Verlichting voor dummy's >
De wereld > Wie ben je 2
Deze pagina: Dwaalteksten over identiteit, tweede reeks.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
Stom
Leerling: Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?
Meester: Ik begrijp de kleinste zandkorrel niet eens.
Leerling: Ik eigenlijk ook niet.
Meester: Nou dan.
Leerling: Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?
Meester: Ik begrijp het eenvoudigste eiwit niet eens.
Leerling: Ik eigenlijk ook niet.
Meester: Nou dan.
Leerling: Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?
Meester: Ik begrijp het laagste virus niet eens.
Leerling: Ik eigenlijk ook niet.
Meester: Nou dan.
Leerling: Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?
Meester: Ik begrijp de gewoonste bacterie niet eens.
Leerling: Ik eigenlijk ook niet.
Meester: Nou dan.
Leerling: Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?
Meester: Ik begrijp de primitiefste plant niet eens.
Leerling: Ik eigenlijk ook niet.
Meester: Nou dan.
Leerling: Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?
Meester: Ik begrijp de geringste aardworm niet eens.
Leerling: Ik eigenlijk ook niet.
Meester: Nou dan.
Leerling: Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?
Meester: Ik begrijp de smerigste rat niet eens.
Leerling: Ik eigenlijk ook niet.
Meester: Nou dan.
Leerling: Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?
Meester: Ik begrijp de stomste hond niet eens.
Leerling: Ik eigenlijk ook niet.
Meester: Nou dan.
Leerling: Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?
Meester: Ik begrijp de grootste aap niet eens.
Leerling: Ik eigenlijk ook niet.
Meester: Nou dan.
Leerling: Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?
Meester: Ik begrijp mezelf ook niet.
Leerling: Wat is dan het verschil tussen ons?
Meester: Ik heb geen idee.
Leerling: Ik eigenlijk ook niet.
Meester: Nou dan.
Wie niet
Leerling: Ik ben het Ene!
Meester: Jij ook al?
Genoeg
Meester: Wat is de mens?
Leerling: Een rechtopgaand dier.
Meester: Homo erectus.
Leerling: Een spelend dier.
Meester: Homo ludens.
Leerling: Een nabootsend dier.
Meester: Homo imitans.
Leerling: Een lerend dier.
Meester: Homo discens.
Leerling: Een nieuwsgierig dier.
Meester: Homo investigans.
Leerling: Een rangschikkend dier.
Meester: Homo hierarchicus.
Leerling: Een denkend dier.
Meester: Homo rati.
Leerling: Een handig dier.
Meester: Homo habilis.
Leerling: Een makend dier.
Meester: Homo faber.
Leerling: Een technisch dier.
Meester: Homo technologicus.
Leerling: Een vernieuwend dier.
Meester: Homo innovator.
Leerling: Een behoudend dier.
Meester: Homo conservator.
Leerling: Een werkend dier.
Meester: Homo laborans.
Leerling: Een berekenend dier.
Meester: Homo economicus.
Leerling: Een politiek dier.
Meester: Homo politicus.
Leerling: Een gul dier.
Meester: Homo generosus.
Leerling: Een sociaal dier.
Meester: Homo socius.
Leerling: Een seksueel dier.
Meester: Homo eroticus.
Leerling: Een willend dier.
Meester: Homo volans.
Leerling: Een liefhebbend dier.
Meester: Homo amans.
Leerling: Een lachend dier.
Meester: Homo ridens.
Leerling: Een lachwekkend dier.
Meester: Homo risibilis.
Leerling: Een pratend dier.
Meester: Homo loquens.
Leerling: Een zwetsend dier.
Meester: Homo loquax.
Leerling: Een huilend dier.
Meester: Homo sentimentalis.
Leerling: Een hulpeloos dier.
Meester: Homo inermis.
Leerling: Een esthetisch dier.
Meester: Homo aestheticus.
Leerling: Een schilderend dier.
Meester: Homo pictor.
Leerling: Een scheppend dier.
Meester: Homo creator.
Leerling: Een vernietigend dier.
Meester: Homo destructor.
Leerling: Een dodend dier.
Meester: Homo necans.
Leerling: Een filosofisch dier.
Meester: Homo philosophicus.
Leerling: Een dolend dier.
Meester: Homo viator.
Leerling: Een lijdend dier.
Meester: Homo patiens.
Leerling: Een duidend dier.
Meester: Homo poeticus.
Leerling: Een in zichzelf opgesloten dier.
Meester: Homo clausus.
Leerling: Een vals dier.
Meester: Homo falsus.
Leerling: Een oorlogszuchtig dier.
Meester: Homo bellicosus.
Leerling: Een vredelievend dier.
Meester: Homo pacificis.
Leerling: Een duivels dier.
Meester: Homo demonicus.
Leerling: Een goddelijk dier.
Meester: Homo divinus.
Leerling: Een godsdienstig dier.
Meester: Homo religiosus.
Leerling: Een overstijgend dier.
Meester: Homo transcendentalis.
Leerling: Een wijs dier.
Meester: Homo sapiens.
Leerling: Een dwaas dier.
Meester: Homo demens.
Leerling: Een rusteloos dier.
Meester: Homo inquietus.
Leerling: Een angstig dier.
Meester: Homo phobius.
Leerling: Een leeg dier.
Meester: Homo cavernosus.
Leerling: Een twijfelend dier.
Meester: Homo scepticus.
Leerling: Een universeel dier.
Meester: Homo universalis.
Stilte.
Meester: Verder nog iemand?
Leerling: Wat zegt ú?
Meester: Zegt dit al niet genoeg?
Een grote duim
Leerling: Wat is de mens?
Meester: Een wandelende duim.
Leerling: Waar is die voor?
Meester: Om verhalen uit te zuigen.
Leerling: Waar gaan die verhalen over?
Meester: Over de zogenaamde werkelijkheid.
Leerling: Met welk doel?
Meester: Jezelf gerust te stellen.
Leerling: Niet om de waarheid te ontdekken?
Meester: Welke waarheid?
Leerling: Op die manier.
Meester: Nou? Wat vind je ervan?
Leerling: Het spreekt me wel aan.
Meester: Het zou een hoop verklaren.
Leerling: Hoe bent u er eigenlijk achter gekomen?
Meester: Uit mijn duim gezogen.
Juist wel
Leerling: Mensen hebben geen karakter.
Meester: Integendeel
Leerling: Hoe bedoelt u?
Meester: Ze hebben elk moment een ander.
Mens zijn
Leerling: Wat betekent het om een mens te
zijn?
Meester: Uiteindelijk?
Leerling: Uiteindelijk.
Meester: Niet weten wat het betekent om een mens te zijn.
Leerling: Weet u dat zeker?
Meester: Natuurlijk niet.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Anders wist ik toch weer
wat het betekent om een mens te zijn.
Wat niet
Leerling: Wat is de mens?
Meester: Wat niet?
Relativeren
Leerling: De mens is alleen een gedachte!
Meester: En incest alleen maar verkrachten.
De mens
de mens is een verhaal
dat veel papier beslaat
geschreven in een taal
die niemand echt verstaat
(vrij naar Hendrik de Vries)
De ziel
de ziel van de mens is gelijk
aan een diepe waterplas
de bodem louter slijk
de oppervlakte melkglas
(vrij naar Hendrik de Vries)
Sloopwerk
Leerling: Om thuis te komen moet het idee van de persoonlijkheid totaal afgebroken worden.
Meester: Om thuis te komen moet ieder idee totaal afgebroken worden.
Leerling: Ieder idee?
Meester: Ook het idee dat het idee van de persoonlijkheid totaal afgebroken moet worden.
Leerling: En dat zou de enige weg zijn?
Meester: Ook het idee dat er geen andere weg is.
Leerling: Er zijn dus verschillende wegen?
Meester: Ook het idee dat er verschillende wegen zijn.
Leerling: Zolang er maar een weg is.
Meester: Ook het idee dat er een weg is.
Leerling: Wilt u soms zeggen van niet?
Meester: Ook het idee dat er geen weg is.
Leerling: Je moet er wel wat voor over hebben om thuis te komen.
Meester: Ook het idee dat je thuis zult komen.
Leerling: Zo blijft er helemaal niets over!
Meester: Ook het idee dat er niets overblijft.
Leerling: Wilt u zeggen dat er voor al die ideeën iets in de plaats komt?
Meester: Ook het idee dat er iets voor al die ideeën in de plaats komt.
Leerling: Geen einde aan het lijden, geen gelukzaligheid, geen onvoorwaardelijke liefde, geen universeel mededogen, geen eeuwig leven?
Meester: Ook de ideeën van een einde aan het lijden, gelukzaligheid, onvoorwaardelijke liefde, universeel mededogen en een eeuwig leven.
Leerling: Letterlijk ieder idee moet worden afgebroken?
Meester: Ook het idee dat letterlijk ieder idee moet worden afgebroken.
Leerling: Waar ben ik in vredesnaam aan begonnen!
Meester: Ook het idee dat je ergens aan begonnen bent.
Schimmenspel
En maar denken, en maar piekeren:
Welke schaduw ben ik nou écht?
Wezenloos
Leerling: Wat ben ik in wezen?
Meester: Wezenloos.
Leerling: In wezen ben ik wezenloos!
Meester: Toch weer iets wezenlijks gevonden?
In essentie
Leerling: Wat ben ik in essentie?
Meester: Inessentie.
Leerling: In essentie ben ik inessentie.
Meester: Maar wat, in essentie, is inessentie?
Leerling: Eh...
Meester: Goed gezegd!
Leerling: Dat je niet meer weet wat je erover moet zeggen.
Meester: Zeg dat dan meteen.
Leerling: Over mij valt niets te zeggen.
Meester: Waarom doe je het dan toch?
Waterpoeder
Leerling: Waarmee kan ik mijn essentie vergelijken?
Meester: Met waterpoeder.
Leerling: Handig voor in de
woestijn!
Meester: Dat scheelt een hoop gesjouw!
Leerling: Waarmee maak je het eigenlijk aan?
Meester: Met water.
Gummen
Meester: Wat moet je doen om je ware ik
te zien?
Leerling: Streepjes tussen de puntjes zetten.
De meester schudt zijn hoofd.
Leerling: Wat dan wel?
Meester: De streepjes tussen de puntjes uitgummen.
Leerling: Wilt u zeggen dat ik alleen maar uit losse puntjes besta?
Meester: Eerst die streepjes maar eens weg zien te krijgen.
Leerling: En dan die puntjes zeker.
Meester: En dan het gummen nog ongedaan
maken.
Een aanname
Leerling: Wat is mijn ware aard?
Meester: Wie zegt dat je die hebt?
Leerling: Wilt u soms zeggen van niet?
De meester schudt zijn hoofd.
Leerling: Wat dan wel?
Meester: Ik attendeer je alleen maar op een aanname.
Hoe weet je dat?
Leerling: Wat is mijn ware aard?
Meester: Niet weten wat je ware aard is.
Leerling: Niet weten wat mijn ware aard is, dat is mijn ware
aard.
Meester: Noem dat maar waar.
Leerling: Niet weten is mijn ware aard.
Meester: Hoe weet je dat?
Stap voor stap
Leerling: Niet weten wat je bent, is het ware.
Meester: Niet weten
dat je bent gaat nog een stapje verder.
Leerling: Niet weten dat je bent, is het ware.
Meester: Niet weten wat het ware is gaat nog een stapje verder.
Leerling: Niet weten wat het ware is, is het ware.
Meester: En wat is dan het onware?
Leerling: Eh...
wel weten wat het ware is?
Meester: En wéér een stapje verder.
Je ware aard
De in zenboeddhistische kringen veelgebruikte uitdrukking
je ware aard heeft niet mijn voorkeur.
Niet alleen vanwege de suggestie dat je een aard hebt maar
vooral vanwege de suggestie dat je een
ware aard hebt, die iedereen dan natuurlijk weer zo nodig moet gaan ontdekken,
realiseren of terugvinden, waarvoor men dan gaat zitten en lopen en reciteren en zingen en
doen
en laten en inzien en afzien dat het een lieve aard heeft. Waarmee niet gezegd is dat je
geen aard hebt, waar of niet, of dat er iets
mis is met - of goed is aan - het verlangen of streven daarnaar. Wat weet ik daar allemaal van?
Hypothesen
Leerling: Wie bent u ten diepste?
Meester: Die vraag veronderstelt dat ik ben.
Leerling: Wilt u soms zeggen van niet?
Meester: Ik zou het niet in mijn hoofd halen.
Leerling: Ziet u uw bestaan wellicht als hypothetisch?
Meester: Dat mijn bestaan hypothetisch zou zijn is op zijn beurt
een hypothese.
Leerling: Die u koestert?
Meester: Die jij oppert.
Leerling: U bent verdorie ongrijpbaar!
Meester: En wéér een hypothese.
Oorspronkelijk
gezicht
Leerling: Wat is mijn Oorspronkelijke Gezicht?
Meester: Geen gezicht.
Leerling: Wat is geen-gezicht?
Meester: Iemand die zijn Oorspronkelijke Gezicht probeert te
zien.
Geen gezicht
Leerling: Wat ziet u toch in mij?
Meester: Mezelf.
Leerling: En, bevalt het?
Meester: Het is geen gezicht.
Eet smakelijk
Leerling: Zou u zeggen dat uw ik is opgeslokt door het universele zelf?
Meester: Ook opgeslokt.
Leerling, ongelovig: Het universele zelf?
De meester knikt.
Leerling: Misschien had ik moeten zeggen door de non-dualiteit?
Meester: Ook opgeslokt.
Leerling: Of anders door niet weten!
Meester: Ook opgeslokt.
Leerling: Door de bron dan, essentie, god, het ene, het ware, het absolute, het allerhoogste?
Meester: Allemaal opgeslokt.
Leerling: Bewustzijn, ruimte, openheid, beschikbaarheid, aanwezigheid, tegenwoordigheid?
De meester doet alsof hij iets heel groots doorslikt.
Leerling: O, ik snap het al!
Meester: Nou ik nog.
Leerling: U bedoelt natuurlijk de
concepten!
Meester: In tegenstelling tot wat?
Leerling: De geleefde werkelijkheid.
Meester, jolig: Ook opgeslokt!
Leerling: Zo blijft er helemaal niets... aha... Het niets! De leegte! Sunyata!
Meester: Opgeslokt!
Leerling: Nou moe!
Andere leerling: Het opslokken zelf! Dat is het enige wat overblijft!
De meester steekt zijn duim op.
Hij slikt, laat een boer en zegt: Eet smakelijk.
Het grote boek
Piet: Wat staat er allemaal in uw grote boek?
Sint: Eerlijk
zeggen?
Piet: Eerlijk zeggen.
Sint: Helemaal niets.
Piet: Maar u leest er toch uit voor?
Sint: Ik doe alleen maar
alsof.
Piet: Mag ik u wat vragen?
Sint: Ga
je gang.
Piet: Wat staat er in over mij?
Sint: Eerlijk
zeggen?
Piet: Eerlijk zeggen.
Sint: Helemaal niets.
Piet: Kent u mij zo slecht?
Sint: Zo goed ken ik jou.
Schmink
Piet: Onder
deze dunne schminklaag ben ik helemaal mezelf.
Sint: Onder deze
dunne schminklaag ben ik een en al schmink.
Hetzelfde schuitje
Politieman: Wat moet dat hier!
Meester: Zit u daar ook zo mee?
Overbodig
Politieman: Wat moet dat hier!
Meester: Vragen beantwoorden.
Politieman: Wat voor vragen?
Meester: Overbodige.
Politieman: Van wie dan?
Meester: Van u natuurlijk.
Politieman, ongelovig: Bent u speciaal daarvoor hierheen gekomen?
Hier of daar
Politieman: Wat moet dat hier!
Meester: Waar?
Politieman: Hier, zeg ik toch?
Meester: Dat zult u zelf wel het beste weten.
Politieman: Hoezo?
Meester: De enige die "hier" is, bent u.
Politieman: Ik had het anders over u.
Meester: Waarom zegt u dan "hier"?
Politieman: Daar vraagt u me wat.
Meester: Waar?
Politieman: Nog een keertje?
Meester: Vooruit.
De meester loopt een stukje weg, komt terug en blijft op dezelfde plek stilstaan.
Politieman: Wat moet dat daar!
Meester: Waar?
Politieman: Waar u staat.
De meester doet een stap opzij en zegt: Zo beter?
De politieman loopt onderzoekend om hem heen.
Hij bromt: Akkoord.
Meester: Goedendag!
De politieman knikt verward en vervolgt zijn weg.
Waarheen?
Politieman: Waar denkt u dat u heen gaat?
Meester: Wie zegt dat ik daaraan denk?
Hopeloos
Politieman: Waar zijn wij mee bezig?
Meester: Als
u het al niet weet...
De bevestiging
Politieman: Wie denkt u wel dat u bent?
Meester, hoopvol: Denkt u dat ik ben?
De juiste volgorde
Politieman: Kunt u uw aanwezigheid verantwoorden?
Meester: Eerst mijn aanwezigheid maar eens vaststellen.
Ik net zo goed
Politieman: Kunt u zich legitimeren?
Meester: Hoe bedoelt u?
Politieman: Kunt u bewijzen dat u de persoon bent voor wie u zich uitgeeft?
Meester: Heb ik dat gedaan?
Politieman: Wat?
Meester: Mijzelf voor iemand uitgegeven?
Politieman: Ik wil weten wie u bent.
Meester: Ik net zo goed.
Politieman: Dit is een aantasting van het wettelijk gezag!
Meester: Daar is dan niet veel voor nodig.
Politieman: Ik vraag het niet nog een keer!
De meester zegt "Afgesproken!" en vervolgt monter zijn weg.
Burgerplicht
Politieman: Kunt u zich legitimeren?
Meester: U eerst.
De politieman laat zijn penning zien.
Meester: Wat moet ik daar nou mee.
Politieman: Dit bewijst dat ik een politieman ben.
Meester: Het bewijst alleen maar dat u een penning heeft.
Politieman: Ja maar...
Meester: Hoe weet ik dat u deze penning niet gestolen heeft?
Politieman: Beticht u mij van diefstal?
Meester: Hoe weet ik dat u deze penning niet nagemaakt heeft?
Politieman: Beticht u mij van vervalsing?
Meester: Hoe weet ik dat dit soort penningen door de politie wordt gebruikt?
Politieman: Beticht u mij van fraude?
Meester: Beticht u mij van betichten?
Politieman: Sorry.
Meester: Zand erover.
De politieman geeft hem zijn mobieltje en zegt: Belt u mijn superieuren maar.
Meester: Hoe weet ik dat ik het bureau krijg?
Politieman: In plaats van?
Meester: Een handlanger?
Politieman: Bel dan het ministerie van veiligheid.
Meester: Zelfde idee.
Politieman: Loop dan mee naar het bureau.
Meester: Wie zegt dat het bureau bonafide is?
Politieman: Dat moet u van me aannemen.
Meester: Waarom zou ik?
Politieman: Omdat ik politieman ben!
Meester: Dat proberen we nou net vast te stellen.
Politieman: Als iedereen zo zou redeneren...
Meester: Heeft u liever dat ik mij uitlever aan het eerste het beste uniform?
Politieman: Nee, dat niet.
Meester: Ik doe alleen maar mijn burgerplicht.
Politieman: Neemt u mij niet kwalijk.
Meester: Voor deze keer zal ik het door de vingers zien.
De politieman tikt aan zijn pet en vervolgt zijn weg.
Dienstplicht
Politieman: Kunt u zich legitimeren?
Meester: Ik zou niet weten hoe.
Politieman: Voor de dag ermee!
Meester: Waarmee?
Politieman: Uw legitimatiebewijs!
De meester zegt "O, dat" en geeft hem zijn paspoort.
De politieman bekijkt de foto, bladert het document vluchtig door en wil het teruggeven.
De meester weigert het aan te nemen.
Politieman: Hier!
Meester: Wie zegt dat het geen namaak is?
Politieman: Het ziet er anders echt genoeg uit.
Meester: Is dat niet het kenmerk van iedere goede vervalsing?
Politieman: Wilt u beweren dat het nep is?
Meester: Gesteld dat het echt is, wat dan nog?
Politieman: Dan bent u wie u zegt dat u bent.
Meester: Ik heb nooit gezegd wie ik was.
Politieman: Wie uw paspoort zegt dat u bent.
Meester: Wie zegt dat ik niet gelogen heb op het gemeentehuis?
Politieman: U lijkt me een betrouwbaar mens.
Meester: U denkt dat mijn paspoort in orde is omdat u mij vertrouwt?
Politieman: Eh... inderdaad.
Meester: Dan heb ík mijn paspoort gelegitimeerd in plaats van andersom.
Politieman: Ik vertrouw op mijn intuïtie.
Meester: Wie zegt dat mijn ouders niet gelogen hebben op het gemeentehuis?
De politieman probeert hem opnieuw het paspoort terug te geven.
De meester doet zijn armen over elkaar.
De politieman propt het paspoort in de borstzak van de meester, wist het zweet
van zijn voorhoofd en zegt met onvaste stem: Ik doe alleen maar mijn plicht!
Meester: En ik geef alleen maar te denken.
De speurtocht
Er was eens een politieman die niets te doen had.
Met krijt dat hij in de kelder van het politiebureau gevonden had, tekende hij op straat de contouren van een lichaam.
Hij weerstond de neiging zijn handtekening eronder te zetten.
Hij nam er een foto van die hij aan de hoofdagent liet zien.
De hoofdagent stelde een opsporingsteam samen.
Na een intensieve speurtocht slaagde het team erin een lijk te vinden dat precies binnen de krijtstrepen paste.
Een daverend succes!
Een bekrachtiging van de pro-actieve aanpak!
Ze feliciteerden elkaar en en vierden het met koffie, gebak, koffie en gebak.
Het was nu slechts een kwestie van tijd voor ze de dader in zijn kraag zouden vatten.
Kwik, kwek en kwak
Twee eenden hebben mot.
Zegt het mannetje: Kwik?
Zegt het vrouwtje: Het hele jaar ben je hartstikke aardig maar het ijs is nog niet
gesmolten of je begint me weer kopje onder te duwen.
Zegt het mannetje: Kwek?
Zegt het vrouwtje: Ik wil gewoon weten waar ik aan toe
ben.
Zegt het mannetje: Kwak?
Zegt het vrouwtje: Voor de draad ermee, wie ben je
nou écht?
Zegt het mannetje: Kwik, kwek, kwak, kwik kwik kwak, kwek kwek kwik, kwak
kwek kwik, kwekkerdekwek kwakkerdekwak kwikkerdekwekkerdekwaak!
Maar ben je wel iets?
Ik noem jou laf, jij noemt jezelf voorzichtig. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou zuinig, jij noemt jezelf krenterig. Wat is het verschil?
Ik noem jou ordinair, jij noemt jezelf gewoon. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou slim, jij noemt jezelf gewiekst. Maar ben je wel iets?
Ik noem jou onbesuisd, jij noemt jezelf dapper. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou stoer, jij noemt jezelf hanig. Wat is het verschil?
Ik noem jou klef, jij noemt jezelf hartelijk. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou neutraal, jij noemt jezelf onverschillig. Maar ben je wel iets?
Ik noem jou hysterisch, jij noemt jezelf hartstochtelijk. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou gevoelig, jij noemt jezelf sentimenteel. Wat is het verschil?
Ik noem jou week, jij noemt jezelf zachtaardig. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou wilskrachtig, jij noemt jezelf dominant. Maar ben je wel iets?
Ik noem jou onzeker, jij noemt jezelf verlegen. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou actief, jij noemt jezelf druk. Wat is het verschil?
Ik noem jou brutaal, jij noemt jezelf vrijmoedig. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou trots, jij noemt jezelf arrogant. Maar ben je wel iets?
Ik noem jou kruiperig, jij noemt jezelf onderdanig. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou kritisch, jij noemt jezelf negatief. Wat is het verschil?
Ik noem jou kinderachtig, jij noemt jezelf speels. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou spontaan, jij noemt jezelf impulsief. Maar ben je wel iets?
Ik noem jou monomaan, jij noemt jezelf toegewijd. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou berekenend, jij noemt jezelf tactisch. Wat is het verschil?
Ik noem jou hoerig, jij noemt jezelf uitdagend. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou relaxed, jij noemt jezelf sloom. Maar ben je wel iets?
Ik noem jou hyper, jij noemt jezelf alert. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou streberig, jij noemt jezelf ambitieus. Wat is het verschil?
Ik noem jou realistisch, jij noemt jezelf pessimistisch. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou kneuterig, jij noemt jezelf gezellig. Maar ben je wel iets?
Ik noem jou achterdochtig, jij noemt jezelf oplettend. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou ondernemend, jij noemt jezelf rusteloos. Wat is het verschil?
Ik noem jou vals, jij noemt jezelf ad rem. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou gezeglijk, jij noemt jezelf karakterloos. Maar ben je wel iets?
Ik noem jou naïef, jij noemt jezelf onschuldig. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou degelijk, jij noemt jezelf saai. Wat is het verschil?
Ik noem jou versnipperd, jij noemt jezelf veelzijdig. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou idolaat, jij noemt jezelf dweepziek. Maar ben je wel iets?
Ik noem jou manisch, jij noemt jezelf gedreven. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou gelaten, jij noemt jezelf depressief. Wat is het verschil?
Ik noem jou verbitterd, jij noemt jezelf ervaren. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou eerlijk, jij noemt jezelf bot. Maar ben je wel iets?
Ik noem jou geremd, jij noemt jezelf beschaafd. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou zelfstandig, jij noemt jezelf eigenwijs. Wat is het verschil?
Ik noem jou laconiek, jij noemt jezelf stug. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou star, jij noemt jezelf consequent. Maar ben je wel iets?
Ik noem jou slap, jij noemt jezelf meegaand. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou ernstig, jij noemt jezelf somber. Wat is het verschil?
Ik noem jou oppervlakkig, jij noemt jezelf luchtig. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou zoet, jij noemt jezelf wee. Maar ben je wel iets?
Ik noem jou stout, jij noemt jezelf ondeugend. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou uitbundig, jij noemt jezelf luidruchtig. Wat is het verschil?
Ik noem jou kuis, jij noemt jezelf preuts. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou omzichtig, jij noemt jezelf bezonnen. Maar ben je wel iets?
Gemeen
Meester: Als iemand iets gemeens doet, wat betekent dat dan?
Leerling: Dat hij gemeen is.
Meester: Begrijp ik het goed dat jij uit de gemeenheid van de dader afleidt uit de gemeenheid van de daad?
Leerling: Ik had het niet beter kunnen zeggen.
Meester: Begrijp ik het ook goed dat je vervolgens de gemeenheid van de daad verklaart uit de gemeenheid van de dader?
Leerling: Geen speld tussen te krijgen.
Meester: Zoals met iedere circulaire verklaring.
Gemeen of aardig
Meester: Stel dat iemand de hele tijd gemene dingen tegen je zegt, is hij dan gemeen?
Leerling: Nou en of!
Meester: En als hij dan onverwacht iets aardigs tegen je zegt?
Leerling: Dan zal er wel een addertje onder het gras zitten.
Meester: En als hij allemaal aardige dingen tegen zijn kinderen zegt?
Leerling: Wacht maar tot ze ouder worden.
Meester: En als hij nog nooit iets onaardigs tegen zijn vrouw heeft gezegd?
Leerling: Hm.
Meester: Nou?
Leerling: Ik kan het me nauwelijks voorstellen.
Meester: Waarom niet?
Leerling: Je kunt niet tegelijk aardig en gemeen zijn.
Meester: Ik zeg ook niet dat hij aardig
is.
Leerling: Dat bedoel ik.
Meester: Ik zeg ook niet dat hij gemeen
is.
Leerling: Hè?
Meester: Als iemand iets gemeens
zegt betekent dat toch niet dat hij gemeen
is?
Leerling: O nee?
Meester: En als iemand iets aardigs
zegt betekent dat toch niet dat hij aardig
is?
Leerling: Wat is hij dan wel?
Meester: Je veronderstelt dat hij iets is.
Leerling: Je kunt toch moeilijk niets zijn, nietwaar?
Meester: Niet waar.
Gemeen en aardig
Meester: Als ik iets gemeens
doe, ben ik dan ook gemeen?
Leerling: Natuurlijk. Waarom zou u anders iets gemeens doen?
Meester: Dus gemeenheid is een onveranderlijke eigenschap van mij?
Leerling: Dat spreekt vanzelf.
Meester: Als ik vervolgens iets aardigs doe, ben ik dan ook aardig?
Leerling: Eh... ja.
Meester: Dus aardigheid is ook een onveranderlijke eigenschap van mij?
De leerling knikt.
Meester: Ben ik nou gemeen of aardig?
Leerling: Dat is te zeggen...
Meester: Of ben ik gemeen én aardig?
Leerling: Dat zal het zijn!
Meester: Maar niemand gedraagt zich uitsluitend zus of zo. Iedereen
doet wel eens iets uit eigenbelang en iedereen steekt weleens een handje uit.
Iedereen gaat weleens tegen iemand in en niemand durft zich altijd te laten gelden. Moeten we dan
maar zeggen dat iederéén gemeen én aardig, egoïstisch én
hulpvaardig, brutaal én verlegen is?
Leerling: Dat is dan de consequentie, hè?
Meester: Maar wat verklaren karaktereigenschappen dan nog?
Gemeen noch aardig
Meester: Als ik het ene moment gemeen doe en het andere moment aardig, wat ben ik dan?
Leerling: Als ik zeg dat u gemeen bent, kan ik niet verklaren waarom u aardig doet. Als ik zeg dat u aardig bent, kan ik niet verklaren waarom u gemeen doet. Als ik zeg dat u aardig én gemeen bent, heb ik niets gezegd of verklaard.
Meester: Zullen we dan maar zeggen dat ik gemeen noch aardig ben?
Leerling: Dat zal het zijn!
Meester: Dan kun je de daad nog wel gemeen of aardig noemen maar de dader niet meer.
Leerling: Maar daarom heeft de dader het nog wel gedaan.
Meester: Maar wie of wat is dan die dader?
Leerling: Gewoon, degene die het gedaan heeft.
Meester: Ik bedoel, wat is een dader zonder eigenschappen?
Leerling: Pardon?
Meester: Een dader die zelf niet gemeen of aardig is, niet egoïstisch
of hulpvaardig, niet koket of verlegen, niet sterk en niet zwak, niet
macho en niet verwijfd, niet dit en niet dat - wie of wat is die dan nog?
De leerling zwijgt.
Meester: En waarin verschilt hij nog van jou en mij?
Leerling: Ik heb geen idee.
Meester: Nou, ik ook niet.
Denken is geen doen
Gemeen
noem je iets gemeen dan
is het nog niet gemeen
denk je iets gemeens dan
ben je nog niet gemeen
denk je iets gemeens dan
doe je nog niets gemeens
doe je iets gemeens dan
ben je nog niet gemeen
Aardig
noem je iets aardig dan
is het nog niet aardig
denk je iets aardigs dan
ben je nog niet aardig
denk je iets aardigs dan
doe je nog niets aardigs
doe je iets aardigs dan
ben je nog niet aardig
Slecht
noem je iets slecht dan
is het nog niet slecht
denk je iets slechts dan
ben je nog niet slecht
denk je iets slechts dan
doe je nog niets slechts
doe je iets slechts dan
ben je nog niet slecht
Goed
noem je iets goed dan
is het nog niet goed
denk je iets goeds dan
ben je nog niet goed
denk je iets goeds dan
doe je nog niets goeds
doe je iets goeds dan
ben je nog niet goed
Vies
noem je iets vies dan
is het nog niet vies
denk je iets vies dan
ben je nog niet vies
denk je iets vies dan
doe je nog niets vies
doe je iets vies dan
ben je nog niet vies
Netjes
noem je iets netjes dan
is het nog niet netjes
denk je iets netjes dan
ben je nog niet netjes
denk je iets netjes dan
doe je nog niets netjes
doe je iets netjes dan
ben je nog niet netjes
Laf
noem je iets laf dan
is het nog niet laf
denk je iets lafs dan
ben je nog niet laf
denk je iets lafs dan
doe je nog niets lafs
doe je iets lafs dan
ben je nog niet laf
Dapper
noem je iets dapper dan
is het nog niet dapper
denk je iets dappers dan
ben je nog niet dapper
denk je iets dappers dan
doe je nog niets dappers
doe je iets dappers dan
ben je nog niet dapper
want noemen is geen zijn
denken is geen zijn
denken is geen doen
en doen is geen zijn