Verlichting voor dummy's > Citaten > Cultuur > Wetenschap a-z Deze pagina: Citaten over niet weten van wetenschappers. Samensteller: Hans van Dam. Deze website: NIET-WETEN.NL. De titels van de citaten zijn van mij, tenzij anders vermeld. Capra, Fritjof: de tao van fysicauit De tao van fysica, Fritjof Capra, Servire 2008: Alsof de grond wegviel Zo schreef Heisenberg: De heftige reacties op de recente ontwikkelingen van de moderne fysica zijn alleen te begrijpen als men beseft, dat hiermee de fundamenten van de fysica in beweging zijn gekomen; en dat deze beweging het gevoel heeft veroorzaakt, alsof de grond onder de wetenschap wegviel. (53) Vrij zijn van alle gevestigde overtuigingen [Zen] kent geen speciale leer of filosofie, geen formele geloofsregels of dogma's, en het stelt dat juist dit vrij zijn van alle gevestigde overtuigingen tot ware spiritualiteit leidt. (117) Idealisaties Als we in de materie doordringen ontdekken we, dat die uit deeltjes is opgebouwd, maar dat zijn beslist niet de "fundamentele bouwstenen" in de betekenis van Demokreitos of Newton. Het zijn idealisaties, die vanuit een praktisch gezichtspunt gezien nuttig zijn, maar geen fundamentele betekenis hebben. (132) Abstracties Met de woorden van Niels Bohr: Geïsoleerde materiële deeltjes zijn abstracties, de eigenschappen ervan zijn alleen maar waarneembaar door middel van hun wisselwerkingen met andere systemen. (133) Web Op het niveau van het atoom vervagen de massieve materiële voorwerpen van de klassieke fysica dus tot waarschijnlijkheidspatronen, en die patronen stellen geen waarschijnlijkheden van dingen voor, maar waarschijnlijkheden van wisselwerkingen. De quantumtheorie dwingt ons, om het heelal niet te zien als een verzameling fysieke voorwerpen, maar als een gecompliceerd web van relaties tussen de verschillende onderdelen van een samenhangend geheel. (133) Niet de natuur zelf Het centrale kenmerk van de atoomfysica is, dat de menselijke waarnemer niet alleen nodig is, om de eigenschappen van een voorwerp waar te nemen, maar zelfs nodig om die eigenschappen te definiëren. In de atoomfysica kunnen we niet over de eigenschappen van een voorwerp op zich spreken. Die eigenschappen hebben alleen betekenis in de samenhang van de wisselwerking tussen het voorwerp en de waarnemer. Met de woorden van Heisenberg: Wat we waarnemen is niet de natuur zelf, maar de natuur die aan onze methode van vraagstelling is onderworpen. (135) Eenwording van tegendelen Voorbeelden van de eenwording van tegengestelde begrippen vinden we op subatomair niveau, waar deeltjes zowel onvernietigbaar als vernietigbaar zijn; waar materie zowel continu als discontinu is, en kracht en materie slechts verschillende aspecten van hetzelfde verschijnsel zijn. (143) Waarschijnlijkheidsgolven Het invoeren van waarschijnlijkheidsgolven lost in zekere zin de paradox, dat deeltjes golven zijn, op door hem in een nieuwe samenhang te plaatsen; maar tegelijkertijd voert dat naar een ander paar tegenstellingen dat nog fundamenteler is, nl. bestaan of niet-bestaan. Ook boven dit paar tegenstellingen stijgt de atomaire werkelijkheid uit. We kunnen nooit zeggen dat een atomair deeltje op een bepaalde plaats bestaat, maar we kunnen ook niet zeggen dat het niet bestaat. (147) Noch, noch Aldus Ashvaghosha: Zo-heid is niet wat bestaan is, noch wat niet-bestaan is, noch wat tegelijk bestaan en niet-bestaan is, noch wat níet tegelijk bestaan en niet-bestaan is. (148) Opgelegd [...] tweeduizend jaar lang werd de Euklidische meetkunde als de ware structuur van de ruimte beschouwd. Er was een Einstein voor nodig om de wetenschappers en filosofen te laten beseffen, dat meetkunde niet iets is, wat eigen is aan de natuur, maar iets wat door ons denken wordt opgelegd aan de natuur. (156) Ruimte is een begrip Met de woorden van Ashvaghosha: Men moet goed begrijpen dat ruimte niets anders is dan een manier van begripsvorming, en geen werkelijk eigen bestaan kent ... Ruimte bestaat alleen maar in betrekking tot ons begripsvormend bewustzijn. (157) Variabele lengte De lengte van een voorwerp is afhankelijk van de snelheid, die het ten opzichte van de waarnemer heeft, en die lengte verandert dus als de snelheid verandert. [...] Het is belangrijk om te beseffen, dat het geen zin heeft om te vragen wat de "ware" lengte van een voorwerp is, net zo min als het in ons dagelijks leven zin heeft om te vragen wat de ware lengte van iemands schaduw is. (164) Afgeschaft In de algemene relativiteitstheorie zijn de klassieke begrippen van ruimte en tijd als absolute en onafhankelijke entiteiten dus volledig afgeschaft. Niet alleen zijn alle metingen, die op ruimte en tijd betrekking hebben, relatief en afhankelijk van de bewegingstoestand van de waarnemer; de hele structuur van de ruimte-tijd is onafscheidelijk verbonden met de verdeling van de materie. In verschillende gedeeltes van het heelal is de ruimte in verschillende mate gekromd, en verloopt de tijd in verschillend tempo. (172, 173) Geen stof maar energie In de moderne fysica wordt massa niet langer verbonden geacht met een materiële substantie, en deeltjes worden dus niet meer beschouwd als samenstelsels van een soort basis-"stof", maar als bundels energie. (194) Geen korrels De quantumtheorie heeft aangetoond, dat deeltjes geen geïsoleerde korreltjes materie zijn, maar waarschijnlijkheidspatronen, verbindingsdraden in een onuitrafelbaar kosmisch web. (195) Het veld is de ruimte Materie en de lege ruimte - de "volte" en de "leegte" - waren de twee fundamenteel verschillende begrippen waarop het atomisme van Demokreitos en Newton was gebaseerd. Maar in de algemene relativiteitstheorie kunnen deze twee begrippen niet langer gescheiden worden gehouden. Overal waar zich een zwaar voorwerp bevindt, zal er ook een zwaartekrachtveld zijn, en dit veld manifesteert zichzelf als de kromming van de ruimte om dat voorwerp. We moeten echter niet denken, dat het veld de ruimte vult en die "kromt". De twee kunnen niet onafhankelijk van elkaar worden gezien: het veld is de gekromde ruimte! (199) Maat voor het geheel Volgens de fysicus en filosoof Ernst Mach is de traagheid van een materieel voorwerp - de weerstand tegen versnelling die het heeft - geen eigenschap van de materie zelf, maar een maat voor zijn wisselwerking met de gehele rest van het heelal. (200) Niets kan weggenomen worden Met de woorden van de astronoom Fred Hoyle: De hedendaagse ontwikkelingen binnen de kosmologie dwingen ons tot het inzicht, dat onze alledaagse omstandigheden alleen maar kunnen bestaan dank zij de uiterst ver verwijderde delen van het heelal; dat al onze ideeën over ruimte en de meetkunde ervan absoluut ongeldig zouden worden, als die ver verwijderde delen van het heelal zouden worden weggenomen. (200, 201) Quantumveld Het quantumveld wordt gezien als de fundamentele fysische entiteit; een continue tussenstof die overal in de ruimte aanwezig is. Deeltjes zijn slechts plaatselijke condensaties van het veld: concentraties van energie die ontstaan en zich weer oplossen, waarbij ze hun individuele karakter verliezen en in het aan alles ten grondslag liggende veld oplossen. (201) Alleen maar veld Met de woorden van Albert Einstein: We kunnen de materie dus beschouwen als bestaande uit die ruimtegebieden, waar het veld buitengewoon intens is... In deze nieuwe soort fysica is er geen plaats voor zowel het veld als de materie, want het veld is de enige werkelijkheid. (202) Niet steeds een en dezelfde substantie Daarover schrijft Hermann Weyl: Volgens de veldentheorie van de materie is een materieel deeltje zoals een elekron gewoon een klein gebied van het elektrische veld, waarin de veldsterkte een enorm grote waarde aanneemt, wat betekent dat een vergelijkenderwijs reusachtige veldenergie in een zeer kleine ruimte wordt geconcentreerd. Zo'n energieknoop, die bepaald niet scherp is afgescheiden van de rest van het veld, beweegt zich door de lege ruimte voort als een watergolf over het oppervlak van een meer; er is niet zoiets als één en dezelfde substantie waaruit het elektron de hele tijd bestaat. (204) Leeg is niet leeg Het onderscheid tussen materie en lege ruimte moest helemaal worden opgegeven toen het duidelijk werd, dat virtuele deeltjes ook spontaan uit de leegte kunnen ontstaan, en daar ook weer in verdwijnen [...] Het vacuum is allerminst leeg. Integendeel, het bevat een onbeperkt aantal deeltjes, dat zonder ophouden in verschijning treedt en weer verdwijnt. (213) Geen fundamentele eigenschappen In de nieuwe wereldbeschouwing wordt het universum gezien als een dynamisch web van onderling verbonden gebeurtenissen. Geen enkele eigenschap van één van de onderdelen van het web kan als fundamenteel worden beschouwd; elk volgt weer uit de eigenschappen van de andere delen. [Deze zienswijze] ontkent niet alleen, dat er fundamentele bouwstenen van de materie bestaan, maar aanvaardt geen enkele fundamentele entiteit hoe dan ook - geen fundamentele wetten, vergelijkingen of principes. (272) Mensenwetten In de moderne fysica heeft zich nu een heel andere instelling ontwikkeld. De fysici zijn nu van mening, dat al hun theorieën over de natuurverschijnselen, de "wetten" die ze beschrijven inbegrepen, scheppingen zijn van het menselijk denken: eigenschappen van onze in begrippen uitgedrukte "kaart" van de werkelijkheid, niet van de werkelijkheid zelf. (273) Onverklaarde constanten De quantumtheorie heeft geen verklaring voor de waarde die ze aan de massa van het elektron toekent; evenmin de veldentheorie voor de sterkte van de lading van het elektron; noch de relativiteitstheorie voor de snelheid van het licht. (274) Grenzen aan de verklaarbaarheid In de oosterse visie is, net als in de visie van de moderne fysica, alles in het universum met al het andere verbonden, en geen enkel deel ervan is fundamenteler dan een ander. De eigenschappen van elk deel worden niet door één of andere fundamentele wet bepaald, maar door de eigenschappen van alle andere delen. Zowel de fysici als de mystici beseffen, dat hieruit de onmogelijkheid voortvloeit om welk verschijnsel dan ook volledig te verklaren. (276, 277) Geen grenzen aan de onverklaarbaarheid Omdat ze zich volkomen bewust zijn van de wezenlijke onderlinge verwevenheid van het universum beseffen ze, dat het verklaren van iets uiteindelijk betekent laten zien, hoe het met al het andere is verbonden. Omdat dit onmogelijk is beweert de oosterse mysticus dat geen enkel verschijnsel kan worden verklaard. Zo zegt Ashvaghosha: Alle dingen zijn in hun fundamentele aard niet benoembaar of verklaarbaar. Ze kunnen in geen enkele taalvorm genoegzaam worden uitgedrukt. (277) Nobel stilzwijgen Dat was ook de houding van de Boeddha, die alle vragen over de zin van het leven, over de oorsprong van de wereld, of over de aard van het nirwana, beantwoordde met een "nobel stilzwijgen". (277) Onzinnige antwoorden De onzinnige antwoorden die zen-meesters geven, als hun gevraagd wordt iets uit te leggen, lijken hetzelfde doel te hebben. De leerling moet leren beseffen, dat elk afzonderlijk iets een gevolg is van de hele rest; dat de natuur "verklaren" inhoudt, dat je aantoont dat die een eenheid vormt; dat er uiteindelijk niets te verklaren valt. (277) Een eikenboom in de tuin Toen een monnik aan Tozan, die vlas aan het wegen was vroeg: "Wat is de Boeddha?" zei Tozan: "Deze vlas weegt drie pond."; en toen Joshu werd gevraagd om welke reden Bodhidharma naar China kwam, antwoordde hij: "Een eikenboom in de tuin." (277) Woordvrij Het is één van de voornaamste doeleinden van de oosterse mystiek om het menselijk denken vrij te maken van woorden en verklaringen. (277) Schaduw van het denken Zo zegt Ashvaghosha: Als we grove (of samengestelde) materie opdelen, kunnen we die tenslotte tot atomen reduceren. Maar omdat het atoom ook weer aan verdere opdeling kan worden onderworpen, zijn alle vormen van materieel bestaan, zowel de grove als de fijnere, slechts de schaduwen van ons opsplitsende denken, en we kunnen er geen enkele graad van (absolute of onafhankelijke) werkelijkheid aan toekennen. (278) Vertogen, Ger: Weten het niet-wetenuit Weten het niet-weten, Ger Vertogen, Damon, Budel 2010:Een illusie De inhoud van een wetenschappelijke theorie wordt verondersteld onbeperkt geldig te zijn wat betreft plaats en tijd. Dit brengt met zich mee dat een theorie nooit te verifiëren valt gezien het beperkte aantal waarnemingen dat een mens kan doen. Verificatie van een theorie is bijgevolg een illusie. (15) Vertrouwen Een natuurwetenschappelijke theorie is gebaseerd op een aantal axioma's die ook wel wetten of zelfs natuurwetten worden genoemd. Zo is de mechanica van Newton onder meer gebaseerd op de traagheidswet. Deze wet stelt dat een deeltje bij afwezigheid van krachten een rechte baan volgt. De fysische axioma's zijn onbewezen stellingen die plausibel worden geacht. ... Dit vertrouwen mag niet verward worden met het deductieve weten dat volgt uit de axioma's. De axioma's zelfs zijn een inductief weten, een weten dat gebaseerd is op een vertrouwen ontleend aan de ervaring. Bijgevolg is de houdbaarheid van de natuurwetenschappelijke zienswijze gefundeerd op vertrouwen. In hoeverre dit vertrouwen zich altijd bewaarheid is echter onbekend, dat weet de mens niet. (18) Een hypothese Overigens is de aanduiding van een natuurwetenschappelijk axioma als natuurwet enigszins misleidend. Hoe valt na te gaan of een door mensen opgesteld axioma inherent is aan de natuur? Zo bezien is de wet van de zwaartekracht geen natuurwet, maar een hypothese die is opgesteld door Newton om de baan van een planeet rond de zon te beschrijven. Zon en aarde trekken elkaar aan, omdat de mens dat zo wil beschrijven. (19) Schimmen Alle interpretaties van de wereld van de verschijnselen kom in wezen overeen met het verhaal van Plato over mensen die geketend zitten in een grot. Van jongs af aan zijn ze daar onbeweeglijk opgesloten met hun rug toegekeerd naar een opening waardoor het daglicht naar binnen valt. Bijgevolg zien zij slechts schimmen van het buitengebeuren op de wand van de grot tegenover hen. Hoogst onzeker is dan ook of hun beschrijving daarvan leidt tot betrouwbare conclusies aangaande de echte werkelijkheid buiten de grot. (19) Ignoramus en ignorabimus Volgens ... von Helmholtz is het gedrag van alle systemen terug te brengen tot mechanica. Echter dit wordt al direct tegengesproken door de fysioloog Du Bois-Reymond. Deze eveneens vooraanstaande collega van von Helmholtz meent dat het onhoudbaar is om te beweren dat het gedrag van alle systemen, of ze nu fysisch, chemisch, biologisch of psychologisch van aard zijn, valt terug te brengen tot mechanica. Hij stelt dat wetenschappers moeten leren erkennen dat zij uiteindelijk ook niet ontkomen aan 'ignoramus' (wi weten niet) en 'ignorabimus' (wij zullen niet weten). (97) In de richting van niet-weten Ook de kwantumtheorie stelt kritische vragen bij de verabsolutering van het wetenschappelijke wereldbeeld. De opstellers van de kwantumtheorie concluderen zelfs tot de onhoudbaarheid van deze visie. Of de kwantumtheorie het laatste woord spreekt moet nog blijken, maar in ieder geval lijkt de conclusie gewettigd dat er tot nu toe geen wetenschappelijke grond bestaat voor de waarheidsclaim van het wetenschappelijke wereldbeeld. Integendeel, de kwantumtheorie lijkt eerder te wijzen in de richting van niet-weten. De mens weet ten diepste niet wat zijn werkelijkheid inhoudt. (101) Een virtuele wereld Zo stelt Bohr, een van de belangrijkste architecten van de kwantumtheorie, dat er helemaal geen kwantumwereld bestaat. Volgens hem is er alleen een abstracte kwantumfysische beschrijving. De kwantumwereld, de achter de verschijnselen gedachte wereld, is geen reële wereld zoals de kosmologen beweren maar een virtuele wereld, die stoelt op een metafysische interpretatie van het wiskundig formalisme. (102) Slechts denkbeelden De conclusie is duidelijk: de bewering dat het venster op de werkelijkheid zoals geopend door de evolutieleer of elke andere wetenschappelijke theorie schoon is, kan ondanks hun verdiensten niet wetenschappelijk worden onderbouwd. Het tegendeel daarentegen is wel waar: wetenschappelijk valt te onderbouwen dat dit venster niet schoon is in de zin dat het een beter perspectief op de werkelijkheid biedt dan het venster van andere levensbeschouwingen. Bijgevolg kan de bewering dat het wetenschappelijk venster op de werkelijkheid schoon is ook niet worden gezien als een geloofsuitspraak. Immers in die stelling kan niet geloofd worden omdat ze gewoon 'niet waar' is. Ook kosmologie en evolutieleer, hoe waardevol ook, zijn slechts denkbeelden van de geketende mens bij de schimmen op de wand voor hem. (103) Metafysisch De natuurwetenschap levert geen Godsbewijs. Weliswaar zijn voorkomende structuren van een indrukwekkende complexiteit maar dat betekent niet dat ze ontworpen zijn (Intelligent Design) of een ontwerper hebben (God). Dat is slechts een aanvechtbare metafysische speculatie. Dat geldt evenzeer voor het wetenschappelijke kompas. De daar gebruikte begrippen als oerknal, oersoep en macro-evolutie, de overgang tussen soorten, zijn eveneens metafysisch van aard, want ze zijn allesbehalve experimenteel toegankelijk. (104) Een onafhankelijk waarnemer? Gezien het reductionistische uitgangspunt van de wetenschap is de vraag naar het wezen van de menselijke geest beantwoord als deze te verklaren is uit de gedragingen van de materiedeeltjes waaruit de mens is opgebouwd. Is de veronderstelde geldigheid van het reductionisme echter wel juist? Immers natuurwetenschap gaat uit van het bestaan van een onafhankelijke waarnemer. Dat betekent dat ze alleen zinvol is in geval van een scherpe scheiding tussen een goed afgebakend object en subject. Maar is die eis hier wel haalbaar? Valt het object wel goed af te bakenen en hoe zit het met zijn scheiding van het subject? Vallen object en subject in dit geval niet samen? (105) Projecties Een nauw hiermee samenhangend probleem is de interpretatie van de ervaringen die door een mens worden opgedaan. Zijn waarnemingen zijn noch waardevrij noch objectief. Het valt niet in te zien hoe hij een subjectieve of intersubjectieve inkleuring kan vermijden. Of met de woorden van Einstein: 'Pas de theorie bepaalt wat waargenomen wordt.' Dit betekent dat het menselijk bewustzijn bepaalt hoe het zichzelf ziet. Zijn gewaar worden dicteert de mens wat hij gewaar wordt. De schimmen op de wand zijn in wezen projecties van zijn eigen bewustzijn. (106) Het regressieprobleem Valt er eigenlijk een wetenschappelijke theorie op te stellen over het bewustzijn zonder dat het object, dat wil zeggen het bewustzijn, bekend is? En valt er een exacte omschrijving van het bewustzijn te geven? Het enige dat te zeggen valt is dat het bewustzijn zich toont net zoals de logica zich toont. Het vraagt bewustzijn om over het bewustzijn te spreken net zoals logica nodig is om over logica te spreken. (106) Solipsisme Maar hoe valt uit te maken voor een waarnemer dat hij een mens met bewustzijn ziet of dat hij slechts zijn eigen bewustzijn ziet? Hoe weet een waarnemer dat hij een objectieve waarneming en geen subjectieve waarneming doet? Volgens het solipsisme is er geen ander bewustzijn dan het eigen. Geen mens kan er volstrekt zeker van zijn dat er nog een ander bewustzijn is, dat er een ander mens met bewustzijn is. Het belang van het solipsismeprobleem ligt in het feit dat het duidelijk laat zien dat de verklaring van het bewustzijn niet proefondervindelijk valt op te lossen. En dat betekent dat een wetenschappelijk gefundeerde theorie van het bewustzijn niet mogelijk lijkt. (106) Het definitieprobleem Aan taal blijkt een intrinsieke onzekerheid te kleven en wel aan de betekenis van de woorden. Die zijn minder duidelijk omschreven dan op het eerste oog lijkt. Weliswaar is een nauwkeurige definitie mogelijk onder welke omstandigheden een woord is te gebruiken en een bepaalde betekenis heeft. Echter het probleem van de intrinsieke onzekerheid is daarmee niet opgelost. Immers zo'n definitie vergt weer andere begrippen die op hun beurt weer gedefinieerd dienen te worden. Dit proces kan niet oneindig lang doorgaan. Uiteindelijk resteren ongedefinieerde begrippen. Bijgevolg loopt de analyse van een willekeurig begrip noodzakelijkerwijs dood op begrippen die genomen moeten worden voor wat ze zijn. (107) Niet-weten En als de mens al niet zeker is van de exacte betekenis van de gebruikte woorden, wat voor waarheid valt dan toe te kennen aan zijn uitspraken? Onontkoombaar lijkt zich de conclusie op te dringen dat een diepgaande analyse van het begrippenapparaat van de taal de mens leidt tot het inzicht van het niet-weten. (108) Een intrinsieke onzekerheid Een vergelijkbare problematiek treedt op in de wiskunde. Ook in deze logische taal openbaart zich een intrinsieke onzekerheid zoals aangetoond door Gödel. Er kunnen wiskundige uitspraken worden gedaan waarvan niet kan worden aangetoond dat ze waar of onwaar zijn. Hij laat zelfs zien dat het een open vraag is of de wiskunde wel consistent is. Bijgevolg weten wiskundigen in wezen dus niet waar ze aan toe zijn als ze wiskunde bedrijven. ... Ook de vraag naar de waarheid van de wiskunde lijkt de mens tot het inzicht van het niet-weten te leiden. (108) Iedere waarneming is al theoriegeladen Neem het woord 'auto'. Dat woord puur genomen, verwijst niet naar een ding maar naar een voorstelling van dat ding. En het is weinig plausibel om aan te nemen dat iedereen dezelfde voorstelling heeft. Het is een illusie om te denken dat een woord naar een ding verwijst. Een woord doet iets met de menselijke geest. Het roept iets op in de geest dat niet los gezien kan worden van eigen ervaring. Maar hoe heeft de mens dan eigenlijk toegang tot het ding? Is dat door het waar te nemen? Maar pas de theorie beslist wat waargenomen wordt, iedere waarneming is al theoriegeladen! Ervaringen worden uitgedrukt in woorden. En die verwoording betreft al een interpretatie. (109) 'Dingen' en 'ervaringen' Zijn er eigenlijk wel dingen? Dat valt niet vast te stellen! Een 'ding' is immers ook weer een begrip van het bewustzijn. En dat geldt ook voor ervaring. Zodra ervaring benoemd wordt, is het geen ervaring meer. Dan is het uniek-zijn ervan verdwenen, immers met interpretatie gaat de algemeenheid van begrippen gepaard. (110) Interpreteren Wat is een woord dan wel? Is de enig zinvolle oplossing het woord te zien als de uitdrukking van een begrip in het bewustzijn? Maar ten gevolge waarvan is dat begrip dan ontstaan? Kennelijk lijkt ook een nadenken over taal en woorden te leiden tot een inzicht van niet-weten. In eerste instantie lijkt dit taalprobleem irrelevant. Immers wetenschappers zijn in staat met elkaar te communiceren en elkaars resultaten te reproduceren. Net zomin als in het leven van alledag heeft taal in het gewone wetenschappelijk bedrijf een problematisch karakter. De relevantie van het taal probleem komt pas aan het licht zodra wetenschappers hun resultaten gaan interpreteren in termen van kosmos, evolutie en menselijk bewustzijn. (110) Op generlei wijze Beoefening van de natuurwetenschap brengt een opmerkelijke dubbelervaring met zich mee. Enerzijds verkrijgt de mens door kennis van de verschijnselen daar een zekere greep op. Hij kan objecten zo manipuleren dat ze op een bepaalde manier werken. Voorbeelden hiervan zijn koelkasten, lasers en ruimtestations. Anderzijds echter ervaart hij ook het tegenovergestelde. Iets wat juist op generlei wijze manipuleerbaar en verklaarbaar is. Namelijk het feit dát deze verschijnselen zich aan hem voordoen, zich aan hem tonen. Hij schept ze niet zelf, zij manifesteren zich. (113) Het mystieke kompas De mens kan zijn ervaring dat hij stuit op onverklaarbaarheid religieus duiden, namelijk als verwijzing naar het mysterie van zijn bestaan. Dit mysterie wordt door christenen, joden en moslims God genoemd. Daarmee stelt hij zich open voor het inzicht dat hij uiteindelijk op een niet-weten stuit. Religies hebben weet van dit niet-weten. Zij aanvaarden dat het mysterie van het menselijk bestaan, zijn werkelijkheid, niet wetenschappelijk valt te duiden. Dat mysterie overstijgt, transcendeert de menselijke kennis. Dat inzicht van niet-weten, het besef dat de mens geen greep kan krijgen op het mysterie van zijn bestaan, ligt ten grondslag aan het mystieke kompas. (113) Indeterminisme De natuurwetenschap heeft het denken van de mensen sterk beïnvloed. Haar klassieke visie die gebaseerd is op een mechanica waar alles in ruimte en tijd verloopt volgens de causaliteitswet, heeft de secularisatie sterk in de hand gewerkt. Dat heeft geleid tot de opvatting dat wetenschap en religie niet met elkaar kunnen samengaan. Opmerkelijk is nu dat juist de eigen ontwikkeling van de natuurwetenschap heeft duidelijk gemaakt dat die opvatting onjuist is. Dit komt met name tot uiting in de thermodynamica en de kwnatumtheorie. De noodzaak van de thermodynamica ter beschrijving van veeldeeltjessystemen maakt de klassieke deterministische visie onhoudbaar. Volgens de kwnatumtheorie is iedere voorspelling over een toekomstig gebeuren onmogelijk zonder daarbij de waarnemer of het waarnemingsapparaat te betrekken. Dit maakt het onmogelijk subject en object te scheiden. (114) Complementariteit De fysica van de twintigste eeuw heeft duidelijk gemaakt dat het klassiek fysische denken te eng is. De verbanden waarin moet worden gedacht zijn veel groter en rijker dan aangenomen. Dankzij de kwantumtheorie is het oude begrip complementariteit, onder meer bekend uit de filosofie en theologie, weer op de voorgrond gekomen. Juist dit begrip maakt het mogelijk in te zien dat het idee van een materieel voorwerp dat onafhankelijk is van de wijze waarop het wordt waargenomen, een abstractie is en geen tegenhanger heeft in de werkelijkheid. (114) Op de koop toe Dit openbreken van de enge verbanden van de klassieke fysica kan niet anders dan een tolerantere houding van de natuurwetenschap tegenover de religie tot gevolg hebben. Immers de mens is, net als in de religie, ook in de natuurkunde gedwongen beelden te gebruiken die zijn bedoelingen slechts beperkt weergeven. Hem resteert slechts de benadering. En dat betekent dat hij af en toe tegenspraken op de koop toe moet nemen. (115) Geen beslissend antwoord Waarom is er iets en niet veeleer niets? Waar komt de mens vandaan en waar gaat hij naar toe? Waartoe is hij op aarde? Met die vragen opent deze verhandeling. Vervolgens is nagegaan of de natuurwetenschap hier een beslissend antwoord op kan geven. Dat blijkt niet het geval. Hoe indrukwekkend de successen van de natuurwetenschap ook mogen zijn, haar weten blijkt toch te grenzen aan niet-weten. (115) Een grond Ook al mag de natuurwetenschap dan geen grondslag zijn voor een levensbeschouwing, ze geeft wel een aanwijzing in een bepaalde richting. Al haar weten wijst de mens uiteindelijk op een niet-weten. Ze biedt hem geen rationele oplossing voor het mysterie van zijn bestaan, het definitieve gebied van niet-weten. Dat inzicht kan een grond zijn voor de levensbeschouwing van de mens. [De natuurwetenschap] lijkt te wijzen op het belang van het niet-weten als richtsnoer in het leven. Dat niet-weten staat voor een veranderd weten, een niet-weten dat uit weten voortkomt. Om dat niet-weten cirkelen onder meer de negatieve theologie van het Christendom en het Boeddhisme, denkrichtingen waarin de subject-object relatie wordt opgeheven. Meer algemeen gesteld: een reflectie over de natuurwetenschap lijkt voor nadere kennis van de werkelijkheid te verwijzen naar de inzichten van de mystiek. (115-117) uit de lezing De grenzen van de wetenschap: waartoe zijn wij op aarde?: Zijn er onoplosbare raadsels Spreken over de grenzen van de wetenschap brengt met zich mee een reflectie over de zin van ons bestaan. Vandaar dat ik mijn lezing wil voorzien van een ondertitel, namelijk de vraag: Waartoe zijn wij op aarde? Een vraag die ons mensen kwelt sinds mensenheugenis. Antwoorden van velerlei slag bestaan. Ook wij moeten met die vraag zien klaar te komen. En ons antwoord heeft grote gevolgen, want het bepaalt de wijze waarop we mens willen zijn. Hoe we willen omgaan met onze medemensen en onze wereld. En dus ook hoe we wetenschapper willen zijn. Ons antwoord hangt af van het antwoord op een andere vraag. Die vraag luidt: Kent de wetenschap grenzen? Of anders geformuleerd: Zijn er onoplosbare raadsels? De wetenschappelijke wereldbeschouwing zegt nee. Volgens deze levensovertuiging kent de wetenschap geen grenzen. Onoplosbare raadsels bestaan niet, niets blijft gesloten voor de mens, hij is de maatstaf van alle dingen. Zijn we als wetenschapper gehouden aan de wetenschappelijke wereldbeschouwing? Een antwoord op die vraag vereist een bezinning op de aard van de natuurwetenschap, het draagvlak van de wetenschappelijke wereldbeschouwing. Grondeloze aannames De natuurwetenschap berust op een drietal aannames, dat wil zeggen op drie onbewezen stellingen die geloofwaardig gedacht worden. Zekerheid omtrent de juistheid van deze aannames is niet te verkrijgen. Het enig mogelijke is er ervaring mee op te doen, een ervaring die vertrouwen wekt. Anders gezegd: Natuurwetenschap is ten diepste gegrond op een niet weten. De eerste aanname betreft de relatie tussen de waarnemer, het subject, en wat deze waarneemt, het object. De natuurwetenschap gaat ervan uit dat het subject, de waarnemer, scherp te onderscheiden is van het object, van dat wat waargenomen wordt. Anders gezegd: het bestaan van een scherp afgebakende subject-object relatie is wezenlijk voor een natuurwetenschappelijke theorie. De tweede aanname is de geldigheid van de causaliteitswet, de wet van oorzaak en gevolg. Een natuurwetenschappelijke theorie beoogt het gedrag van een object te beschrijven als het gevolg van allerlei oorzaken. Ofwel de diverse waarnemingen moeten in een samenhangend verhaal van oorzaak en gevolg worden samengevat. Die causaliteitswet is echter alleen zinvol als oorzaak en gevolg afzonderlijk proefondervindelijk ofwel empirisch te onderzoeken zijn. De derde aanname is dat het gedrag van een totaliteit valt terug te voeren op haar samenstellende bestanddelen. Deze aanname staat bekend als het reductionisme. Probleem is echter wat zijn de samenstellende bestanddelen. Die problematiek leidt tot een tegenstrijdigheid in het eigen voorstellingsvermogen zoals Kant al opmerkte. Enerzijds is het moeilijk voorstelbaar dat steeds verder gereduceerd kan worden, anderzijds is het net zo moeilijk voorstelbaar dat de reductie uiteindelijk ophoudt. Een niet-weten De geëigende taal om de waarnemingen te kwantificeren en te structureren is de wiskunde. Daartoe worden begrippen die met de waarnemingen samenhangen, vertaald in wiskundige grootheden. Het waargenomen verband tussen deze wiskundige grootheden wordt vervolgens beschreven met behulp van een beperkt stelsel axioma’s. Deze gepostuleerde betrekkingen tussen wiskundige grootheden zijn de natuurwetten. Ook deze natuurwetten zijn onbewezen stellingen die plausibel geacht worden. Zekerheid omtrent hun juistheid is niet te geven. Nogmaals gezegd: de natuurwetenschappelijke zienswijze is ten diepste gegrond op een niet weten. Een tautologie Na het opstellen van de axioma’s van een natuurwetenschappelijke theorie, zoals de Newtonse mechanica, de kwantummechanica en de thermodynamica, volgen via wiskundige afleidingen allerlei betrekkingen tussen de diverse begrippen. In wezen zijn die relaties tautologieën, ze volgen immers logischerwijs uit de axioma’s. Door vervolgens de wiskundige grootheden te vertalen in de fysisch verwante begrippen zijn deze tautologieën direct te vertalen in natuurwetenschappelijk gedrag. Zon en aarde trekken elkaar aan op grond van de menselijke interpretatie van het wiskundig formalisme. Herhaalbaarheid en voorspelbaarheid zijn als het ware al ingebakken in de structuur van een theorie. Anders gezegd: een kwantitatieve voorspelling van gedrag berust ten diepste op een tautologie. Als blinden Tot slot van deze beschouwing over de aard van een natuurwetenschappelijke theorie moet worden opgemerkt dat de tekst die ontstaat uit de vertaling van het wiskundige formalisme uitsluitend uit woorden bestaat. De interpretatie van die fysische tekst is gebaseerd op de betekenis van de gebruikte woorden. Essentieel voor het verstaan van deze tekst is bijgevolg kennis van de werkelijkheid waarnaar deze woorden refereren. Als die kennis afwezig is zal de betekenis van de tekst niet te vatten zijn. De natuurwetenschappelijke interpretatie van een wiskundige tekst vooronderstelt dus kennis van de werkelijkheid waarover de woorden berichten. Maar wat te zeggen als het gaat over vermeende werkelijkheden als de oerknal, de oersoep en de kwantumwereld? Zijn we dan niet als blinden die moeten afgaan op wat hun stok hun vertelt over de wereld waarin ze ronddwalen? Een kanstheorie Opmerkelijk is dat de natuurkunde ... al heeft aangetoond dat de wetenschappelijk wereldbeschouwing onhoudbaar is gezien de dan geldende stand van zaken. En nog opmerkelijker is dat zo weinig mensen, niet alleen toen maar ook nu, dat inzien. De oorzaak van die onhoudbaarheid is Plancks ontdekking van een nieuwe natuurconstante aan het eind van de negentiende eeuw. Die constante moet worden ingebouwd in de mechanica. Het gevolg is dat Newtons mechanica fundamenteel moet worden herzien. Ongeveer een kwart eeuw later ziet de nieuwe bewegingsleer, de zogeheten kwantummechanica, het daglicht. De constante van Planck speelt hierin een meer dan opmerkelijke rol. Zij heeft namelijk tot gevolg dat de nieuwe bewegingsleer niet langer deterministisch maar statistisch van aard is. Anders gezegd: de kwantummechanica is een kanstheorie. Haar succes is ongeëvenaard. De kwantummechanica beschrijft niet alleen de atomaire verschijnselen maar leidt ook tot de technologie van laser, elektronenmicroscoop en chip. Maar ze doet nog veel meer. De statistische aard van de nieuwe bewegingsleer stelt namelijk onze gebruikelijke perceptie van de werkelijkheid ter discussie. Het opgeven van de ‘oorzakelijkheid’ of ‘causaliteit’ brengt mee dat we moeten afzien atomaire processen te begrijpen door hiervan in gedachten beelden te vormen die met de realiteit overeenstemmen. Dit betekent dat het bestaan van de fundamentele objecten van de kwantumtheorie, zoals atomen en elektronen, afhankelijk is van de waarnemer en zijn waarneming en bijgevolg niet objectief. Het loslaten van de ‘oorzakelijkheid’ heeft dus enorme consequenties. Automatisch worden hierdoor de begrijpbaarheid en de realiteit van de geïntroduceerde begrippen ter discussie gesteld. Zo blijken bekende klassieke begrippen als ‘golf’ en ‘deeltje’ slechts beperkt bruikbaar. De onhoudbaarheid van de wetenschappelijke wereldbeschouwing De kwantumtheorie stelt kortweg dat wij de wereld niet kunnen bekijken zonder haar te beïnvloeden, ofwel de subject-object relatie is problematisch geworden. Dat inzicht trekt zelfs de toekomst van de fysica in twijfel. Daarnaast benadrukt de kwantumtheorie het unieke. Bepaalde experimenten zijn niet reproduceerbaar. Voorts beperkt ze de wet van oorzaak en gevolg vanwege haar statistisch karakter. Bijgevolg concludeerden de opstellers van de kwantumtheorie tot de onhoudbaarheid van de wetenschappelijke wereldbeschouwing. De wetenschappelijke wereldbeschouwing Waar komt de wetenschappelijke wereldbeschouwing in het kort op neer? Voor mij is het een verhaal zonder veel diepgang, zeker als je het met een aantal scheppingsverhalen vergelijkt. De wetenschappelijke mythe vertelt ons dat het Niets, de drager van Toeval, de Kosmos baart als een Oerknal. Zijn ontwikkelingsgang van Oerknal tot Nu is te doorgronden dankzij de wetenschap. Dat proces staat echter geschreven in wiskundige taal. Dat betekent dat het slechts aan weinigen voorbehouden is het licht in de duisternis te zien. Die uitverkorenen zijn voornamelijk kosmologen en theoretisch fysici die onvermoeibaar ons deze boodschap verkondigen. Centraal in de wetenschappelijke visie staat de evolutieleer. Het leven op aarde heeft zich ontwikkeld uit een Oersoep. Uiteindelijk is de mens ontstaan ten gevolge van toeval en de strijd om het bestaan met de bijbehorende overleving van de sterkste. Volgens deze visie is de mens dus slechts een nietig wezen op een onbeduidende planeet ergens in het heelal. Scheppingsverhalen Ik verbaas me iedere keer weer hoeveel natuurwetenschappers speculatieve verhalen als van oerknal tot nu en van oersoep tot mens voor waar en werkelijk houden. Het zijn geen natuurwetenschappelijke verslagen van het kosmische gebeuren vanaf de dagen van olim tot nu, maar verhalen die vallen in de categorie scheppingsverhalen. Immers noch het verhaal van oerknal tot aarde noch het verhaal van oersoep tot mens is falsificeerbaar. En daarmee behoren zij – overeenkomstig het falsificatievereiste van Popper – niet tot het natuurwetenschappelijke taalspel. En laat ik maar zwijgen over de goedgelovigheid van al hun aanhangers. Mensen die als papegaaien alles nazeggen wat de priesters van de wetenschappelijke wereldbeschouwing beweren. Denk maar aan schrijvers als Dan Brown in zijn boek ‘Het Bernini Mysterie’ en Harry Mulisch in ‘De Ontdekking van de Hemel’. Maar het meest verbazingwekkende vind ik eigenlijk dat al die natuurwetenschappers zo weinig nagedacht hebben over hun vak. Het zijn uitstekende rekenmeesters en experimentatoren, maar geen reflectieve denkers. Immers de natuurwetenschap zelf bevat reeds de argumenten om hun fundamentalistische kijk onderuit te halen. Vloeken in de kerk Dát we er zijn kun je voor kennisgeving aannemen, weten hoe het komt dat je er bent, waardoor of waarom (of waarom-niet), zijn onbeantwoordbare vragen. Religies hebben weet van dit niet-weten. Zij aanvaarden dat het mysterie van ons bestaan niet wetenschappelijk valt te duiden. Dat mysterie overstijgt, transcendeert onze kennis. Dat inzicht van niet-weten, het besef dat we geen greep kunnen krijgen op het mysterie van ons bestaan, klinkt voor veel wetenschappers als vloeken in de kerk: dat er iets bestaat buiten de wetenschap om. Maar ze zullen er toch mee moeten leren leven. Weten door niet-weten Maar wat is onze levenshouding? Kiezen wij als richtsnoer voor ons leven de zinloosheid van ons bestaan? Of kiezen wij het inzicht van niet-weten als richtsnoer? Willen wij ons openstellen voor het inzicht van Eckhart dat de enige, onmetelijke, ongeschapen, eeuwige waarheid alleen te aanschouwen en te kennen valt door in een niet-weten te geraken? Met dat niet-weten bedoelt hij een veranderd weten, een niet-weten dat uit weten voortkomt. uit "Einstein en Boeddha"
uit Einstein en Boeddha, parallelle uitspraken, MacFarlane 2001:Bohm, David
Geen intrinsieke eigenschappen De kwantumtheorie vraagt van ons het idee op te geven dat de elektron, of welk ander object ook, van zichzelf ook maar iets van intrinsieke eigenschappen heeft. (127) Chuang ChouVlinder Op een keer droomde Chuang Chou dat hij een vlinder was... Plotseling werd hij wakker en daar was hij, stevig en onmiskenbaar Chuang Chou. Maar hij wist niet of hij Chuang Chou was die had gedroomd dat hij een vlinder was, of een vlinder die nu droomde dat hij chuang Chou was. (106) Thuis in het onbegrensde Vergeet de scheidingen. Spring in het onbegrensde en maak er je thuis van! (132) Eddington, Sir Arthur
To be nor not to be Denken dat dingen bestaan of niet bestaan is een primitieve denkwijze. (60) Wever van illusie Om de werkelijkheid te vinden hebben we het gordijn van mentale waanideeën weggetrokken, alleen maar om te ontdekken dat de werkelijkheid van wat erachter is onverbrekelijk verbonden is met haar potentie om deze waanideeën op te wekken. Dat is omdat de denkende geest, de wever van illusie, ook de enige feitelijke garantie is dat de werkelijkheid altijd gezocht zal worden aan de basis van illusie. Illusie behoort bij de werkelijkheid zoals rook bij vuur. (108) Schijnwereld Die wereld van ruimte en tijd en materie, van licht en kleur en concrete dingen, die zo intens echt leek... is versmolten tot een schijnwereld. (125) Einstein, Albert
Koppige illusie Mensen zoals wij, die in de natuurwetenschap geloven, weten dat de scheiding tussen verleden, heden en toekomst alleen maar een koppige illusie is. (140) Feynman, Richard P.
Vergeet hetAls we vanuit onze kleine geesten, uit gemakzucht, dit ... universum verdelen - in fysica, biologie, geologie, astronomie, psychologie enzovoort - bedenkt dan dat de natuur het niet weet! Dus laten we alles weer in één glas gieten, niet vergeten uiteindelijk waar het voor is, en laat het ons nog één laatste genoegen verschaffen: drink het en vergeet het! (132) Nu Wat wij bedoelen met 'nu' is een mysterieus ding dat we niet kunnen begrenzen... 'Nu' is een idee of een begrip van onze geest. Het is niet iets dat op dit moment fysisch definieerbaar is. (144) Heisenberg, Werner
Wij konden niet zeggen Elk deeltje bestaat uit alle andere deeltjes... We konden niet zeggen dat het proton bestaat uit drie quarks. We zouden moeten zeggen dat het misschien tijdelijk uit drie quarks bestaat, maar ook tijdelijk uit vier quarks en een antiquark, of vijf quarks en twee antiquarks, enzovoort. (135) Nagarjuna, Siddha
Bestaat noch bestaat nietZeggen 'het is', is naar bestendigheid grijpen, zeggen 'het is niet', is nihilisme omarmen. Daarom zegt een wijs mens niet 'het bestaat' of 'het bestaat niet'. (60) Oppenheimer, J. Robert
Nee Als we bijvoorbeeld vragen of de positie van het elektron onveranderlijk is, moeten we 'nee' antwoorden; als we vragen of de positie van het elektron steeds verandert, moeten we 'nee' antwoorden; als we vragen of het elektron in rust is, moeten we 'nee' antwoorden; als we vragen of het elektron in beweging is, moeten we 'nee' antwoorden. (58) Schrödinger, Erwin
Geen einde Eeuwig en altijd is alleen nu, een en hetzelfde nu: nu is het enige dat geen einde kent. (143) Eenmalig De wereld wordt maar eenmaal gegeven. Niets wordt weergegeven. Het oorspronkelijke en de weergave zijn identiek. De wereld uitgestrekt in tijd en ruimte is alleen maar onze voorstelling. Ervaring geeft ons niet de geringste aanwijzing over zijn wezen wat het ook zij behalve dat. (169) Overiglijfspreuk van Ernst, Bruno
nescius omnium curiosum (ik weet niets en ben nieuwsgierig naar alles) Darwin
Uit Wat Blijft, Patricia de Martelaere, 2002: Geen essentie [In de woorden van Darwin:] 'We zullen soorten moeten gaan bekijken als kunstmatige categorieën die alleen maar voor ons gemak in het leven zijn geroepen. Dit is misschien geen al te vrolijk vooruitzicht, maar we zullen wel verlost zijn van het nutteloze zoeken naar de onontdekte en ook niet te ontdekken essentie van het begrip soort.' (20) Groot verlies Maar wat nog het minst vrolijk is aan dit vooruitzicht wordt door Darwin vooralsnog, in The Origin of Species, strategisch verzwegen: dat het ook geen enkele zin meer zal hebben te zoeken naar onze eigen essentie, wat door de mens allerminst wordt ervaren als een verlossing, maar integendeel als een groot verlies. (20) Feyerabend, Paul
Uit Over kennis: twee dialogen, Paul Feyerabend, 1993: Geen voorwerp veronderstellen Waarmee wij te maken hebben, zei Heisenberg toen hij aan een van zijn oudere artikelen werkte, zijn spectraallijnen, met frequenties, intensiteiten - laten wij dus een schema bedenken dat verklaart hoe deze dingen samenhangen zonder een onderligend 'voorwerp' te veronderstellen. (14) Cultuurrelativisme Lee Feng: Betekent dat dat wetenschappelijke wetten niet universeel geldig zijn? Dr. Cole: Ja! Ze zijn juist als je behoort tot de westerse beschaving, ze zijn juist in relatie tot de procedures en normen die zijn ontwikkeld door deze beschaving - maar zij zijn niet alleen niet waar, maar ook zinloos in een andere cultuur. (28) Ondeelbaar blok In het geval van zien kun je niet zeggen dat de kleur die je ziet in je ogen IS of erbuiten IS, of waar dan ook; je moet zeggen dat zij en haar plaats beide tot aanzijn komen tijdens het proces van waarneming - zij zijn onderdeel van een ondeelbaar blok dat wat is verenigt met wat wordt waargenomen. (43) Niet altijd al [Je] kunt niet zeggen dat alles gehoorzaamt en altijd heeft gehoorzaamd aan de wetten van de quantummechanica, want ook deze wetten komen pas te voorschijn nadat je een complexe historische ontwikkeling hebt doorgemaakt [...]. (63) Opblazen Om de [zuivere quantumtoestand van de tafel voor mij] te bepalen zou ik een meetapparaat nodig hebben dat groter is dan het hele heelal en als ik het had, zou het de tafel opblazen, niet meten. (64) Niet objectief [...] moleculen zijn niet 'objectief', zij zijn wat tevoorschijn komt als we op een bepaalde manier te werk gaan [...]. (95) |











