Verlichting voor dummy's >
Verlichting > Een aanbeveling
Deze pagina: Dwaalteksten over verlichting en niet weten, tweede serie.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
Een aanbeveling
Leerling: Wat weet u eigenlijk van
verlichting?
Meester: Minder dan wie ook.
Leerling: Dat lijkt me geen aanbeveling.
Meester: Integendeel.
Klein of groot
Leerling: Kent u het zen-gezegde over twijfel en verlichting?
Meester: Ach ja.
Leerling: Kleine twijfel kleine verlichting, grote twijfel grote verlichting.
Meester: En?
Leerling: Wat?
Meester: Geloof je dat?
Leerling: Kent u het zen-gezegde over twijfel en verlichting?
Meester: Kleine twijfel kleine verlichting, grote twijfel grote verlichting.
Leerling: Ik betwijfel dat!
Meester: Zeker weten?
Leerling: Ja! Ik bedoel... nee! Ik bedoel... verdorie.
Meester: Niet slecht.
Een bevrijdend inzicht
Meester: Wat is verlichting?
Leerling: Een bevrijdend inzicht.
Meester: Hoe kan een
inzicht nou bevrijden.
Leerling: Dan weet je hoe het zit.
Meester: Dan zit je daarin vast.
Leerling: Wat is verlichting dan wel?
Meester: Vrij zijn van inzicht.
Leerling: Dat is nog steeds een inzicht.
Meester: Goed gezien!
Leerling: Nou weet ik nog niks.
Meester: Goed gezien!
Leerling: Maar wat is nou verlichting.
Meester: Dat is nou verlichting.
Geen inzicht
Verlichting is geen inzicht...
Verlichting is geen-inzicht.
Een gum
Leerling: Ik heb altijd een opschrijfboekje bij me om waardevolle inzichten op te schrijven.
Meester: Ik heb altijd een gum bij me om ze weer uit te gummen.
Een leerling schrijft iets op.
De meester zegt: Lees eens voor.
De leerling leest: "Verlichting is: al je inzichten uitgummen."
Zwijgend reikt de meester hem zijn gum.
Per definitie
Leerling: Ziet u zichzelf als een verlicht iemand?
Meester: Ik zie mezelf niet als iemand, laat staan als verlicht.
Leerling: Is dat niet de definitie van verlichting?
Meester: Wat?
Leerling: Jezelf als niemand zien.
Meester: Dat kan best wezen...
Leerling: Maar?
Meester: Ik zie mezelf ook niet als niemand.
Leerling: Ik bedoel daarmee, als het ene.
Meester: Ik zie mezelf ook niet als alles.
Leerling: Dat wil zeggen, als zuivere leegte.
Meester: Ik zie mezelf ook niet als niets.
Leerling: Niet als iemand, niet als niemand, niet als alles, niet als niets, hoe ziet u zichzelf dan wel?
Meester: Ik zie mezelf niet.
Leerling: Überhaupt niet.
Meester: Niet dat ik weet.
Leerling: Waarvan is dát de definitie?
Meester: Tja.
"Verlichting"
Leerling: Wat is verlichting?
Meester: Alles tussen aanhalingstekens.
Leerling: Behalve de aanhalingstekens.
Meester: Die ook.
Leerling: Dan blijft er niets over!
Meester: "Niets".
Leerling: Noem dat maar verlichting.
Meester: Noem het dan maar "verlichting".
"Voort"
Leerling: Wat is verlichting?
Meester: Ik wordt "ik".
Leerling: En "ik"?
Meester: Wordt ""ik"".
Leerling: En ""ik""?
Meester: Wordt """ik""".
Leerling: En dan?
Meester: Wordt "dan".
Leerling: En toen?
Meester: Wordt "toen".
Leerling: En nu?
Meester: Wordt "nu".
Leerling: Enzovoort?
Meester: Nou, vóórt...
"Dat"
Leerling: Wat is verlichting?
Meester:
Ik wordt "ik" en jij wordt "jij" en Hij wordt "Hij" en hier wordt
"hier" en daar wordt "daar" en dan wordt "dan" en toen wordt "toen" en
nu wordt "nu".
Leerling: En weten?
Meester: Wordt "weten".
Leerling: En
niet weten?
Meester: Wordt "niet weten".
Leerling: En dat is dat?
Meester: En dat is "dat".
Ladders zat
Leerling: Wat is
verlichting?
Meester: Ook niet op de maan blijven hangen.
Uitersten
Leerling: Wat is verlichting?
Meester: Uiterste diepzinnigheid.
Leerling: Wat is niet weten?
Meester: Uiterste oppervlakkigheid.
Leerling: Hoe kom je van verlichting tot niet weten?
Meester: Door zo diep te gaan dat je aan de andere kant weer opduikt.
Leerling: Wat is er aan de andere kant?
Meester: Vraag dat maar aan de verlichte.
Leerling: Waarom niet aan u?
Meester: Omdat ik het niet weet.
Leerling: Bedoelt u dat er geen verschil is met deze kant?
Meester: Vraag dat maar aan de verlichte.
Leerling: Waarom niet aan u?
Meester: Omdat ik het niet weet.
Leerling: Zo kan ik het ook.
Meester: Dat zeg ik.
Leerling: Wat?
Meester: Uiterste oppervlakkigheid.
Tweemaal uit
Het
is al laat en een van de
leerlingen zit nog steeds over zijn boeken gebogen.
Meester: Kun je het zien?
De leerling kijkt verdwaasd op.
Meester: Kun je het zien?
Leerling, hoofdschuddend: Nog
steeds niet.
De meester doet het licht uit en zegt: Zo beter?
Lange stilte.
Meester: Nou?
Leerling: Wel heb ik ooit!
Lange stilte.
Meester: Wat heb je nou bereikt?
Leerling: Kunt u het licht nogmaals
uitdoen?
De meester haalt de schakelaar over, waardoor het licht weer
aangaat.
Meester: Zeg het!
De leerling kijkt verbijsterd om
zich heen.
Meester: Wat heb je nou bereikt?
Leerling: Volgens mij niets.
Meester: Zeker weten?
Leerling: Zelfs niet niets.
Meester: Heb je het niet bereiken bereikt?
Leerling: Zelfs het niet bereiken niet.
Meester: Hoe moet
het nou verder met mij?
Leerling: Ik zal nooit meer geloven
in de woorden van de meester.
Meester: Hoe moet het nou verder
met jou?
Leerling: Ik zal nooit meer geloven in de woorden
van de leerling.
Meester: Geloof je dat?
Leerling: Natuurlijk niet!
Meester: Geloof je dát?
De leerling
verwaardigt zich niet meer te antwoorden.
Meester: En je
boeken?
Leerling: Ik zou ze verbranden als ik dacht dat het
wat uithaalde.
Kraaiend van plezier klapt de meester in zijn handen.
Hij roept: Tweemaal uit is aan!
Geen ja en geen nee
Leerling: Wat is verlichting?
Meester: Geen ja en geen nee.
Leerling: Wat is het dan
wel?
Meester: Tja.
Leerling: Als ik u vraag of u
verlicht bent, wat zegt u dan?
Meester: Geen ja en geen nee.
Leerling: En dan moet ik natuurlijk weer zeggen, wat dan wel?
Meester: En dan zeg ik natuurlijk weer tja.
Leerling: Voorspelbaar.
Meester: Jij of ik?
Leerling: Help me
nou eens een beetje!
Meester: Nog een
keertje dan.
Leerling: Als ik u vraag of u verlicht bent, wat
zegt u dan?
Meester: Wie?
Leerling: Nou weet ik nog niks!
Meester: Houden zo.
Leerling: Nou ja!
Meester: Nog één
keertje dan.
Leerling: Als ik u vraag of u verlicht bent, wat
zegt u dan?
Meester: Verlicht?
Probleem opgelost
Leerling: Beschouwt u zichzelf als
verlicht?
Meester: Ik beschouw mezelf niet.
Vreemdeling
Leerling: Ik voel mij dikwijls een vreemdeling op aarde...
Meester: Ik ook!
Leerling: En in mijn eigen land.
Meester: Ik ook!
Leerling: Op mijn eigen werk.
Meester: Ik ook!
Leerling: Tussen mijn eigen mensen.
Meester: Ik ook!
Leerling: In mijn eigen godsdienst.
Meester: Ik ook!
Leerling: Bij mijn beste vrienden.
Meester: Ik ook!
Leerling: In mijn eigen huis.
Meester: Ik ook!
Leerling: Met mijn eigen partner.
Meester: Ik ook!
Leerling: Met mijn eigen kinderen.
Meester: Ik ook!
Leerling: In mijn eigen lichaam.
Meester: Ik ook!
Leerling: In mijn eigen geest.
Meester: Ik ook!
Leerling: In mijn eigen hart.
Meester: Ik ook!
Leerling: En áls ik me al eens ergens thuis voel dan vind ik dát weer vreemd.
Meester: Ik ook!
Leerling: Ik vind dat dus echt niet normaal.
Meester: Dan zal dat het verschil wel zijn.
Van de week
Leerling: Wat is verlichting?
Meester: Thuiskomen in den vreemde.
Leerling: Van de week zei u "Vreemdgaan in het bekende."
Meester: Dat hou ik allemaal niet zo bij.
Leerling: Maar wat is verlichting nou echt?
Meester: Beide natuurlijk.
Leerling: Van de week zei u "Geen van beide natuurlijk."
Meester: Dat hou ik allemaal niet zo bij.
Leerling: Maar wat is verlichting nou echt?
Meester: Wat heet echt.
Leerling: Van de week zei u "Wat heet verlichting?"
Meester: Dat hou ik allemaal niet zo bij.
Leerling: U spreekt uzelf voortdurend tegen!
Meester: Dan noem je dat toch verlichting.
Leerling: Van de week zei u "Dat heeft er niets mee te maken."
Meester: Nou dan.
Niks niet meer
Meester: Vroeger voelde ik mij dikwijls een vreemdeling op aarde.
Leerling: En als dat niet het geval was?
Meester: Dan voelde ik mij er thuis.
Leerling: En nu?
Meester: Nu niet meer.
Leerling: Wat niet meer.
Meester: Niks niet meer.
Leerling: Geen vreemdeling en ook niet thuis?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Ontheemd maar niet onpluis?
Meester, lachend: Niks niet meer.
Op die manier
Leerling: Hoe kan het dat u zich geen vreemdeling op aarde meer voelt?
Meester: Aarde?
Leerling: Op die manier.
Leerling: Hoe kan het dat u zich geen vreemdeling op aarde meer voelt?
Meester: Vreemdeling ?
Leerling: Op die manier.
Leerling: Hoe kan het dat u zich geen vreemdeling op aarde meer voelt?
Meester: U?
Leerling: Op die manier.
Niet te lang bij stilstaan
Leerling: Hoe kan het dat u zich sinds uw verlichting niet langer een vreemdeling op aarde voelt?
Meester: Sinds mijn wát?
Leerling: Verlichting.
De meester kijkt hem verbijsterd aan.
Leerling: Hoe kan het dat u zich geen vreemdeling op aarde meer voelt?
Meester: Aarde?
Leerling: Dat heb ik u namelijk horen zeggen.
Meester: U?
Leerling: Heeft u soms last van afasie?
Meester: Afasie?
Leerling: Kom nou eens over de brug, man!
Meester: Denk je dat ik dit voor mijn lol doe?
Leerling: Wat wilt u nou eigenlijk zeggen?
Meester: Dat woorden gebruiken geen kunst is.
Leerling: Wat is wel een kunst?
Meester: Erbij stilstaan.
Leerling: En als je erbij stilstaat, wat ontdek je dan?
Meester: Het is meer wat je niet ontdekt.
Leerling: Wat ontdek je dan niet?
Meester: Waar ze voor staan.
Leerling: Geef eens een voorbeeld.
Meester: Verlichting.
Leerling: Maar verlichting is toch gewoon... Verlichting is niets anders dan... Verlichting betekent alleen maar...
Meester: Dat zeg ik.
Leerling: Wat?
Meester: Niet te lang bij stilstaan.
Aan het eind van het liedje
Leerling: Wat is verlichting?
Meester: Dat het eigene vreemd wordt en het vreemde eigen.
Leerling: En aan het eind van het liedje?
Meester: Wat dan?
Leerling: Is alles dan eigen?
Meester: Hè?
Leerling: In de zin van het ware zelf?
Meester: Zegt me niks.
Leerling: Of is alles dan juist vreemd?
Meester: Hè?
Leerling: In de zin van geen-zelf?
Meester: Zegt me niks.
Leerling: Niet eigen en niet vreemd, wat dan wel?
Meester: Wat je zegt.
Leerling: Wat zeg ik dan?
Meester: Niet eigen en niet vreemd.
Leerling: Bedoelt u afwisselend eigen en vreemd?
Meester: Ik bedoel niet eigen en niet vreemd.
Leerling: Kunt u het ook anders zeggen?
Meester: Eigen én vreemd komt in de buurt.
Leerling: Tegelijkertijd?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Vreemd.
Meester: En toch eigen.
Leerling, peinzend: Dus dat is verlichting...
Meester: Maar misschien niet aan het eind van het liedje.
Leerling: Weet u dat nog niet?
Meester: Zo ver ben ik immers nog niet.
Nog even volhouden
Leerling: Wanneer zal ik eindelijk verlicht zijn?
Meester: Als het je niets meer zegt.
Bestaansrecht
Leerling: Wacht maar tot ik verlicht ben!
Meester: Wat
dan?
Leerling: Dan zal ik eindelijk de
moeite waard zijn.
De stroper
Leerling: Bent u verlicht?
Meester: In zekere zin.
Leerling: In welke zin?
Meester: Als een konijn in de nacht door de schijnwerper van een stroper.
Leerling: Hoe bedoelt u?
Meester: Verblind
en hulpeloos.
Leerling: Wie noemt zoiets nou verlicht!
Meester: Het konijn in ieder geval niet.
Leerling: Wie dan wel?
Meester: De stroper?
Daar heb je het al
Leerling: Wat is de overeenkomst tussen de verlichte en de
onverlichte?
Meester: Beide kletsen maar wat.
Leerling: En het verschil?
Meester: De laatste gelooft erin.
Leerling: Maar u niet?
Meester: Wou je soms zeggen dat ik
verlicht ben?
Leerling: Daar ga ik wel vanuit.
Meester: Daar heb je het al.
Helderheid
Leerling: Wat is verlichting voor u?
Meester: Helderheid. Klaarheid. Transparantie.
Leerling: Hoezo?
Meester: De mist van het weten is opgetrokken.
Leerling: U verblijft in zuiver niet weten?
Meester: De mist van niet weten is opgetrokken.
Streven
Leerling: Is verlichting iets om naar te
streven?
Meester: Verlichting is niet iets.
Leerling: Wat is het dan wel?
Meester: Noem het dan maar niet-iets.
Leerling: Kun je streven naar niet-iets?
Meester: Dan moet je eerst
niet-iemand zijn.
Leerling: En als je niet-iemand
bent?
Meester: Dan lukt het helemaal niet meer.
Eclips
Leerling: Waarom geeft de verlichte geen licht?
Meester: Omdat hij verduisterd is.
Leerling: Waarom geeft de verduisterde geen duisternis?
Meester: Omdat niemand het in ontvangst wil nemen.
Uit de kast
Meester: Waarom komt de verlichte
niet uit de kast?
Leerlingen:
- Omdat hij
niet weet dat hij verlicht is.
- Omdat hij niemand
is.
- Omdat hij er niet in zit.
- Omdat hij niet weet dat hij erin zit.
- Omdat
hij niet weet wat een kast is.
- Omdat er geen
kast is.
- Omdat hij de kast niet kan vinden.
- Omdat hij de kast is.
- Omdat
de kast in hem zit.
- Omdat zijn kast de hele
wereld omvat.
- Omdat het buiten net zo leeg is als
binnen.
- Omdat het buiten net zo donker is
als binnen.
Leerling: Wat
denkt u?
Meester: Wie zegt dat hij niet uit de kast komt?
Stom
Waarom weet de verlichte niet of hij verlicht is?
Omdat verlichting niet weten is.
Waarom
weet de verlichte zich niet uit te
drukken?
Omdat verlichting niet weten is.
Af
Leerling: Wat is realisatie?
Meester: De werkelijkheid
kwijtraken, de illusie kwijtraken, het kwijtraken kwijtraken.
Leerling: Ben je dan niet terug bij af?
Meester: Dan ben je als het ware af.
Pas dan
Leerling: Wanneer ben je gerealiseerd?
Meester: Als je je niets meer realiseert.
Integendeel
Leerling: Bent u gerealiseerd?
Meester: Eerder gederealiseerd.
Een spel
Leerling: Als je ophoudt om nog in welk verhaal dan ook te geloven wordt het leven vanzelf een spel!
Meester: Is dit nog een verhaal of al het spel?
Leerling: Als je ophoudt om nog in welk verhaal dan ook te geloven wordt het leven vanzelf een spel!
Meester: Als je ophoudt om nog welk spel dan ook te spelen wordt het leven vanzelf een verhaal.
Leerling: Als je ophoudt om nog in welk verhaal dan ook te geloven wordt het leven vanzelf een spel!
Meester: En als je niet meer in het leven gelooft?
Leerling: Als je ophoudt om nog in welk verhaal dan ook te geloven wordt het leven vanzelf een spel!
Meester: En als je niet meer in ophouden gelooft?
Leerling: Als je ophoudt om nog in welk verhaal dan ook te geloven wordt het leven vanzelf een spel!
Meester: En als je niet meer in ongeloof gelooft?
Vertrekken
Leerling: Wat is verlichting?
Meester: Vertrekken.
Leerling: Hè?
Meester: Je klinkt verrast.
Leerling: Ik dacht juist dat verlichting aankomen was.
Meester: Maar het is vertrekken.
Leerling: Waarvandaan?
Meester: Waar je maar denkt te zijn.
Leerling: En als je nou nergens denkt te zijn?
Meester: Dan is dat je vertrekpunt.
Leerling: En als je nou niet denkt ergens of nergens te zijn?
Meester: Dan ben je reeds vertrokken.
Leerling: En dat is verlichting?
Meester: Wat?
Leerling: Vertrokken zijn?
Meester: Denken dat je vertrokken bent is alweer aangekomen zijn.
Leerling: Waar dan?
Meester: Dat hangt er vanaf.
Leerling: Waar vanaf?
Meester: Of je verlicht bent of verlicht denkt te zijn.
Leerling: En als je verlicht bent?
Meester: Dan is dat je vertrekpunt.
Leerling: En als je verlicht denkt te zijn?
Meester: Dan is dat je vertrekpunt.
Leerling: En als je niet denkt verlicht of onverlicht te zijn?
Meester: Dan ben je reeds vertrokken.
Leerling, bitter: Voor zolang als het duurt.
Meester, schouderophalend: Dat is verlichting.
Oprotten
Leerling: Verlichting is vertrekken!
Meester: Dan is dat je uitgangspunt.
Leerling: Ik bedoel, verlichting is onderweg zijn!
Meester: Dan is dat je uitgangspunt.
Leerling: Wat moet ik nou met een uitgangspunt!
Meester: Achter je laten natuurlijk.
Leerling: Maar ik zeg toch dat verlichting vertrekken is!
Meester: Oprotten daar!
Bagage
Leerling: Verlichting is reizen zonder bagage.
Meester: Dan is dat je bagage.
Leerling: Wat?
Meester: Het idee dat verlichting reizen zonder bagage is.
Leerling: Wat is verlichting volgens u?
Meester: Waarom zou het iets zijn?
Leerling: Verlichting is natuurlijk niets!
Meester: Dan is dat je bagage.
Knipperverlichting
Een kwestie van secondenNiet weten is niet het einde van het weten en niet het einde van het denken. Bij mij in elk geval niet. Aan mijn geestesoog trekt
nog steeds een eindeloze stroom van wetende gedachten voorbij. Maar
waar de dwaas en de wijze, die in dit opzicht niet van elkaar
verschillen (in welk opzicht eigenlijk wel?), uren, dagen, maanden of
jaren in de ban van hun dwaze of wijze gedachten verkeren, is dat bij mij eerder een kwestie van seconden.
Tegengedachte
Op het moment dat
een gedachte mij treft, ben ik net zo wetend als de wijze en de
dwaas. Net als bij hen, wekt de gedachte gevoelens in mij op (als het al niet andersom is), veroorzaakt
wellicht een adrenalinestoot of de uitstort van een hormooncocktail in mijn bloedbaan, of van bepaalde neurotransmitterstoffen in mijn hersenen
- we hoeven niet te doen alsof we nog nooit van de medische wetenschap
hebben gehoord - waarvan de effecten zich een uur later misschien nog
steeds doen gevoelen.
Maar vrijwel onmiddellijk treedt het
niet weten in
werking in de vorm van een tegengedachte die de vorige
gedachte, of meteen maar alle voorafgaande gedachten, ontkracht, en de
effecten ervan dempt en in het gunstigste geval opheft.
Deze
kleine, locale, kortstondige verlossing, waarbij ik mij ontdoe van - of ontdaan wordt van - mijn vorige gedachte(n) (en meteen gevangen raak ik de huidige),
zou je (een)
microverlichting kunnen noemen.
Perpetuum mobileDe
pendelbeweging van weten naar niet weten, van antwoord naar vraag, van
schokbeton naar drijfzand, van volheid naar leegte, van houvast
naar laatlos, van gedachte naar tegengedachte, van leerling naar
meester, van ja naar tja - deze pendelbeweging, die zich voltrekt binnen
het bestek van één "microverlichting", herhaalt zich in mij
onophoudelijk. Verlichting, als ik er ook eens lustig op los mag generaliseren, is dus geen
toestand die je voor eens en
voor altijd bereikt, maar een repeterende
beweging. Bij mij in ieder geval wel. Ik ben een
tja-knikker.Zelfde verhaal, andere vergelijking. Net als de narcolepticus val ik steeds eventjes in slaap, om kort daarop weer te ontwaken. De wekker
van de verlichting is bij mij dus een
repeteerwekker, het licht van de verlichting een knipperlicht. Mijn "verlichting" (god, wat háát ik dat woord) is dus stroboscopisch. Het is een soort
knipperverlichting en knipperverlichting is gewoon een reeks microverlichtingen. Daarom kan ik ook niet zeggen dat ik verlicht of onverlicht
ben.
En ook niet dat ik wetend of niet wetend ben, meester of leerling, enzovoort.
CookiemonsterOp dit punt aanbeland moet ik tot mijn spijt een wijdverbreid misverstand
uit de wereld helpen. Wie meent dat niet weten alleen verlichting geeft van de
last der
gedachten, zal bedrogen uitkomen. Ook de
lust ligt onder vuur.
Niet weten maakt geen onderscheid tussen fijne gedachten en nare. Het
"verlicht" beide. Als gedachten koekjes zijn dan is niet weten een
cookiemonster:
- Angstige gedachten? Hmm!
- Grote plannen? Hmm!
- Ernstige zorgen? Hmm!
- Fijne
herinneringen? Hmm!
- Nare herinneringen? Hmm!
- Verheugenissen? Hmm!
- Nachtmerries? Hmm!
- Dagdromen? Hmm!
- Zelfhaat? Hmm!
- Eigenliefde? Hmm!
- Nederigheid? Hmm!
- Hoogmoed? Hmm!
- Haat? Hmm!
- Liefde?
Hmm!
- Meedogenloosheid? Hmm!
- Mededogen? Hmm!
- Weten? Hmm!
- Niet weten? Hmm!
- Knipperverlichting? Hmm!
- Cookie
monsters? Hmm!
Hm.