Verlichting voor dummy's >
De wereld > Vrije wil
Deze pagina: Dwaalteksten over vrijheid en verantwoordelijkheid.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
Knappe koppen
Leerling: Wie maakt er nou eigenlijk de dienst uit?
De
meester zei: Volgens christenen heeft God het voor het zeggen.
Volgens moslims heeft Allah het voor het zeggen. Volgens de oude
Grieken heeft Zeus het voor het zeggen. Volgens taoïsten heeft het Tao het voor het zeggen. Volgens non-dualisten heeft het bewustzijn het voor het zeggen. Volgens hindoes heeft Brahman
het voor het zeggen. Volgens universalisten komt dit allemaal op hetzelfde neer. Volgens rationalisten heeft het verstand het voor het
zeggen. Volgens romantici heeft het hart het voor het zeggen.
Volgens materialisten heeft de stof het voor het zeggen. Volgens
idealisten heeft de geest het voor het zeggen. Volgens
communisten heeft de geschiedenis het voor het zeggen. Volgens
fascisten heeft de sterkste het voor het zeggen. Volgens
existentialisten heeft het individu het voor het zeggen. Volgens
sociologen heeft de groep het voor het zeggen. Volgens
natuurkundigen hebben de vier natuurkrachten het voor het zeggen.
Volgens quantumfysici heeft het toeval het voor het zeggen.
Volgens scheikundigen hebben de moleculen het voor het zeggen. Volgens internisten hebben de hormonen het voor het zeggen. Volgens neurofysiologen hebben de neurotransmitters het voor het zeggen. Volgens neurologen hebben de hersenen het voor het zeggen.
Volgens biologen hebben de genen het voor het zeggen. Volgens ecologen heeft de omgeving het voor het zeggen. Volgens psychologen heeft de geest het voor het zeggen. Volgens materialisten heeft het lichaam het voor het zeggen. Volgens
psychoanalytici heeft het id het voor het zeggen. Volgens seksuologen hebben de geslachtsdelen het voor het zeggen.
Volgens astrologen hebben de sterren en planeten het voor het zeggen. Volgens holisten heeft het geheel het voor het zeggen. Volgens
nihilisten heeft niets het voor het zeggen.
Leerling: Volgens mij hebben wij het zelf voor het zeggen.
De meester zei: Nou nog even vaststellen wie van deze knappe koppen er gelijk heeft.
Leerling: Als men het aan u zou vragen, wat zou u dan antwoorden?
De meester zei: Ik zou zeggen, wie ben ik.
Afwachten
De meester zei: Geloof
jij in vrije wil?
Leerling: Jazeker!
Meester: Zou je
er ook niet in kunnen geloven als je dat wilde?
Leerling: Ja
hoor.
Meester: Doe eens.
De leerling doet zijn uiterste best.
Na een poosje zegt hij: Ik geloof niet dat ik het wil.
Meester: Ja, dat is
altijd maar weer afwachten.
Geen keus
Leerling: Wat is vrije wil?
Meester: Datgene wat je geen keuze laat.
Leerling: Maar je kunt toch doen wat je wilt?
Meester: Maar kun je ook laten wat je wilt?
Leerling: Alleen als je dat wilt.
Meester: Maar dan doe je nog steeds wat je wilt.
Leerling: Dus?
Meester: Dus heb je geen keus.
De wereld zonder vrije wil
Alles of niets
Leerling: Als we het niet voor het zeggen hebben, verandert alles.
Meester: Maar niet door ons.
Alles of niets 2
Leerling: Als we het niet voor het zeggen hebben, verandert er niets.
Meester: Tenzij vanzelf.
Bedanken
Leerling: Als mensen het niet voor het zeggen hebben, waarom zou je ze dan nog bedanken?
Meester: Omdat je het niet voor het zeggen hebt.
Bedanken 2
Leerling: Als je niet weet of mensen het voor het zeggen hebben, waarom zou je ze dan nog bedanken?
Meester: Als je niet weet of mensen het voor het zeggen hebben, waarom niet?
Bedanken 3
Leerling: Als we het werkelijk niet voor het zeggen hebben, moeten we consequent zijn en ophouden elkaar te bedanken.
Meester: Niet zolang we inconsequent moeten zijn.
Belonen
Leerling: Zonder vrije wil kun je wel ophouden met het belonen van goed gedrag.
Meester: Zonder vrije wil kun je nergens mee ophouden.
Beschaving
Leerling: Als we de vrije wil afschaffen, gaat de
verantwoordelijkheid mee. Als we de verantwoordelijkheid afschaffen,
gaat de moraal mee. Als we de moraal afschaffen, gaat de beschaving mee. Als we de beschaving afschaffen, wordt het een jungle.
Meester: Zonder vrije wil kan niemand iets afschaffen.
Leerling: En als het nou toch gebeurt?
Meester: Zonder vrije wil kan niemand dat tegengaan.
Complimenteren
Leerling: Als we het niet voor het zeggen hebben, hoeven we ook geen complimentjes meer te geven.
Meester: Als we het niet voor het zeggen hebben, hoeven we ze ook niet in te houden.
Leerling: En als we ze nou toch inhouden?
Meester: Dan is daar niets aan te doen.
Leerling: En als we onszelf nou weten te overwinnen en toch complimentjes geven?
Meester: Dan helpt daar geen lieve moedertje aan.
Eer
Leerling: Zonder keuzevrijheid valt er geen eer meer te behalen.
Meester: Zonder keuzevrijheid zul je evengoed wel moeten.
Fatalisme
Leerling: Zonder vrije wil kunnen we net zo goed bij de pakken neer gaan zitten.
Meester: Ook daar heb je dan niets over te zeggen.
Fatalisme 2
Leerling: Determinisme leidt tot fatalisme.
Meester: Alleen als het is voorbestemd.
Fatalisme 3
Leerling: Deterministen verleiden ons tot wanhoop.
Meester: Ze moeten wel.
Gehoorzaamheid
Leerling: Zonder vrije wil kun je niet eens meer tegen een ander
zeggen "doe dit" of "laat dat" of "je moet" of "je mag niet".
Meester: Zonder vrije wil kun je het niet laten.
Leerling: Maar dan hoeft de ander zich er toch niets meer van aan te trekken!
Meester: Maar dat heeft hij dan toch ook niet voor het zeggen.
Moed
Leerling: Zonder vrije wil kan ik me niet meer laten voorstaan op mijn moed.
Meester: Moedig om dat onder ogen te zien.
Lafheid
Leerling: Zonder vrije wil kan niemand mij meer laf noemen.
Meester: Maar als ze het nou niet kunnen laten?
Leerling: Dan hoef ik me er in ieder geval niets meer van aan te trekken.
Meester: Maar als je dat nou niet kunt laten?
Opvoeden
Leerling: Zonder vrije wil kunnen we het opvoeden wel staken.
Meester: Staken veronderstelt een vrije wil.
Rechtspraak
Leerling: Als we het niet voor het zeggen hebben, kunnen we de rechtspraak wel opheffen.
Meester: Niet als we het niet voor het zeggen hebben.
Trots
Leerling: Hoe kan ik nou nog trots zijn op mezelf als alles me overkomt?
Meester: Hoe kan je nou niet trots zijn op jezelf als dat je overkomt?
Twee verschillen
Een leerling zei: Neemt u iemand weleens iets kwalijk?
De meester zei: O, zo vaak.
De leerling zei: Ik ook.
De meester zei: Wie niet.
De leerling zei: Wat is dan nog het verschil tussen ons?
De meester zei: Dat jij weleens denkt dat je gelijk hebt.
De leerling zei: Ik denk ook weleens dat de ander gelijk heeft.
De meester knikte en zei: Dat is het andere verschil.
Een soort heilige
Een leerling zei: Wat moet ik doen om net zo vergevingsgezind te worden als u?
De meester zei verbaasd: Vergevingsgezind? Ik?
De leerling zei: Wat ik ook doe, u vergeeft het mij.
De meester schudde heftig van nee.
De leerling zei: Zelfs als ik zweer dat ik iets met opzet deed, vergeeft u mij nog!
De meester zei: Ik heb je nog nooit iets vergeven.
De leerling keek hem ongelovig aan.
De meester zei: Ik neem alleen niet aan dat jij jezelf in de hand hebt.
De leerling zei achterdochtig: Denkt u soms dat ik mezelf niet in de hand heb?
De meester zei: Dat ook niet.
De leerling zei: Geldt dat alleen voor mij of ook voor anderen?
De meester zei: Ik neem niet aan dat anderen zichzelf in de hand hebben.
De leerling zei: Maar wel dat ze zichzelf niet in de hand hebben?
De meester zei: Dat ook niet.
De leerling zei: En u?
De meester zei: Ik neem niet aan dat ik mezelf in de hand heb.
De leerling stelde: En ook niet dat u uzelf niet in de hand hebt.
De meester zei: Je hebt het door.
De leerling zei: Dus u betwijfelt of iemand ooit toerekeningsvatbaar is?
De meester zei: Ik ga gewoon nergens van uit.
De leerling zei: En daarom vergeeft u zo gemakkelijk?
De meester zei: Met vergeving heeft het dus niets te maken.
De leerling zei: Het is niet zo dat u voortdurend uw hart laat spreken?
De meester zei eenvoudig: Ik weet het alleen maar niet.
De leerling drong aan: Het is geen goedheid uwerzijds?
De meester herhaalde blozend: Ik weet het alleen maar niet.
De leerling zei: Maar dat weet u dan ook zeker.
De meester zei: Integendeel.
De leerling zei: En ik maar denken dat u een soort heilige was.
De meester zei: En jij maar denken.
Activisme versus fatalisme
Leerling: Wat is activisme?
Meester: De overtuiging dat je iets moet doen om de wereld te verbeteren.
Leerling: Wat is fatalisme?
Meester: De overtuiging dat je niets kunt doen om de wereld te verbeteren.
Leerling: Wat is beter?
Meester: Eerst maar eens vaststellen of je kunt kiezen.
Leerling: Gesteld dat je kunt kiezen?
Meester: Wat bedoel je met "beter"?
Leerling: Zo schieten we natuurlijk niet op!
Meester: Activist.
Leerling: Kan ik het helpen.
Meester: Fatalist.
Je zal wel moeten
Leerling: Zonder vrije wil kun je iedere aansprakelijkheid
afwijzen.
Meester: Met welk excuus?
Leerling: Dat alles gebeurt zoals het moet gebeuren.
Meester: Zonder vrije wil kun je er niet voor kiezen om wat dan ook af te wijzen met welk excuus dan ook.
Leerling: Maar als iemand dat soort dingen begint te zeggen, wat moet je dan?
Meester: Dat hangt er vanaf of je in vrije wil gelooft of niet.
Leerling: Stel dat je erin gelooft.
Meester: Dan moet je dat soort excuses wel afwijzen.
Leerling: En als je er niet in gelooft?
Meester: Dan moet je ze wel aanvaarden.
Alsof
Leerling: Ik heb nog nooit iemand zonder vrije wil gezien.
Meester: Hoe gedraagt iemand zonder vrije wil zich volgens jou?
Leerling: Hij neemt niemand iets kwalijk. Hij onderneemt niets. Hij
probeert niemand op te voeden. Hij probeert zichzelf niet te
verbeteren. Hij heeft geen moraal en geen geweten. Hij bedankt niemand
en neemt geen bedankjes in ontvangst. Hij heeft geen eergevoel en eert
niemand. Hij doet niet aan complimentjes. Hij heeft geen schuldgevoel en
kent geen schaamte.
Meester: Is dat hoe iemand zonder vrije wil zich gedraagt of hoe jij denkt dat iemand zonder vrije wil zich gedraagt?
Leerling: Het lijkt me nogal logisch.
Meester: Is het hoe jij je zou gedragen als je geen vrije wil had
of is het hoe jij zou proberen je te gedragen als je dacht dat je geen vrije wil
had terwijl je die wel had?
De leerling zwijgt.
Meester: Hebben romanfiguren een vrije wil?
Leerling: Natuurlijk niet!
Meester: Waarom niet?
Leerling: Omdat ze een verzinsel van de auteur zijn.
Meester: En toch gedragen ze zich alsof ze een vrije wil hebben.
De leerling zegt niets.
Meester: Als je geen vrije wil had, zou jij je dan kunnen
gedragen zoals jij meent dat iemand zonder vrije wil zich zou gedragen?
Het blijft lang stil.
Meester: Weet je het niet of wil je het niet zeggen.
Leerling: Niet als dat al niet vanzelf gebeurde.
Meester: Waarom niet?
Leerling: Omdat ik het dan niet voor het zeggen had.
Meester: Nou dan.
Bestendiging
Leerling: Geloften en goede voornemens leiden tot een
bestendiging van het geloof in de persoon, de vrije wil en de
maakbaarheid van de wereld.
Meester: Wat zou volgens jou het beste zijn?
Leerling: Geen goede voornemens meer maken, geen geloften meer afleggen en anderen er niet meer om vragen.
Meester: Je gelooft nog steeds in de persoon, de vrije wil en de maakbaarheid van de wereld.
Eén pot nat
Leerling: Als je een vrije wil hebt, ben je overal verantwoordelijk voor.
Meester: En als je geen vrije wil hebt?
Leerling: Dan ben je nergens verantwoordelijk voor.
Meester: En als je het niet weet?
Leerling: Wat dan?
Meester: Dan leef je of het allebei waar is.
Leerling: Waarom niet alsof het geen van beide waar is?
Meester: Dat komt op hetzelfde neer.
Leerling: En als je zelfs niet meer weet of je het niet weet?
Meester: Dat komt op hetzelfde neer.
A la carte
Leerling: Als je niet in vrije wil gelooft, hoef je je nergens
meer voor te schamen. Als je daarentegen wel in vrije wil gelooft, kun
je tenminste nog blij zijn met een bedankje of een
lintje. En als je in het een noch het ander gelooft, zit je nergens
meer aan vast, wat een ander woord is voor vrijheid.
Meester: Wat is de vraag?
Leerling: Wat nou de beste zienswijze is.
Meester: Je veronderstelt dat er een beste zienswijze is.
Leerling: Wilt u soms zeggen van niet?
Meester: Je veronderstelt dat ik dat weet.
Leerling: Wilt u soms zeggen van niet?
Meester: Je veronderstelt dat ik iets wil zeggen.
Leerling: Als u het niet weet, bij wie moet ik dan wezen?
Meester: Je veronderstelt dat iemand anders het weet.
Leerling: Hoe moet ik er anders achter komen?
Meester: Je veronderstelt dat je erachter kunt komen.
Leerling: Mij dunkt dat je
het beste af bent als je in iedere situatie de prettigste zienswijze
kiest.
Meester: Nu veronderstel je weer een vrije wil.
Voluntarisme versus Involuntarisme
voluntarisme
opvatting dat je een vrije wil hebt, dat je kunt
kiezen, dat mensen aansprakelijk zijn, dat het zin heeft om ze te
belonen en te bestraffen, te complimenteren en te beledigen, te
bedanken, te beschuldigen en te verontschuldigen
involuntarisme
opvatting
dat je geen vrije wil hebt, dat alles je overkomt, dat je alleen maar de getuige bent, dat je geen
zeggenschap hebt, niet toerekeningsvatbaar bent en nergens voor
verantwoordelijk gesteld kunt worden
Boze opzet
Leerling, schuldbewust: Ik
wilde hem pijn doen. Het was boze opzet!
Meester: Maar was je ook opzettelijk boos?
Per ongeluk expres
Twee leerlingen zijn aan het kibbelen.
Ene leerling: Ik deed het per ongeluk!
Andere leerling: Je deed het expres!
Ene leerling: Ik deed het per ongeluk!
Andere leerling: Je deed het expres!
Meester: Wat bedoel jij met per ongeluk?
Ene leerling: Dat ik er niets aan kon doen.
Meester: Wat bedoel jij met expres?
Andere leerling: Dat hij het zo wilde.
Meester: En als je er nou eens niets aan kunt doen dat je iets wilt?
Ene leerling: Dan is expres een soort per ongeluk!
Andere leerling: Dan is per ongeluk een soort expres zul je bedoelen!
Meester: Ik bedoel maar.
Expres expres
Een leerling verontschuldigt zich bij de meester.
Leerling: Ik deed het nog expres ook.
Meester: Maar deed je het expres expres?
Leerling: Wat?
Meester: Deed je het opzettelijk met opzet?
Leerling: Er was zeker opzet in het spel...
Meester: Maar niet opzettelijk?
Leerling: Ik zou het oprecht niet weten.
Meester: Waarom verontschuldig je je dan.
Na een tijdje zegt de leerling: En als ik nou had gezegd dat ik het opzettelijk met opzet deed?
Meester: Dan had ik gevraagd of je het met opzet opzettelijk met opzet deed.
Rondje van de zaak
Leerling: Is kiezen lastiger als je niets weet?
Meester: Wel als je zelf zou kunnen kiezen.
Leerling: Kun je zelf kiezen?
Meester: Dat weet ik niet.
Leerling: En als je niet zelf kunt kiezen?
Meester: Dan gaat het kiezen vanzelf.
Leerling: Maakt het dan nog uit of je niets weet?
Meester: Alleen als je er iets voor moet weten.
Leerling: Moet je er iets voor weten?
Meester: Hoe moet ik dat weten?
Leerling: Is kiezen voor u moeilijker geworden sinds u niet meer weet?
Meester: Wie zegt dat ik niet meer weet?
Leerling: Is kiezen sindsdien moeilijker geworden?
Meester: Tja.
Leerling: O.
Meester: Maar dat zeg ik onder voorbehoud.
Leerling: Welk voorbehoud?
Meester: Dat er een sinds is.
Leerling: Is er een sinds?
Meester: Tja.
Leerling: ond u kiezen vroeger moeilijk?
Meester: Soms wel, soms niet.
Leerling: En tegenwoordig?
Meester: Tegenwoordig vind ik er niets meer van.
Leerling: Sinds u niet meer weet of nu, op dit moment?
Meester: Wat is het verschil?
Leerling: En is dat een keuze of overkomt het u?
Meester: Wat?
Leerling: Om niets meer van kiezen te vinden.
Meester: Ik zou het echt niet weten.
Leerling: Niet zelf kunnen kiezen lijkt mij gemakkelijker.
Meester: Waarom?
Leerling: Dan kun je rustig afwachten tot de keuze zichzelf maakt.
Meester: Alleen kun je dan ook niet meer zelf kiezen om rustig af te wachten.
Leerling: Hoe voelt het om niet zelf te kunnen kiezen?
Meester: Dat moet je aan iemand vragen die niet zelf kan kiezen.
Leerling: Dus u kunt wel zelf kiezen?
Meester: Ik zou het echt niet weten.
Leerling: Is kiezen lastiger als je niets weet?
Steeds wat anders
Leerling: Wat ben ik?
Meester: Je bent wat je wilt.
Leerling: Wat wil ik?
Meester: Steeds wat anders.
Leerling: Steeds wat anders?
Meester: Ga maar na wat je in je leven zoal hebt gewild.
De leerling denkt een poosje na.
Tenslotte begint hij te knikken.
Hij zegt: Ik wil altijd iets hebben wat ik niet heb.
Hij zegt: Ik wil altijd iets niet hebben wat ik wel heb.
Hij zegt: Ik wil altijd iets zijn wat ik niet ben.
Hij zegt: Ik wil altijd iets niet zijn wat ik wel ben.
Meester: Steeds wat anders.
Leerling: Nou moe!
Meester: Dat is nou eenmaal de aard van de wil.
Leerling: Maar dat wil ik helemaal niet!
Meester: Zie je wel?
Je natuurlijke staat
Leerling: Wat is mijn natuurlijke staat?
Meester: Verdeeldheid.
Leerling: Maar ik streef juist naar eenheid!
Meester: Zei ik het niet.
De grote verdeler
Meester: Wie ben je?
Leerling: Ik ben wat ik wil.
Meester: O?
Leerling: De wil vormt mij meer dan wat ook. De wil is wat mij herkenbaar maakt voor mezelf en voor anderen. De wil is het blijvende in het
veranderlijke.
De meester zegt niets.
Leerling: De wil is wat mij tot eenheid maakt.
De meester zei nog steeds niets.
Leerling: Wat zegt u, meester, alstublieft?
Meester: De wil is wat je verscheurt.
Leerling: Verscheurt?
Meester: Ga maar na. Je wilt deugen én ondeugend zijn. Je wilt
honger hebben én vol zitten. Je wilt lui zijn én sporten. Je wilt snoepen én slank zijn. Je wilt drinken én helder blijven. Je wilt roken én fit zijn. Je wilt spelen én iets bereiken. Je wilt je
binden én vrij blijven. Je wilt verzorgd
worden én autonoom zijn. Je wilt leven én eruit stappen. Je wilt uitgaan én
thuisblijven. Je wilt bezitten én zorgeloos zijn. Je wilt opvallen
én onopgemerkt blijven. Je wilt intimideren én vertrouwen wekken. Je wilt contacten én isolement. Je wilt geven én
nemen. Je wilt vrede én oorlog. Je wilt kwellen én troosten. Je wilt
scheppen én vernietigen. Je wilt je zin doordrijven én je overgeven. Je wilt van mij leren én mijn ongelijk
bewijzen.
Leerling: Verdomd.
Meester: Mensen bidden om veiligheid én om de volgende 9-11.
De leerling begint te blozen.
Meester: De wil verdeelt en heerst.
Leerling: Hoe kom ik tot eenheid?
Meester: Zie je nou wel?
Leerling: Wat?
Meester: Eenheid nastreven is verdeeld blijven.
Leerling: Dat snap ik niet.
Meester: Omdat je je daarmee verzet tegen je innerlijke verscheurdheid.
Leerling: Maar ik wil mij helemaal niet verzetten!
Meester: Daar ga je weer.
Dat zou je wel willen
Leerling: Kan ik mijn innerlijke verdeeldheid overwinnen door mij niet langer met mijn wil te identificeren?
Meester: Afstand doen van je wil is verdeeld raken.
Leerling: Kan ik mijn innerlijke
verdeeldheid overwinnen door mijzelf niet langer als een persoon op te
vatten?
Meester: Wat versta je onder je persoon?
Leerling: Mijn geschiedenis, mijn gedachten, mijn gevoelens en mijn lichaam.
Meester: Afstand doen van je persoon is verdeeld raken.
Leerling: Kan ik mijn innerlijke
verdeeldheid overwinnen door afstand te doen van concepten als "innerlijk", "verdeeldheid" en "eenheid"?
Meester: Wat opgegeven is kan niet overwonnen worden.
Leerling: Maar wat moet ik dan?
Meester: Je identificeert je met je wil.
Leerling: Maar ik kan toch niet...
Meester: Je vat jezelf als persoon op.
Leerling: Maar eenheid is toch...
Meester: Je investeert in concepten.
Leerling: Ik geef het op.
Meester: Ja, dat zou je wel willen.
Evenveel
Leerling: Hebben wij een vrije wil?
Meester: Beschik jij over je wil of beschikt je wil over jou?
Lange tijd kijkt de leerling voor zich uit, zijn hoofd in zijn handen, zijn ogen dicht.
Ten slotte zegt hij: Ik weet het niet.
Meester: Dan weet je evenveel als ik.
Opschieten
Leerling: Gelooft u dat u het voor het zeggen heeft?
Meester: Wat kan jou dat schelen?
Leerling: Uw mening is belangrijk voor mij.
Meester: Ik kan wel zoveel zeggen.
Leerling: Hoe bedoelt u?
Meester: Stel dat ik het niet voor het zeggen heb maar beweer van wel.
Leerling: Waarom zou u?
Meester: Wat maakt het uit als ik het niet voor het zeggen heb?
Leerling: Dat is waar.
Meester: Dan zou jij geen steek wijzer wezen.
Leerling: Integendeel.
Meester: Of stel dat ik het wel voor het zeggen heb maar beweer van niet.
Leerling: Waarom zou u?
Meester: Wat gaat jou dat aan?
Leerling: Daar vraagt u me wat.
Meester: Ook dan zou jij niets wijzer wezen.
Leerling: Integendeel.
Meester: Het zou natuurlijk ook kunnen dat ik meen wat ik zeg.
Leerling: Daar ga ik altijd van uit.
Meester: Maar dat weet je niet.
Leerling: Ik veronderstel van niet.
Meester: En zelfs als ik meende wat ik zei, zou ik het best eens mis kunnen hebben.
Leerling: Maar u bent mijn meester!
Meester: Dicht je mij onfeilbaarheid toe?
De leerling kijkt hem onzeker aan.
Meester: Ik in elk geval niet.
Leerling: O.
Meester: Dus wat ik ook zeg, je schiet er niets mee op.
Leerling, sip: Niets.
Meester: En dat noem ik nou opschieten.
Hou op, schei uit
Leerling: Hebben wij een vrije wil?
Meester: Dat moet je zelf uitmaken.
Leerling: Maar ik kan toch zeker doen wat ik wil!
Meester: Dat is het punt niet.
Leerling: Wat is het punt wel?
Meester: Of je zelf kunt bepalen wat het is dat je wilt.
Leerling: Ik kan toch zeker keuzes maken?
Meester: Dat is het punt ook niet.
Leerling: Wat is het punt dan wel?
Meester: Of je zelf kunt bepalen waar je voor kiest.
Leerling: Ik snap het niet.
Meester: Val je op donker of op blond?
Leerling: Op donker.
Meester: Zou je ook op blond kunnen vallen als je daarvoor koos?
Leerling: O, zo.
Meester: Snap je?
De leerling staart uit het raam en zegt spijtig: Ooit heb ik een prachtige blondine moeten afwijzen.
De meester staart uit hetzelfde raam en zegt spijtig: Ik weet precies wat je bedoelt.
Er valt een stilte.
De meester veert op en zegt: Ajax of Fyenoord?
Leerling: Tennis.
Meester: Een voetbalfan komt gemakkelijker aan zijn trekken dan een tennisfan.
Leerling: Stom hè?
Meester: Wat doe je eraan.
Leerling: Tja.
Meester: Federer of Nadal?
Leerling: Federer.
Meester: De fans van Nadal hebben meer te vieren dan die van Federer.
Leerling: Stom hè?
Meester: Wat bevalt je niet aan Nadal?
Leerling: Zijn wilskracht beangstigt me.
Meester: Anders mij wel.
Leerling: Maar ja.
Meester: Zeg dat wel.
Leerling: Kan hij er wat aan doen.
Meester: Kunnen wij er wat aan doen.
Leerling: Daar zitten we dan.
Meester: Fans tegen wil en dank.
Leerling: Over vrije wil gesproken.
Meester: Over keuzevrijheid gesproken.
Er valt een stilte.
De meester veert op en zegt: Beatles of Rolling Stones?
De leerling doet zijn handen voor zijn oren en roept: Hou op, schei uit!
Mosterd na de maaltijd
Leerling: Als u niets weet, waarom bent u dan nog altijd partijdig?
Meester: Wie zegt dat je daarvoor iets moet weten?
Leerling: Er moet toch een reden voor zijn.
Meester: Reden is een ander woord voor mosterd na de maaltijd.
Leerling: U moet toch een goede reden hebben om...
Meester: Er zijn goede redenen om voor of tegen wie of wat dan ook te zijn.
Leerling: U moet toch weten waarom u zelf...
Meester: Ik weet het niet, dat zeg ik je.
Leerling: Maar u wilt toch zeker...
Meester: Ik wil helemaal niets.
Leerling: Hè?
Meester: Voor
mij hoeft het niet.
Leerling: Wat niet?
Meester: Partijdig zijn. Voorkeuren hebben. Hechten. Willen. Streven.
Leerling: Voor u hoeft het niet?
Meester: Voor mij hoeft het niet en ik heb er niets mee te maken.
Leerling: Niets mee te maken?
Meester: Ik sta erbij en kijk ernaar.
Leerling: Ik kan u echt niet volgen.
Meester: Ik dus ook niet.
Leerling: Maar wat is dan het verschil tussen ons?
Meester: Jij denkt nog steeds dat er goede redenen zijn.
Kip zonder kop
Leerling: Als je iets doet betekent dat automatisch dat je het wilt.
De meester zei: Kan een kip zonder kop iets willen?
Leerling: Dat lijkt me niet, nee.
De meester zei: Waarom rent ze dan toch heel hard weg?
Bijziend
Leerling: Ervaart u zelf dan geen vrije wil?
Meester: Zo vaak.
Leerling, verbaasd: Nog steeds?
Meester: Ja natuurlijk.
Leerling: Nou dan!
Meester: Dat ik bijziend ben betekent nog niet dat de wereld onscherp is.
Leerling: Wilt u zeggen dat vrije wil een illusie is?
Meester: In plaats van?
Leerling: Werkelijkheid natuurlijk.
Meester, verbaasd: Wat is het verschil?
Daar heb je het al
Leerling: Is de wil vrij of onvrij?
Meester: Wil je dat echt weten?
Leerling: Wát graag!
Meester: Je ziet er trouwens moe uit.
De leerling rekt zich uit, wrijft zijn ogen uit en zegt: Het houdt me dag en nacht bezig.
Meester: Als je het antwoord niet meer wilt weten, hoef je er ook niet meer naar te zoeken.
Leerling: Dat klopt, maar hoe zorg ik ervoor dat ik het antwoord niet meer wil weten?
Meester: Daar heb je je antwoord al.
Vraag of antwoord
Leerling: Wat betekent vrije wil?
Meester: Dat je zelf kunt bepalen wat het is dat je wel en niet wilt.
Leerling: Wat betekent onvrije wil?
Meester: Dat je moet doen wat je wilt en moet laten wat je niet wilt.
Leerling: Heb ik nou een vrije wil of een onvrije wil?
Meester: Is dat een vraag of een antwoord?
Leerling: Volgens mij een vraag.
Meester: Volgens mij een antwoord.
Vrijheid
Leerling: Wat betekent vrije wil?
Meester: Doen wat je wilt en laten wat je niet wilt.
Leerling: Wat betekent vrije geest?
Meester: Denken wat je wilt terwijl het doen en laten hun eigen gang gaan.
Leerling: Wat betekent vrij bewustzijn?
Meester: Willoos toezien hoe het denken, doen en laten hun eigen gang gaan.
Leerling: Wat betekent gebondenheid?
Meester: Denken dat je vrije wil, vrije geest of vrij bewustzijn bent.
Leerling: Maar wat is dan vrijheid?
Meester: Geen gedachte kunnen vasthouden.
Leerling: Behalve deze zeker.
Meester: Welke.
Een sterke wil
Leerling: Heb ik een vrije wil?
Meester: Eerst maar eens vaststellen of je een wil hebt.
Leerling: Heb ik een wil?
Meester: Heeft een auto een wil?
Leerling: Wat?
Meester: Waar in de auto zit de wil om te rijden? In de tank? In de motor? In het chassis? In de wielen?
Leerling: In de chauffeur.
Meester: Een ding heeft een kleur maar een kleur is geen ding.
Leerling: Hoe bedoelt u?
Meester: Je kunt een ding opensnijden maar je zult de kleur er niet in aantreffen. Je kunt de kleur er niet uithalen.
Leerling: Nogal wiedes.
Meester: Waar in de mens zit de wil?
Leerling: Wat een vraag!
Meester: Als de stemming erin zit, waar zit die dan in?
Leerling: Wanneer?
Meester: Op een feestje, in een café...
Leerling: Dat is een wijze van spreken.
Meester: Iemand een wil toedichten niet?
Leerling: De wil is reëel.
Meester: Waar in de lucht zit de wil om te waaien?
Leerling: Dat is een kwestie van druk.
Meester: Waar in het water zit de wil om te bevriezen?
Leerling: Dat is een kwestie van temperatuur.
Meester: Waar in de steen zit de wil om te vallen?
Leerling: Zo kan ik het ook.
Meester: Wat?
Leerling: U beperkt zich tot levenloze dingen.
Meester: Waar in de plant zit de wil om te groeien?
Leerling: Groeien gebeurt vanzelf.
Meester: Handelen niet?
Leerling: Handelen komt voort uit de wil.
Meester: Waar in de plant zit de wil om naar het licht te keren?
Leerling: Een mens is geen plant.
Meester: Is naar het licht toekeren geen handelen?
Leerling: Naar het licht toekeren is een kwestie van turgor.
Meester: Waar in de bacterie zit de wil om zich te vermenigvuldigen?
Leerling: Kunnen we het niet over hogere wezens hebben?
Meester: Waar in de geit zit de wil om melk te geven?
Leerling: Dat is een kwestie van hormonen.
Meester: De wil niet?
De leerling haalt zijn schouders op.
Meester: Waar in de koe zit de wil om te loeien?
Leerling: Zo'n koe, die loeit maar wat.
Meester: Zo'n mens, die zwetst maar wat.
Leerling: U in elk geval wel.
Meester: Waar in de chimpansee zit de wil om te krijsen?
Leerling: De chimpansee krijst omdat het hommeles is.
Meester: Maar waar is toch die wil?
Leerling: Wat kan mij dat nou schelen!
Meester: Waarom niet?
Leerling: Ik ben toch zeker geen chimpansee?
Meester: Waar in de mens zit de wil?
Leerling: In zijn hele wezen!
Meester: Net als zijn ziel zeker?
Leerling: De ziel is een uitvinding van het christendom.
Meester: De wil ook.
Leerling: Misschien kun je de wil nergens vinden omdat je hem bént.
Meester: Misschien kun je de wil nergens vinden omdat hij nergens ís.
Leerling: Misschien kun je de wil nergens vinden omdat hij overal is.
Meester: Misschien kun je de wil nergens vinden omdat het maar een idee is.
Leerling: Misschien is dat ook maar een idee.
Meester: Je bent er niet vanaf te brengen, hè?
Leerling: Mag ik ook eens.
Meester: Wat?
Leerling: U bent
nooit ergens vanaf te brengen
Meester: Omdat ik nooit ergens op zit.
Leerling: Waarom doet u dan zo enorm uw best?
Meester: Omdat jij mij een vraag hebt gesteld, weet je nog?
Leerling: Dat is waar ook.
Meester: Of was het weer eens een retorische?
Leerling: Net als deze?
Meester: Je probeert me alleen maar te slim af te zijn.
Leerling: Wat u ziet is een sterke wil.
Meester: Maar geen vrije.
Secondant of dwingeland
Leerling: Wat is de wil?
Meester: Welke wil?
Leerling: De vrije wil.
Meester: Iets dat je in staat stelt bepaalde dingen te doen en andere te laten.
Leerling: Is er dan nog een andere wil?
Meester: De onvrije wil.
Leerling: Wat is dat?
Meester: Iets dat je dwingt bepaalde dingen te doen en andere te laten.
Leerling: Welke wil is de echte?
Meester: Verschillende namen voor hetzelfde verschijnsel.
Leerling: Wanneer gebruik je de ene naam en wanneer de andere?
Meester: Als je je ermee identificeert, noem je het de vrije wil,
als je je ervan distantieert, noem je het de onvrije wil.
Leerling: Welke naam gebruikt u?
Meester: Tja.
Gebonden wil
Leerling: Hebben wij een vrije wil?
Meester: Vrije wil bestaat niet.
Leerling: Hoezo?
Meester: De wil is altijd gebonden.
Leerling: Waaraan?
Meester: Aan datgene wat het wil.
Leerling: Zoals?
Meester: Een droomhuis, verlossing, een kind, alcohol, een slank
lichaam, liefde, geld, gezondheid, geluk, het beste, het duurste, het
grootste, het kleinste, het mooiste, vul maar in.
Leerling: Maar ik kan toch zeker...
Meester: Kun jij ergens in jezelf ook maar het geringste spoortje vrije wil ontdekken?
Het blijft lange tijd stil.
Meester: Wel?
Leerling, verbaasd: Geen spoor!
Meester: De wil is altijd gebonden.
Leerling: Wie had dat gedacht!
Meester: Vandaar dat je er nooit over kunt beschikken.
Geen manier
Leerling: Is er een manier om mezelf te bevrijden van mijn wil?
Meester: Hier is opnieuw de wil aan het woord.
Leerling: Volgens mij ben ik zelf aan het woord.
Meester: Je wilt je toch van de wil bevrijden?
Leerling: Nou en of!
Meester: Is dat soms geen willen?
Leerling: Hoelang zal ik nog aan mijn wil gebonden blijven?
Meester: Zolang je je ermee identificeert.
Leerling: En als ik er nou afstand van neem?
Meester: Afstand willen nemen van de wil is nog steeds een manifestatie van de wil.
Leerling: Stel dat ik mij er niet meer mee identificeer...
Meester: Wat dan?
Leerling: Ben ik er dan van bevrijd?
Meester: Die vraag is dan niet meer aan de orde.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Is iemand die zich niet langer identificeert met zijn wil nog wel iemand?
Leerling: Aha.
Meester: Is een wil waarmee niemand zich identificeert nog wel een wil?
Leerling: Op die manier.
Meester: Noem dat maar een manier.
Vrij zijn
Leerling: Ik wil vrij zijn!
Meester: Zie dáár dan eerst maar eens vanaf te komen.
Omstandigheden
Meester: Stel dat er een tak bovenop je hoofd valt...
Leerling: Wat dan?
Meester: Sleep je de boom dan voor de rechter?
Leerling: Nee, natuurlijk niet.
Meester: Waarom niet?
Leerling: Omdat een boom niet toerekeningsvatbaar is.
Meester: Hoe bedoel je?
Leerling: Er is geen boos opzet in het spel.
Meester: Hoe weet je dat?
Leerling: Omdat... eh... dat veronderstel ik.
Meester: Waarom?
Leerling: Het afbreken van de tak precies als ik er onderdoor loop, is gewoon een samenloop van omstandigheden.
Meester: Wat voor omstandigheden?
Leerling: Natuurkrachten. Toevalligheden. Een windvlaag. Misschien is de tak wel beschadigd bij
een aanrijding met een vrachtauto eerder dit jaar. Het toenemend
gewicht van de bladeren in combinatie met de zwaartekracht... Bezuinigingen bij de plantsoenendienst... Het feit dat ik me vanmorgen
verslapen heb waardoor ik wat later dan gewoonlijk naar mijn werk ging. De omweg die ik nam om een beker meeneemkoffie te kopen.
Dat soort dingen.
Meester: Stel dat een voorbijganger je met een eind hout voor je kop slaat, sleep je hem dan wel voor de rechter?
Leerling: Reken maar.
Meester: Waarom?
Leerling: Omdat er dan boos opzet in het spel is.
Meester: Hoe weet je dat?
Leerling: Waarom zou hij mij anders slaan?
Meester: Samenloop van omstandigheden. Je liep daar net op het verkeerde moment, et cetera.
Leerling: Een mens is geen boom.
Meester: O nee?
Leerling: De dader kan kiezen.
Meester: Hoe gaat dat kiezen in zijn werk?
Leerling: Hij heeft allerlei gedachten die er toe bijdragen dat hij iemand wil molesteren en juist mij als slachtoffer uitkiest.
Meester: Zijn gedachten dan geen omstandigheden?
Leerling: Nee.
Meester: Waarom niet?
Leerling: Onder omstandigheden versta ik krachten die niemand beheerst.
Meester: Ken jij iemand die zijn gedachten beheerst?
Alles
Leerling: Ik heb
alles over voor de vrijheid!
Meester: Zelfs de vrijheid?
Leerling: Alles!
Meester: Zelfs jezelf?
Leerling, aarzelend : Alles.
Meester: Zelfs de overtuiging dat je alles over hebt voor de
vrijheid?
De leerling zwijgt.
Meester: Ben je bereid zelfs het opgeven
van de vrijheid, van jezelf en van al je overtuigingen op te geven?
De
leerling zegt niets.
Meester: Nou?
Leerling: Ik weet niet wat ik zeg.
Meester: Ik
wou het niet zeggen.
Achteraan aansluiten
Meester: Wat moet je?
Leerling: Ik wil mijn gedachten leren beheersen.
Meester: Wie zegt dat ik je dat kan leren?
Leerling: Dat dacht ik.
Meester: Wie zegt dat ik het je wil leren?
Leerling: Dat hoop ik.
Meester: Wie zegt dat je dan beter af bent?
Leerling: Dat geloof ik.
Meester: Allemaal gedachten.
Leerling: Misschien kom ik daarom wel bij u.
Meester: Misschien ben ik ook alleen maar een gedachte.
Leerling: Dat kan ik niet uitsluiten.
Meester: Zou jij je geld toevertrouwen aan een notoire oplichter?
Leerling: Nee.
Meester: Zou jij de wolf vragen om op de zeven geitjes te passen?
Leerling: Nee.
Meester: Maar je vraagt wel aan een gedachte om je te leren je gedachten te beheersen?
Leerling: En als u nou eens geen gedachte bent?
Meester: Leuk bedacht.
De leerling bijt op zijn lip.
Meester: Maar zeg eens...
De leerling kijkt hem vragend aan.
Meester: Hoe weet je eigenlijk dat gedachten beheersbaar zijn?
Leerling: Dat...eh...
Meester: Nou?
Leerling: Dacht ik
Meester: Nog een gedachte?
De leerling knikt ongemakkelijk.
Meester: Je favoriete gedachte misschien?
De leerling kijkt betrapt.
De meester wijst naar de andere leerlingen en zegt: Achteraan aansluiten.
Leerling: Hoe bedoelt u?
Meester: Iedereen hier wordt beheerst door gedachten over gedachtenbeheersing.
Dat betwijfel ik
Leerling: Dus u betwijfelt of we een vrije wil hebben?
Meester: Ik betwijfel of de wil vrij is.
Leerling: Wilt u zeggen dat de wil onvrij is?
Meester: Ik betwijfel of de wil onvrij is.
Leerling: Het enige waar u niet aan twijfelt is de wil zelf.
Meester: Ik betwijfel of we een wil hebben.
Leerling: Denkt u dat we geen wil hebben?
Meester: Ik betwijfel of we geen wil hebben.
Leerling: U twijfelt overal aan.
Meester: Dat durf ik niet te zeggen.
Leerling: Nou weet ik nog niks.
Meester: Dat betwijfel ik.
Terug naar de basis
Leerling: Hebben wij een vrije wil?
Meester: Eerst maar eens vaststellen of we een wil hebben.
Leerling: Hebben wij een wil?
Meester: Eerst maar eens vaststellen of we zijn.
Leerling: Zijn wij?
Meester: Eerst maar eens vaststellen wat zijn is.
Leerling: Wat is zijn?
Meester: Wat niet.
Leerling: Nou weet ik nog niks.
Meester: Een prima uitgangspunt.
Zwaartekracht
Leerling: Niet in de vrije wil geloven is net zoiets als niet in de zwaartekracht geloven.
Meester: Geloof jij daar dan in?
De leerling laat zich zwaar op de grond vallen.
Meester: Mensen vielen al lang voordat de zwaartekracht werd bedacht.
Ik geloof
Leerling: Ik geloof heilig in de vrije wil!
Meester: Wat doe je eraan.
Vrije wil of noodlot
Meester: Vrije wil of noodlot?
Leerlingen:
Vrije wil!
Noodlot!
Vrije wil én noodlot!
Vrije wil noch noodlot!
Afwisselend vrije wil en noodlot!
Leerling: Wat denkt u meester?
Meester: Daar hou ik me niet meer mee bezig.
Leerling: Kiest u daarvoor of overkomt het u?
Meester: Daar hou ik me niet meer mee bezig.
Wiens wil
Meester: Wiens wil geschiedt?
Leerlingen:
Mijn wil natuurlijk.
De wil van mijn lichaam.
De wil van mijn hersenen.
De wil van mijn hersenschors.
De wil van mijn hersenstam.
De wil van mijn epifyse.
De wil van mijn hormonen.
De wil van mijn genen.
De wil van mijn hart.
De wil van mijn instincten.
De wil van mijn id.
De wil van mijn ego.
De wil van mijn superego.
De wil van mijn geest.
De wil van mijn ziel.
De wil van de soort.
De wil van de groep.
De wil van de sterkste.
De wil van het volk.
De wil van Gaia.
De wereldwil.
De wil van het al.
Gods wil.
De wil van mijn vrouw.
Uw wil.
Er valt een stilte.
Leerling: Wat denkt u, meester?
Meester: Wie zegt dat er een wil geschiedt?
Een echte vrijbuiter
Een leerling zegt vol bewondering over Jan Cremer: Een echte vrijbuiter! Hij ging en stond waar hij wilde!
Meester: Misschien kon hij niet anders.
Lucide
Leerling: Nog een bewijs van de vrije wil is het verschijnsel van de zogeheten lucide droom.
Meester: Wat houdt dat in?
Leerling: Het schijnt dat sommige mensen zelf kunnen bepalen waarover ze dromen.
Meester: Hoe weet je dat ze dat niet dromen?
Leerling: Wat?
Meester: Dat ze zelf kunnen bepalen wat ze dromen.
Leerling: Dat ze dat dromen?
Meester: Nou?
Leerling: U bedoelt dat het sturen van de droom deel uitmaakt van hun droom?
De meester knikt.
Leerling: Dat... weet ik niet.
Meester: Ik was er al bang voor.
Lulkoek
Twee
meesters maken een ommetje.
Zegt de een: Wie is de baas, de
meester of zijn lul?
Zegt de ander: De meester ís de lul.
Begin je nou weer?
Meester: Wat moet je?
Leerling: Ik zoek de vrijheid.
Meester: De wat?
Leerling: U weet best wat ik bedoel.
Meester: Je zegt het maar.
Leerling: Ik bedoel de
vrijheid die je bereikt door ieder begrip, iedere definitie a priori te
weigeren.
Meester: A priori?
Leerling: Eh... Aha. U
was me voor.
Meester: Begrip?
Leerling: En nog eens.
Meester: Weigeren?
De
leerling bijt op zijn lip.
Meester: Je?
Het blijft lange tijd stil.
Leerling, wanhopig: Maar wat moet ik dan?
Meester: Begin je nou weer?
Een glaasje prik
Leerlingen:
Ik wou dat mijn wil wat sterker was.
Ik wou dat mijn wil wat zwakker was.
Ik wou dat ik een wil hád.
Ik wou dat er iets te willen viel.
Ik wou dat ik wist wat ik wou.
Ik wou dat ik iets wou.
Ik wou dat ik niets wou.
Ik wou dat gebeurde wat ik wou.
Ik wou dat ik wou wat gebeurde.
Er valt een stilte.
Leerling: En u, meester, wat zou u willen?
Meester: Doe mij maar een glaasje prik.
Insjallah
Leerling: Gods wil geschiedt.
Meester: En als hij nou niet wil dat zijn wil geschiedt?
Niets aan te doen
Leerling: Mijn wil geschiedt!
Meester: Of je wilt of niet.
Ja en nee
Leerling: Heeft u het nou voor het zeggen of niet?
Meester: Ik kan wel ja
zeggen maar dat wil ik niet.
Leerling: Heeft u het nou voor het zeggen of niet?
Meester: Ik kan wel nee zeggen maar dat wil ik ook.
Levenskunst
Leerling: Levenskunst is niet doen wat je wilt maar willen wat je doet.
Meester: Je kan wel zoveel willen.
Willen willen
Leerling: Men laat zich even vaak leiden door de begeerten die men zou willen
hebben als door die, welke men werkelijk heeft.
Meester: Ik wou dat ik dat had willen zeggen.
Recept voor geluk
Leerling: Je hoeft alleen maar te willen wat er toch al gebeurt.
Meester: En als niet-willen nou is wat er gebeurt?
Een buitenboordmotor
De meester zei: Wat is de overeenkomst tussen de verlichte en de onverlichte?
Een leerling zei: Beiden drijven stuurloos rond op de oceaan van het leven.
De meester zei: En het verschil?
De leerling zei: De onverlichte heeft een buitenboordmotor.
De meester zei: Een buitenboordmotor?
De leerling zei: Zijn ego.
De meester keek om zich heen en zei: Iedereen mee eens?
Iemand schudde zijn hoofd.
De meester zei: Waarom niet?
De leerling zei: De onverlichte
denkt dat hij een buitenboordmotor heeft.
Iemand zei:
Jij denkt dat de onverlichte dat denkt.
Iemand zei: Jij denkt dat
hij dat denkt.
Iemand zei: Jullie denken dat er een verschil is tussen de verlichte en de onverlichte.
Iemand riep: Jij denkt dat er geen verschil is tussen de verlichte en de onverlichte!
De leerling riep terug: Jij denkt dat ik dat denk!
De ander zei: Jij denkt dat ik denk!
De een zei: Jij denkt dat ik
echt ben.
De ander zei: Als je niet echt bent, wat ben je dan wel?
De een zei: Een verschijning in jouw droom!
De ander zei: En als ik nou een verschijning in
jouw droom ben?
Er viel een stilte.
Iemand zei: Meester, wat denkt u?
Iemand zei: Je veronderstelt dat meester wat denkt.
Iemand zei: Je veronderstelt dat meester echt is.
Iemand riep: Jij veronderstelt dat meester een illusie is!
De leerling riep terug: Jij veronderstelt dat ik iets veronderstel!
Iemand riep: Droomfiguren kunnen niet veronderstellen!
Iemand riep: Wie zegt dat we droomfiguren zijn?
Iemand klapte in zijn handen en riep: Mensen, zo komen we nergens!
Iemand riep: Wie zegt dat we ergens heen moeten?
Iemand riep: Wie zegt dat we ergens heen
kunnen?
Iemand riep: Wou jij beweren dat we nergens heen kunnen?
Er viel een stilte.
De meester zei: Mijn koninkrijk voor een buitenboordmotor
Blijf dan maar staan
Leerling: Hebben wij een vrije wil of niet?
Meester: Sta eens op.
De leerling staat op.
Meester: Ga eens zitten.
De leerling gaat weer zitten.
Meester: Deed je dat nou uit jezelf of niet?
Leerling: Volgens mij wel.
Meester: Als ik je niets gevraagd had, zou je het dan ook gedaan hebben?
Leerling: Ik stemde in met uw verzoek.
Meester: Sta eens op.
De leerling blijft zitten.
Meester: Ga eens zitten.
De leerling staat op.
Leerling, lachend: Ziet u nou wel?
Meester: Zou je dat ook gedaan hebben als ik je niets gevraagd had?
De leerling kijkt bedenkelijk.
Meester: Blijf dan maar staan.
Marionet
Leerling: Bent u een marionet of trekt u aan de touwtjes?
Meester: Ik ben een marionet die aan de touwtjes trekt.
Leerling: Bent u een marionet of trekt u aan de touwtjes?
Meester: Stel jij die vraag of moest je wel?
Leerling: Bent u een marionet of trekt u aan de touwtjes?
Meester: Dat is de vraag niet.
Leerling: Wat is de vraag wel?
Meester: Of die touwtjes ergens aan vast zitten.
Buiten spel
Leerling: Bent u de pop of de speler?
Meester: Het spel.
Leerling: Ik ben niet de speler maar het spel.
Meester: Ik sta al jaren buitenspel.
Draaien maar
Leerling: Loopt u vanzelf of draait er iemand aan uw sleuteltje?
Meester: Stel nou dat er iemand aan mijn sleuteltje draait...
Leerling: Wat dan?
Meester: Wie draait er dan aan
zijn sleuteltje?
Leerling: Verhip.
Meester: Stel daarentegen dat het lopen vanzelf gaat.
Leerling: Wat dan?
Meester: Waarom zou je dat dan nog aan mij toeschrijven?
Echte dromen
Meester: Heb jij het voor het zeggen?
Leerling: Ik dacht van wel.
Meester: Weet je dat honderd procent zeker?
Leerling: Ik maak mijn eigen keuzes.
Meester: De mensen waarover je 's nachts droomt, hebben die het voor het zeggen?
Leerling: Ik denk het niet.
Meester: Waarom niet?
Leerling: Omdat ze niet echt zijn.
Meester: Waarom zijn ze niet echt?
Leerling: Omdat ze alleen in mijn dromen verschijnen.
Meester: De ik in je dromen, heeft die het voor het zeggen?
Leerling: In mijn dromen denkt hij van wel.
Meester: En achteraf?
Leerling: Dan niet natuurlijk.
Meester: Waarom niet?
Leerling: Omdat hij dan niet echt blijkt te zijn.
Meester: Waarom is hij niet echt?
Leerling: Omdat hij alleen maar in mijn dromen verschijnt.
Meester: En jij?
Leerling: Ik?
Meester: Heb jij het wel voor het zeggen?
Leerling: Jazeker.
Meester: Hoe kan dat?
Leerling: Omdat ik wel echt ben.
Meester: En als je zo meteen wakker wordt?
Leerling: Dan was ik ook niet echt.
Meester: Ben je er absoluut zeker van dat dit geen droom is?
Leerling: Eh...
Meester: Kun je helemaal uitsluiten dat je aanstonds wakker wordt en inziet dat dit maar een droom was?
Leerling: Dat zal wel niet.
Meester: Hoe weet je dan dat jij het voor het zeggen hebt?
Zachte heelmeesters
Leerling: Hoe bevrijd ik mij van mijn wil?
Meester: Welke wil?
Leerling: De wil waarvan ik...
Meester: Welke ik?
Leerling: Kunt u nou nooit eens een normaal antwoord geven?
Meester: Betere antwoorden heb ik niet.
Leerling: Het zijn niet eens antwoorden. Het zijn alleen maar vragen!
De meester kijkt hem bedrukt aan.
Leerling: Waarom geeft u mij nooit eens adviezen of oefeningen of zo?
Meester: Iemand met fantoompijn geef je toch ook geen pleister?
Leerling: Zelfs een fantoompleister kan er bij u niet af.
Meester: Daarvoor moet je bij een fantoommeester wezen.