Verlichting voor dummy's >
De wereld > Waarneming
Deze pagina: Dwaalteksten over de zintuigen en hun werking.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
Niet de boom maar het licht
Meester: Kijk eens naar buiten.
Meester: Wat zie je daar?
Leerling: Een kastanjeboom.
Meester: Weet je dat zeker?
Leerling: Geen twijfel mogelijk.
Meester: Wat zie je als je 's nachts naar buiten kijkt?
Leerling: Niets natuurlijk.
Meester: Waarom niet?
Leerling: Omdat het dan donker is.
Meester: Wat is het verband?
Leerling: Zonder licht kun je de boom niet zien.
Meester: Is een boom dan niet gemaakt van licht?
Leerling: Hoe komt u daar nou bij! Een boom is gemaakt van hout en bladeren.
Meester: Waar komt het licht vandaan dat de boom overdag zichtbaar maakt?
Leerling: Van de zon.
Meester: Zonlicht is wit, een kastanjeboom niet.
Leerling: Niet al het licht wordt weerkaatst door de boom.
Meester: Kijk nog eens naar buiten.
Meester: Wat zie je daar?
Leerling: Een... kastanjeboom?
Meester: Zie je de boom zelf of het licht dat erdoor weerkaatst wordt?
Leerling: Ik heb altijd gedacht dat ik de boom zelf zag.
Meester: En nu?
Leerling: Nu denk ik dat ik alleen maar het licht zie dat erdoor weerkaatst wordt.
Hij ziet er niet uit
Meester: Welke kleur heeft een kastanjeboom?
Leerling: De schors is bruin, de bladeren zijn groen.
Meester: Zijn de bladeren groen of is het licht dat van de bladeren afkomt groen?
Leerling: Het licht dat ervan afkomt is groen.
Meester: Wat is de kleur van de bladeren zelf?
Leerling: Dat weet ik niet.
Meester: Waarom niet?
Leerling: Een blad is niet gemaakt van licht.
Meester: Wat is de kleur van de schors?
Leerling: De kleur van het licht dat er vanaf komt is bruin.
Meester: Maar de schors zelf, wat is daarvan de kleur?
Leerling: Die vraag betekent niets.
Meester: Waarom niet?
Leerling: Schors heeft geen kleur.
Meester: Wat is schors?
Leerling: De mantel van de stam en de takken, een ruwe, bruine...
Meester: Bruin?
Leerling: Oeps.
Meester: Beeld je de boom eens in zonder kleur.
Meester: En?
Leerling: Net een zwart-wit foto.
Meester: Zwart en wit zijn ook kleuren.
Leerling: Oeps.
Meester: Beeld je de boom eens in zonder kleur of zwart-wit.
Meester: En?
Leerling: Hij ziet er niet uit.
Groen licht bestaat niet
Meester: Wat is groen licht?
Leerling: Licht met een golflengte tussen 490 en 575 nm.
Meester: Hoe weet je dat?
Leerling: Van natuurkundeles.
Meester: Hoe weet je dat licht van die golflengte groen is?
Leerling: Dat zie je.
Meester: Is er een natuurkundige manier om de kleur van licht vast te stellen?
Leerling: Je kunt de golflengte meten.
Meester: Maar een golflengte is toch geen kleur?
Leerling: Nee, dat niet.
Meester: Kun je de kleur van licht vaststellen zonder ernaar te kijken?
Leerling: Fysisch?
Meester: Ja?
Leerling: Niet dat ik weet.
Meester: Wat volgt hieruit?
Leerling: Dat licht niet groen is omdat het een bepaalde
golflengte heeft maar omdat het er groen uitziet voor een waarnemer.
Meester: Niet de natuurkunde maar de kijker bepaalt de kleur.
Als niemand kijkt
De meester en de leerling zaten door het raam naar de kastanjeboom te kijken.
Meester: Doe je ogen eens dicht.
De leerling doet zijn ogen dicht.
Meester: Wat is de overheersende kleur van de kastanjeboom?
Leerling: Groen.
Meester: Hoe weet je dat?
Leerling: Iedere keer als ik mijn ogen open doe, is hij groen.
Hij doet zijn ogen open en zegt: Nu weer.
Meester: Wat volgt daaruit?
Leerling: Dat de boom groen is.
Meester: Pardon?
Leerling: Dat het licht dat de boom weerkaatst groen is.
Meester: Wie zegt dat het groen in het licht zit en niet in je hoofd?
Leerling: Zeg, ik ben geen tube verf!
Meester: Steeds als jij ernaar kijkt, wordt de boom groen, en
zodra je wegkijkt of je ogen sluit, is er van een kleur - of een boom - geen
sprake meer.
Leerling: Het moet niet veel gekker worden.
Meester: Is de boom ooit groen als jij er niet naar kijkt?
Leerling: Zijn kleur hangt niet van mij af. Iedereen ziet hem als groen.
Meester: Stel dat ieder levend wezen zijn ogen dicht doet, is er dan nog groen in de wereld?
Leerling: Het groen wordt niet gezien maar het is er nog wel.
Meester: Waar dan?
Leerling: In de bladeren. In alle groene dingen.
Meester: Waarin, zeg je?
Leerling: In het licht dat van de groene dingen afkomstig is, bedoel ik.
Meester: Licht met een golflengte tussen 490 en 575 nm?
Leerling: Precies.
Meester: Maar licht met een bepaalde golflengte is nog geen groen.
Als iedereen dood is
Meester: Stel dat alle levende wezens sterven. Is er dan nog groen?
Leerling: Dan is er licht dat als groen ervaren zou kunnen worden, maar niemand die het zo ervaart.
Meester: Kunnen we de bomen dan nog groen noemen?
Leerling: Niet in feite maar wel in potentie.
Meester: Welke kleur hebben ze dan?
Leerling: Als er niemand meer is om ze te zien?
Meester: Nou?
Leerling: Wat een rare vraag.
Meester: Geef dan maar een raar antwoord.
Leerling: Grijs?
Meester: Wat een raar antwoord.
Leerling: Onbestemd dan maar.
De ware kleur
Meester: Stel dat de evolutie na het sterven van alle levende
wezens opnieuw op gang komt en dat licht tussen 490 en 575 nm voortaan
als rood
wordt ervaren.
De leerling haalt zijn schouders op en zegt: Dan zijn de bladeren voortaan rood.
Meester: De bladeren of het licht van de bladeren?
Leerling: Het licht van de bladeren.
Meester: Maar als hetzelfde licht vroeger als groen werd gezien en nu als rood, wat is dan de ware kleur ervan?
Leerling: De golflengte is nog steeds dezelfde.
Meester: Maar de kleur?
Leerling: Groen... rood... dat hangt dan af van de waarnemer.
Meester: Maar de kleur zat toch in het licht?
De leerling zwijgt.
Meester: Nou?
Leerling: Dat dacht ik, ja.
Meester: En nu?
Leerling: Nu weet ik het niet meer.
Meester: Wat is dus de ware kleur van licht van een bepaalde golflengte?
Leerling: Tja...
Meester: Hoe bedoel je?
Leerling: Licht heeft geen ware kleur.
Meester: Wel een valse?
Leerling: Ook geen valse.
Meester: Als licht geen ware kleur heeft en geen valse, welke kleur heeft het dan wel?
Leerling: Licht heeft geen eigen kleur.
Meester: Wel een oneigen kleur?
Leerling: Licht heeft geen kleur.
De deelnemer
Meester: Ben je het ermee dat een kastanjeboom zelf geen kleur heeft?
De leerling knikt.
Meester: Ben je het ermee eens dat het licht dat hij weerkaatst ook geen eigen kleur heeft?
De leerling knikt.
Meester: Waar komt zijn kleur dan vandaan?
Leerling: Hoe moet ik dat nou weten.
Meester: Zou het kunnen dat de waarnemer er zelf de kleuren in projecteert?
Leerling: Wie anders.
Meester: Wie is het dus die de boom zijn kleuren geeft?
Leerling: Ik?
Meester: Wat is er terechtgekomen van de passieve waarnemer die de boom ziet zoals hij is?
Leerling: Die... bestaat niet.
Meester: Wat is er terechtgekomen van de boom die we zien zoals hij van zichzelf is?
Leerling: Die bestaat ook niet.
Meester: Wat betekent dit voor de objectieve wereld waarvan jij objectieve plaatjes in je hoofd meende te krijgen?
Leerling: Het gaat me te ver om te zeggen dat hij niet bestaat.
Meester: Maar?
Leerling: Hij is niet wat ik dacht dat hij was.
Meester: Wat dacht je dat hij was?
Leerling: Objectief, onafhankelijk van mij, voor iedereen hetzelfde.
Meester: Als jij niet de passieve waarnemer bent, wat ben je dan wel?
Leerling: De... deelnemer? De schilder? De schepper?
Meester: Ho ho! We hebben het alleen nog maar over kleuren gehad.
Een schitterend naakt
De meester deelt zwart-witfoto's uit van een schitterend naakt.
Meester: Wat zien jullie?
Leerling: Oh!
Meester: Nou?
Leerling: Een zwart-wit foto van een...
Meester: Wat valt je op aan die foto?
Leerling: Geen kleuren.
Meester: Maar toch herkenbaar als... ?
Leerling: Nou en of.
Meester: Hoe kan dat?
Leerling: Door de verschillende grijstinten.
Meester: Beschrijf eens wat je ziet.
Leerling: Het haar is donkerder dan de huid. De bovenkant van het
lichaam is lichter dan de onderkant. De lippen zijn een slag donkerder
dan het gezicht. De neusgaten zijn nog weer donkerder. De binnenkant van de dijen...
De meester doet het licht uit en zegt: Wat zie je nu?
Leerling: Niks natuurlijk.
Meester: Hoe komt dat?
Leerling: Omdat het donker is, hè hè.
De meester doet het licht weer aan en zegt: En nu?
Leerling: Daar is 't ie weer.
Meester: 't ie?
Leerling: De foto.
Meester: Zie je de foto of zie je het licht dat hij weerkaatst?
Leerling: De foto natuurlijk.
De meester doet het licht uit.
Leerling: Het licht dat hij weerkaatst natuurlijk.
De meester doet het licht weer aan.
Meester: En de foto zelf?
Leerling: Wat is daarmee?
Meester: Kun je die zien?
Geen antwoord.
De meester doet opnieuw het licht uit.
Leerling: De foto zelf is onzichtbaar.
Meester: Hoe ziet de foto op zich eruit, los van het licht dat hij weerkaatst?
Leerling: Joost mag het weten.
De ware tint
Meester: De grijswaarden die je op een zwart-wit foto ziet, hoe komen die tot stand?
Leerling: Hoe meer licht er weerkaatst wordt, hoe lichter de tint.
Meester: Natuurkundig gezegd?
Leerling: Helderheid is een functie van lichtintensiteit.
Meester: Hoe stel je de lichtintensiteit vast?
Leerling: Met een lichtmeter?
Meester: Stel dat alle levende wezens door een geheimzinnige ziekte
blind worden, welke grijswaarden zijn er dan nog over?
Leerling: Dezelfde als nu, maar niemand die ze ziet.
Meester: De lichtmeter zou dezelfde helderheidswaarden registreren als voorheen?
Leerling: Vanzelfsprekend.
Meester: En grijstinten blijven grijstinten?
Leerling: De boel wordt toch niet ineens overgeschilderd als er even niemand kijkt?
Meester: Stel dat iedereen als door een wonder zijn
gezichtsvermogen terug krijgt, met dit verschil dat sterker licht nu als
donkerder wordt waargenomen en zwakker licht als lichter.
Leerling: Een negatief gezichtsvermogen.
Meester: Wat zal er dan voortaan zwart uitzien?
Leerling: Alles wat het licht optimaal weerkaatst.
Meester: Hetzelfde licht dat bij een positief gezichtsvermogen wit is?
De leerling knikt.
Meester: Als hetzelfde licht zich aan de ene waarnemer voordoet als zwart en aan de andere als wit, wat is dan de ware tint van dat licht?
Leerling: Wit natuurlijk... Nee, zwart natuurlijk... Dat hangt van je gezichtsvermogen
af. Wit voor positiefkijkers, zwart voor negatiefkijkers. Maar
objectief gezien...
Meester: Ga door.
Leerling: De lichtmeter...
Meester: Ja?
Leerling: De ware tint...
Meester: Nou?
De leerling kijkt hem verbijsterd aan.
Meester: Zeg het maar. Zwart? Wit? Beide? Geen van beide? Grijs misschien?
Leerling: Er is geen ware tint.
Meester: Maar wel een valse?
Leerling: Licht heeft geen eigen tint.
Meester: Maar wel een oneigen tint?
Leerling: Licht heeft helemaal geen tint.
Meester: Wat betekent dat?
Leerling: Dat licht van zichzelf... onzichtbaar is.
De vormgever
Meester: Dingen hebben van zichzelf geen tinten. Ze danken hun tinten aan het licht dat ze
weerkaatsen, maar licht is van zichzelf onzichtbaar. Als tinten geen
kenmerk zijn van het ding zelf en ook niet van het licht dat ze
reflecteren, waar komen ze dan vandaan?
Leerling: Uit mijn hoge hoed. Of uit de Heer. Of uit de waarnemer.
Meester: En wie mag dat dan wel wezen?
Leerling: Wie.
Meester: Alle drie.
Leerling: Ikzelf?
De meester wijst een voor een zijn leerlingen aan, zeggende: En jij, en jij, en jij, en jij...
Hij wijst naar een meeuw in de lucht en naar een houtduif in de kastanjeboom en zegt: En hij, en hij...
Leerling: Iedere waarnemer kleurt zijn eigen wereld in?
Meester: Iedere waarnemer geeft zijn eigen universum gestalte.
Leerling: Noem dat maar waarnemen.
Meester: Waargeven zou nauwkeuriger zijn.
Leerling: Met dat soort taal hoef ik thuis niet aan te komen.
Meester: De wereld laat zich nou eenmaal niet nemen.
Leerling: Vormgeven, mag dat?
Meester: Oké. Wat maakt dat van jou?
Leerling: De vormgever.
Meester: Voilà.
De leerling kijkt om zich heen alsof hij de wereld voor het eerst ziet.
De schepper
Leerling: Als ik niet de waarnemer van de wereld ben maar de vormgever...
Meester: Ja?
Leerling: Wat is het dan precies dat ik vorm geef? Wat zijn de
dingen voordat ze door mij vormgegeven worden? Wat is de wereld op zich?
Meester: Los van de vormgever?
Leerling: Nou?
Meester: Wie zegt dat er een wereld is los van de vormgever?
Leerling: Wou u beweren dat ik niet alleen de vormgever maar
zelfs de schepper ben van de wereld, die ik alleen maar meen waar te
nemen?
Meester: Wie zegt dat er een schepper is los van de wereld?
Leerling: Wilt u hiermee zeggen dat de wereld en zijn schepper samen een geheel vormen?
Meester: En dat dan het Ene noemen zeker.
Leerling: Wat anders?
Meester: Je zegt het maar.
Leerling: Hoe bedoelt u?
Meester: Jij bent hier de schepper.
Jij bent het licht
Leerling: Waarom is de zon zo helder?
Meester: De zon is helemaal niet helder.
Leerling: Hij geeft zoveel licht dat je er niet eens rechtstreeks naar kunt kijken!
Meester: De zon zelf is pikkedonker.
De leerling wijst naar buiten en zegt: Maar kijk dan toch!
Meester: De zon is volkomen onzichtbaar.
Leerling: Ik zie hem toch zeker zelf!
Meester: De zon geeft geen licht, de zon geeft elektromagnetische straling.
Leerling: Dat is precies hetzelfde.
Meester: Elektromagnetische straling heeft een golflengte en een amplitude, meer niet.
Met de energie ervan kun je een elektrische reactie opwekken in een
zonnecel of een fotochemische reactie op een camerafilm of een
fysiologische reactie op een netvlies. Maar een energievorm is nog geen
waarnemingsvorm. Een reactie is nog geen ervaring.
Leerling: Waarom spreken we dan van
lichtstralen en lichtgolven, van de lichtgevoeligheid van een film, van
een lichtmeter?
Meester: Evenzoveel denkfouten, ingebakken in verouderde begrippen.
Leerling: Wat moeten we dan zeggen?
Meester: Lichtgevoeligheid is eigenlijk stralingsgevoeligheid. Een
lichtmeter is een stralingsmeter. Lichtstralen zijn golven, of deeltjes,
of golfdeeltjes, of deeltjesgolven, wat dan ook. Alles behalve licht.
Leerling: Wilt u beweren dat de zon van zichzelf donker is?
Meester: Jazeker wil ik dat beweren. En de sterren ook. En de
straatlantaarns. En de stoplichten. En de schemerlampen. En de
zaklantaarns. En de kaarsen. Iedere zogenaamde lichtbron. En ieder ding
dat zogenaamd zichtbaar wordt doordat het zogenaamd licht weerkaatst.
Leerling: Zogenaamd, zogenaamd?
Meester: Er is daarbuiten geen licht. Er zijn alleen maar golven.
Leerling: Dus u houdt vol dat het overal eigenlijk pikkedonker is?
Meester: Nou en of.
Leerling: Dat de dingen van zichzelf pikkedonker zijn?
Meester: Nou en of.
Leerling: De zon is donker, de ruimte tussen de zon en de aarde is donker en de aarde zelf is ook donker?
De meester knikt.
Leerling: Het hele universum, tot in de verste uithoeken?
De meester knikt.
De leerling rilt.
Meester: Vraag het de blinde maar. Of sluit gewoon je ogen.
De leerling sluit zijn ogen.
De meester neuriet zachtjes voor zich uit.
De leerling doet zijn ogen weer open.
Leerling: Als er daarbuiten alleen maar golven zijn, wat geeft er dan in vredesnaam licht?
Meester: Of wie.
Leerling: Wie?
Meester: Jij.
Leerling: Ik?
Meester: Wie anders.
De leerling kijkt verbijsterd om zich heen.
Meester: Jij bent het licht.
De vlieg
Een leerling opent het raam en roept: IK BEN HET LICHT!
Als hij het raam weer dicht doet, sluit hij per ongeluk een vlieg in.
De meester wijst naar de vlieg en zegt: Hij ook. Dus haal je nou maar niets in je hoofd.
Genoegzaam bekend
Leerling: Ik kan gewoon niet geloven dat ik het licht ben.
Meester: Als je de visuele cortex met elektroden stimuleert, schijn je ook van alles te zien wat er niet is.
Leerling: Daar weet ik niks van.
Meester: Tijdens een psychose doen zich soms de wildste hallucinaties voor.
Leerling: Dat zal best, maar ik ben niet gek.
Meester: Migraine wordt dikwijls voorafgegaan door prismatische visioenen.
Leerling: Nooit last van gehad.
Meester: Sommige mensen ervaren kleur bij het zien van letters of cijfers in zwart-wit.
Leerling: Bij mij zijn letters en cijfers gewoon zwart-wit.
Meester: Anderen zien bij het inslapen en ontwaken allerlei beelden.
Leerling: Ik val altijd als een blok in slaap en ik ben altijd meteen klaarwakker.
Meester: En de beelden uit je herinnering dan?
Leerling: Dat zijn trucjes van het geheugen.
Meester: En de beelden uit je fantasie?
Leerling: We hebben het nu over de werkelijkheid.
Meester: Doe je ogen eens dicht.
Met zijn duimtoppen masseert hij de ogen van de leerling.
Leerling: Oh!
Meester: Snap je?
Leerling: En toch kan ik niet geloven dat ik het licht ben.
Meester: Geeft niks. Het is ook ongelooflijk.
Leerling: Het idee is mij totaal vreemd.
Meester: Toch is iedereen ermee bekend.
Leerling: Hoezo?
Meester: Is de wereld van je dromen niet uitstekend verlicht, zelfs in het holst van de nacht, met je ogen dicht?
Leerling: Nou u het zegt. Maar een droom is een waan.
Meester: Niet terwijl je hem droomt.
Leerling: Maar wel als je wakker wordt.
Meester: Maar dan is het al te laat om bij te lichten.
Een boom
De meester wijst naar de kastanjeboom in de achtertuin en zegt: Wat zien jullie?
Leerlingen:
Een boom!
Niet de boom zelf maar zijn licht!
Niet zijn licht maar zijn elektromagnetische straling!
Niet zijn straling maar een beeld in mijzelf!
Niet een beeld in mezelf maar mijzelf als beeld
Niet mijzelf als beeld maar het zien zelf!
Niet het zien als zodanig maar het zien van de boom!
Niet het zien van de boom maar de boom zelf!
Er valt een stilte.
Leerling: Meester, wat ziet u?
De meester wees naar de kastanjeboom in de achtertuin.
Leerling: En in woorden?
Meester: Tja.
Jicht
Leerling: Alles is duister, ik ben het licht!
Meester: Mijn vader heeft puisten, mijn moeder heeft jicht.
Van stof naar geest
Meester: Wat is zien?
Leerling: Dat weet een kind.
Meester: Dan kun jij het me vast wel uitleggen.
Leerling: Er valt licht in je ogen en dat wordt omgezet in hersenactiviteit.
Meester: O, zit dat zo.
Leerling: Simpel.
Meester: Dan kun je me zeker ook wel uitleggen hoe iets stoffelijks
als hersenactiviteit tot iets geestelijks als een visuele waarneming kan
leiden?
Leerling: Ik... Descartes... pijnappelklier... psychofysisch parallellisme... emergentie...
Hij slaat zijn ogen neer.
Meester: Nou?
Leerling: Ik heb geen idee.
Meester: Ik ook niet.
Van geest naar stof
Meester: Wat is zien?
Leerling: Er valt licht in je ogen en die wordt omgezet in zenuwactiviteit.
Meester: Hoe weet je dat?
Leerling: Gelezen.
Meester: Je hebt het nooit aan den lijve ondervonden?
Leerling: Hoe kan dat nou!
Meester: Probeer je te concentreren op je hersenen terwijl je om je heen kijkt.
De
leerling kijkt ingespannen naar de meester, naar zijn handen, naar de
kastanjeboom in de achtertuin. Hij doet het ene oog dicht en dan het
andere en dan weer het ene en dan allebei en dan doet hij ze allebei weer
open.
Meester: En?
Leerling: Niets.
Meester: Geen zenuwactiviteit in je hersenen?
De leerling haalt zijn schouders op.
Meester: Geen elektriciteit in je oogzenuw, geen schimmen in je
achterhoofd, geen kleurvelden of trillingen of tintelingen of warmte of
misschien een zacht ruisen
of tinkelen of een metalige geur in de tussenliggende gebieden?
Leerling: Dood als een pier.
Meester: En je ogen zelf?
Leerling: Wat is daarmee?
Meester: Wat zie je als je in je ogen kijkt?
Leerling: Ik kijk
met mijn ogen, niet in mijn ogen.
Meester: Geen beelden achter op je netvlies?
Leerling: Ik zie de wereld, daarbuiten, niet een film op mijn netvlies, of een voorstelling in mijn bovenkamer.
Meester: Vind je het niet vreemd dat de fysiologische processen waaraan je het verschijnen van de wereld toeschrijft,
niet aan jou verschijnen, en de wereld waarin ze verondersteld worden zich te voltrekken wel?
Van binnen naar buiten
Meester: Wat is zien?
Leerling: Er valt licht in je ogen en dat wordt omgezet in hersenactiviteit en
die wordt omgezet in beelden, maar vraag me niet hoe, want dat weet
niemand.
Meester: Dat wou ik nou net vragen.
Leerling: Vraag maar liever iets wat ik wel weet.
Meester: Waar vindt een en ander plaats?
De leerling tikt tegen zijn slaap.
Meester: In je hoofd?
De leerling knikt.
Meester: Dan moet je me toch eens iets uitleggen...
Leerling: Wat dan?
Meester: Hoe kan een fysiologisch proces
in je hoofd nou leiden tot beelden
buiten je hoofd?
De leerling schudt zijn hoofd.
Meester: Geen idee?
Leerling: Nee.
Leerling: Projectie?
Meester: Is dat een ander woord voor "ik weet het niet"?
Leerling: Dat weet ik niet.
Meester: Wat projecteert wat, en op welke wijze?
Leerling: Ik heb werkelijk geen flauw benul.
Meester: Ik ook niet.
De hand van de meester
De meester steekt zijn hand op en zegt: Wat zien jullie?
Leerling: Ik zie uw hand.
Meester: Zie je mijn hand of zie je een beeld van mijn hand?
Leerling: Een beeld van uw hand, denk ik.
Meester: Waar is dat beeld?
De leerling wijst in de richting van de meester.
De meester wappert met zijn hand en zegt: Hier?
De leerling knikt.
Meester: Maar jij bent daar. Hoe kan je er dan bij?
Leerling: Doordat het in mijn hoofd zit.
Meester: Zit het beeld nou in de ruimte of zit het in je hoofd?
Leerling: Dat is te zeggen...
Meester: Is er een verschil tussen mijn hand in de ruimte en het beeld van mijn hand in jouw hoofd?
Leerling: Er is, eh, maar één, eh, beeld.
Meester: Beeld of origineel?
Leerling: U legt de vinger wel op de zere plek.
Meester: En waar is dat beeld of origineel?
De leerling maakt een vaag gebaar.
Meester: Overal?
De leerling haalt zijn schouders op.
Meester: Als het "beeld" tegelijkertijd in je hoofd en in de ruimte zit, dan moet je hoofd haast wel gelijk zijn aan de ruimte.
Leerling: Dat zou het probleem in één keer oplossen.
Meester: Maar wat is dat nog voor een hoofd?
Leerling: En wat is dan nog ik en wat is dan nog wereld?
Meester: Op dit moment?
Leerling: Nou?
De meester steekt zijn hand op.
Koekoek
Leerling: Ik hoorde een koekoek!
Meester: Wat hoorde je dan?
Leerling: Koekoek.
Meester: Dus je hoorde "koekoek"?
Leerling: Dat zeg ik.
Meester: Nee, je zei dat je
een koekoek hoorde.
Leerling: Nou?
Meester: Maar je hoorde alleen maar "koekoek".
Leerling: Waar moet dat geluid anders vandaan komen?
Meester: Een papagaai?
Leerling: Papagaaien krijsen.
Meester: Een papagaai die een koekoek nadoet?
Leerling: Papagaaien zitten hier niet.
Meester: Hoe weet je dat?
Leerling: Ik heb hier nog nooit een papagaai gezien.
Meester: Je hebt die koekoek toch ook niet gezien?
Leerling: Belachelijk.
Meester: Een kauwtje dan?
Leerling: Die maakt een heel ander geluid.
Meester: Kauwtjes kunnen anders heel verdienstelijk imiteren.
Leerling: Dat zegt u.
Meester: Een luidspreker?
Leerling: Als we zo gaan beginnen ...
Meester: Je hoofd?
Leerling: Ik ben niet gek.
Meester: Dat zal best.
Leerling: Heeft u het dan niet gehoord?
Meester: Misschien was ik het wel.
Leerling: Zo klonk het anders niet.
Meester: Nee, dat is waar.
Leerling: Zie je nou wel?
Meester: Wat?
Leerling: U heeft het ook gehoord.
Meester: Ik kan wel zoveel zeggen.
Leerling: Kom nou.
Meester: Misschien hallucineer je mij wel.
De leerling zwijgt.
Meester: Waar is dat geluid nu?
Leerling: Weggestorven.
Meester: Als het er niet meer is, hoe weet je dan dat het er was?
Leerling: Omdat ik het me duidelijk herinner.
Meester: Hoe bedoel je?
Leerling: Ik hoor het van binnen.
Meester: Mag ik meeluisteren?
Leerling: Hoe kan dat nou!
Meester: Hoe weet ik anders dat je het van binnen hoort?
Leerling: U zult me op mijn woord moeten geloven.
Meester: Je kunt wel zoveel zeggen.
Leerling: Ik zeg wel niks meer.
Meester: Hoe weet je dat je herinnering klopt?
Leerling: Ik hoor het nog precies.
Meester: Koekoek.
Zijn imitatie is niet van echt te onderscheiden.
Leerling: Wát...
Meester: Is dit wat je hoorde?
Leerling: Dus tóch.
Meester: Wie zegt dat ik het was?
Alleen maar zingen
Niet het gillen van sirenes
maar het gillen van het gillen
dat alleen maar gillen is.
Niet het gillen van het gillen
maar het gillen van sirenes
dat wel meer dan gillen is.
Niet het krijsen van het krijsen
maar het krijsen van een baby
dat wel meer dan krijsen is.
Niet het krijsen van een baby
maar het krijsen van het krijsen
dat alleen maar krijsen is.
Niet het zingen van het zingen
maar het zingen van een vogel
dat wel meer dan zingen is.
Niet het zingen van een vogel
maar het zingen van het zingen
dat alleen maar zingen is.
Het kind met het badwater
Leerling: Zonder mij is er geen u.
Meester: Hoezo?
Leerling: U bent het niet die beelden uitzendt, ik ben het die u
verbeeldt. U bent het niet die klanken uitstoot, ik ben het die u verklankt. U bent het niet die geuren verspreidt, ik ben het die
u aromatiseert.
Meester: En de rest van de wereld?
Leerling: Daarvoor geldt hetzelfde: voor deze lesruimte, voor de boom
daarbuiten, voor de scooter die we precies op dit moment zogenaamd voorbij horen rijden...
Meester: De hele bliksemse boel?
Leerling: Allemaal mijn werk.
Meester: Een fraai staaltje!
De leerling glimlacht.
Meester: Maar van wie?
Leerling: Dat zeg ik toch? Van mij!
Meester: Mij?
De leerling wijst naar zichzelf en zei fier: Deze
hele magistrale machinerie, en dan vooral de zintuigen en de hersenen natuurlijk!
Meester: Maar als jij het bent die mijn beeld maakt, ben jij het dan ook niet die jouw beeld maakt?
Leerling: Precies!
Meester: Ik bedoel, het beeld van jouw lichaam.
Leerling: O.
Meester: En het geluid van jouw lichaam?
Leerling: Wacht even...
Meester: Jouw geur, jouw smaak, jouw pijn, jouw gevoelens, jouw gedachten?
Leerling: Ik had het eigenlijk over de buitenwereld.
Meester: Behoort je lichaam met alles erop en eraan daar ook niet toe?
Leerling: Eh...
Meester: En als je lichaam inderdaad tot de buitenwereld behoort, wie
of wat is dan nog de schepper van deze hele bliksemse boel?
Nergens een wereld
Nergens licht, behalve in jou.
Nergens geluid, behalve in jou.
Nergens geur, behalve in jou.
Nergens smaak, behalve in jou.
Nergens vorm, behalve in jou.
Nergens warmte, behalve in jou.
Nergens kou, behalve in jou.
Nergens gevoel, behalve in jou.
Nergens zwaarte, behalve in jou.
Nergens beweging, behalve in jou.
Nergens tijd, behalve in jou.
Nergens ruimte, behalve in jou.
Nergens dingen, behalve in jou.
Nergens oorzaken, behalve in jou.
Nergens redenen, behalve in jou.
Nergens motieven, behalve in jou.
Nergens geboden, behalve in jou.
Nergens idealen, behalve in jou.
Nergens gedachten, behalve in jou.
Nergens woorden, behalve in jou.
Nergens ideeën, behalve in jou.
Nergens een leer, behalve in jou.
Nergens betekenis, behalve in jou.
Nergens zin, behalve in jou.
Nergens een ander, behalve in jou.
Nergens een wereld, behalve in jou.
Nergens een jij, behalve in jou.
Nergens een tegenstelling
Nergens licht, behalve in jou.
Nergens duisternis, behalve in jou.
Nergens geluid, behalve in jou.
Nergens stilte, behalve in jou.
Nergens smaak, behalve in jou.
Nergens lafheid, behalve in jou.
Nergens warmte, behalve in jou.
Nergens koude, behalve in jou.
Nergens vorm, behalve in jou.
Nergens vormloosheid, behalve in jou.
Nergens beweging, behalve in jou.
Nergens stilstand, behalve in jou.
Nergens onrust, behalve in jou.
Nergens rust, behalve in jou.
Nergens dromen, behalve in jou.
Nergens nachtmerries, behalve in jou.
Nergens leed, behalve in jou.
Nergens vreugde, behalve in jou.
Nergens iets goeds, behalve in jou.
Nergens iets slechts, behalve in jou.
Nergens een duivel, behalve in jou.
Nergens een godheid, behalve in jou.
Nergens zin, behalve in jou.
Nergens zinloosheid, behalve in jou.
Nergens substantie, behalve in jou.
Nergens leegte, behalve in jou.
Nergens een aarde, behalve in jou.
Nergens een hemel, behalve in jou.
Nergens veelheid, behalve in jou.
Nergens eenheid, behalve in jou.
Nergens stof, behalve in jou.
Nergens bewustzijn, behalve in jou.
Nergens illusies, behalve in jou.
Nergens een waarheid, behalve in jou.
Nergens leven, behalve in jou.
Nergens dood, behalve in jou.
Nergens een weten, behalve in jou.
Nergens een niet weten, behalve in jou.
Nergens een iemand, behalve in jou.
Nergens een niemand, behalve in jou.
O wonder
Leerling: O wonder, in het oog verschijnt een beeld.
Meester: O wonder, in het beeld verschijnt een oog.
In de ruimte
Leerling: Verschijnen waarnemingen aan de zintuigen of zintuigen aan de waarneming?
Meester: Draait de maan om de aarde of de aarde om de maan?
Leerling: Dat hangt ervan af of je op de maan staat of op aarde.
Meester: En als je in de ruimte zweeft?
Vleugels
Leerling: Verschijnt het bewustzijn in het lichaam of het lichaam in het bewustzijn?
Meester: Zitten er veren aan mijn vleugels of vleugels in mijn veren?
Leerling: Maar u heeft helemaal geen vleugels!
Meester: Nou dan.
Geurmoleculen
Leerling: Bij lagere diersoorten is geur heel belangrijk.
Wetenschappelijk is vastgesteld dat termieten hun hele sociale orde in
stand houden op basis van geurmoleculen.
Meester: Hoe weet je dat ze die ruiken?
Leerling: Doordat het geurmoleculen zijn.
Meester: Hoe weet je dat het geurmoleculen zijn?
Leerling: Doordat ze in voldoende hoge concentraties ook door de mens geroken kunnen worden.
Meester: Zijn termieten mensen?
Leerling: De geurreceptoren bij termieten komen anatomisch en
fysiologisch voldoende overeen met het reukorgaan van mensen om te
kunnen concluderen...
Meester: Zijn geuren reukorganen?
Leerling: Reukorganen zijn de structuren waarmee...
Meester: Zijn geuren fysiologische processen?
Leerling: Nee, maar ze zijn wel gebaseerd op scheikundige...
Meester: Hoe weet je dan wat termieten waarnemen?
Leerling: Het is aannemelijk dat ze net als de mens...
Meester: Kun je uitsluiten dat ze jouw geurmoleculen niet
ruiken maar bijvoorbeeld zien of
horen of aanvoelen als warmte of angst of druk of nog iets heel anders?
Leerling: Strikt genomen niet, nee.
Meester: Waarom noem je ze dan geurmoleculen?
Leerling: Misschien had ik ze beter waarnemingsmoleculen kunnen noemen.
Meester: Gesteld dan dat ze waargenomen worden.
Leerling: Worden ze niet geroken dan zullen ze toch op een andere manier geregistreerd moeten worden.
Meester: Word jij je je bloeddruk gewaar?
Leerling: Dat niet, maar...
Meester: Toch wordt je bloeddruk voortdurend geregistreerd en bijgeregeld.
De leerling knikt.
Meester: Helemaal buiten je bewustzijn om.
De leerling haalt zijn schouders op.
Meester: Dus vraag ik je nogmaals, hoe weet je dat termieten ruiken?
Leerling: Dat weet ik eigenlijk niet.
Meester: Waarom zeg je dan dat geur heel belangrijk is bij lagere diersoorten?
Zonder lichaam
Leerling: De wereld is mijn grondslag.
Meester: In welke zin?
Leerling: Ikzelf ben slechts een tijdelijk subject in een tijdloze, objectieve wereld.
Meester: Wat weet je zoal van de wereld?
Leerling: Ik ken haar vormen en haar kleuren, haar klanken en haar
geuren, haar smaak en haar temperatuur, haar gewicht en haar weerstand,
haar charmes en haar kuren, haar ruimte en haar tijd. Ik heb haar
bewandeld en bewerkt, gegeten, gedronken en bevuild, bevochten en
omhelsd, gezien, gehoord, geroken, geproefd en gevoeld.
Meester: Mag ik uit deze beschrijving opmaken dat je lichaam aan de basis staat van al je kennis omtrent de wereld?
Leerling: Nu draait u de zaak om.
Meester: Kun de wereld bewandelen zonder benen? Kun je haar omhelzen
zonder armen? Kun je haar bewerken zonder handen? Kun je haar eten en
drinken zonder mond? Kun je haar bevuilen zonder kont? Kun je haar
waarnemen zonder zintuigen?
Leerling: Ik zou niet weten hoe.
Meester: Dan is je lichaam fundamenteler dan de wereld.
Zonder zintuigen
Leerling: Mijn lichaam is mijn grondslag.
Meester: In welke zin?
Leerling: Zonder lichaam zou ik niets weten van de wereld.
Meester: Wat weet je van je lichaam?
Leerling: Ik ken zijn vorm en zijn strekking. Ik ken zijn lengte en zijn gewicht. Ik ken zijn rimpels en zijn vlekken. Ik ken zijn warmte en zijn koude. Ik ken zijn pijn en zijn littekens. Ik ken zijn houdingen en zijn bewegingen. Ik ken zijn souplesse en zijn stijfheid. Ik ken zijn bouw en zijn functie. Ik ken zijn energie en zijn vermoeidheid. Ik ken zijn honger en zijn verzadiging. Ik ken zijn lust en zijn onlust.
Meester: Hoe komt het dat je je lichaam zo goed kent?
Leerling: Ik ziet het met mijn ogen. Ik hoor het met mijn oren. Ik proef het met mijn tong. Ik ruik het met mijn neus. Ik voel het met mijn gevoel.
Meester: Mag ik uit deze beschrijving opmaken dat je zintuigen aan de basis staan van al je kennis omtrent je lichaam?
Leerling: Nu draait u de zaak om.
Meester: Had je zonder ogen, oren, neus, tong en gevoel ook maar iets van je lichaam geweten?
Leerling: Nee, dat niet, maar...
Meester: Dan zijn je zintuigen fundamenteler dan het lichaam.
Zonder waarnemingen
Leerling: Mijn zintuigen zijn mijn grondslag.
Meester: In welke zin?
Leerling: Zonder zintuigen zou ik niets weten, noch van de wereld, noch van mijn lichaam.
Meester: Hoe weet je dat je ogen hebt?
Leerling: Ik kan ze zien in de spiegel en op de foto, ik kan ze
voelen bewegen onder mijn oogleden, ik kan ze aanraken met mijn
vingertoppen. Ik heb ze zelfs geproefd!
Meester: Die van jezelf?
Leerling: Die van mijn vrouw.
Meester: Hoe smaakten ze?
Leerling: Licht zilt.
Meester: Hoe weet je dus dat je ogen hebt?
Leerling: Doordat ik ze waarneem.
Meester: Hoe weet je dat je oren heb?
Leerling: Doordat ik ze zie en voel en ermee kan horen.
Meester: Hoe weet je dat je een neus hebt?
Leerling: Doordat ik hem zie en voel en ermee kan ruiken.
Meester: Hoe weet je dat je een tong hebt?
Leerling: Doordat ik hem zie en voel en ermee kan proeven.
Meester: Mag ik uit deze beschrijving opmaken dat waarnemingen aan de basis staan van al je kennis omtrent je zintuigen?
Leerling: Nu draait u de zaak om.
Meester: Had je zonder waarnemingen ook maar iets van je zintuigen geweten?
Leerling: Nee, dat niet, maar...
Meester: Dan zijn je waarnemingen fundamenteler dan je zintuigen.
Zonder waarnemen
Leerling: Waarnemingen zijn mijn grondslag.
Meester: In welke zin?
Leerling: Zonder waarnemingen zou ik niets weten, noch van de wereld,
noch van mijn lichaam, noch van mijn zintuigen.
Meester: Hoe weet je dat je waarnemingen hebt?
Leerling: Ik neem beelden waar, ik neem geluiden waar, ik
neem geuren waar, ik neem smaken waar, ik neem warmte waar, ik neem
koude waar, ik neem textuur waar, ik neem druk waar, ik neem pijn waar,
ik neem emoties waar, ik neem gedachten waar en zo neem ik ook mezelf
waar.
Meester: Wat is het kleinste gemene veelvoud van al die waarnemingen?
Leerling: Los van de inhoud?
De meester knikt.
Leerling: Het waarnemen?
Meester: Het gewaar zijn. Het ervaren. Het kennen. Het bewustzijn waarin alles verschijnt.
Leerling: Nu draait u de zaak om.
Meester: Had je zonder het waarnemen ook maar enige waarneming kunnen doen?
Leerling: Ik veronderstel van niet, maar...
Meester: Dan is het waarnemen fundamenteler dan je waarnemingen.
Zonder wereld
Leerling: Waarnemen is mijn grondslag.
Meester: In welke zin?
Leerling: Zonder het waarnemen zou ik niets weten, noch van de wereld, noch van mijn lichaam, noch van mijn zintuigen, noch van mijn waarnemingen.
Meester: Wat is waarnemen zonder waar te nemen object?
Leerling: Dat weet ik eigenlijk niet.
Meester: Geen idee?
Leerling: Ik kan me er niets bij voorstellen.
Meester: Ik ook niet.
Leerling: Hm.
Meester: Volgt hieruit niet dat de wereld aan de basis staat van je kennis van het waarnemen?
Leerling: Nu draait u de zaak om.
Meester: Was je zonder wereld ooit op het spoor van het waarnemen gekomen?
De leerling schudt langzaam zijn hoofd.
Meester: Dan is de wereld fundamenteler dan het waarnemen.
Mijn grondslag
Leerling: Ik ben de wereld.
Meester: De wereld verschijnt aan je lichaam, dus je lichaam ligt ten grondslag aan de wereld.
Leerling: Ik ben mijn lichaam.
Meester: Je lichaam verschijnt aan je zintuigen, dus je zintuigen liggen ten grondslag aan je lichaam.
Leerling: Ik ben mijn zintuigen.
Meester: Je zintuigen verschijnen in je waarnemingen, dus je waarnemingen liggen ten grondslag aan je zintuigen.
Leerling: Ik ben mijn waarnemingen.
Meester: Je waarnemingen verschijnen aan het waarnemen, dus het waarnemen ligt ten grondslag aan je waarnemingen.
Leerling: Ik ben het waarnemen.
Meester: Het waarnemen verschijnt als wereld, dus de wereld ligt ten grondslag aan het waarnemen.
En maar concluderen
Leerling: De wereld verschijnt aan mijn lichaam, mijn lichaam aan mijn zintuigen, mijn zintuigen in mijn
waarnemingen, mijn waarnemingen aan het waarnemen, het
waarnemen als de wereld, en dat is wat ik ben.
Meester: Merry-go-round.
Leerling: Wat een inzicht!
Meester: Maar waarin?
Leerling: In de keten van oorzaken die...
Meester: Keten? Zeg maar gerust cirkel.
Leerling: In de cirkel van oorzaken die...
Meester: Wat voor een cirkel eigenlijk?
Leerling: In de eeuwige kringloop van...
Meester: Een
vicieuze cirkel.
Leerling: In de vicieuze cirkel van oorzaken die...
Meester: Of cirkel; zeg maar gerust netwerk.
Leerling: In het netwerk van oorzaken dat...
Meester: En zijn het eigenlijk wel oorzaken?
Leerling: In tegenstelling tot wat?
Meester: Wederkerigheden bijvoorbeeld.
Leerling: Wablief?
Meester: Zaken die elkaar wederzijds insluiten of oproepen en het niet zonder elkaar kunnen stellen.
Leerling: In het netwerk van wederkerigheden waarvan de delen...
Meester: Delen?
Leerling: Samen één geheel vormen.
Meester: Welke delen?
Leerling: Waar hebben we het nou de hele tijd over.
Meester: Nou?
Leerling: Ikzelf, de wereld, het lichaam, de zintuigen, de waarnemingen, het waarnemen en het waargenomene.
Meester: Heb je het nou over zelfstandige onderdelen die met elkaar in wisselwerking staan of is er sprake van één onverbrekelijk geheel?
Leerling: In het ene dat ik ben en waarvan...
De meester maakt een wegwerpgebaar.
Leerling: Wat nou weer?
Meester: En maar concluderen.
Leerling: Bedoelt u dat er niets te concluderen valt?
Meester: Dat zou nog steeds een conclusie zijn.
Leerling: Bedoelt u dat alles illusie is?
Meester: Dan ook de illusie.
Leerling: Of wilt u alleen maar aantonen dat er niets fundamenteels is?
Meester: Dat zou nog steeds iets fundamenteels zijn.
Leerling: Aha, ik snap het al!
De meester kijkt hem hoofdschuddend aan.
Leerling: U bedoelt natuurlijk dat wij niets weten.
Meester: Hoe weet je dat?
Leerling: Eh, dat wij zelfs niet weten dat we niets weten?
De meester zwijgt.
Leerling: U weet het zelf ook niet.
Meester: En maar concluderen.