Verlichting voor dummy's >
Het weten > Dwalen 2
Deze pagina: Dwaalteksten over de weg, tweede reeks.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
De weg
Uit het oosten
Leerling: Wat is de weg?
De meester wijst naar de ondergaande zon.
Leerling: Ik snap het niet.
Meester: Als een dwaas maar lang genoeg naar het westen loopt wordt hij vanzelf een wijze uit het oosten.
Buiten westen
Leerling: Wat is de weg?
De meester wijst naar de ondergaande zon.
Leerling: Ik snap het niet.
Meester: Als een dwaas maar lang genoeg naar het licht loopt raakt hij vanzelf buiten westen.
Oost west...
Leerling: Wat is de weg?
Meester: Je oosten niet van je westen weten.
In den vreemde
Leerling: Bent u thuisgekomen?
Meester: Jazeker!
Leerling: Waarin?
Meester: In den vreemde.
Het ultieme
Leerling: Is niet weten niet het ultieme thuiskomen?
Meester: Eerder het ultieme vreemdgaan.
Leerling: Pardon?
Meester: Ik kan het ook niet helpen.
Leerling: Bedoelt u dat alles u vreemd voorkomt?
Meester: Dat zou tenminste nog duidelijk zijn.
Och
Leerling: Hoe voelt niet-weten?
Meester: Och...
Leerling: Wilt u het niet zeggen?
Meester: Hoezo?
Leerling: U zei alleen maar och.
Meester: Dat is hoe het voelt.
De eeuwige vraag
Leerling: Waarmee begint de weg?
Meester: Met de vraag "wie bén ik?"
Leerling: Waarmee eindigt de weg?
Meester: Met de vraag "wie bén ik?"
Leerling: Wat is dan het verschil?
Meester: Het is jouw vraag niet meer.
Leven en sterven
Leerling: Waarmee begint de weg?
Meester: Met de vraag "hoe moet ik leven?"
Leerling: Waarmee eindigt de weg?
Meester: Met de vraag "hoe moet ik leven?"
Leerling: Wat is dan het verschil?
Meester: Het is jouw vraag niet meer.
Leerling: Waarmee begint de weg?
Meester: Met de vraag "wat is liefde?"
Leerling: Waarmee eindigt de weg?
Meester: Met de vraag "wat is liefde?"
Leerling: Wat is dan het verschil?
Meester: Het is jouw vraag niet meer.
Leerling: Waarmee begint de weg?
Meester: Met de vraag "wat is geluk?"
Leerling: Waarmee eindigt de weg?
Meester: Met de vraag "wat is geluk?"
Leerling: Wat is dan het verschil?
Meester: Het is jouw vraag niet meer.
Leerling: Waarmee begint de weg?
Meester: Met de vraag "wat is waarheid?"
Leerling: Waarmee eindigt de weg?
Meester: Met de vraag "wat is waarheid?"
Leerling: Wat is dan het verschil?
Meester: Het is jouw vraag niet meer.
Leerling: Waarmee begint de weg?
Meester: Met de vraag "wat is werkelijkheid?"
Leerling: Waarmee eindigt de weg?
Meester: Met de vraag "wat is werkelijkheid?"
Leerling: Wat is dan het verschil?
Meester: Het is jouw vraag niet meer.
Leerling: Waarmee begint de weg?
Meester: Met de vraag "wat is wijsheid?"
Leerling: Waarmee eindigt de weg?
Meester: Met de vraag "wat is wijsheid?"
Leerling: Wat is dan het verschil?
Meester: Het is jouw vraag niet meer.
Leerling: Waarmee begint de weg?
Meester: Met de vraag "waar kan ik God vinden?"
Leerling: Waarmee eindigt de weg?
Meester: Met de vraag "waar kan ik God vinden?"
Leerling: Wat is dan het verschil?
Meester: Het is jouw vraag niet meer.
Leerling: Waarmee begint de weg?
Meester: Met de vraag "waar kan ik mezelf vinden?"
Leerling: Waarmee eindigt de weg?
Meester: Met de vraag "waar kan ik mezelf vinden?"
Leerling: Wat is dan het verschil?
Meester: Het is jouw vraag niet meer.
Leerling: Waarmee begint de weg?
Meester: Met de vraag "waar kan ik rust vinden?"
Leerling: Waarmee eindigt de weg?
Meester: Met de vraag "waar kan ik rust vinden?"
Leerling: Wat is dan het verschil?
Meester: Het is jouw vraag niet meer.
Leerling: Waarmee begint de weg?
Meester: Met de vraag "hoe moet ik sterven?"
Leerling: Waarmee eindigt de weg?
Meester: Met de vraag "hoe moet ik sterven?"
Leerling: Wat is dan het verschil?
Meester: Het is jouw vraag niet meer.
Achterstevoren
Leerling: Waarmee begint de weg?
Meester: Met de vraag "waarmee eindigt de weg?"
Leerling: Waarmee eindigt de weg?
Meester: Met de vraag "waarmee begint de weg?"
Een stapje terug
Leerling: Waarmee begint de weg?
Meester: Met de vraag "waarmee eindigt de weg?"
Leerling: Waarmee eindigt de weg?
Meester: Met de vraag "welke weg?"
Vraag en antwoord
Leerling: Waarmee begint de weg?
Meester: Met de vraag "wie
ben ik?"
Leerling: Waarmee eindigt de weg?
Meester: Met het antwoord: "wie ben
ik."
Antwoorden en vragen
Leerling: Waarmee begint de weg?
Meester: Met antwoorden.
Leerling: Waarmee eindigt de weg?
Meester: Met vragen.
Met en zonder
Leerling: Waarmee begint de weg?
Meester: Met vragen.
Leerling: Waarmee eindigt de weg?
Meester: Zonder vragen.
Leerling: Omdat je de antwoorden hebt gevonden?
Meester: Omdat je de vragen hebt doorzien?
Eh...
Meester: De weg begint en eindigt met dezelfde vraag.
Lange stilte.
Meester: Dat was mijn les van vandaag.
Leerling: Eh... wat is eigenlijk de vraag?
Meester: Precies!
Meester: De weg begint en eindigt met hetzelfde antwoord.
Lange stilte.
Meester: Dat was mijn les van vandaag.
Leerling: Eh...
Meester: Precies!
Het kortste gedicht
Tijdens de Nacht van de Spiritualiteit draagt de meester een gedicht voor in de categorie "de Hoogste Werkelijkheid".
Hij
neemt plaats op het spreekgestoelte, stelt de microfoon af, schraapt
zijn keel, recht zijn rug en haalt zijn schouders op.
Met een knikje bedankt hij het publiek en verlaat het spreekgestoelte.
Later die nacht draagt de meester nog een gedicht voor.
Ditmaal is het onderwerp spiritualiteit.
Zoals gebruikelijk begint hij met de titel.
Hij zegt: De Langste Nacht.
Met een knikje bedankt hij het publiek en verlaat het spreekgestoelte.
De volgende ochtend maakt de meester zijn opwachting in de ontbijtshow.
De gastvrouw vraagt hem naar aanleiding van het Kortste Gedicht of hij niet beter helemaal had kunnen zwijgen.
De meester zegt: Ik heb toch niks gezegd?
De gastvrouw zegt: Maar u heeft uw schouders toch opgehaald? Dat had u ook kunnen laten.
De meester schudt zijn hoofd en zegt: Mij te veelzeggend.
De gastvrouw knikt en zegt: Wil u op deze wijze het eeuwige duiden aan de kaak stellen?
De meester haalt zijn schouders op.
Een poosje later vraagt de gastvrouw hem of de Langste Nacht naar zijn mening eindig of eeuwigdurend is.
De meester zegt: Welke Langste Nacht?
De gastvrouw dringt aan: Komt er ooit een einde aan?
De meester zegt: Komt er ooit een einde aan de ontbijtshow?
Stap voor stap
Leerling: Wat is de eerste stap naar niet weten?
Meester: Niet weten wat de eerste stap is.
Leerling: En de laatste?
Meester: Niet weten wat de laatste stap is.
Leerling: De rest kan ik wel raden.
Meester: O ja?
Leerling: Niet weten wat de tussenliggende stappen zijn.
Meester: Dan weet je meer dan ik.
De eerste stap
Leerling: Onwetendheid is de eerste stap op weg naar filosofie.
Meester: Filosofie is de eerste stap op weg naar onwetendheid.
De eerste en de laatste stap
Leerling: Argwaan is de eerste stap op weg naar niet weten.
Meester: Paranoia de laatste.
Meta of para
Leerling: Metanoia is de weg naar wijsheid.
Meester: Paranoia is de weg naar dwijsheid.
Achtbaan of boemel
Meester: Wat is de weg?
Leerling: Een achtbaan van samsara naar nirwana.
Meester: Een boemel tussen weten en niet weten.
Leerling: Een boemel gaat alleen maar heen en weer!
Meester: Een achtbaan gaat alleen maar op en neer.
Variologie
Onder variologie versta ik de inventarisatie van alle mogelijke vragen inzake een bepaalde kwestie zonder het oogmerk ze te
beantwoorden, van alle mogelijke antwoorden zonder het
oogmerk het juiste vast te stellen, en van alle verborgen aannames zonder het oogmerk ze te onderbouwen.
Variologie is niet gericht op de werkelijkheid maar op de
mogelijkheid, niet op de details maar op de grote lijn, niet op het ene
maar op het menigvuldige.
Liever dan een standpunt te bepalen, wil de varioloog alle
mogelijke standpunten inventariseren, en alle mogelijke argumenten voor
en tegen, onder het motto:
Beter tien perspectieven aan de horizon dan
één door mijn hart.
Zo bedrijft men natuurlijk geen politiek. Maar wat
bedrijft men dan wel?
Liever dan de werkelijkheid te doorgronden, brengt de varioloog alle
denkbare
gronden en ongronden in kaart, onder het motto:
Beter tien
kuub beton in de molen dan één om mijn voeten.
Zo bedrijft men
natuurlijk geen filosofie. Maar wat bedrijft men dan wel?
Liever dan een hypothese te toetsen, wil de varioloog alle
mogelijke hypothesen op een rijtje zetten, onder het motto:
Beter tien
verklaringen op papier dan één in mijn hoofd.
Zo bedrijft men
natuurlijk geen wetenschap. Maar wat bedrijft men dan wel?
Een dwaallicht
Houd niet vast aan
een leugen.
Zoek geen toevlucht in
iets buiten jezelf.
Zoek geen toevlucht in mijn woorden.
Zoek geen toevlucht in jezelf.
Zoek geen toevlucht.
Zoek geen toevlucht.
Zoek geen toevlucht in loslaten.
Zoek geen toevlucht in niet vluchten.
Zoek geen toevlucht in niet zoeken.
Houdt niet vast aan een waarheid.
Wees een dwaallicht voor jezelf.
Tegen wil en dank
Niet weten is geen kwestie van vertrouwen.
Je hoeft je niet onvoorwaardelijk over te geven.
Je hoeft je niet op gezag van je leermeester in het diepe te storten.
Integendeel.
Niet weten is een kwestie van wantrouwen.
Grenzeloos wantrouwen.
Wantrouwen tegenover alles en iedereen.
Tegenover je leermeesters.
Tegenover je boeken.
Tegenover mij.
Tegenover jezelf.
Tegenover al je gedachten.
Tegenover alles wat je weet.
Tegenover alles wat je niet weet.
Zelfs tegenover je wantrouwen.
Laat je nooit over de rand duwen.
Stribbel tegen zolang je nog in tegenstribbelen gelooft.
Zolang je nog gelooft dat er iemand is die kan tegenstribbelen.
Zolang je nog gelooft dat er niemand is die kan tegenstribbelen.
Zolang je nog in iets gelooft.
Zolang je nog gelooft in niet geloven.
Hou vast, zolang je maar kunt, waaraan je maar kunt.
Want vallen is geen kwestie van springen.
Vallen is niet iets wat je doet.
Het is iets wat je overkomt.
Als je alle houvast bent kwijtgeraakt.
Maar wie er dan nog valt?
En of het nog wel vallen is?
De kortste weg
Leerling: Wat is de kortste weg naar niet weten?
Meester: Ervandaan.
De Weg en de Vraag
Meester: Wat is de Weg?
Leerling: Een opstijging.
Meester: Waarnaartoe?
Leerling: De
hemel.
Meester: Dat wordt klimmen.
Leerling: Wat is
de Weg volgens u?
Meester: Een afdaling.
Leerling: Waarin?
Meester: De ingewanden.
Leerling: Dat wordt
glibberen.
Meester: Hoe dieper je komt, hoe viezer het
wordt.
Leerling: Vooral dat laatste stuk.
Meester: Je stikt zowat.
Leerling: Er is geen doorkomen aan.
Meester: En dan die lucht!
De leerling rilt.
Meester: Maar DAN!
Leerling: Nou?
Meester: Een
wedergeboorte.
Leerling: In de hemel?
Meester: Eh...
nee.
Leerling: Waar dan wel?
Meester: Eh... hier.
Leerling: Maar ik ben al hier.
Meester: Maar dan geloof je
het eindelijk.
Leerling: Gelooft u dat werkelijk?
Meester: Eh... nee.
Leerling: Waarom zegt u het dan?
Meester: Om je te verleiden.
Leerling: Waartoe wilt u mij verleiden?
Meester: Tot een mening.
Leerling: Waarom moet ik iets menen?
Meester: Om je te kunnen tegenspreken.
Leerling: Waarom wilt u mij tegenspreken?
Meester: Dat is de Weg.
Leerling: Waarheen?
Meester: Dat is de Vraag.
Progressie
Leerling: Ik boek helemaal geen progressie meer.
Meester: Moet je ergens heen dan?
Leerling: Bedoelt u dat ik hier moet blijven?
Meester: Wie zegt dat ik iets bedoel?
Leerling: Zo gaat het nou altijd!
Meester: Altijd bestaat niet.
Leerling: Steeds heb ik vertrouwen in u gesteld.
Meester: Dan zal dat het probleem wel zijn.
Leerling: Steeds ben ik optimistisch gebleven.
Meester: Een complicerende factor.
Leerling: Maar nou kan ik niet niet meer.
Hij slaat zijn handen voor zijn gezicht en barst in huilen uit.
Meester: Eindelijk progressie.
Wegversperring
Leerling: Wat is de weg?
Meester: Wat in de weg staat.
Niet leren, niet afleren
Meester: Leren is niet de
weg.
Leerling: Wilt u zeggen dat ik niet meer moet leren?
Meester: Niet leren is niet de weg.
Leerling: Bedoelt u
dat ik moet afleren?
Meester: Afleren is niet de weg.
Leerling: Wilt u zeggen dat er geen weg is?
Meester: Dan
had ik dat wel gezegd.
Leerling: Dus er is toch een weg?
Meester: Dan
had ik dat wel gezegd.
Windstilte
Leerling: Wat is de weg?
Meester: Tja.
Leerling: Wat is Tja?
Meester: Geen ja en geen nee.
Leerling: Kan men dat leren?
Meester: Leren leidt ervan weg.
Leerling: Niet leren schiet ook niet op.
Meester: Waarheen wou je opschieten?
Leerling: Hier
krijg ik geen lucht.
Meester: Windstilte is niet hetzelfde als
ademnood.
Leerling: Ik wil alleen maar dat het waait.
Meester: Waarom?
Leerling: Zodat ik tenminste ergens heen wordt geblazen.
Meester: Waarheen?
Leerling: Voorwaarts, mag ik hopen.
Meester: De wind
waait alle kanten op.
Misschien, misschien
Leerling: Misschien is deze wereld de hel van een andere planeet.
Meester: Of de hemel.
Leerling: Misschien is deze wereld de hel of de hemel van een andere planeet.
Meester: Misschien is deze wereld wel die andere planeet..
Boven de hemelpoort
Leerling: Boven de hellepoort staat geschreven: Gij die hier binnentreedt, laat alle hoop varen.
Meester:
De Goddelijke Komedie?Leerling: Dante, 1481.
Meester: Weet je wat er boven de hemelpoort staat geschreven.
Leerling: Wat dan?
Meester: Gij die hier wilt binnentreden, laat alle hoop varen.
De andere helft
Leerling: Boven de hemelpoort staat: Gij die hier wilt binnentreden, laat alle hoop varen.
Meester: Dat is maar de helft van het verhaal.
Leerling: Wat is de andere helft?
Meester: Gij die hier wilt binnentreden, laat alle wanhoop varen.
Rondgang
Leerling: Hoe kom ik tot niet-oordelen?
Meester: Stap voor stap.
Leerling: Kom maar op.
Meester: Eerst leer je dat je niets fout kunt doen.
Leerling: En dan?
Meester: Dan leer je dat je niets goed kunt doen.
Leerling: En dan?
Meester: Dan leer je dat er niets te leren valt.
Leerling: En dan?
Meester: Dan leer je dat er niets af te leren valt.
Leerling: En dan?
Meester: Dan leer je dat ook nog af.
Leerling: En dan?
Meester: Dan begin je weer van voren af aan.
Voordeel
Leerling: Is er een weg naar niet weten?
Meester: Uiteindelijk gaat niet weten aan zichzelf te gronde.
Leerling: Nou én?
Meester: Hoe zou er dan een weg naar niet weten kunnen zijn?
Leerling: O, zo.
Meester: Anders nog iets?
Leerling: Is er dan tenminste een weg naar het punt waarop niet weten aan zichzelf te gronde gaat?
Meester: Waarom wil je dat weten?
Leerling: Om er mijn voordeel mee te doen.
Meester: Denk je werkelijk met niet weten je voordeel te kunnen doen?
Leerling: Daar ga ik wel vanuit.
Meester: Maar weet je het ook?
Leerling: Eerlijk gezegd niet nee.
Meester: Dan zou ik dat eerst maar eens onderzoeken.
Leerling: Hoe onderzoekt men zoiets?
Meester: Door op zoek te gaan naar iemand die niet weet.
Leerling: Bent u zo iemand?
Meester: Ik zou het echt niet weten.
Leerling: Kent u zo iemand?
Meester: Misschien ben jij wel zo iemand.
Leerling: Maar dan zonder dat ik het weet.
Meester: Dat moet haast wel want anders wist je toch weer iets.
De leerling keek hem verward aan.
Leerling: Maar als ik al zo iemand ben, welk voordeel kan het me dan nog opleveren?
Meester, hoofdschuddend: Ik zou het echt niet weten.
Bestendige beweging
Leerling: Als je altijd onderweg bent, maak dat
dan je thuis.
Meester: Als je altijd thuis bent, maak dat dan
je weg.
Een week later.
Leerling: Als je altijd thuis bent, maak dat dan
je weg.
Meester: Als je altijd onderweg bent, maak dat
dan je thuis.
Leerling: Dacht ik het niet!
Meester: Hoe weet ik dat nou.
Leerling: Waarom spreekt u mij voortdurend tegen?
Meester: Dat doe ik helemaal niet.
Leerling: Ziet u nou wel!
Meester: Eerlijk gezegd niet nee.
Leerling: Waar vind ik bestendige rust?
Meester: In bestendige beweging.
Leerling: Is dat de reden dat u mij voortdurend tegenspreekt?
Meester: Daar heb ik helemaal geen reden voor nodig.
Leerling: Vindt u dat wij in beweging moeten blijven?
Meester: Jij gunt mij ook geen rust.
Pas dan
Leerling: Wanneer ben je op het juiste spoor?
Meester: Als je het volkomen bijster bent?
Meesterschrijver
Leerling: Wat bent u nou voor
schrijver!
Meester: Hoezo?
Leerling: Uw boek is
helemaal leeg!
Meester: Ik heb er jaren aan gegumd.
Wiskunstenaar
Omdat de dwijze voortdurend van standpunt wisselt en onophoudelijk zijn
gedachten wist, zou je hem haast een
wiskunstenaar noemen,
en zijn dwijsheid
wis-kunde of
wis-kunst, en zijn levenshouding
wiswijs. Zelf vindt hij dat nauwelijks de moeite waard, want voor hij deze gedachte goed en
wel onder woorden heeft gebracht, heeft hij hem alweer uitgepoetst.
Tabula rasa
Een leerling zegt: Met welke toverspreuk bezweert men het weten?
De meester heft zijn armen op en roept: Tabula Rasa!
De leerling zegt: In gewoon Nederlands?
De meester zegt: Weg ermee.
Toverspreuk
Leerling: Met welke toverspreuk bezweert u het weten?
De meester zei: Dat hoef ik niet te doen.
Leerling: Maar als u of iemand anders nou ineens iets beweert?
De meester zei: Dan denk ik vanzelf "abracadabra".
Nieterdeniet
Leerling: Wat
is de Weg?
Meester: Niet, niet, niet, nieterdeniet.
Leerling: Het is een
toverspreuk.
Meester: Niet.
Leerling: Het is een
onttoverspreuk.
Meester: Niet.
Leerling: Het is een bezweringsformule.
Meester: Niet.
Leerling: Het is gewoon een constatering.
Meester: Nieterdeniet.
Witte vlekken
"Terra incognita" betekent "onbekend gebied". Het is een term uit de
cartografie waarmee een oord wordt aangeduid waarover niets bekend is.
Op globes en kaarten werd terra incognita aangegeven met witte vlekken,
en soms met de tekst "Hier zijn draken" (Latijn:
Hic sunt dracones) of
"hier zijn
leeuwen" (Latijn:
Hic sunt leones), want het onbekende werd (en wordt) als
vreeswekkend ervaren. Niettemin, of juist daarom, of los daarvan, werden er met name vanaf de vijftiende eeuw
vanuit Europa tal van ontdekkingsreizen georganiseerd om de witte
vlekken op de Europese kaarten in te vullen en het areaal van het terra
cognita te
vergroten.
Niet weten kun je opvatten als een uitnodiging om het terra cognita van
zelf en wereld persoonlijk te onderzoeken. Wanneer je het gezonde
verstand weet uit te schakelen, en schrapt wat je alleen van horen
zeggen hebt, blijkt het oppervlakkig bekende ten diepste onbekend.
Gebruiken we de metafoor van de reis, dan gaat het bij het niet weten
niet om een ontdekkingsreis waarbij onbekende gebieden ontsloten worden,
maar om een
toedekkingsreis, waarin je hoogstpersoonlijk
vaststelt dat de cartografen die de gebieden hebben ingetekend over een
wel zeer grote duim beschikten.
Met gum en witkwast, en met pijn
in het
hart - althans in eerste instantie - geef je het terra cognita stukje
bij beetje prijs aan het onverkende, waarvan het al die tijd deel is
blijven uitmaken. Ten slotte is de hele wereld weer maagdelijk wit,
evenals de ontdekkingsreiziger zelf, die daardoor niet langer van de
wereld te onderscheiden is, wat overigens niet betekent dat hij er één
mee is, want waarom zou het iets betekenen?
In deze beeldspraak is
wit een metafoor voor "verlicht" (dat op zijn beurt een metafoor is voor, eh, Tja). We noemen
iemand wit, wanneer zijn wereldkaart en zijn zelfbeeld (wat het verschil ook moge wezen) alleen nog maar terra incognita bevat.
Het witte staat voor de onbekende wereld
en het onbekende zelf.
De werkwoorden
witten en
witwassen staan voor het uitgummen van het weten.
Witte vlekken
zijn thema's zoals de liefde, de dood, vrije wil, toerekeningsvatbaarheid, het wezen van de werkelijkheid en
de zin van het leven, die je diepgaand hebt onderzocht en waarover je na afloop niets meer met stelligheid durft te beweren.
Na het
witten rest de
witte niets anders dan het
witten van het
witten zelf. Pas als hij aldus zijn
witte bril heeft afgezet, is hij werkelijk
wit, dat wil zeggen, niet. Want u dacht toch zeker niet dat hij letterlijk niets meer wist?
Ik ril
Ik heb een zilversmid gekend
die zonder zilver kwam te zitten,
ik ril bij de gedachte dat
ik mijn gedachten niet kan witten.
(vrij naar Hugo Pos)
Vreselijk
Leerling: Ik heb een zilversmid gekend / die zonder zilver kwam te zitten / ik ril bij de gedachte dat / ik mijn gedachten niet kan witten.
Meester: Ik ril bij de gedachte dat / ik mijn gedachten steeds moest witten.
Aanrader
Leerling: Welk boeken kunt u mij aanraden?
Meester: Iedere dummy is goed.
Een oud wijf
Leerling: Kunt u ons iets voordragen uit eigen werk?
De meester gaat staan.
De meester schraapt zijn keel.
De meester knikt.
De meester gaat weer zitten.
Leerling: Is er iets?
Meester: Dat was het.
De leerling kijkt hem verbijsterd aan.
Meester, hoofdschuddend: Wat ben ik toch een oud wijf.
De innerlijke goeroe
Leerling: Ik laat mij niets meer wijsmaken!
Meester: Wie heeft je dat nou weer wijsgemaakt.
Leerling: Niemand! Dit komt van binnenuit!
Meester: Dan wordt het pas echt link.
Leerling: Hoezo?
Meester: Daar woont de grootste wijsneus.
De generaal
Er was eens een generaal
die, hartje winter,
ten strijde trok naar het hooggebergte.
Hem
was verteld dat dáár de vijand zat.
Steenkoud was het er, bar in de
boos!
Zijn paarden verhongerden.
Zijn soldaten vroren dood.
De
generaal gleed uit en viel te pletter.
Het hooggebergte zelf bleek
de vijand.
Dat had men er niet bijverteld.
Zeg eens eerlijk: Ben jij die generaal?
Laat ik je dan dit zeggen:
Niet het hooggebergte
is de vijand;
Weten waar de vijand is, is de vijand.
Weten
dat er een vijand is, is de vijand
Weten wat een vijand is,
is de vijand.
Weten is de vijand.
Weet
je wat het probleem is?
Weten wat het probleem is.
Weten dat er
een probleem is.
Weten wat een probleem is.
Dat is het probleem.
Weten
is het probleem.
Je gelooft me niet, hè?
Mooi zo.
Ik geloof mij
ook niet.
Niet weten voor beginners:
Een ander niet geloven.
Niet weten voor gevorderden:
Jezelf niet geloven.
Hoogste graad van niet weten:
Zelfs niet geloven in niet geloven.
Dwaaltekst
Onder een
dwaaltekst of
asofisme [Grieks,
a, niet +
sofia, wijsheid; vergelijk
sofisme] versta ik iedere tekst die,
ongeacht zijn lengte en vorm, een niet weten tot uitdrukking brengt. Tegen de stroom in bewegen dwaalteksten zich van
de oplossing naar het raadsel, van
het antwoord naar de vraag, van de conclusie naar de premissen, van de stelling naar
de onderstellingen, van begrip naar onbegrip, van
zekerheid naar twijfel, van absoluut naar relatief, van associatie naar
dissociatie, van weten naar niet weten, van vasthouden naar loslaten - en
daar dan weer voorbij.
De orde van een dwaaltekst
Beschouw de volgende reeks van dwaalteksten:
- ik weet niets
- ik weet niets, en dat ook niet
-
ik weet niets, en dat ook niet, en dat ook niet
- ik weet niets,
en dat ook niet, en dat ook niet, ...
Deze reeks kunnen we als volgt duiden:
- Een dwaaltekst van de laagste (eerste) orde ontkracht een
gangbaar
of voorafgaand denkbeeld maar niet met zoveel woorden zichzelf.
- Een dwaaltekst van
de tweede orde herroept tevens zichzelf (wat dikwijls resulteert in een
variatie op de leugenaarsparadox).
- Een
dwaaltekst van de derde orde herroept tevens het herroepen.
- Een dwaaltekst van de hoogste orde herroept zichzelf en
iedere herroeping van zichzelf.
Merkwaardig genoeg drukken dwaalteksten van de hoogste orde nog steeds een weten uit, al is
het
maar een weten van niet weten. Per slot van rekening is zelfs een oneindige ontkenning nog steeds een
bewering. Daarom: dwaalteksten
reiken naar
niet weten maar
bereiken
het
nooit.
Ontzeggingskracht
Net zoals de effectiviteit waarmee een tekst
een bepaalde gedachte tot uitdrukking brengt, de zeggingskracht genoemd
wordt, zouden we de effectiviteit waarmee een dwaaltekst dwijsheid tot
uitdrukking brengt de ontzeggingskracht kunnen noemen. Als in een dwaaltekst afgerekend wordt met een hoop ideeën over, laten we zeggen, de liefde, dan heeft zo'n tekst dus een grote ontzeggingskracht.
Dwaalgesprekken
Niet weten
als innerlijke ervaring is dialogisch van aard. In mijn hoofd doet zich een
gedachte voor, die wordt weersproken door een volgende gedachte, enzovoorts. Om zo
dicht mogelijk bij dit dialogische karakter te blijven druk ik mij bij voorkeur uit in dwaalgesprekken.
Onder een
dwaalgesprek versta ik een dwaaltekst in de vorm van een dialoog
tussen een meester en een of meer leerlingen. Ook monologen van een
meester tot een verondersteld of tegenwoordig gesteld gehoor reken ik tot
de dwaalgesprekken, evenals de interviews die ik mezelf weleens afneem.
Mijn dwaalgesprekken zijn over het algemeen sterk gestileerd. Door
de enscenering tot een minimum te beperken en een vaste vorm aan te
houden, hoop ik dat uw aandacht volledig naar de inhoud gaat.
Dwaalgesprekken tussen meester en leerling hebben veel weg van de traditionele Ch'an-koans. Deze teksten zijn echter zo gedateerd dat ze hun functie zonder
uitgebreide commentaren niet meer naar behoren kunnen vervullen. Niet dat ik weet wat hun functie was.
Stijlfiguren niet-weten
Qua stijlfiguren is er geen twijfel mogelijk: niet weten is onmogelijk uit
te drukken zonder paradox, oxymoron, antithese, dubitatio, enumeratio en ironie.
Wat de tautologie betreft - het is wat het is, ik ben die ik ben, het gaat zoals het
gaat, ik denk wat ik denk - die is al te vaak gebruikt om de onbepaaldheid
en/of onbepaalbaarheid van het een of ander te benadrukken, en fungeert vaker als dooddoener dan als een oprechte uiting van
weteloosheid. Om die
reden zult u de tautologie in mijn teksten nauwelijks tegenkomen.
Weg met de weg
Meester: Wat is de weg naar niet weten?
Leerling: U bent de weg naar niet weten.
Meester: Weg met de meester.
Meester: Wat is de weg naar niet weten?
Leerling: Weg met de meester.
Meester: Weg met de leerling.
Meester: Wat is de weg naar niet weten?
Leerling: Weg met de leerling.
Meester: Weg met de weg.
Meester: Wat is de weg naar niet weten?
Leerling: Weg met de weg.
Meester: Weg met weg.
Meester: Wat is de weg naar niet weten?
Leerling: Weg met weg.
Meester: Weg met niet weten.
Meester: Wat is de weg naar niet weten?
Leerling: Weg met niet weten.
Meester: Weg met de leuzen.
Meester: Wat is de weg naar niet weten?
Leerling: Weg met de leuzen.
Meester: Weg met het spreken.
Meester: Wat is de weg naar niet weten?
Leerling: Weg met het spreken.
Meester: Weg met het zwijgen.
Meester: Wat is de weg naar niet weten?
Leerling: Weg met het zwijgen.
Meester: Nergens meer intrappen.
Meester: Wat is de weg naar niet weten?
Leerling: Nergens meer intrappen.
Meester: Weg met het wantrouwen.
Niet uitkomen
Leerling: Als niet weten de weg is, waar leidt hij dan naartoe?
Meester: Niet weten.
Leerling: De weg is het doel?
De meester haalde zijn schouders op.
Leerling: Nou?
Meester: Niet weten is niet weten.
Leerling: Maar waar kom je dan uit?
Meester: Bij niet uitkomen?
Collateral damage
Leerling: Is niet weten de weg?
Meester: Nee.
Leerling: Is niet weten het doel?
Meester: Nee.
Leerling: Wat is het dan wel?
Meester: Een bijverschijnsel.
Leerling: Wat voor een bijverschijnsel.
Meester: Een hoogst uitzonderlijk bijverschijnsel.
Leerling: Waarvan?
Meester: Van welke weg dan ook.
Leerling: Waarnaartoe?
Meester: Naar welk doel dan ook.
Leerling: Bedoelt u dat er geen enkel verband is tussen de weg, het doel en niet weten?
Meester: Ik zou het echt niet weten.
Weerwoord
Leerling: Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar
wel.
Meester: Al is de waarheid nog zo snel, de leugen achterhaalt
haar wel.
Leerling: Wat bent u toch negatief.
Meester: Wat ben jij toch positief.
Leerling: Dus als ik
wat negatiever zou zijn, zou u...
Meester: Ik geef uitsluitend
weerwoord.
Leerling: Wijst weerwoord de weg naar de waarheid?
Meester: Weerwoord wijst weg van de waarheid.
Leerling: Regelrecht naar de leugen dus.
Meester: Weerwoord wijst
weg van de leugen.
Leerling: Waar kom je dan
terecht?
Meester: Wie zegt dat je ergens terechtkomt?
Leerling: Bedoelt u dat je nergens terechtkomt?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Nou dat weer
Leerling: Iemand die steeds zegt "nou dat weer" is aan zijn pensioen toe.
Meester: Nou dat weer.
Leerling: Dat bedoel ik nou.
Meester: Ik zeg dat al vanaf mijn eerste optreden als meester.
Leerling: En dan dat toontje!
Meester: Dat hoort er nou eenmaal bij.
Leerling: Misschien had u wel nooit meester moeten worden.
Meester: Niets zo effectief als "nou dat weer".
Leerling: Om wat te bereiken?
Meester: Nou dat weer.
Wie o wie
Heb ik een weg of heeft hij mij?
Heb ik ideeën of hebben ze mij?
Heb ik theorieën of hebben ze mij?
Heb ik meningen of hebben ze mij?
Heb ik gedachten of hebben ze mij?
Heb ik gevoelens of hebben ze mij?
Heb ik verlangens of hebben ze mij?
Heb ik redenen of hebben ze mij?
Heb ik een geloof of heeft het mij?
Heb ik principes of hebben ze mij?
Heb ik een geweten of heeft het mij?
Heb ik plannen of hebben ze mij?
Heb ik herinneringen of hebben ze mij?
Heb ik dingen of hebben ze mij?
Heb ik werk of heeft het mij?
Heb ik voorkeuren of hebben ze mij?
Heb ik een wil of heeft hij mij?
Heb ik een geest of heeft hij mij?
Heb ik een lichaam of heeft het mij?
Heb ik een bewustzijn of heeft het mij?
Heb ik een persoonlijkheid of heeft hij mij?
Heb ik een ik of heeft hij mij?
Heb ik antwoorden of hebben ze mij?
Heb ik vragen of hebben ze mij?