracte dingen en de meest concrete. Niets menselijks is mij vreemd. Niets onmenselijks is mij vreemd. Leerling: Kortom, je weet maar nooit? Meester: Precies. Leerling: Net als ik! Meester: Wat had je dan gedacht? Leerling: Dat een dwijze alleen maar goede dingen dacht. Meester: Dan zou hij maar een half mens zijn. Leerling: Een halve gare! Meester: In ieder geval geen dwijze. Leerling: Wat hebben al die gedachten te betekenen? Meester: Ik zou het echt niet weten. Leerling: Wilt u zeggen dat ze niets te betekenen hebben? Meester: Hoe moet ik dat weten? Leerling: Wat verstaat u onder dwijsheid? Meester: Denken wat je denkt zonder te weten wat het te betekenen heeft. Hele en halve woorden
half mens, halfmens iemand die alleen nog maar positieve gevoelens en gedachten heeft en alleen nog maar goeie dingen doet halve gare 1. iemand die meent een half mens te kunnen worden 2. iemand die meent een half mens voor zich te hebben 3. iemand die meent een half mens te zijn helen 1. onder ogen zien dat je op dit moment geen half mens bent maar een heel 2. onder ogen zien dat je dat misschien altijd zult blijven, wat je ook probeert 3. onder ogen zien dat je dat misschien nooit onder ogen zult zien 4. onder ogen zien dat je dát misschien ook nooit onder ogen zult zien hele gare dwijze GeheeldLeerling: Als ik geheeld ben, zal ik dan eindelijk vrede hebben met mezelf?Meester: Je hoopt nog steeds een halfmens te worden. ErtusseninLeerling: Wat is het verschil tussen de dwaas en de wijze?Meester: De dwaas kiest het ruime sop, de wijze blijft aan land. Leerling: En de dwijze? Meester: Die valt tussen de wal en het schip. De dwaas, de wijze en de dwijzeDe dwaas meent dat de wereld echt is. De wijze meent dat de wereld een illusie is. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat hij iemand is. De wijze meent dat hij niemand is. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat hij een vrije wil heeft. De wijze meent dat hij geen vrije wil heeft. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat hij in de wereld is. De wijze meent dat de wereld in hem is. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat alles wezenlijk is. De wijze meent dat alles leeg is. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat hij de film is. De wijze meent dat hij het doek is. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat hij licht ziet. De wijze meent dat hij licht geeft. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat het bewustzijn in de hersenen verschijnt. De wijze meent dat de hersenen in het bewustzijn verschijnen. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat God hem heeft geschapen. De wijze meent dat hij de Schepper is. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat alles relatief is. De wijze meent dat alles absoluut is. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat hij moet doen. De wijze meent dat hij moet laten. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat hij geboren is. De wijze meent dat hij ongeboren is. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat hij zal sterven. De wijze meent dat hij onsterfelijk is. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat het verleden en de toekomst echt zijn. De wijze meent dat alleen het heden echt is. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat liefde de mensen verbindt. De wijze meent dat liefde de mensen oplost. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat de waarheid onder woorden gebracht kan worden. De wijze meent dat de waarheid onuitsprekelijk is. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat er iets te bereiken valt. De wijze meent dat er niets te bereiken valt. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat hij iets nodig heeft. De wijze meent dat hij niets nodig heeft. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat hij moet strijden. De wijze meent dat hij moet aanvaarden. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat hij houvast nodig heeft. De wijze meent dat hij alles moet loslaten. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat het denken zal overwinnen. De wijze meent dat het denken overwonnen moet worden. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat begeerte bevredigd moet worden. De wijze meent dat begeerte overwonnen moet worden. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat er een leer is. De wijze meent dat er geen leer is De dwijze meent niets. De dwaas meent dat de leer nergens is. De wijze meent dat de leer overal is. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat hij verlicht kan worden. De wijze meent dat hij al verlicht is. De dwijze meent niets. De dwaas meent dat er een weg is. De wijze meent dat er geen weg is. De dwijze meent niets. De dwaas meent iets te weten. De wijze meent niets te weten. De dwijze meent niets - zelfs niet dat hij niets meent. Stil verlangenDe dwaas wou dat hij wijs was.De wijze wou dat hij dwaas was. De dwijze niet. VoorbijLeerling: Wat is domheid?Meester: Je vorige inzicht. Leerling: Wat is wijsheid? Meester: Je huidige inzicht. Leerling: Wat is echte wijsheid? Meester: Je volgende inzicht. Leerling: Zo kun je wel aan de gang blijven. Meester: Tja. Leerling: Wat is de laatste wijsheid? Meester: De inzichten voorbij. Leerling: En de allerlaatste? Meester: Het voorbijzijn voorbij. Leerling: Wat heb je dan nog over? Meester: Tja. Leerling: Noem dat maar wijsheid. Meester: Noem dat maar dwijsheid. Niets makenLeerling: Wat is dwijsheid?Meester: Jezelf niets wijs maken. Leerling: Wat is dwijsheid? Meester: Jezelf niets maken. Alleen voor jou
Leerling: Wat is dwijsheid?Meester: Het goedkeuren niet goedkeuren, het afkeuren niet afkeuren. Leerling: Hoe bereik ik dat? Meester: Door niet reiken. Leerling: Wat moet ik daarvoor doen? Meester: Dat zou toch weer reiken zijn. Leerling: Wat moet ik ervoor laten? Meester: Dat zou nog steeds reiken zijn. Leerling: Wanneer zal ik niet meer reiken? Meester: Als je het allemaal niet meer weet. Leerling: Wat heb ik dan bereikt? Meester: Eigenlijk niets. Leerling: Niets? Meester: Niets om over naar huis te schrijven. Leerling: Waarom geeft u het dan toch een naam. Meester: Een naam? Leerling: Dwijsheid. Meester: O, dat. Leerling: Nou? Meester: Dan lijkt het nog wat. Leerling: Voor wie? Meester: Voor jou natuurlijk. Dwijze, dwijsneusDwijze betekent op deze website hetzelfde als dwijsneus: iemand die geen onderscheidingen weet te maken, of althans, die het heilige geloof in zijn onderscheidingen is kwijtgeraakt. De dwijze is niet in de ban van "onjuiste" opvattingen zoals een dwaas, niet in de ban van "juiste" opvattingen zoals een wijze, niet in de ban van welke opvatting dan ook, zelfs niet van de opvatting dat hij niet in de ban van een of andere opvatting zou (mogen) verkeren. Hij is wetend niet wetend, denkend niet denkend, doende niet doend, kortom, dwijs. Niet alleen is de dwijze het weten voorbij maar ook het niet weten - en daardoor geen van beide. Vandaar dat hij zich zelfs niet het Grote Onbekende waant, of de Eeuwige Stilte, of het Wonderbaarlijke, of het Numineuze, of het Mysterie, of wat dan ook, noch weet hij zich de Getuige daarvan, of een non-entiteit die alleen maar is en luistert naar de naam Niemand; noch weet hij zich kwetsbaar of onkwetsbaar, almachtig of overgeleverd; noch leeft hij in overgave of genade, noch weet hij zich vrij of onvrij of iets ertussenin of ernaast of erboven of erachter of eronder. De dwijze weet alleen maar niet. Onthutsend eenvoudig eigenlijk. Vindt u niet? Geen-zienswijzeLeerling: Dwijsheid is ook maar een zienswijze.Meester: Welke dan? Leerling: De zienswijze dat wij niets kunnen weten. Meester: Dat wij niets kunnen weten is een zienswijze maar geen dwijsheid. Leerling: Ik bedoelde natuurlijk de zienswijze dat wij zelfs niet niets weten. Meester: Dat wij zelfs niet niets weten is een zienswijze maar geen dwijsheid. Leerling: Wat is dwijsheid dan wel? Meester: Geen-zienswijze. OnderscheidingsonvermogenDat de wijze over wijsheid beschikt - kennis, inzicht, onderscheidingsvermogen - betekent nog niet dat de dwijze over dwijsheid beschikt. Dwijsheid is eerder een onderscheidingsonvermogen. Het is niet zozeer iets waarover je beschikt als iets waarover je de beschikking bent kwijtgeraakt - of waardoor je niet langer beschikt wordt.Willen we ons voor de verandering positief uitdrukken, dan moeten we dwijsheid omschrijven als het inzicht dat al onze onderscheidingen grondeloos zijn. Met deze kunstgreep introduceren we natuurlijk wel het - grondeloze - onderscheid tussen gegrond en grondeloos. Net zoals het woord dwijsheid, dat het onderscheid tussen dwaasheid en wijsheid zoekt te overstijgen, zich ongevraagd positioneert tussen deze termen in, en, of ik het nou leuk vind of niet, maar liefst drie nieuwe onderscheidingen introduceert: dwaasheid - dwijsheid, dwijsheid - wijsheid, en (dwaasheid - wijsheid) - dwijsheid. Voor het geval u eroverheen heeft gelezen: ik heb en passant ook nog onderscheid gemaakt tussen onderscheiden en niet onderscheiden, en tussen inzicht en geen inzicht. Dit heet: van kwaad tot erger. Wat ons weer de onderscheidingen kwaad - goed, en erger - beter oplevert. Want spreken is verdelen. Maar zwijgen is daarom nog geen verenigen. TerugtrekkenEen beginnende leerling zei: Wat is dwijsheid?De meester zei: Een almaar terugtrekkende beweging. De leerling zei: Waaruit? De meester zei: Het almaar oprukkende weten. Een halfwas leerling zei: Wat is dwijsheid? De meester zei: Een almaar terugtrekkende beweging. De leerling zei: Waaruit? De meester zei: Het almaar oprukkende niet weten. Een gevorderde leerling zei: Wat is dwijsheid? De meester zei: Een almaar terugtrekkende beweging. De leerling zei: Waaruit? De meester zei: De almaar oprukkende dwijsheid. De ene meester zei: Wat is dwijsheid? De andere meester zei: Een almaar terugtrekkende beweging. De ene meester zei: Waaruit? De andere meester zei: Een almaar terugtrekkende beweging. HmLeerling: Wat is dwijsheid?Meester: Niet weten wat je ergens van moet denken. Leerling: Waarvan? Meester: Waar dan ook van. Leerling: Hm. Meester: Wat is er? Leerling: Ik weet niet wat ik daarvan moet denken. Meester: Dat is dwijsheid. Ramen lappenDwijsheid is als ramen lappen - niet om des te beter naar buiten te kijken, niet om de aandacht op het glas te vestigen maar uitsluitend vanwege het lappen zelf, het schoonpoetsen, het wissen. Vandaar dat dwijsheid zich het beste laat uitdrukken in dwaalteksten: stukjes zonder inhoud of pretentie die alleen het weerspreken zelf willen demonstreren, het ontdenken van iedere gedachte, het ontzeggen van elk gezegde, zonder eind. PetMeester: Wat is wijsheid?Leerlingen: Geestelijke rijkdom. Geestelijke armoe. Geestelijk bankroet. Wat denkt u meester? Meester: Gooi maar in mijn pet. KrumpieEen gevleugelde uitspraak, meen ik, van het olifantje Krumpie, dacht ik, in mijn favoriete jeugdboek, geloof ik, De zeven wonderdaden van Kevertje Plop, of zoiets, van ene Jean Dulieu, vermoed ik, luidt: Misschien wel, maar misschien ook niet.Al rond mijn zevende, toen mijn vader dit verhaal aan mij voorlas onder de hoogtezon, heeft deze uitspraak zich althans in deze vorm in mij vastgezet - ook al zou het nog decennia duren voordat ik zelf een soort Krumpie werd. Als definitie van dwijsheid kan deze uitspraak zich misschien wel meten met de beste - maar misschien ook niet. Op losse schroevenLeerling: Getuigt dwijsheid niet van een diep wantrouwen?Meester: Jegens wat? Leerling: Jegens de wereld? Meester: Zeker. Leerling: Jegens de ander? Meester: Beslist. Leerling: Jegens jezelf? Meester: Uiteraard. Leerling: Jegens je gedachten? Meester: Nou en of. Leerling: Zo wil ik niet leven. Meester: Hoe niet? Leerling: In wantrouwen. Meester: De dwijze wantrouwt zelfs het wantrouwen. Leerling: Maar dat zet het hele wantrouwen op losse schroeven! Meester: Daar zou ik maar niet al te zeer op vertrouwen. Dat zeg ik
Leerling: Waar gelooft u eigenlijk in?Meester: Nergens in. Leerling: Behalve in uzelf. Meester: Ook niet. Leerling: Behalve in niet geloven dan. Meester: Ook niet. Leerling: Dat gelooft u toch zeker zelf niet. Meester: Dat zeg ik. Leerling: Dwaasheid! Meester: Dwijsheid! ParanoiaLeerling: Wat is dwijsheid?Meester: Paranoia. Leerling: Wat is paranoia? Meester: De zoveelste poging van de geest om de macht over te nemen. Leerling: Dus u gelooft dat wij een geest hebben? Meester: Ik niet. Leerling: Gelooft u dan dat wij geen geest hebben? Meester: Dat ook niet. Leerling: Maar u gelooft wel in macht? Meester: Nee. Leerling: U gelooft niet in macht? Meester: Dat ook niet. Leerling: Waarom definieert u paranoia dan als een poging van de geest om de macht over te nemen? Meester: Ik zeg maar wat. Leerling: O. Meester: Wat ik ook zeg, ik zeg maar wat. Leerling: Aha. Meester: Gesnopen? Leerling: U zegt maar wat. Meester: Ook als ik zeg dat ik maar wat zeg. Leerling: Dus eigenlijk niet? Meester: Ook als ik zeg: "ook als ik zeg dat ik maar wat zeg". Leerling: Dat mag gerust paranoia heten. Meester: Of dwijsheid. De voorhofLeerling: Twijfel is de voorhof die ieder doorgaan moet die de tempel der wijsheid wil binnentreden.Meester: Wijsheid is de voorhof die ieder doorgaan moet die de tempel der twijfel wil binnentreden. Een twijfelenLeerling: Ik vraag mij af, wat voor twijfelen is dwijsheid?Meester: Een twijfelen dat zich niets meer afvraagt. Polderwijsheid
Niet weten is als de polder. Vlak en open. De grootste hoogte
is de grootste
diepte. Je voetstuk steekt niet boven het maaiveld uit, het maaiveld niet boven je voetstuk. Geen bergen, geen dalen. Niets om je achter te
verbergen, niets
om in te verdwalen, niets om de weg terug te vinden, niets om
naartoe te lopen, niets om vandaan te lopen, niets dan meer van
hetzelfde, schijnbaar ingesloten door een onbereikbare einder. De polder
biedt maat noch houvast. De ene polder is de andere.
In de polder zijn is blind zijn voor de polder.* |








