Verlichting voor dummy's > Citaten > Cultuur > Toon Tellegen Deze pagina: Gedichten over niet weten van Toon Tellegen. Deze website: NIET-WETEN.NL. Alle titels op deze pagina zijn van Tellegen zelf. Fragmenten uit Gedichten 1977 - 1999, 2001: Ik ben niet wie ik ben In het stadion buigen honderdduizend filosofen deemoedig hun filosofische hoofden. 'Ik ben niet wie ik ben!' roept de heiland in zijn hemd. Een licht gaat hun op. (27) Ik spring voor mezelf Ik ben een trein, door flarden mist en over natte kiezels. Ik spring voor mezelf en ik rijd fluitend door. (47) Een kraai van lucht Ik schreef eens op papier van lucht en alles wat ik schreef was lucht, en alles wat ik dacht, en toen ik naar buiten keek zag ik een kraai van lucht (107) In minder dan één stap Ik begon te lopen, ik had nog nooit één voet verzet, en ik liep en ik liep. Toen keerde ik op mijn schreden terug in minder dan één stap. (108) Toen ik mij vooroverboog En toen ik mij vooroverboog om iets te zien was er iets dat tussenbeide kwam - ik kon het niet goed zien, hoe ver ik mij ook vooroverboog - en de zon ging onder, terwijl ik mij steeds verder en verder vooroverboog om iets te zien. (116) Streep eronder Soms neem ik mij voor om ergens een streep onder te zetten, maar ik weet niet waaronder [...] dan denk ik dat alles zo zal blijven als het altijd is, maar ik weet niet hoe alles altijd is (133) Noemt u maar iets als u heel stil bent kunt u uzelf nu horen luister mijn god wat schreeuwt u mooi u bent heel groot of wilt u zich liever vergissen in uzelf en zoudt u eindelijk eens iets willen weten noemt u maar iets! (136) Alle kanten uit Ik liep alle kanten uit, verloor mijzelf al spoedig uit het oog, kwam ergens aan, stond stil en ging toevallig juist naar binnen toen ik daar juist naar buiten kwam. (140) Doorwaadbaar Er is een doorwaadbare plaats in mij. [...] Waad, waad maar door, tot je zelf doorwaadbaar wordt. (143) Dat zegt me niets Ik zat onder een boom, ontmoette de dood, die iets verklaarde en spoedig uitgepraat zijn weg weer ging. Ik zei hem niets, zei hij. 'Maar ik ben echt,' zei ik. Dat zei hem nog minder, zei hij. 'Is er wel iets dat u wat zegt? riep ik. Hij dacht van niet, riep hij (148) Wij vergaten onze vragen Wij reden door grijze valleien, bereikten een dorp. Daar zagen wij onszelf door de straten gaan, wij tikten op de ramen,vroegen iedereen wie wij waren en iedereen dacht na. Toen vergaten wij onze vragen. (200) Ik... Na de storm sprak ik niet meer tegen mijzelf, besloot mijzelf volkomen te vergeten. Soms begon ik nog gedachteloos met 'Ik...', hield mijn adem in, sprak niet verder meer. (234) Ik val Ik val en denk al vallend na. Zal ik nog iets roepen, iets van het allergrootst belang dat onweerstaanbaar zal weerkaatsen tegen een overkant? En zal ik nog iets meeslepen in mijn val? Ruw en onverwachts? Of val ik nergens langs? [...] De zon gaat op, de grond verschijnt. Nadenkend val ik verder. (252) Nooit! 'Ik ben nooit wie ik ben! Nooit!' riep ik. Dát wist ik tenminste zeker, nat van regen langs een watergracht. 'Wie ben je dan?' riep iemand terug. (256) Niemand Ik werd geboren en iemand kwam aansjokken, zette een ladder tegen mij aan en klom naar boven met op zijn rug mijn ziel en mijn gedachten. Het begon te regenen en hij sprong naar benden, holde weg [...] De zon verscheen, maar er klom niemand meer naar boven, niemand legde uit hoe ik mijn gedachten moest gebruiken, niemand bracht schaduw, niemand haalde de ladder weg, niemand zei dat er niemand meer zou komen. (332) Muur Er is een muur aan de rand van mijn gedachten. Soms, als ik heel goed kijk, zie ik mijzelf over die muur heen klimmen, haastig, langs aan elkaar geknoopte lakens, aandoenijk. Alsof ik iets besef. Heel klein en heel ver weg. (345) Ik ben de duisternis Er zijn honderden goden [...] en er is één mens, die met stijf dichtgeknepen ogen, zijn vingers in zijn oren, zijn hoofd omlaag, op het puntje van zijn stoel halsstarrig gilt: 'Ik ben het licht! Ik ben de duisternis!' (425) Streep Ik trok een streep: tot hier, nooit ga ik verder dan tot hier. Toen ik verder ging trok ik een nieuwe streep, en nog een streep. De zon scheen en overal zag ik mensen, haastig en ernstig, en iedereen trok een streep, iedereen ging verder. (522) Als ik waarlijk mijzelf was De zee is groot en glad, ik vaar in een klein, wit bootje, niemand, niemand om mij heen. Maar ik weet: als ik waarlijk mijzelf was voeren er galjoenen achter mij, triremen en snelle fregatten - pijlen, kogels floten langs mijn oren, troffen mij. Als ik waarlijk mijzelf was verbrandde ik ze, de galjoenen, de triremen en alle andere schepen, en voer ik verder in een klein wit bootje, licht gewond en enigszins van pijn vertrokken mijn gezicht, over de grote gladde zee, niemand, niemand om mijn heen. (547) We denken De zee is blauw, de hemel groot en geheimzinnig. In de verte rotsen. We denken dat daar de Sirenen zijn. We denken dat we bevelen geven, dat we dat kunnen. We denken dat we ons laten vastbinden aan een mast. De Sirenen zingen. We denken dat we worstelen, dat we moeten worstelen, dat we roepen: maak me los! nu! (551) Nou en? We klimmen over het hek heen. We graven. We graven verbeten. We vinden goud. Goud! Goud! Maar wat kan goud ons eigenlijk schelen? (566) Voorwaarden waaraan een gedicht moet voldoen Het moet pijnlijk zijn: altijd, hoe dan ook. Ik moet het er nooit mee eens zijn. Met een lantaarn en een vergrootglas moet ik - op mijn knieën en vervolgens op mijn buik - de logica zoeken, die het telkens laat vallen. (585) Zo wil ik denken ik wil vijandige gedachten die mijn gedachten terugdringen, verwonden, decimeren, ik wil in de as gelegde begrippen en onder de voet gelopen ideeën, ik wil dat mijn gedachten verloren zijn, maar koortsachtig nog plannen smeden - noodlottige plannen, wonderschone plannen - zo wil ik denken zolang ik denken kan. (593) Een hand Er verscheen een hand aan de hemel. Iedereen keek omhoog. Het is heel goed mogelijk dat het zomaar een hand was die iemand had weggegooid en die toevallig in een opstijgende luchtstroom terecht was gekomen. En anders is er wel een andere verklaring die aannemelijk is. Een vinger wees naar ons. Maar dat kan alles, letterlijk alles betekenen. (599) Mis Een man sloeg mis, en hij sloeg opnieuw mis en opnieuw, hij sloeg voortdurend mis, hij sloeg altijd mis. [...] Nu sla ik raak, dacht hij telkens weer, nú, nú. (604) Muurtje Mensen denken en bouwen al denkend een muurtje tussen hier en daar. [...] Als het muurtje af is gaan ze ervoor staan en roepen: 'We zijn hier! We zijn allemaal hier!' Ze wachten, ze houden een hand achter hun oor. Een mus trippelt op het muurtje heen en weer. Verder is het stil. Dan trappen ze ertegen - zo hard als ze kunnen. Ze dansen van pijn - dat muurtje! dat verschrikkelijke muurtje! (621) Geen verschil Voor doodslaan en gelukkig zijn en schromen en weifelen en in een afgrond vallen en ontkennen en schuldig zijn en koortsachtig zoeken naar waarheid, schoonheid maakt vrijheid geen verschil. (633) uit de dichtbundel ...mnopq..., Toon Tellegen, 2005: De rede Met gevaar voor eigen leven verkondigen filosofen de terugkeer van de rede, de rede die over mij zal vaardig worden... [...] maar ik wil niet denken, ik wil weten, ik wil weten hoe ik mij omdraai en wegga en binnen de kortste keren mijn verstand verlies. |
