(klik op ▼, ► om in / uit te klappen)

Citaten daoïsme

Opdracht

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?
En mijn even oude vader: Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.
Ik zei: Ik begrijp precies wat je bedoelt.

Deze website draag ik op aan iedereen die het net als ik, om wat voor reden dan ook, niet meer weet - in het bijzonder aan mijn moeder die op 25 juli 2011 en mijn vader die op 21 april 2012 ook het niet weten voorgoed achter zich lieten.

Disclaimer

Citaten op deze website zijn over het algemeen niet representatief voor de auteur of het werk in kwestie.

Ik ben het nergens mee eens of oneens, ook hiermee niet. Ik erken of ontken niets, ook dit niet. Dat geldt niet alleen voor de citaten maar ook en vooral voor alles wat gezegd moest blijven in mijn dwaalteksten.

Wie Tja heeft



Verlichting voor dummy's > Dwaalmeesters > Wie Tja heeft

Deze pagina
Fragmenten uit de Daodejing waarin het woord Tao is vervangen door het woord Tja.
Auteur/dief: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.

Dwaalgesprekken geïnspireerd op de Daodejing
> Meester Tja
> Meester Tja 2
> Meester Tja 3

Citaten daoïsme
> Daoïsme a-z
> Zhuang Zi





Inleiding

Hoewel Tao een kosmologisch principe is en Tja (niet weten) een epistemologisch, liggen ze zo dicht bij elkaar dat een aantal teksten uit de Daodejing nauwelijks van betekenis verandert als we in plaats van "Tao" ineens "Tja" noteren. Andere teksten veranderen wel van betekenis maar worden niet onzinnig. Een wonderlijk verschijnsel waarvan ik hieronder een aantal voorbeelden geef.

Bron: Tao-Tê-Tjing, Lao-tse; ir. J.A. Blok (vertaler), elfde druk, Ankh-Hermes - Deventer, 1918/1986.

Alle titels zijn van mij. In sommige gevallen heb ik enkele regels weggelaten. Verder is de tekst ongewijzigd gebleven.


De diepte der diepten

Het tja, dat geuit kan worden,
is niet het eeuwige Tja.
De naam, die genoemd kan worden,
is niet de eeuwige Naam.
Daarom: wie steeds zonder begeerte is,
ziet zijn (zuiver) geestelijk aspect,
wie steeds begeerten heeft,
ziet (alleen) zijn uiterlijke verschijningsvorm.
Beiden zijn in oorsprong gelijk,
maar hebben verschillende namen.
Die gelijkheid heet diep, de diepte der diepten;
het is de poort van al het geestelijke.



uit hoofdstuk 1. Over het eeuwige Tao ...


Het onveranderlijke Tja

Tja is het lege en kan in gebruik niet worden gevuld.
O hoe diep! het lijkt de oervader aller dingen.
Het mindert zijn scherpte,
Ontwart zijn verwikkeling,
Tempert zijn schittering
En maakt zich gelijk aan het stof.
O hoe maanlichtstil; het lijkt onveranderlijk.
Ik weet niet wiens zoon het is.
Het was vóór de opperste Heer.



integrale tekst van 4. Over de onpeilbare leegte


Door alle mensen veracht

Het opperste goed is als water.
Water doet goed aan alle wezens en strijdt niet.
Het woont op plaatsen, door alle mensen veracht.
Daarin komt de goede Tja nabij.



uit 8. Over het opperste goed


Het Tja der ouden

Boven niet licht, onder niet duister.
Eeuwig en onuitsprekelijk,
keert het terug naar niet zijn.
Dat heet de vorm van het vormloze,
het beeld van het beeldloze.
Dat is volstrekt niet te vatten:
Wie het ontmoet ziet niet zijn gelaat,
wie het volgt ziet niet zijn rug.
Wie zich houdt aan het Tja der ouden,
om het leven van heden te beheersen,
kent de oorsprong van de oudste traditie.
Dat heet de draad volgen van Tja.



uit 14. Over de oorspronkelijke Eenheid


Berooid en uit de tijd

De wijzen van ouds waren duister, geestelijk, diep en doordringend.
Hun diepte kan niet worden gekend.
Daar zij niet kan gekend worden, tracht ik een denkbeeld te geven.
Zij waren voorzichtig, als wie een stroom doorwaadt in de winter,
Behoedzaam als wie zijn vier buren vreest,
Ingetogen als een gast,
Wijkend als ijs, dat smelten gaat,
Ongerept als ruw hout,
Leeg als een vallei,
Duister als troebel water.
Wie kan de troebel langzaam op doen klaren door rust?
Wie kan de rust door beweging langzaam wekken tot leven?
Die Tja bewaart en niet wenst vol te zijn.
Niet vol, maar berooid en uit de tijd, is hij volkomen.



integrale tekst van 15. Over de wijsheid van de Ouden


Toen het grote Tja verdween

Het grote Tja verdween,
en er kwam menslievendheid en rechtvaardigheid.
Scherpzinnigheid en vernuft ontstonden,
en er kwam grote huichelarij.
De zes bloedverwanten raakten in onvrede,
en er kwam kinder- en ouderliefde.
Staat en gezin vervielen tot wanorde,
en er kwam toewijding en trouw.



integrale tekst van 18. Over het ontstaan van de uiterlijke deugden


Ondoorgrondelijk, duister

Tja is het reine zijn, ongrijpbaar, onbegrijpelijk.
Ongrijpbaar, onbegrijpelijk,
zijn kern houdt de beelden.
Ondoorgrondelijk, duister.
Zijn kern houdt de geest.
Die geest is oer-waar,
zijn kern is trouw.



uit 21. Over het Reine Zijn

Wie Tja heeft

Wie op de tenen staat, staat niet.
Wie de benen spreidt, loopt niet.
Wie zichzelf in het licht stelt, schittert niet.
Wie zichzelf roemt, heeft geen verdienste.
Wie zichzelf verheft, staat niet hoog.
Bij Tja vergeleken is dit als restjes van eten,
als uitspattende levenswandel, die een ieder verafschuwt.
Daarom: wie Tja heeft, doet niet zo.



integrale tekst van 24. Over het eerbiedigen van de natuurlijke grenzen


O hoe stil, hoe ijl!

Er was iets chaotisch en volmaakts
al voor hemel en aarde ontstonden.
O hoe stil, hoe ijl!
Dit is het enig echt bestaande en het verandert niet.
Het doorvloeit alles zonder gevaar te lopen.
Het kan worden beschouwd als 's werelds moeder.
Ik weet zijn naam niet, ik noem het Tja.
Gedwongen het een naam te geven, zeg ik groot.
Van groot zeg ik vliedend,
Van vliedend, ver.
Van ver, wederkerend,
Daarom is Tja groot, de hemel groot,
de aarde groot, de koning groot.
Er zijn in de wereld vier grote dingen.
De koning is daarvan één.
De mens volge de aarde, de aarde de hemel,
de hemel Tja en Tja het vanzelf zijn.



integrale tekst van 25. Over de vier grote dingen


Nimmer zonder Tja

Wie zich Yang weet, maar Yin toont,
wordt stroombed van de hele wereld.
Wie stroombed is van de hele wereld,
is nimmer zonder Tja,
hij keert weer terug tot de staat van een pasgeboren kind.
Wie zijn licht kent,
maar zijn duisternis toont,
is een voorbeeld voor de wereld.
Wie een voorbeeld voor de wereld is,
heeft het eeuwige Tja als schild,
en hij keert terug tot het onbevangene.
Wie zijn hoogheid kent,
maar zijn nederigheid toont,
wordt stroombed van de hele wereld.
Wie stroombed is,
vloeit over van het eeuwige Tja;
en hij keert terug tot de eerste eenvoud.
Wordt de eenvoud doorbroken,
dan ontstaat het breekbare.
Als de Wijze die aanvaardt,
overtreft hij alle magistraten.
Hij regeert groot en kwetst niemand.



integrale tekst van 28. Over het zich Yang te weten en zich Yin te tonen


Helpen met Tja

Wie de heerser helpt met Tja,
bedwingt het Rijk niet met wapengeweld.
Zijn doen lokt een goed antwoord uit.
Waar legers kamperen, groeien distels en doornen.
Op grote oorlogen volgen jaren van onheil.
De goede slaagt, en daarmee uit,
Waagt het niet verder te gaan met geweld,
Slaagt en roemt niet,
Slaagt en praalt niet,
Slaagt en is niet aanmatigend,
Slaagt en kan niet anders,
Slaagt en vermijdt geweld.



uit 30. Over het regeren zonder geweld


Wie Tja heeft

Ook de mooiste wapens zijn ongelukswerktuigen.
Alle wezens haten ze.
Daarom: wie Tja heeft, voert ze niet.
De edele mens, in vrede, eerst de linkerkant,
In oorlogstijd de rechterkant.
Wapens zijn ongelukswerktuigen.
Het zijn geen werktuigen voor de edele mens.
Hij gebruikt ze, als hij niet anders kan.
Hij stelt vrede en rust bovenaan.
Hij overwint, maar vindt er geen vreugde in.
Wie daarin vreugde vindt,
houdt van mensenmoord.
Wie van mensenmoord houdt,
kan zijn wil in de wereld niet krijgen.
In geluk eert men de linkerkant,
In ongeluk de rechterkant.
De onderbevelhebber staat links.
De opperbevelhebber staat rechts.
Dat is: zij staan volgens de rouwplechtigheden.
Wie veel mensen gedood heeft,
wene daarover met medelijden en geklag.
Die overwint in de strijd
plaatse men volgens de rouwplechtigheden.



integrale tekst van 31. Over het niet-hanteren van wapens


Niet te onderwerpen

Tja is eeuwig, onnoembaar.
Hoe gering het ook in zijn eenvoud is,
waagt toch de ganse wereld niet het te onderwerpen.
Als koningen en vorsten het konden handhaven,
zouden de tienduizend wezens zich schikken vanzelf.
Hemel en aarde zouden zich verenigen en een zoete
dauw doen neerdalen en zonder bevel, vanzelf
raakte het volk tot harmonie.
Tot schepping komende, wordt het noembaar.
Eenmaal noembaar, moet men het weten te houden.
Wie houdt, is zonder gevaar.
De aanwezigheid van Tja in de wereld is als de
saamvloeiing van beek en rivier met stroom en zee.



integrale tekst van 32. Over de aanwezigheid van het Tao in de wereld


Het grote Tja

Het grote Tja overstroomt alles,
zowel links als rechts.
De tienduizend wezens steunen erop om geboren te worden,
en het weigert niet.
Het verwerft verdienste
en rekent die niet als eigen.
Het bemint en koestert de tienduizend wezens
en is niet als meester.
Het is eeuwig begeerteloos.
Men kan het noemen: gering.
De tienduizend wezens keren terug
en het is niet als meester.
Men kan het noemen: groot.
Daarom maakt de Wijze zichzelf niet groot,
daardoor kan hij zijn grootheid voltooien.



integrale tekst van 34. Over de deemoed


Onuitputtelijk

Houdt het grote beeld en heel de wereld stroomt toe.
Stroomt toe zonder letsel; daar is rust en vrede en voorspoed.
Muziek en lekkernijen doen de voorbijgaande vreemdeling pozen.
Komt Tja de mond uit, o hoe laf, hoe smakeloos is het!
Wij kijken ernaar en zien het niet.
Wij luisteren ernaar en horen het niet.
Wij gebruiken het en 't is onuitputtelijk.



integrale tekst van 35. Over de onuitputtelijkheid van Tja


Als een vierkant zonder hoeken

Horen hoog ontwikkelden van Tja,
zo volgen zij het vol ijver.
Horen middelmatigen van Tja,
zo houden zij het nu en verliezen het dan weer.
Horen onontwikkelden van Tja,
zo lachen zij er zeer om.
Lachten zij er niet om,
dan zou het Tja niet zijn.
Daarom, welgegrond is het woord:
Tja-licht lijkt duister.
Tja-voortgang lijkt achteruitgang.
Tja-effenheid lijkt ruw.
Hoge deugd lijkt een vallei.
Grote reinheid lijkt schande.
Rijke deugd lijkt ontoereikend.
Sterke deugd lijkt wankel.
Blote zuiverheid lijkt verdorven.
Als een groot vierkant zonder hoeken.
Een grote vaas in aanleg.
Een groot geluid zonder klank.
Een groot beeld zonder vorm.
Zo is Tja verborgen en heeft geen naam.
En toch is Tja alleen, wat helpt en volmaakt.



integrale tekst van 41. Over de verborgenheid van Tao


Zonder uit het venster te zien

Zonder zijn huis te verlaten,
kan men de wereld kennen.
Zonder uit het venster te zien,
kan men het Tja van de hemel zien.
Hoe meer men naar buiten gaat,
hoe minder kent men.
Daarom: de Wijze gaat niet, maar weet toch,
Ziet niet, maar noemt toch,
Doet niet, maar volbrengt toch.



integrale tekst van 47. Over het zich zelf niet te buiten gaan


Aan Tja doen

Aan studie doen eist dagelijks meer.
Aan Tja doen eist dagelijks minder,
Minder en minder tot niet-doen bereikt is.
Met niet-doen kan men alles doen.
Met niet-doen kan men meester der wereld worden.
Met doende te zijn kan men geen meester der wereld worden.



integrale tekst van 48. Over de ijdelheid van het doen


Zeer vlak

Indien ik een weinig kennis had
En in het grote Tja wandelde,
Zo zou ik de openbaring ervan vrezen.
Het grote Tja is zeer vlak,
Maar het volk mint de zijpaden.
Hoven zeer weelderig,
Dan de velden vol onkruid,
De graanschuren ledig.
Klederen rijk gekleurd,
Scherpe zwaarden dragen,
Drank en spijs zwelgen,
Goederen en schatten te over hebben,
Dit heet pralen met roof,
Geen Tja voorwaar.



integrale tekst van 53. Over de ijdelheid van de begeerten


Over het betrachten van Tja

Onafgebroken brengen zijn kinderen en kindskinderen hem offers.
Betracht hij Tja voor zichzelf, dan is zijn Tja waarachtig.
Betracht hij Tja in het gezin, dan is zijn Tja overvloedig.
Betracht hij Tja in de gemeente, dan is zijn Tja vérreikend.
Betracht hij Tja in de staat, dan is zijn Tja overstromend.
Betracht hij Tja in het Rijk, dan is zijn Tja aldoordringend.
Daarom naar de persoon beoordeelt men personen.
Naar het gezin beoordeelt men gezinnen.
Naar de gemeenten beoordeelt men gemeenten.
Naar de staat beoordeelt men staten.
Naar het Rijk beoordeelt men het Rijk.
Hoe weet ik dat van het Rijk?
Door dit.



integrale tekst van 54. Over het betrachten van Tao


Regeren met Tja

Men moet een grote staat besturen,
zoals men kleine visjes braadt.
Als men het rijk regeert met Tja,
krijgen de demonen geen macht.
Niet dat de demonen geen macht krijgen,
maar zij schaden de mensen niet.
Niet, dat zij de mensen niet schaden,
maar de Wijze schaadt de mensen niet.
Noch de Wijze noch de demonen schaden hen,
daarom vloeien hun deugden saam.



uit 60. Over de eerbied voor het individu


De toevlucht aller wezens

Tja is de toevlucht aller wezens,
Schat van het goede,
Steun van het niet-goede.
Schone woorden kunnen van voordeel zijn.
Edel gedrag kan de mensen verheffen.
Waarom zou men de niet-goede verstoten?
Daarvoor stelde men een keizer in en drie ministers.
Maar beter dan statig de jadeschijf geheven te houden
of te rijden met een vierspan
is stil te zitten en voort te gaan in Tja.
Waarom vereerden de Ouden Tja zo?
Luidt het niet: Door zoeken kan het worden gevonden,
en die zonde heeft, wordt erdoor bevrijd?
Daarom is het het kostbaarste onder de hemel.



integrale tekst van 62. Over het kostbaarste onder de hemel


Niet verlicht

De Ouden, die Tja betrachtten, zochten daarmee het
volk niet verlicht, maar eenvoudig te maken.
Het volk is moeilijk te regeren, omdat het zo knap is.
Met knapheid het rijk regeren, is 's Rijks vloek.
Niet met al die knapheid het Rijk regeren, is 's Rijks zegen.
Wie dit beide weet, is een voorbeeld.
Altijd dit voorbeeld weten te zijn, heet diepgaande deugd.
Die diepgaande deugd is ondoorgrondelijk,
ver, en tegengesteld aan de dingen.
Zo komt men tot grote overgave.



integrale tekst van 65. Over het geven van het goede voorbeeld


Over de verborgenheid van Tja

Mijn woorden zijn heel gemakkelijk te begrijpen,
heel gemakkelijk te betrachten.
Maar niemand onder de hemel kan ze begrijpen
noch ze betrachten.
Mijn woorden hebben een oorsprong,
mijn daden hebben een meester.
Dit wordt niet geweten;
daarom kent men mij niet.
Die mij kennen, zijn zeldzaam.
Dat is juist mijn roem.
Daarom: de Wijze kleedt zich in een wollen gewaad.
Daarin verstopt hij zijn jade.



integrale tekst van 70. Over de verborgenheid van Tao


Het Tja van de hemel

Ware woorden zijn niet mooi.
Mooie woorden zijn niet waar.
Die goed zijn, zijn niet welbespraakt.
Die welbespraakt zijn, zijn niet goed.
Die weten, zijn niet geleerd.
Die geleerd zijn, weten niet.
De Wijze stapelt niet op.
Hoe meer hij anderen doet, hoe meer houdt hij over.
Hoe meer hij anderen geeft, hoe rijker wordt hij.
De weg van de hemel is: het Tja van de hemel.
De weg van de Wijze is: het Tja van de Wijze.



integrale tekst van 81. Over de weg van de hemel