Verlichting voor dummy's >
Het weten > Weetnietkunde
Deze pagina: Dwaalteksten over filosofische en religieuze begrippen die aan niet weten verwant zijn.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
Weetnietkunde
Onder
weetnietkunde versta ik de studie van niet weten in al zijn verschijningsvormen doorheen de geschiedenis van de mensheid. Ik zeg het er meteen maar bij: zelfs in de weetnietkunde ben ik geen professor. Veel verder dan wat er op deze pagina staat, reikt mijn kennis niet. Afijn. Iets is beter dan niets. Of was het nou andersom?
Tradities
Niet weten is niet mijn uitvinding. Elders op deze website vind je duizenden citaten
over niet weten uit honderden verschillende bronnen, tradities en stromingen, waaronder spirituele:
- advaita vedanta
- mindfulness
- taoïsme
- boeddhisme
- zen
religieuze:
- chassidisme
- christendom
- hindoeïsme
- mystiek
- soefisme
- theosofie
filosofische:
- monisme
- holisme
- structuralisme
- non-dualisme
- idealisme
- solipsisme
- subjectivisme
- scepticisme
- pyrronisme
- relativisme
- pluralisme
- postmodernisme
- poststructuralisme
- deconstructivisme
- cynisme
- defaitisme
- fatalisme
- nihilisme
- obscurantisme
- stoïcisme
- agnosticisme
- atheïsme
- iconoclasme
- amoralisme
- anarchisme
en culturele::
- absurdisme
- dadaïsme
- surrealisme
- postmodernisme
- deconstructivisme
- anti-design
- fluxus
- minimalisme
Je kunt er heerlijk in grasduinen en na een poosje "Hans van Dam" zul je
de literaire diversiteit en kwaliteit beslist weten te waarderen.
Apatheia en ataraxia
Het stoïsche woord
apatheia [Grieks,
a, niet +
pathè, emotie] betekent letterlijk emotieloos, zonder gevoel zijn. Hiermee wordt niet, zoals in het Nederlandse
apathie een
ongewenste staat van onverschilligheid, afgestomptheid of lusteloosheid
bedoeld maar een gewenste staat van onbewogenheid, gelatenheid,
zorgeloosheid, berusting, kalmte, harmonie en gemoedsrust. De intellectuele pendant van
apatheia is
ataraxia [Grieks,
a, niet +
tarassoo,
verwarren, woelig maken], letterlijk een toestand van onverwardheid,
helderheid van geest, maar in het oud-Griekse spraakgebruik eveneens een
vorm van a-pathische onverstoorbaarheid.
Apatheia en
ataraxia werden en worden door elkaar gebruikt en door sommigen als synoniem beschouwd.
Pyrronisme versus stoïcismeHet belangrijkste verschil tussen
apatheia en
ataraxia is waarschijnlijk niet de gemoedstoestand die ermee aangeduid wordt, maar de weg ernaartoe.
Apatheia is een term uit het stoïcisme,
ataraxia uit het scepticisme, meer in het bijzonder het pyrronisme.
Ataraxia bereikt de scepticus door ieder oordeel op te schorten (de zogeheten epoche),
apatheia bereikt de stoïcijn door
het - binnen het radicale fatalisme van de Stoa - enige juiste oordeel
te vellen, namelijk dat alles op ieder moment precies is zoals het zijn moet, te weten, goed.
Verlichting en nirwanaApatheia
en
ataraxia zijn weliswaar Griekse woorden maar dat betekent nog niet
dat het streven naar onverstoorbaarheid, als we het zo mogen noemen, typisch Grieks of westers is.
Boeddhistische en hindoeïstische beschrijvingen van de
staat van verlichting en het nirwana komen vaak op hetzelfde neer.
Zelfs wanneer er sprake is van opperste gelukzaligheid en volkomen
harmonie blijkt men daarmee geen euforie, verrukking, vervoering
of extase te bedoelen, die immers van voorbijgaande aard zijn, maar
eerder een permanente staat van aanvaarding en innerlijke rust.
Wolken aan de hemelToch
zijn er ook verschillen. In de advaita vedanta en in het taoïsme
bijvoorbeeld komt het er niet op aan emoties uit te bannen en oordelen
op te schorten, zoals
in de sceptische, stoïsche en epicuristische filosofieën, maar om ze
onaangedaan, als het ware van buitenaf, te ondergaan. Rustig bezie je zelfs je heftigste
emoties, zoals een professioneel acteur zijn toneelspel. Het is alsof je je hebt verdubbeld in een waarnemer en een deelnemer, en je in
de eerste hebt teruggetrokken. Je bent niet vrij van blijdschap, woede
of verdriet maar je
identificeert je er niet meer mee. Je eigent je je lichaam,
emoties, waarnemingen en gedachten niet
meer toe. Het is niet langer jouw pijn maar
de pijn, niet jouw vooroordeel maar
het vooroordeel, niet jouw jaloezie maar
de jaloezie, niet jouw geluk maar
het geluk. Uiterlijke en innerlijke verschijnselen trekken langs als
wolken aan de hemel zonder deze te verstoren, of als een storm aan
de oppervlakte die de diepzee onberoerd laat.
Het kennen van het gekendeDatgene
wat niet verstoord wordt en niet verstoorbaar is - de hemel, de diepzee
- wordt gewoonlijk voor onbeschrijflijk gehouden, maar dat weerhoudt
niemand ervan er woorden aan vuil te maken. Zo spreekt men in
het
non-dualisme dikwijls van het kennen, het waarnemen of het beminnen (versus het gekende, het waargenomene en het beminde); in het
hindoeïsme van het Brahman of het Atman waaruit de verschijnselen
voortkomen en waarin ze weer verdwijnen; in het zenboeddhisme van je
ware aard
of je oorspronkelijke gezicht; in het taoïsme van het tao; in de
mystiek van God of het Ene of de Ziel (tegenover de Geest en het
Gemoed). Hierbij gaat het steeds om iets dat zelf op geen enkele wijze
voor te stellen of te ervaren is maar voor elk ervaren, voor elk
voorstellen de absolute
voorwaarde zou zijn, ongeveer zoals dingen alleen maar kunnen bestaan in
een ruimte die zelf niet als ding aanwezig is, of alleen maar gezien
kunnen worden doorheen een onzichtbaarheid. Hiermee zijn we inmiddels
aardig afgedreven van
de
apatheia en
ataraxia van onze Griekse vrienden, die slechts verwijzen naar de afwezigheid van respectievelijk emoties en verwarde gedachten.
Niet wetenWat heeft dit alles te maken met niet weten, het onderwerp van deze site? Niet weten
is weliswaar aantoonbaar een ingrediënt van het scepticisme, het
stoïcisme, het epicurisme, de advaita vedanta, het hindoeïsme, het
zenboeddhisme, het taoïsme en de mystiek, maar ook niet meer dan een
ingrediënt. Geen van deze tradities kan beschouwd worden als een
zuiver niet weten. Want in een zuiver niet weten blijft geen begrip,
geen ideaal en geen methode overeind. Aan een radicaal niet weten gaat
alles ten gronde - ook, zoals ik niet genoeg kan benadrukken, het niet weten zelf.
Zo weet de dwijze niet of er wel zoiets is als
ataraxia of
apatheia, noch hoe hij de aanwezigheid van deze gemoedstoestand bij zichzelf zou moeten vaststellen. Zou een
actueel gevoel van innerlijke rust werkelijk een teken van
apatheia zijn of gewoon een eindig gevoel hier en nu? De dwijze heeft geen idee of
apatheia
langs een bepaalde weg bereikt kan worden of niet. Hij weet niet of hij niets kan weten, zoals de scepticus beweert, of dat hij zelfs dat niet kan weten, zoals de pyrronist beweert. Hij weet niet of
hij zijn oordeel op moet
schorten, zoals de pyrronist adviseert, en of dat überhaupt wel
mogelijk is. Hij weet niet of
alles wat gebeurt al van te voren vastligt, zoals de stoïcijn beweert,
noch hoe hij dat zou
moeten vaststellen. Hij snapt niet hoe uit het stoïsche determinisme
noodzakelijkerwijze volgt dat alles goed is zoals het is en niet,
bijvoorbeeld, slecht, of neutraal, of onbestemd, noch hoe het mogelijk is dat alle gebeurtenissen al vastliggen maar niet het oordeel daarover en de bijbehorende gevoelens.
Evenmin
weet de dwijze of hij de kenner of het kennen of het gekende of alle
drie of geen van alle is, noch of het onderscheid
daartussen bij nader inzien wel
stand zal houden. Hij weet niet hoe hij zich moet verdubbelen in een waarnemer en
een deelnemer en zich dan in de eerste zou moeten terugtrekken, noch
hoe hij zich daartegen te weer zou kunnen stellen wanneer het hem overkwam. Hij kent zijn ware aard niet en
veronderstelt niet dat hij die heeft, noch dat hij die niet heeft, noch
dat hij het een dan wel het ander zou kunnen bewijzen, noch dat iedere vorm
van kennis een bewijs nodig heeft, noch het tegendeel. Het tao ontgaat
hem volledig, evenals God, het Ene en de Ziel en alle andere benamingen en omschrijvingen van het naar verluid onnoembare en onbeschrijflijke - tenzij juist dit (het ontgaan) de wijze is waarop het zich manifesteert.
Niet weten betekent dus niet
apatheia of
ataraxia bereiken, maar niet weten wat
apatheia en
ataraxia betekenen,
laat staan waarom men ernaar zou streven - gesteld dat er een men is
die het voor het zeggen heeft en een methode om ergens, waar dan ook,
heen te gaan of weg te gaan of zelfs maar te verblijven.
Apatheia? Tja.
Ataraxia? Tja. Wie dit
tja dan weer
apatheia of
ataraxia of
God of
niet weten of
verlichting of
nirwana wil noemen - ik zal hem geen strobreed in de weg leggen.
De tand des tijds
Leerling: Waarin onderscheidt niet weten zich van andere
filosofische, religieuze en spirituele tradities?
Meester: Nieuwe woorden voor een oud verhaal.
Leerling: Als het verhaal zelf de tand des tijds doorstaan heeft dan
moet er wel een kern van waarheid in zitten!
Meester: Of juist niet.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Anders was die wel weggeknaagd.
Leerling: Wilt u zeggen dat er géén kern van waarheid in zit?
Meester: Ik wil helemaal niets zeggen.
Leerling: Waarin onderscheidt niet weten zich dan van andere
filosofische, religieuze en spirituele tradities?
Meester: Daarin onderscheidt niet weten zich van andere
filosofische, religieuze en spirituele tradities.
Absurdisme
Absurdisme is een literaire en theatervorm die tot doel heeft de absurditeit van het bestaan aan de orde of de kaak te stellen. Hoofdkenmerk is de
negatie:
afbraak van plot, karakters, communicatie, orde, logica, ruimte en
tijd; en verder een voorkeur voor farce, zwarte humor, paradox en
ironie. Synoniemen: antitheater, théâtre de l'absence.
Hoewel het absurdisme laatstelijk floreerde in het midden van de
vorige eeuw, onder meer in het werk van Beckett, Ionesco, Vian, Albee en Duyns & Armando (
Herenleed), kondigde het zich al aan in in de taoïstische geschriften van
Liezi, en bereikte het zijn hoogtepunt misschien al in de
tweede helft van het eerste millenium, in de Chinese Chan-literatuur, met
name in dat schoolvoorbeeld van
absurdisme, de gongan, beter bekend als de zen-koan.
Voor de consequent volgehouden ontkenning kan men verder onder meer
terecht bij de
via
negativa* van de mystici en in de advaita vedanta, vooral in de
hedendaagse variant die steeds vaker aangeduid wordt met neo-advaita
(Harding, Parsons), en waarvan de bijeenkomsten in ieder geval bij vlagen bepaald absurdistisch op mij overkomen.
Het absurde
vindt zijn voltooiing in zijn eigen ridiculisering, net
zoals de negatie in haar eigen ontkenning en de scepsis in de twijfel
over
zichzelf. Het is precies deze zelfvernietiging die de kern van niet weten uitmaakt. Dwijsheid laat zich daarom het beste uitdrukken in de vorm van dwaalteksten,
waarin niet zeggen tot het hoogste doel is verheven.
Niet om te verwijzen naar het "absolute dat voorbij de woorden ligt",
niet om wie dan ook waaruit dan ook te bevrijden maar als doel op zich, dat wil zeggen, Joost mag weten waarom.
De kern
Leerling: Niet weten is de kern van tientallen filosofische, spirituele en religieuze tradities!
Meester: Noem dat maar een kern.
Leerling: Hoe zou u het dan noemen?
Meester: Een gat?
Apofatisch, via negativa, neti neti
Het bijvoeglijk naamwoord apofatisch is afgeleid van het Griekse
apophasis, "ontkenning". Apofatisch staat
dus voor "ontkennend" en wordt gebruikt om datgene aan te duiden wat je slechts kunt omschrijven door te zeggen wat het niet is - het onzegbare,
het ondenkbare, het onbenoembare, het onuitsprekelijke, het
ondefinieerbare, het ongrijpbare. De apofatische benadering van God heet
in de mystiek de
via negativa en in het hindoeïsme het
neti neti
- niet dit, niet dat. God wordt bijvoorbeeld omschreven als kenbaar
noch onkenbaar, immanent noch transcendent, bestaand noch onbestaand.
Ook van een denkmethode of een filosofie kan men zeggen dat zij
apofatisch is, bijvoorbeeld de socratische vraagmethode of het postmodernisme.
Apofatisch zijn ook de uitdrukkingen van niet weten op deze site,
die gewoonlijk bestaan uit een reeks of hiërarchie van ontkenningen. De
apofase van niet weten heeft echter niet tot doel het
ongrijpbare, het onzegbare, het onduidbare, het onweetbare aan te duiden
maar de aandacht te vestigen op het niet grijpen, niet zeggen, niet duiden, niet weten zelf, opgevat als - ja wat, proces, ervaring,
activiteit, gebeurtenis? - maar in ieder geval niet als toestand, resultaat of object. Dwaalteksten verwijzen niet naar iets transcendentaals boven en buiten zichzelf, zoals het hoogste
zijn, maar naar datgene wat ze
doen: dwalen. Voor sommigen een hele tegenvaller, voor mij een voortdurende bron van vreugde.
Verwar "apofatisch" niet met "afatisch", het bijvoeglijk naamwoord van "afasie", wat staat voor het onvermogen om taal te gebruiken ten gevolge
van een hersenletsel.
Een oud verhaal
Leerling, minachtend: De lege leer is een oud verhaal in een nieuw jasje.
Meester: De lege leer is een oud verhaal
zonder jasje.
Apeiron
Apeiron is Grieks voor datgene wat alleen apofatisch aangeduid
kan worden als dit noch dat, te weten het onbepaalde en onbepaalbare, het nog
niet of niet langer bepaalde, of datgene wat al het bepaalde in zich verenigt
maar waarvan men zelfs niet kan zeggen dat het bestaat of niet bestaat.
In het algemeen lijkt het apeiron te verwijzen naar een of andere grondslag van de alledaagse werkelijkheid: de onvergankelijke bron en bestemming
van het vergankelijke - al is deze duiding natuurlijk niet apofatisch.
Bij Anaximander is het apeiron
de "oer", de onuitputtelijke, onvergankelijke en onbegrensde bron van
alle dingen, datgene waaruit alles voortkomt en waarin alles terugkeert -
de westerse tegenhanger van het hindoeïstische Atman of Brahman. Bij
Parmenides is het apeiron het Zijn zelf, het plenum. Bij Aristoteles is het de
stof voordat deze vorm of eigenschappen heeft aangenomen. Bij Jezus is
het apeiron de liefde, zou je kunnen zeggen, of het koninkrijk der hemelen. In de advaita vedanta is het apeiron het kennen (tegenover het
gekende), dat zelf uiteraard onkenbaar is, of beter: kenbaar noch onkenbaar. Bij Pseudo-Dionysius is het apeiron de
Transcendente Ene, de Goede Oorzaak van alles. In de christelijke
mystiek is het apeiron God. De zenboeddhist spreekt van het oorspronkelijke
gezicht, Immanuel Kant van het Ding-an-sich, Heidegger van het Onverborgen Zijn (het
aletheia), neo-advaita simpelweg van Dit. Bij Cornelis Verhoeven en T. Norretranders is het apeiron de onuitputtelijke werkelijkheid zelf, die zich nooit in het beperkte bewustzijn, nooit in gedachten of woorden laat vangen
en altijd tegenover ons blijft staan als het onherleidbare, de
niet-identiteit.
Met Verhoeven zijn we middenin de twintigste eeuw beland, middenin het jargon van het postmodernisme, dat in plaats van het apeiron spreekt van het
andere,
ook wel het onbeslisbare, het ongrijpbare, het ondefinieerbare, het
onzegbare, het onuitsprekelijke, het onherleidbare - tegenover zijn
tegendeel, het
eendere. Geen enkele tekst, geen enkel begrip,
geen enkele gebeurtenis, geen enkel object is volgens het postmodernisme
restloos te bepalen. Er zijn steeds nieuwe interpretaties mogelijk en
niemand heeft het laatste woord, noch in de wetenschap, noch in de
metafysica, noch in de ethiek, noch in de politiek, noch in de
hermeneutiek, noch in de religie.
Niet weten is natuurlijk geen postmodernisme, anders had ik deze website nooit gemaakt. De dwijze neemt
geen standpunt in inzake bepaalbaarheid en onbepaalbaarheid of welke
andere kwestie dan ook. Hij erkent noch ontkent de werkelijkheid, laat
staan dat hij tracht deze te scheiden in een
kenbaar en een onkenbaar deel die in een bepaalde relatie tot elkaar
zouden staan, of integendeel, te verenigen tot een ondeelbare eenheid.
Niet weten omheint niet en niet weten ontheint niet. Van een apeiron is in niet weten sprake noch geen sprake.
Is het niet weten dan misschien het
apeiron zelf? Natuurlijk staat het iedereen vrij om het zo op te vatten. Voor mij is niet weten echter niet het onbepaalde, opgevat als substantief, als
ding, maar het niet bepalen zelf, opgevat als proces, als activiteit -
als de spontane en niet aflatende deconstructie van de constructies die
zich al even spontaan en onophoudelijk aandienen of opdringen. Dan nog is niet weten niet de
ijsbreker die zich een weg naar het apeiron baant, maar het breken van het ijs zelf, door niets of niemand in het bijzonder, en zonder onderliggend motief.
Hoe apofatisch om niet weten zelfs niet als het apeiron of de weg ernaartoe te willen duiden. Maar ik doe dat niet om het interessant te maken. Integendeel. Ik doe het om het weer zo gewoon te maken als het van nature is en altijd al geweest is en altijd zal blijven. Niet weten is gewoon niet weten. Wie weet er nou niet wat niet weten is?
Niets
Leerling: Wat heeft niet weten voor nieuws te bieden?
Meester: Niet weten heeft niets te bieden, laat staan iets
nieuws.
Leerling: Waarin onderscheidt het zich dan?
Meester: In dat het er openlijk voor uitkomt.
Leerling: Waarvoor?
Meester: Dat het niets te bieden heeft.
Leerling: Is dat alles?
Meester: Kom er maar eens om.
Leerling: Hoezo?
Meester: Overal kun je wel iets krijgen, maar waar krijg je nou niets.
Leerling: Als u
het niets bedoelt dan weet ik wel een paar
alternatieven.
Meester: Maar ik bedoel gewoon niets.
Aporie
Een aporie [etymologisch onverantwoord ezelsbruggetje:
a-, geen +
porie ,
gat: iets waar men
geen gat in ziet] is een onoplosbaar raadsel, meestal van filosofische, mathematische,
theologische of spirituele aard. .
Een toepasselijk voorbeeld van een aporie is: "Als ik
niets kan weten, zoals ik
meen, dan ook niet dat ik niets kan weten." Zoals wel blijkt uit mijn
dwaalgesprekken is de weg naar verlichting bezaaid met aporieën, waarvan de grootste natuurlijk de
weg en de verlichting zelf zijn.
Gewoonlijk
streeft men ernaar aporieën op te lossen, of ze te omzeilen door het
paradigma dat er aanleiding toe gaf te verlaten. In beide gevallen ziet
men ze als een tijdelijk, overwinnelijk kwaad. De dwijze daarentegen ziet
aporieën als tijdelijk noch als kwaad en streeft er eerder naar ze te vermenigvuldigen en onder de aandacht te brengen dan ze op te lossen.
Lijkt nergens op
Leerling: Wat is de overeenkomst tussen niet weten en andere filosofische, spirituele en religieuze tradities?
Meester: Niet weten lijkt nergens op.
Leerling: Hoe kan dat nou!
Meester: Doordat het leeg is.
Leerling: Dat is niet direct een aanbeveling.
Meester: Maar daardoor lijkt het ook overal op.
Leerling: Hoe kan dat nou!
Meester: Doordat het zich nergens van onderscheidt.
Asylum
ignorantia
Ik kan het maar niet met mezelf eens worden.
Zal ik
asylum ignorantia nou definiëren als een vlucht uit de wereld in de onnozelheid van niet weten, of als een vlucht uit niet weten in de onnozelheid van de wereld?
De hamvraag
Leerling: Alle tradities verwijzen naar hetzelfde.
Meester: Wie overeenkomsten zoekt zal overeenkomsten vinden.
Leerling: Iedere traditie is uniek.
Meester: Wie verschillen zoekt zal verschillen vinden.
Leerling: Maar zijn ze nou in wezen hetzelfde of in wezen verschillend?
Meester: Het hangt er vanaf wat je zoekt.
Leerling: En als je niet zoekt?
Meester: Aha. De hamvraag.
Leerling: Wat is daarop uw antwoord?
Meester: Hetzelfde als op iedere hamvraag.
Leerling: Te weten?
Meester: Oink.
Athetisch
Het woord
athetisch [Grieks,
a-, niet +
thesis,
het plaatsen, stelling] betekent letterlijk: niet stellend, nietszeggend. Postmoderne teksten worden - soms pejoratief - athetisch
genoemd wanneer ze geen duidelijke stellingname bevatten.
Thesen of stellingen in dwaalteksten zijn
steeds bedoeld om voorafgaande stellingen tegen te spreken. Een dwaaltekst is geslaagd als je na lezing het
gevoel hebt dat er niets onweersproken is gebleven, dat wil zeggen, in
de mate waarin hij als geheel athetisch is. Niet omdat het
ont-stellend spreken
naar welke maatstaf dan ook bevoorrecht zou zijn maar omdat het een
natuurgetrouwe - zij het gestileerde - weergave is van het niet weten
dat zich nou eenmaal spontaan in het dwijze bewustzijn voltrekt. Dit is natuurlijk een volkomen onverantwoorde generalisatie van een belachelijk simplistische omschrijving van wat ik zelf meen te doen of mee te maken.
Maken we van het bijvoeglijk naamwoord athetisch een zelfstandig naamwoord, dan ontstaat het woord
athese, dat zich het beste laat vertalen als de lege stelling - de enige 'stelling' van de lege leer.
Niets is minder
Leerling: Wat is het verschil tussen niet weten en andere filosofische, spirituele en religieuze tradities?
Meester: Niets is minder waar.
Leerling: Wat is het verschil tussen niet weten en andere filosofische, spirituele en religieuze tradities?
Meester: Niets is minder onwaar.
Categoriefout
Een
categoriefout is een denkfout waarbij je een idee, zoals een universiteit, aanziet voor een ding, zoals een universiteitsgebouw, of
omgekeerd, met alle problemen van dien. Zo kun je de universiteit niet
schilderen, een universiteitsgebouw wel. Omgekeerd kun je je aan een universiteitsgebouw niet inschrijven, aan een universiteit wel. Volgens de Britse filosoof Gilbert Ryle berust het hele idee van de geest, en daarmee het dualisme van Descartes, op een simpele categoriefout.
Een ander voorbeeld van een categoriefout is niet weten opgevat als een ding, in het bijzonder als een onkenbare immanentie of transcendentie, zoals (een) kracht,
energie, ether, bewustzijn, god, liefde, bron, schepper, werkelijkheid, wet of principe. Niet weten is niet de ontkenning van een dergelijke grootheid per se maar wel de ontkenning dat het dat zelf zou zijn of dat het daar
via het verstand of langs andere weg toegang toe zou hebben.
Ik zeg het nog maar eens: niet weten betekent alleen maar dat je het allemaal niet meer weet.
Conditio tacita
In de argumentatieleer onderscheidt men de noodzakelijke voorwaarde of
conditio sine qua non, en de vanzelfsprekende, impliciete voorwaarde, de
conditio tacita. In het dagelijks leven maken we dit onderscheid niet.
Kenmerkend voor het normale denken is nu juist dat zelfs noodzakelijke,
non-triviale voorwaarden zich manifesteren als vanzelfsprekende. Fenomenologisch gezien manifesteren mogelijkheidsvoorwaarden zich
doorgaans helemaal niet. Ik geloof mijn gedachten in eerste instantie onvoorwaardelijk,
zonder enig voorbehoud, zonder zelfs maar stil te staan bij de
mogelijkheid van enig voorbehoud. Dat is wat het woord vanzelfsprekend
eigenlijk betekent: stilzwijgend. Ongedacht en
onbesproken blijvend. Tacita.
Gedachten en gevoelens hebben de merkwaardige eigenschap
hun eigen mogelijkheidsvoorwaarden "waar" te maken, zo komt het mij soms voor. Mijn schuldgevoel
bijvoorbeeld verschijnt altijd en uitsluitend in een wereld waarin mijn wilsvrijheid niet ter
discussie staat. Voor zover ik dat introspectief kan nagaan, is die
wereld er niet op voorhand; hij ontstaat - en vergaat - samen met, als context van, het schuldgevoel in kwestie. Ik krijg hem er gratis bij, en niet in de
vorm van een vraagteken dat uitnodigt tot nader onderzoek maar in de vorm van een
uitroepteken dat alle twijfel in de kiem smoort.
Ga maar na. Volg een gedachte op de voet. Lijkt het verdorie niet net of de benodigde werkelijkheid door de
gedachte zelf wordt meegeleverd? Alsof hij zijn eigen
mise-en-scène schept, uit het niets een wereld tevoorschijn tovert waarin het
gedachte even kan bestaan? Die wereld verschijnt en verdwijnt samen met de
gedachte zelf en toch lijkt die wereld zo lang als het duurt - zo kort als het duurt - tijdloos, constant,
absoluut en onbetwijfelbaar.
Als deze beschrijving klopt dan zijn gedachten
kosmogeen, wereldwekkend: ze
maken zichzelf waar door een wegwerpwereld op te roepen waarin aan al hun
bestaansvoorwaarden voldaan is. Ze zijn als het ware zwanger van de wereld die ze zelf waarmaakt; ze zijn
pregnant of
zelfgenoeg. Je kunt ook zeggen: de wereld
die de gedachte waarmaakt is
zelfrijzend.
Een metafoor voor het idee van de zelfvoorzienende gedachte is de
diersoort die zijn biotoop niet aantreft maar creëert, zoals de bever de beverdam, de termiet de termietenheuvel of de mens de
mensenwereld. Het succesvolle dier schept de wereld waarin het zich
thuis voelt en de succesvolle gedachte schept de wereld waarin zij waar
lijkt.
Is dit waar? Zijn gedachten inderdaad wereldwekkend en zelfgenoeg? Zo ja, dan
geldt dat ook voor deze en weten we nog niets. Zo nee dan weten we ook niets omdat het niet waar is. Dus wat maakt het eigenlijk uit.
Cynisme
Als we cynisme definiëren als een ongeloof in alles en iedereen, dat tot
uitdrukking
komt in spot, sarcasme en negativiteit, dan is niet weten geen cynisme.
De
dwijze gelooft net zomin in ongeloof als in spot, sarcasme, negativiteit
of wat dan ook. Zelfs in dwijsheid gelooft hij niet - en
geloof dat ook maar niet.
Cynicus
Leerling: Sommigen noemen u een cynicus.
Meester: Wat is cynisme?
Leerling: De opvatting dat niets enige waarde heeft.
Meester: Wat een waardeloze opvatting.
Dialectiek
Dialectiek is het denken van these (stelling) via antithese
(tegenstelling) naar synthese (samenstelling), waarna laatstgenoemde
weer
de these voor de volgende rondgang vormt.
Dialectiek leidt
spiraalsgewijs van het bijzondere naar het algemene, van het relatieve
naar het absolute, van het meervoudige naar het enkelvoudige, van het
tegenstrijdige naar het harmonieuze. Het is een progressieve
denkwijze die alleen maar kan eindigen in de hoogste waarheid - welke
dat ook moge zijn.
In niet weten is het denken eerder
regressief
of
digressief dan
progressief: men denkt eerder
achterwaarts
of
zijwaarts dan
voorwaarts of
opwaarts.
Het dwijze denken leidt van het algemene naar het singuliere, van
het
enkelvoudige naar het meervoudige, van het hogere naar het lagere. Het
leidt van synthese naar paradox, van stelling naar nevenstelling of
onderstelling. Het leidt van orde naar
chaos, van antwoord naar vraag, van zekerheid naar twijfel, van
werkelijkheid naar mogelijkheid. Het leidt van weten naar niet weten, en
vandaar nog verder terug, naar iets wat ik bij gebrek aan beter maar
weer Tja zal noemen, waar weten "weten" is en niet weten "niet weten".
Dissensus
Dissensus is het tegenovergestelde van
consensus: onenigheid, tegenspraak, verschil van mening. Volgens Lyotard
moet het postmoderne weten opgevat worden als een taalspel waarin men
niet de waarheid nastreeft maar slechts het verslaan van de
tegenspreker. Streefde het
modernisme naar consensus in de vorm van grote verhalen met een algemene geldigheid, het
postmodernisme streeft
juist naar dissensus in de vorm van kleine verhalen die alleen maar een
lokale geldigheid hebben.
Dwaalgesprekken zijn op te vatten als taalspelen waarin de leerling streeft naar consensus maar de meester naar dissensus. Dwaal
gesprekken zijn een bijzondere vorm van dwaal
teksten, die
er ongeacht hun vorm naar streven zichzelf tegen te spreken.
Nietweten
kun je omschrijven als een radicale, niet aflatende, om niet te zeggen
uitputtende dissensus,
waarin de dwijze
ieder weten tegenspreekt, of het nou spontane "eigen" gedachten betreft
of gedachten van "anderen". Ook de noodzaak tot tegenspreken spreekt hij tegen.
De dwijze
heeft echter geen voorkeur voor dissensus, en streeft nergens naar, ook niet naar niet streven, noch
weerstreeft hij er iets mee - ik zou tenminste niet weten wat. Hoogstens
constateert hij een
onweerstaanbare neiging tot dissensus - en altijd in de eerste plaats met
zichzelf, wie of wat dat ook moge zijn, zo hij of het al is.
Dogma
Volgens Van Dale is een dogma een "vastomlijnd, aan geen redenering meer onderworpen geloofsartikel". "Dogmatisch" betekent "geen tegenspraak duldend". Dogmatisme
is het vooropstellen van en vasthouden aan dogma's.
Verstopt in deze
definities is een typisch westers verlichtingsideaal: het idee dat er
ook niet-dogmatische kennis mogelijk is, bijvoorbeeld wetenschappelijke,
die zich hierin van dogmatische kennis onderscheidt dat zij voor rede
vatbaar is. Verstopt in
dit ideaal zitten - het lijkt wel een matroesjka - nog eens twee dogma's, namelijk het
idee dat gefundeerde kennis mogelijk is, en het idee dat de rede het instrument
bij uitstek is om de fundering te leggen.
Of dat zo is, laat ik graag in het midden. Niet weten is immers de weg
van het midden. Niet in de zin van de gulden middenweg, waarbij je uitersten vermijdt, maar in de zin van in het midden laten,
waarbij je definitieve uitspraken vermijdt omdat er nog nooit eentje
overeind gebleven is - deze ook niet. Daarom gebruik ik het woord dogma voor iedere
pretentie iets te weten, in concreto voor iedere uitspraak die
niet onmiskenbaar wordt tegengesproken door de geschreven tekst waarvan hij deel
uitmaakt, of door degene die hem zojuist heeft uitgesproken.
Niet weten is niet anti-dogmatisch. Dat kan ook niet want een
leerstuk over de onwenselijkheid van dogma's zou zelf weer een
dogma zijn, en ik zou niet weten op welke gronden ik dat moest
verdedigen. Niet weten is wel
adogmatisch, dat wil zeggen zonder
dogma's. Niet uit principe maar simpelweg als gegeven, als iets wat de
dwijze steeds opnieuw bij zichzelf mag of moet constateren.
Epoche
Aangezien volgens de Griekse wijsgeer Pyrrho ieder bewijs op onbewezen premissen berust, is
opschorting van ieder oordeel voor onbepaalde tijd
de enige juiste wijsgerige houding.
Deze principiële opschorting heet in het Grieks
epoche.Helaas, of gelukkig, of beide, of geen van beide, berust de
redenering waaruit
volgt dat epoche de enige juiste houding is, zelf op onbewezen
premissen, waaronder de aanname dat je pas een oordeel mag vellen als
er een sluitend bewijs voor is, de aanname dat je moet doen wat
logisch is, de aanname dat je vrij kunt kiezen om je oordeel al dan
niet op te schorten en de aanname dat je dan beter af bent,
of althans het juiste doet.
Maar klopt dat allemaal wel? Eerst bewijzen
zou ik zeggen,
en het liefst zonder nieuwe premissen, anders blijven we aan de gang.
Tot die tijd moeten we het oordeel dat we alle oordelen voor onbepaalde
tijd moeten opschorten, maar voor onbepaalde tijd opschorten, of anders aanvaarden dat het op onbewezen premissen berust. Mij is het om het even.
Existentialisme
Volgens de existentialistische filosofie, net als het dadaïsme ontstaan
in het kielzog van een wereldoorlog, is de mens ongevraagd in een onsamenhangende, betekenisloze wereld geworpen
waarin echte communicatie onmogelijk is en hij in totale vrijheid zelf zin aan
zijn eenzame bestaan moet zien te geven.
Wellicht doen termen als onsamenhangend, betekenisloos en geworpen, oppervlakkig gezien aan niet weten denken. Toch is dat slechts schijn.
De existentialist
weet dat er een wereld is. Hij
weet dat
deze betekenisloos is. Hij
weet dat hij zelf bestaat. Hij
weet
dat hij ongevraagd in deze vooraf bestaande wereld geworpen is (en
niet, bijvoorbeeld, andersom). Hij
weet dat echte
communicatie met andere geworpenen onmogelijk is. Hij
weet dat
hij gedoemd is tot
eenzaamheid. Hij
weet dat hij tot vrijheid veroordeeld is.
Hij
weet dat hij en hij alleen zin aan zijn bestaan kan en moet
geven en dat hij dat voor niemand anders kan doen en niemand anders voor
hem.
Existentialisme behoort onmiskenbaar tot het weten.
Fideïsme
De doctrine dat ieder weten uiteindelijk een kwestie van geloven
is, van menen te weten, niet alleen het religieuze weten maar ook
het wetenschappelijke en zelfs het wiskundige weten, wordt
fideïsme [Latijn,
fides, geloof] genoemd. Niet weten is geen fideïsme. De
dwijze gelooft, meent of weet niets over weten, menen of geloven, zelfs
niet dat hij daarover niets gelooft, meent of weet.
Gezond verstand
Onder
gezond verstand verstaan we de verzameling van opvattingen,
normen en waarden waarover de meeste mensen in een gemeenschap het wel
eens zijn. Zaken die vanzelfsprekend zijn, om niet te zeggen vanzelfschreeuwend. Volgens het gezond verstand is de wereld onder meer
stoffelijk, bestendig, geordend, kenbaar, verklaarbaar, maakbaar en
beheersbaar. Een leerstelsel dat het gezond verstand tot uitgangspunt heeft genomen is de
common sense philosophy van Thomas Reid.
Gezond verstand gaat in niet weten niet verloren
maar komt
wel in de lucht te hangen en verliest daarmee zijn (on)natuurlijke gezag.
Voor de dwijze, wie dat ook moge wezen, is het vanzelfsprekend
dat de wereld, wat dat ook moge wezen, hem voortdurend
verbijsterd, als dat al zo is; omgekeerd is het voor diezelfde dwijze
verbijsterend dat diezelfde wereld desondanks vanzelf blijft spreken en diens verbijstering onophoudelijk overschreeuwt.
Daardoor, of
desondanks, verkeert de dwijze niet langer in de ban van het gezond
verstand, maar eerder in dat van het kortgesloten, om niet te zeggen ongezond verstand, dat zichzelf onophoudelijk bevraagt
ook al stelt het geen belangstelling in de antwoorden, en dat zich
geroepen voelt de antwoorden die desondanks blijven komen
onophoudelijk te herroepen - als dat is wat er gebeurt.
Ignoramus et ignorabimus
De Latijnse uitdrukking
ignoramus et ignorabimus betekent zoveel
als "wij weten niet en zullen nooit
weten". Wie meent dat dit een geschikt motto zou zijn voor de dwijze,
heeft niet begrepen dat de dwijze geen
uitspraken weet te doen, zelfs niet de uitspraak dat hij geen uitspraken
weet te doen, laat staan dat hij er motto's op nahoudt, wat niet wil zeggen dat hij tegen motto's is of erop tegen is om ergens tegen te zijn.
Ignotum per ignotius
De Latijnse uitdrukking
ignotum per ignotius betekent: het onbekende herleiden tot het
onbekendere. Het is een ironisch commentaar op de verklarende waarde van
al te duistere theorieën maar kan ook opgevat worden als een commentaar
op de hele verklaringspraktijk.
Wanneer een kind vraagt waarom alles naar beneden valt en je zegt dat
het door de zwaartekracht komt, heb je dan echt iets verklaard? Wat is
zwaartekracht? Vraag het de natuurkundige en hij komt met een
onbegrijpelijk verhaal over tijdruimte of een ander onbegrijpelijk
verhaal over gravitonen. Dit heet van kwaad tot erger. Weliswaar heeft
de natuurkunde voorspellende waarde, maar daarom maakt ze de wereld nog
niet begrijpelijk. Integendeel. De natuurkunde voegt alleen maar raadsels toe. Bovendien is de natuurkunde op haar beurt, ongeacht haar resultaten, als verschijnsel, als bezigheid, als bedrijf, volstrekt onbegrijpelijk en onverklaarbaar.
Een andere Latijnse term uit dit genre is
obscurum per obscurius - het herleiden van het obscure tot het meer obscure.
Illusionisme
Illusionisme is de leer dat alle menselijke voorstellingen en begrippen illusies zijn.
Niet weten is geen illusionisme.
Niet weten is niet
weten dat de werkelijkheid
een illusie is
maar
niet weten of de werkelijkheid is, niet weten wat de werkelijkheid
is, niet weten wat een illusie
is, niet weten of de werkelijkheid een illusie is, niet weten of de
illusie werkelijkheid is, niet weten hoe je een en ander vast zou moeten
stellen en niet weten waarom je daar moeite voor zou doen.
Het kan natuurlijk best zijn dat niet weten zelf een illusie is. Dan
vervalt deze definitie en weten we nog niks. Zodat niet weten misschien toch geen illusie is.
Immoralisme
Leerling: Is niet weten niet gewoon een vorm van immoralisme?
Meester: Wie zonder zede is hoeft nog niet onzedelijk te zijn.
Irrationalisme
Leerling: Is niet weten niet gewoon een vorm van irrationalisme?
Meester: Wie zonder rede is hoeft nog niet onredelijk te zijn.
Kenleer
Misschien denk je wel dat
epistemologie - de
filosofie
van de grenzen van het weten - de weg naar niet weten is. Dat kan best
wezen. Maar misschien ook niet. Eerst maar eens vaststellen of niet weten wel een bestemming is, en of er wel een weg naartoe is, lijkt mij, en of je die eigenlijk wel wilt gaan.
Als weg naar niet weten maakt kenleer sowieso een valse start door van meet af
aan van alles en nog wat te veronderstellen. Zo veronderstelt zij een onderscheid
tussen enerzijds een kennend subject en anderzijds een object waarvan de
kenbaarheid onderzocht kan en moet worden. Zij veronderstelt een onderscheid tussen weten en niet weten. Zij veronderstelt dat
natuurlijke taal een geschikt instrument is om epistemologisch
onderzoek in te verrichten en de grenzen van het weten in uit te
drukken. Zij veronderstelt dat het gebruik van
logica de geldigheid van de gebruikte redeneringen garandeert. Zij veronderstelt dat je vanuit onbewezen premissen tot bewezen conclusies kunt komen. Zij veronderstelt dat geldige redeneringen volstaan als het erom gaat jezelf en je medemens ergens van te overtuigen.
Stevige
aannames voor een discipline die weetbaarheid tot thema heeft.
Eigenlijk zou de kentheoreticus deze veronderstellingen eerst moeten
onderzoeken voordat ze tot uitgangspunt van epistemologisch onderzoek
kunnen
dienen. Maar hoe pleeg je onderzoek
zonder onderscheidingen? Hoe druk je je uit zonder taal? Hoe
redeneer je zonder logica? Hoe overtuig je zonder redeneren?
Houd moed, waarde epistemoloog, en doe uw best. Wie weet vind u op een dag nog antwoorden ook. Goede kans dat u slimmer bent dan
ik. Dat zijn veel mensen. Of vasthoudender. Maar ik zeg er meteen bij: antwoorden zijn niet de weg naar
niet weten. En zonder antwoorden bent u een epistemoloog van niks. Succes!
Nihilisme
Leerling: Sommigen houden u voor een
nihilist.
Meester: Sinds wanneer noem jij jezelf sommigen?
Leerling: Bent u een nihilist?
Meester: Nihilisme is nog altijd een strohalm.
Leerling: Waaraan klampt de nihilist zich vast?
Meester: Aan de overtuiging dat er niets is om in te geloven.
Leerling: Moet men dan alles maar loslaten?
Meester: Alles loslaten is een strohalm.
Leerling: Heeft u iets tegen strohalmen?
Meester: Iets tegen strohalmen hebben is een strohalm.
Leerling: Dus u heeft niets tegen strohalmen?
Meester: Niets tegen strohalmen hebben is een strohalm.
Leerling: U ben de strohalmen voorbij.
Meester: De strohalmen voorbij zijn is een strohalm.
De leerling schudt zijn hoofd.
Meester: Met een schepnet kun je geen water vangen.
Nominalisme
Nominalisme is de sceptische opvatting dat
universalia (algemene begrippen), zoals "mens", "voet", "aarde",
"waarheid" en "de zin van het leven" loze labels zijn, namen zonder
werkelijkheidsgehalte. Alleen het singuliere bestaat echt. Aangezien al onze kennis vervat is in universalia, en deze volledig losstaan van particularia, weten we eigenlijk
niets. Het nominalisme verzet zich met name tegen de ideeënleer van
Plato, die concrete objecten als armzalige aftreksels van zuivere ideeën
beschouwde.
Hoewel het nominalisme vooral in de middeleeuwen opgeld deed, is het in de twintigste eeuw in een postmodernistisch jasje opnieuw aan de orde gesteld, onder andere in de filosofie van de verwondering van Cornelis Verhoeven.
Problematisch aan het nominalisme is in de eerste plaats
de status van het nominalisme zelf. Is het slechts een loze naam of een
reële entiteit? "Werkelijkheidsgehalte", heeft
dat wel enige werkelijkheidsgehalte of is het slechts een woord? "Universalia",
bestaan die eigenlijk wel, of zwetst het universalium nominalist in het
universalium ruimte?
Meester Tja zegt hierover: Plato mag dan zijn hoofd in de wolken hebben, de
nominalist heeft zijn voeten in de aarde. Komt dat uiteindelijk niet op hetzelfde neer?
Perspectivisme
Tamelijk wijdverbreid is tegenwoordig de relativistische
opvatting dat wij de werkelijkheid alleen kunnen
bezien vanuit een concreet en beperkt perspectief.
Weliswaar kun je volgens dit zogeheten
perspectivisme van standpunt
wisselen maar je kunt niet
alle standpunten verlaten om de
werkelijkheid te zien zoals ze van zichzelf is, noch bestaat er
een bevoorrecht perspectief dat als laatste grond en toetssteen zou
kunnen dienen. Ieder perspectief is slechts een gekleurde bril, een koker, die ons een eenzijdig en incompleet beeld
oplevert. Iedere visie is een kokervisie.
Uiteraard is het perspectivisme zelf ook een beperkt en beperkend perspectief, en, voor zover het waar is,
evenmin "waar" of "onwaar" als welk perspectief dan ook.
Het laatste grote verhaal
Leerling: Wat is het postmodernisme?
Meester: Het laatste grote verhaal.
Leerling: Ik dacht dat het juist het einde van alle grote verhalen verkondigde.
Meester: Nou dan.
Postmodernisme
Het postmodernisme is een verregaand cultuurrelativisme zonder heilige huisjes. Maar met het postmodernisme is het einde van het relativeren nog niet bereikt. Want we kunnen het cultuurrelativisme zelf nog relativeren, het heilige huisje
van geen-heilige-huisjes nog omverhalen. Mocht dit inderdaad de uiterste consequentie van het postmodernisme zijn, dan kunnen we wellicht een nieuw tijdperk
tegemoet
zien, dat we hier
maar even het
postpostmodernisme of gewoon het
einde der tijden zullen noemen, waarin men zich
niet meer in een volgend tijdperk waant, of terug in
een vorig, of gevangen in een eeuwig heden, dat ook niet, en daaromtrent geheel vrij van
verwachtingen en verlangens
is - ook van de verwachting en het verlangen daaromtrent geheel vrij van
verwachtingen en verlangens te (kunnen) zijn. Daarmee zou dan het vooruitgangsdenken
definitief tot een einde gekomen zijn, evenals het doemdenken, zodat we
ook niet konden vaststellen of we nou beter of slechter af waren. Maar of we daar nou beter mee af zouden zijn.
Het schijnt trouwens dat Baudrillard al in 1992 in
Illusion de la fin, waarin hij de lineaire opvatting van de tijd op de korrel neemt, het einde van het einde heeft verkondigd. Hij werd daarin voorgegaan door talloze verkondigers van het einde van het een of ander: van de wereld (eschatologie), van de filosofie (scepticisme, pyrronisme), van de oorlog ("the war to end all wars") van de kunst (Arthur Danto), van het subject (advaita vedanta, zen), van het boek, van de roman, van de poëzie, van de schilderkunst, van de muziek, van de godsdienst, van de staat, van de geschiedenis (Francis Fukuyama), van het metaverhaal (Lyotard) en van de representatie (Derrida), om maar eens wat te noemen. De onbedwingbare neiging om ergens het einde van te verkondigen, wordt trouwens
endisme ("endism") genoemd.
Naar verluid werkt diezelfde Baudrillard, een verwoed polemist die kennelijk nog altijd het laatste woord wil hebben, sinds 6 maart 2007 in alle rust aan een postume studie met de titel:
Illusion de la fin de la fin. Zelf werk ik aan een definitieve studie over het laatste woord, getiteld
de illusie van het laatste woord. Bij deze kondig ik tevens het einde van het endisme aan, in de hoop dat ten minste één van mijn voorspellingen zelfvervullend zal zijn en ik toch nog een keertje gelijk zal krijgen. Al is het maar in de toekomst.
Mooi verhaal
Leerling: De werkelijkheid bestaat niet.
Meester: O nee?
Leerling: Er bestaan alleen maar verhalen over de werkelijkheid.
Meester: En die verhalen dan?
Leerling: Wat is daarmee?
Meester: Zijn die werkelijk of onwerkelijk?
Leerling: O.
Meester: Nou?
Leerling: Werkelijk, lijkt me.
Meester: Dus de werkelijkheid bestaat wel?
Leerling: Dat
is te zeggen...
Meester: In de vorm van verhalen over
de werkelijkheid?
Leerling: Als u het zo wilt stellen.
Meester: Mooi verhaal.
Quïetisme
Het quïetisme is een mystieke beweging uit de zeventiende eeuw, gericht tegen de scholastiek en het dogmatisme, die zwijgzaamheid, niet denken, contemplatie en overgave predikt. In ruimere zin staat quïetisme voor de gedachte dat de waarheid voorbij de woorden ligt en zich alleen non-verbaal, in daden, laat uitdrukken.
Vanuit de gedachte dat je, zoals Wittgenstein heeft gezegd, moet
zwijgen over datgene waarover je niet kunt spreken, kun je gemakkelijk
tot de conclusie komen dat de dwijze dan maar zijn kop dicht moet houden. Maar deze
conclusie
berust op twee misverstanden. Ten eerste weet de dwijze zelfs niet dat
hij niet weet, ten tweede heeft Wittgenstein de helft vergeten, namelijk
dat je moet spreken over datgene waarover je niet kunt zwijgen. Dus
waarom zou uitgerekend de dwijze zijn mond moeten houden? Laat Wittgenstein eerst maar eens het goede voorbeeld geven.
Scepticisme
Van het scepticisme bestaan talloze variaties, die lang niet allemaal een
eigen naam hebben gekregen, niet consequent toe te schrijven zijn aan
individuen, scholen, werken of zelfs tekstfragmenten uit de geschiedenis van de wijsbegeerte en niet eenduidig in te delen zijn, althans niet door mij. Zomaar een
greep:
- je kunt niets weten, ook niet dat je niets kunt
weten en ook niet hoe je moet leven (radicaal scepticisme)
- je kunt niets weten, ook niet dat je niets kunt weten maar wel hoe je moet leven (praktisch scepticisme van Pyrrho van Elis)
- je kunt niets weten, behalve dat je niets weet (dogmatisch
scepticisme)
- je kunt niets zeker weten maar wel met
enige waarschijnlijkheid (probabilisme)
- je kent alleen de
associaties van het verstand (Hume)
- je kunt alleen iets weten
doorheen de categorieën van het verstand, te weten tijd, ruimte, oorzaak en getal (Kant)
- je kunt alleen weten wat in de
ervaring gegeven is (empirisch scepticisme van Sextus Empiricus; logisch positivisme)
- je kunt alleen bewustzijnsinhouden kennen (idealisme, bijvoorbeeld Bacon)
- je kunt alleen maar de inhoud van je eigen bewustzijn kennen (solipsisme)
- je kunt alleen maar weten hoe je iets moet doen (pragmatisme, Peirce)
- van
wat niet veroorzaakt is, kun je de oorzaken niet kennen
(indeterminisme)
- je kunt alleen maar weten dat iets niet
waar is (falsificationisme, Popper)
- je kunt alleen
maar iets weten voor jezelf (subjectivisme)
- je kunt alleen maar weten wat in taal is uit te drukken (linguïstisch relativisme, Sapir-Whorf hypothese)
- je kunt alleen
iets weten binnen een gegeven context (relativisme)
- je kunt alleen iets weten binnen een vooringenomen denksysteem
(postmodernisme)
Welk type scepticisme komt het dichtst bij niet weten? Geen enkel. Niet weten is tja zeggen tegen
iedere vorm van scepticisme. Zelfs tegen niet weten.
Therapeutisch scepticisme
Volgens een variant van het scepticisme die tegenwoordig bekend staat als het
therapeutisch scepticisme, is de doelstelling van de sceptische levenshouding ataraxie, volstrekte gemoedsrust.
De eerste westerse exponent van deze visie is naar verluid Pyrrho van Elis (360 -275 voor Christus), die meende dat ataraxie te
bereiken is door simpelweg te beseffen dat wij niets kunnen weten, waardoor oordelen
geen zin meer heeft en het streven naar kennis en waarheid vanzelf tot rust komt.
Merkwaardig genoeg staat het therapeutisch scepticisme bol van de ideeën, die kennelijk zijn vrijgesteld van kritisch onderzoek. Om te beginnen is er het
weten dat wij niets kunnen weten en, voor gevorderden, dat wij zelfs niet niets kunnen weten. Vervolgens is
er het weten dat dit besef een voorspelbaar en wenselijk effect op onze
gemoedstoestand zal hebben, namelijk sereniteit, en niet, bijvoorbeeld,
depressie, apathie, agitatie, onrust, wanhoop, alles door elkaar of
helemaal niets, al dan niet afhankelijk van karakter, opvoeding en omstandigheden. Ten derde is er het idee dat wij meester over ons lot
zijn en ervoor kunnen kiezen ons diepgaand met het scepticisme bezig te
houden teneinde tot het gewenste besef te komen. Ten vierde is er het geloof in de suprematie van de rede, die
ervoor zal zorgen dat wij onze huidige overtuigingen zonder meer
overboord zullen zetten wanneer wij eenmaal kennis nemen van de onweerlegbare argumenten van het therapeutisch scepticisme.
Dat dit soort gedachten voor sommige mensen therapeutisch werkt, wil ik best aannemen, al behoor ik zelf niet tot die gelukkigen. Maar wat er nou sceptisch aan is?
Verlichtingsdenken
In het postmodernisme wordt met de term "verlichtingsdenken" verwezen naar het rationele denken dat
karakteristiek is voor de Verlichting (circa 1650 - 1900) en dat
gebaseerd is op een groot vertrouwen in de rede en de vooruitgang. De "grote verhalen" (Lyotard) van de twintigste eeuw, zoals het fascisme,
de eugenetica, het socialisme en het communisme, gezamenlijk aangeduid
als het
modernisme, vertonen dezelfde kenmerken, en worden daarom
eveneens tot het verlichtingsdenken gerekend (maar natuurlijk niet tot
de Verlichting). Het postmodernisme wil niet alleen afrekenen met het
modernisme maar met iedere vorm van rationalisme. Vandaar dat het postmodernisme ook wel antiverlichtingsdenken wordt genoemd, en antirationalisme (wat overigens niet hetzelfde is als irrationalisme).
De
term "verlichtingsdenken" is ook geschikt voor een ander type denken,
namelijk het geloof in spirituele verlichting waarbij je ontwaakt
tot - ja, tot wat eigenlijk? Tot de waarheid, de weg, een principe, een
alomtegenwoordigheid, een hogere werkelijkheid, wat dan ook. Tot een shockproof rotsbodem waarop we eindelijk
zekerheid en veiligheid vinden, veelal aangeduid als de Realiteit, Non-dualiteit,
de Waarheid, Nirwana, het Absolute, de Bron, Energie, Essentie, het
Ene, God, Brahman, het Tao, het Koninkrijk der Hemelen en wat dies meer
zij. Evenals het filosofische verlichtingsdenken is het spirituele
verlichtingsdenken optimistisch van aard en behoort het tot de grote
verhalen, ook al zijn ze vaker antiek dan modern. Anderzijds ziet het
spirituele verlichtingsdenken (net als de Romantiek) de ratio (het
verstand, de geest, het ego, de mind) eerder als hinderpaal dan als
instrument tot bevrijding, uitzonderingen als de
advaita vedanta, het Werk van Byron Katie en de autolyse van Jed
McKenna daargelaten.
Het spirituele verlichtingsdenken kan afgezet worden tegen wat ik dan maar het
verduisteringsdenken van de dwijze zal
noemen, waarin sprake is van een radicaal ongeloof in
alle verhalen,
grote en kleine, inclusief het postmodernisme en inclusief het verhaal
van het radicale ongeloof in alle verhalen. Zulks niet uit keuze of
overtuiging maar als gegeven en slechts wanneer en voor zolang het
duurt. Hoewel dit verduisteringsdenken nergens tegen gekant is en
we het dus niet een antiverlichtingsdenken of antirationalisme kunnen
noemen, zaagt het wel voortdurend aan de stoelpoten van het weten, en
dan vooral aan het weten van een vaste grond onder onze voeten, dat
karakteristiek is voor de Verlichting, het modernisme en wat we
hierboven het spirituele verlichtingsdenken hebben genoemd.
X
In de wiskunde wordt de letter
X gebruikt om een onbekende grootheid aan te duiden. Derrida gebruikt dezelfde letter voor wat hij
semi-begrippen of
halfbegrippen noemt. Hiermee bedoelt hij met name postmoderne begrippen als differantie, deconstructie, hymen en parergon, die onzegbaar en ondefinieerbaar zouden zijn.
Halfbegrippen komen we ook tegen in de religie en de spiritualiteit, waar ze worden aangeduid met woorden en uitdrukkingen als God, Tao, Brahman, het Ene, het Absolute, het Mysterie, Dit, de Bron, het Eeuwige, het Bewustzijn, je Ware Natuur, de Non-dualiteit. Een van de meest universele spirituele doctrines luidt dat de Waarheid onuitsprekelijk is en uitsluitend apofatisch kan worden gedefinieerd, dat wil zeggen, als dit noch dat.
Het onderscheid tussen begrippen en halfbegrippen wordt niet door iedereen onderschreven. Het nominalisme erkent alleen particularia en houdt universalia als "mens", "levendbarend" en "verandering" voor betekenisloos. Het mahayana-boeddhisme gaat nog een stapje verder en houdt
alle begrippen voor leeg, dat wil zeggen, zonder wezen of substantie. In deze visie heeft het onderscheid tussen hele begrippen en halfbegrippen geen enkele zin.
De dwijze erkent of ontkent geen enkel onderscheid tussen begrippen en verwante zaken zoals gevoelens, vermoedens, waarnemingen en handelingen, noch tussen begrippen onderling. Van hem mag ieder begrip X genoemd worden, waarmee hij echter niet wil beweren dat alle begrippen onzegbaar en ondefinieerbaar zijn, noch het tegendeel, noch iets ertussenin, noch iets anders. Wat weet hij daar allemaal van? Van hem mag je alles X noemen, als je maar niet denkt dat je gelijk hebt. En dan nog.
Wat betreft de doctrine dat de Waarheid onuitsprekelijk is, zegt de dwijze: "Is iets onuitsprekelijk noemen soms geen spreken?" Want zijn mond houden kan hij niet.