(klik op ▼, ► om in / uit te klappen)

Citaten daoïsme

Opdracht

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?
En mijn even oude vader: Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.
Ik zei: Ik begrijp precies wat je bedoelt.

Deze website draag ik op aan iedereen die het net als ik, om wat voor reden dan ook, niet meer weet - in het bijzonder aan mijn moeder die op 25 juli 2011 en mijn vader die op 21 april 2012 ook het niet weten voorgoed achter zich lieten.

Disclaimer

Citaten op deze website zijn over het algemeen niet representatief voor de auteur of het werk in kwestie.

Ik ben het nergens mee eens of oneens, ook hiermee niet. Ik erken of ontken niets, ook dit niet. Dat geldt niet alleen voor de citaten maar ook en vooral voor alles wat gezegd moest blijven in mijn dwaalteksten.

Tellegen, Toon



Verlichting voor dummy'sCitatenCultuur > Toon Tellegen

Deze pagina: Gedichten over niet weten van Toon Tellegen.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
Alle titels op deze pagina zijn van Tellegen zelf.




Fragmenten uit Gedichten 1977 - 1999, 2001:

Ik ben niet wie ik ben
In het stadion buigen honderdduizend filosofen deemoedig hun filosofische hoofden.
'Ik ben niet wie ik ben!' roept de heiland in zijn hemd.
Een licht gaat hun op. (27)

Ik spring voor mezelf
Ik ben een trein,
door flarden mist en over natte kiezels.
Ik spring voor mezelf
en ik rijd fluitend door. (47)

Een kraai van lucht
Ik schreef eens op papier van lucht
en alles wat ik schreef was lucht, en alles wat ik dacht,
en toen ik naar buiten keek zag ik een kraai van lucht (107)

In minder dan één stap
Ik begon te lopen, ik had nog nooit één voet verzet,
en ik liep en ik liep.
Toen keerde ik op mijn schreden terug
in minder dan één stap. (108)

Toen ik mij vooroverboog
En toen ik mij vooroverboog
om iets te zien
was er iets dat tussenbeide kwam -
ik kon het niet goed zien, hoe ver ik mij ook vooroverboog -
en de zon ging onder,
terwijl ik mij steeds verder en verder vooroverboog
om iets te zien. (116)

Streep eronder
Soms neem ik mij voor om ergens een streep onder te zetten,
maar ik weet niet waaronder
[...]
dan denk ik dat alles zo zal blijven als het altijd is,
maar ik weet niet hoe alles altijd is (133)

Noemt u maar iets
als u heel stil bent kunt u uzelf nu horen
luister
mijn god wat schreeuwt u mooi
u bent heel groot
of wilt u zich liever vergissen in uzelf
en zoudt u eindelijk eens iets willen weten
noemt u maar iets! (136)

Alle kanten uit
Ik liep alle kanten uit,
verloor mijzelf al spoedig uit het oog,
kwam ergens aan, stond stil
en ging toevallig juist naar binnen
toen ik daar juist naar buiten kwam. (140)

Doorwaadbaar
Er is een doorwaadbare plaats in mij.
[...]
Waad, waad maar door, tot je zelf doorwaadbaar wordt. (143)

Dat zegt me niets
Ik zat onder een boom, ontmoette de dood,
die iets verklaarde en spoedig uitgepraat zijn weg weer ging.
Ik zei hem niets, zei hij.
'Maar ik ben echt,' zei ik.
Dat zei hem nog minder, zei hij.
'Is er wel iets dat u wat zegt? riep ik.
Hij dacht van niet, riep hij (148)

Wij vergaten onze vragen
Wij reden door grijze valleien,
bereikten een dorp.
Daar zagen wij onszelf door de straten gaan,
wij tikten op de ramen,vroegen iedereen wie wij waren
en iedereen dacht na.
Toen vergaten wij onze vragen. (200)

Ik...
Na de storm
sprak ik niet meer tegen mijzelf,
besloot mijzelf volkomen te vergeten.
Soms begon ik nog gedachteloos met 'Ik...',
hield mijn adem in,
sprak niet verder meer. (234)

Ik val
Ik val
en denk al vallend na.
Zal ik nog iets roepen, iets van het allergrootst belang
dat onweerstaanbaar zal weerkaatsen
tegen een overkant?
En zal ik nog iets meeslepen in mijn val?
Ruw en onverwachts?
Of val ik nergens langs?
[...]
De zon gaat op,
de grond verschijnt.
Nadenkend val ik verder. (252)

Nooit!
'Ik ben nooit wie ik ben! Nooit!' riep ik.
Dát wist ik tenminste zeker, nat van regen
langs een watergracht.
'Wie ben je dan?' riep iemand terug. (256)

Niemand
Ik werd geboren
en iemand kwam aansjokken, zette een ladder
tegen mij aan en klom naar boven
met op zijn rug mijn ziel en mijn gedachten.
Het begon te regenen
en hij sprong naar benden, holde weg
[...]
De zon verscheen,
maar er klom niemand meer naar boven,
niemand legde uit hoe ik mijn gedachten
moest gebruiken,
niemand bracht schaduw,
niemand haalde de ladder weg,
niemand zei dat er niemand meer zou komen. (332)

Muur
Er is een muur aan de rand van mijn gedachten.
Soms, als ik heel goed kijk, zie ik mijzelf
over die muur heen klimmen,
haastig,
langs aan elkaar geknoopte lakens,
aandoenijk.
Alsof ik iets besef.
Heel klein en heel ver weg. (345)

Ik ben de duisternis
Er zijn honderden goden [...]
en er is één mens,
die met stijf dichtgeknepen ogen,
zijn vingers in zijn oren,
zijn hoofd omlaag,
op het puntje van zijn stoel
halsstarrig gilt:
'Ik ben het licht! Ik ben de duisternis!' (425)

Streep
Ik trok een streep:
tot hier,
nooit ga ik verder dan tot hier.
Toen ik verder ging
trok ik een nieuwe streep,
en nog een streep.
De zon scheen
en overal zag ik mensen,
haastig en ernstig,
en iedereen trok een streep,
iedereen ging verder. (522)

Als ik waarlijk mijzelf was
De zee is groot en glad,
ik vaar in een klein, wit bootje,
niemand, niemand om mij heen.
Maar ik weet: als ik waarlijk mijzelf was
voeren er galjoenen achter mij,
triremen
en snelle fregatten -
pijlen, kogels floten langs mijn oren,
troffen mij.
Als ik waarlijk mijzelf was verbrandde ik ze,
de galjoenen, de triremen
en alle andere schepen,
en voer ik verder in een klein wit bootje,
licht gewond
en enigszins van pijn vertrokken mijn gezicht,
over de grote gladde zee,
niemand, niemand om mijn heen. (547)

We denken
De zee is blauw, de hemel groot en geheimzinnig.
In de verte rotsen.
We denken dat daar de Sirenen zijn.
We denken dat we bevelen geven, dat we dat kunnen.
We denken dat we ons laten vastbinden aan een mast.
De Sirenen zingen.
We denken dat we worstelen,
dat we moeten worstelen,
dat we roepen: maak me los! nu! (551)

Nou en?
We klimmen over het hek heen.
We graven.
We graven verbeten.
We vinden goud.
Goud! Goud!
Maar wat kan goud ons eigenlijk schelen? (566)

Voorwaarden waaraan een gedicht moet voldoen
Het moet pijnlijk zijn:
altijd, hoe dan ook.
Ik moet het er nooit mee eens
zijn.
Met een lantaarn en een vergrootglas moet ik -
op mijn knieën en vervolgens op mijn buik -
de logica zoeken,
die het telkens laat vallen. (585)

Zo wil ik denken
ik wil vijandige gedachten
die mijn gedachten terugdringen, verwonden,
decimeren,
ik wil in de as gelegde begrippen en onder de voet gelopen ideeën,
ik wil dat mijn gedachten verloren zijn,
maar koortsachtig nog plannen smeden -
noodlottige plannen, wonderschone plannen -
zo wil ik denken
zolang ik denken kan. (593)

Een hand
Er verscheen een hand aan de hemel.
Iedereen keek omhoog.
Het is heel goed mogelijk dat het zomaar een hand was
die iemand had weggegooid
en die toevallig in een opstijgende luchtstroom terecht was gekomen.
En anders is er wel een andere verklaring die aannemelijk is.
Een vinger wees naar ons.
Maar dat kan alles, letterlijk alles betekenen. (599)

Mis
Een man sloeg mis,
en hij sloeg opnieuw mis
en opnieuw,
hij sloeg voortdurend mis,
hij sloeg altijd mis.
[...]
Nu sla ik raak, dacht hij telkens weer,
nú, nú. (604)

Muurtje
Mensen denken
en bouwen al denkend een muurtje tussen hier en daar.
[...]
Als het muurtje af is gaan ze ervoor staan
en roepen:
'We zijn hier! We zijn allemaal hier!'
Ze wachten,
ze houden een hand achter hun oor.
Een mus trippelt op het muurtje heen en weer.
Verder is het stil.
Dan trappen ze ertegen - zo hard als ze kunnen.
Ze dansen van pijn -
dat muurtje! dat verschrikkelijke muurtje! (621)

Geen verschil
Voor doodslaan en gelukkig zijn en schromen
en weifelen
en in een afgrond vallen
en ontkennen en schuldig zijn
en koortsachtig zoeken naar waarheid, schoonheid
maakt vrijheid geen verschil. (633)



uit de dichtbundel ...mnopq..., Toon Tellegen, 2005:

De rede
Met gevaar voor eigen leven
verkondigen filosofen de terugkeer van de rede,
de rede die over mij zal vaardig worden...
[...]
maar ik wil niet denken,
ik wil weten,
ik wil weten hoe ik mij omdraai
en wegga
en binnen de kortste keren mijn verstand verlies.