Verlichting voor dummy's > Het verstand > Regressie Deze pagina: Dwaalteksten over logica, vicieuze cirkels en oneindige regressie. Auteur: Hans van Dam. Deze website: NIET-WETEN.NL. KnettergekLeerling: Ben ik nou iemand of ben ik nou niemand?Meester: Ik zie het verschil niet. Leerling: Waartussen niet? Meester: Tussen het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent. Leerling: Bedoelt u dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent? Meester: Ik zie het verschil niet. Leerling: Waartussen niet? Meester: Tussen het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent. Leerling: Bedoelt u dat de waarheid voorbij de woorden is? Meester: Ik zie het verschil niet. Leerling: Waartussen niet? Meester: Tussen het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent en het verhaal dat de waarheid voorbij de woorden is. Leerling: Bedoelt u dat het allemaal een uitdrukking van het ene is? Meester: Ik zie het verschil niet. Leerling: Waartussen niet? Meester: Tussen het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent en het verhaal dat de waarheid voorbij de woorden is en het verhaal dat alles een uitdrukking van het ene is. Leerling: Bedoelt u dat je nooit achter de verhalen kunt kijken? Meester: Ik zie het verschil niet. Leerling: Waartussen niet? Meester: Tussen het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent en het verhaal dat de waarheid voorbij de woorden is en het verhaal dat alles een uitdrukking van het ene is en het verhaal dat je nooit achter de verhalen kunt kijken. Leerling: Bedoelt u dat het allemaal maar verhalen zijn? Meester: Ik zie het verschil niet. Leerling: Waartussen niet? Meester: Tussen het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent en het verhaal dat de waarheid voorbij de woorden is en het verhaal dat alles een uitdrukking van het ene is en het verhaal dat je nooit achter de verhalen kunt kijken en het verhaal dat het allemaal maar verhalen zijn. Leerling: Bedoelt u dat er geen verhaal is? Meester: Ik zie het verschil niet. Leerling: Waartussen niet? Meester: Tussen het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent en het verhaal dat de waarheid voorbij de woorden is en het verhaal dat alles een uitdrukking van het ene is en het verhaal dat je nooit achter de verhalen kunt kijken en het verhaal dat het allemaal maar verhalen zijn en het verhaal dat er geen verhaal is. De leerling zwijgt. Meester: Is er wat? Leerling: Wat valt er nog te zeggen? Meester: Ik zie het verschil niet. Leerling: Waartussen niet? Meester: Tussen het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent en het verhaal dat de waarheid voorbij de woorden is en het verhaal dat alles een uitdrukking van het ene is en het verhaal dat je nooit achter de verhalen kunt kijken en het verhaal dat het allemaal maar verhalen zijn en het verhaal dat er geen verhaal is en het verhaal dat er niets te zeggen valt. Leerling: Bedoelt u dat ook stilte geen adequate expressie van de wijsheid voorbij alle wijsheid is? Meester: Ik zie het verschil niet. Leerling: Waartussen niet? Meester: Tussen het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent en het verhaal dat de waarheid voorbij de woorden is en het verhaal dat alles een uitdrukking van het ene is en het verhaal dat je nooit achter de verhalen kunt kijken en het verhaal dat het allemaal maar verhalen zijn en het verhaal dat er geen verhaal is en het verhaal dat er niets te zeggen valt en het verhaal dat ook stilte geen goede uitdrukking van de wijsheid voorbij alle wijsheid is. Leerling: Bedoelt u dat de hoogste werkelijkheid geen verschil kent? Meester: Ik zie het verschil niet. Leerling: Waartussen niet? Meester: Tussen het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent en het verhaal dat de waarheid voorbij de woorden is en het verhaal dat alles een uitdrukking van het ene is en het verhaal dat je nooit achter de verhalen kunt kijken en het verhaal dat het allemaal maar verhalen zijn en het verhaal dat er geen verhaal is en het verhaal dat er niets te zeggen valt en het verhaal dat ook stilte geen goede uitdrukking van de wijsheid voorbij alle wijsheid is en het verhaal dat de hoogste werkelijkheid geen verschil kent. Leerling: Bedoelt u dat we consequent iedere formulering moeten weigeren? Meester: Ik zie het verschil niet. Leerling: Waartussen niet? Meester: Tussen het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent en het verhaal dat de waarheid voorbij de woorden is en het verhaal dat alles een uitdrukking van het ene is en het verhaal dat je nooit achter de verhalen kunt kijken en het verhaal dat het allemaal maar verhalen zijn en het verhaal dat er geen verhaal is en het verhaal dat er niets te zeggen valt en het verhaal dat ook stilte geen goede uitdrukking van de wijsheid voorbij alle wijsheid is en het verhaal dat de hoogste werkelijkheid geen verschil kent en het verhaal dat we consequent iedere formulering moeten weigeren. Leerling: Volgens mij bent u knettergek! Meester: Ik zie het verschil niet.
Logica
Meester: Wat is logica?Leerling: Een denkmethode. Meester: Wat voor een? Leerling: Een die uit ware premissen ware conclusies afleidt. Meester: O jee. Leerling: O jee? Meester: Waar halen we zo gauw ware premissen vandaan? Leerling: Geen probleem. Meester: Hoezo? Leerling: Ware premissen zijn ware conclusies uit eerdere afleidingen. Meester: Goed gevonden... Leerling: Maar? Meester: Waar halen die hun ware premissen vandaan? Leerling: Uit eerdere afleidingen natuurlijk. Meester: Et cetera? Leerling: Waarom niet. Meester: Eén afleiding moet toch de eerste zijn. Leerling: Dan zullen we de premissen daarvan zonder bewijs aannemen. Meester: Kun je dan niet net zo goed meteen de slotconclusie aannemen? InductieMeester: Wat is inductie?Leerling: Redeneren van het bijzondere naar het algemene. Meester: Bijvoorbeeld? Leerling: Gisteren kwam de zon op, vandaag kwam de zon op, iedere dag komt de zon op. Meester: Op die manier. Leerling: Zo zeker als wat. Meester: Deze zwaan is wit, die zwaan is wit, alle zwanen zijn wit. Leerling: Precies. Meester: Maar er zijn ook zwarte zwanen. Leerling: Hm. Meester: Nou jij weer. Leerling: Alle stenen die ik ooit in de lucht heb gegooid vielen naar beneden, dus deze ook. Hij raapt een steen op, gooit hem in de lucht en, wonder boven wonder, de steen valt terug op aarde. De meester trekt aan de vlasbaard van de leerling en zegt: Gisteren had ik geen baardgroei, vandaag heb ik geen baardgroei dus morgen zal ik ook geen baardgroei hebben. Leerling: Hm. Meester: Inductie is niet te rechtvaardigen. Leerling: Toch wel. Meester: Hoe dan? Leerling: Doordat het werkt. Meester: Gisteren werkte het, vandaag werkt het dus morgen zal het weer werken. Leerling: Precies! Meester: Maar dat is opnieuw inductie. Leerling: Hm. De wet van de uitgesloten derdeLeerling: Iets is hetzij waar, hetzij onwaar.Meester: Hoezo? Leerling: Dat moet wel. Meester: Waarom? Leerling: Dat is logisch. Meester: Alleen in een tweewaardige logica. Leerling: Die bedoel ik! Meester: Maar hoe weet je wanneer die van toepassing is? Leerling: Die is altijd van toepassing. Meester: En niet een driewaardige? Een vierwaardige? Fuzzy logica? Modale logica? Preferentiële logica? Paraconsistente logica? Ik noem maar wat. De leerling zwijgt. Meester: Waarom zou iets niet half waar kunnen zijn? Min of meer waar? Nu eens waar en dan weer onwaar? Waar voor mij en voor jou onwaar? Onbepaald? Onbepaalbaar? Waar noch onwaar? Waar en onwaar in verschillende opzichten? Waar en onwaar in hetzelfde opzicht? Voorbij waarheid en onwaarheid? Ik noem maar wat. De leerling zwijgt nog wat. Meester: Met behulp van welke logica moeten we vaststellen welke logica we moeten toepassen? De leerling kijkt hem ongelukkig aan. Meester: Of is dat geen kwestie van logica? Leerling: Ik weet het niet, meester. Meester: Ik ook niet, jongen. De wet van non-contradictieLeerling: Kent u de wet van non-contradictie?Meester: Een stelling kan niet tegelijk waar en onwaar zijn? Leerling: Die bedoel ik. Meester: Geef eens een voorbeeld. Leerling: De zon kan niet tegelijk op en onder zijn. Meester: En dat zou een wet zijn? Leerling: Volgens mijn logicaboek wel. Meester: Staat er ook een bewijs bij? Leerling: Nou nee. Meester: Dat komt omdat het geen wet is maar een postulaat. Leerling: Een wat? Meester: Een vertrekpunt voor een logische redenering. Leerling: O. Meester: Bedenk eens een redenering op grond van de wet van non-contradictie. Leerling: De zon kan niet tegelijk op en onder zijn. De zon is op. Daarom is de zon niet onder. Meester: Op voorwaarde dat de wet van non-contradictie van toepassing is. Leerling: Die is altijd van toepassing. Meester: Spruitjes zijn lekker én vies. Leerling: Oké, maar dat is een kwestie van smaak. Meester: Landbouwgif is nuttig én schadelijk. Leerling: Meningen verschillen. Meester: Een zakdoek voor een mens is een laken voor een kabouter. Leerling: Grootte is een relatief begrip. Meester: Kanker is slecht voor de patiënt maar goed voor het ziekenhuis. Leerling: Dat is appels met peren vergelijken. Meester: Als de zon halverwege de kim staat is hij op noch onder. Leerling: Dat is een kwestie van definitie. Meester: Als de zon net achter de horizon verdwenen is, zien we hem door het lenseffect van de atmosfeer toch nog aan de horizon staan. Leerling: Dat is een optische illusie. Meester: Geef dan eens een ondubbelzinnig voorbeeld. Leerling: Iets kan niet tegelijk hier en daar zijn. De meester wijst naar het hoofd en de hand van de leerling en zegt: Je lichaam is hier én daar. De leerling zwijgt. Na een poosje zegt de leerling: Ik kom heus wel op een goed voorbeeld. Na een poosje zegt de meester: Blijf je erbij dat de wet van non-contradictie altijd van toepassing is? Leerling: Niet altijd misschien. Meester: Wat heb je er dan aan? Leerling: Als hij van toepassing is... Meester: Maar hoe weet je dat? Leerling: Wat is het alternatief? Meester: De wet van contradictie? De wet van toereikende grondMeester: Zou je in een chaotisch universum inductief durven redeneren?Leerling: Natuurlijk niet. Meester: Waarom niet? Leerling: Iedere schijn van orde zou toeval zijn. Meester: En dat is in dit universum niet het geval? Leerling: Kent u de wet van toereikende grond? Meester: De wat? Leerling: Nee, de wet. Meester: Hoe luidt die? Leerling: Alles heeft een oorzaak dus alles is verklaarbaar. Meester: Met andere woorden, het universum is geordend? Leerling: Als dat geen basis voor inductie is... Meester: Maar hoe weet je dat de wet van toereikende grond geldig is? Leerling: Dat merk je iedere minuut. Meester: Gisteren ging de zon op, vandaag ging de zon op, morgen zal de zon opgaan? Leerling: Precies. De meester schudt zijn hoofd. Leerling: Wat? Meester: Dat is een cirkelredenering. Leerling: Hoezo? Meester: Eerst doe je een beroep op de wet van toereikende grond om inductie te rechtvaardigen, dan doe je een beroep op inductie om de wet van toereikende grond te rechtvaardigen. Leerling: Dus u wilt zeggen... Meester: Dat er geen toereikende grond is... Leerling: Voor het principe van toereikende grond. Meester: Of wel soms? SyllogismenLeerling: Wat is een syllogisme?Meester: Een redeneervorm. Leerling: Kunt u een voorbeeld geven? Meester: Alle mensen hebben hersenen, Aristoteles is een mens dus Aristoteles heeft hersenen. Leerling: Geen speld tussen te krijgen. Meester: Gesteld dat alle mensen hersenen hebben. Leerling: Daar zegt u me wat. Meester: Het was eerder een vraag. Leerling: Daar vraagt u me wat. Meester: Zuiver retorisch. Leerling: Wie heeft het syllogisme uitgevonden? Meester: Aristoteles. Leerling: Wat had hij ermee voor? Meester: De geldigheid van redeneringen waarborgen. Leerling: Knap werk! Meester: Ik pas in mijn poncho, mijn poncho past in mijn broekzak dus ik pas in mijn broekzak. Je weet niet wat je zegtMeester: Je weet niet wat je zegt.Leerling: Ik weet precies wat ik zeg. Meester: Niet bij benadering. Leerling: En als ik twijfel, pak ik het woordenboek. De meester reikt hem de Dikke van Dale. Meester: Wat is een woordenboek? De leerling slaat het woordenboek open en citeert: Boek waarin woorden (met opgave van bepaalde grammaticale kenmerken) en de vaste verbindingen waarin ze gebruikt worden, met hun betekenis (in alfabetische volgorde) zijn opgenomen. Meester: Wist je dat? Leerling: Zo ongeveer. Meester: Niet precies? Leerling: Och. Meester: Het eerste woord van de definitie van woordenboek is boek. Wat is een boek? De leerling zoekt het op en citeert: 1. (Als voorwerp) geheel van een aantal bedrukte of beschreven bladen van papier, perkament of andere stof, een geschrift over enig onderwerp bevattende, met name zulk een uit gevouwen en samengenaaide vellen, bedrukt papier bestaand geheel, al of niet in een band gebonden. 2. Letterkundig werk, verhandeling, beschrijving enzovoort, in zulk een samenstel van bladen neergelegd en gepubliceerd. 3. Een geheel van denkbeelden, voorstellingen, ervaringen enz. waarin men als ’t ware kan lezen. 4. Hoofdafdeling van een enigszins uitgebreid letterkundig werk, m.n. in de bijbel. 5. Een aantal bladen wit, veelal gelinieerd papier, ingebonden en bestemd om er aantekeningen in te schrijven. 6. naam voor een bepaalde hoeveelheid. 7. Portefeuille. 8. (Als verkorting van) boekpens. Meester: Wist je dat? Leerling: Nou... Meester: Het wordt een lange dag. Terug naar de definitie van woordenboek. Derde woord: woord. Wat is een woord? De leerling zoekt het op en citeert: 1. Het kleinste geheel van spraakgeluiden dat op zichzelf een betekenis heeft en als zelfstandig taalelement gebruikt wordt. 2. De tekst van een lied. 3. De zichtbare (geschreven, gedrukte) voorstelling van het genoemde taalelement als samenstel van letters. 4. Wat gezegd, meegedeeld, verteld wordt (ook in collectieve zin). 5. Boos woord. 6. Het uiten van woorden, het spreken (meestal in een bepaald verband). 7. Erewoord. 8. Wachtwoord. Meester: Wist je dat? Leerling: Niet met zoveel woorden. Meester: Terug naar de definitie van woordenboek. Vijfde woord. Wat is een opgave? De leerling slaat met een klap het woordenboek dicht en geeft het terug aan de meester. Leerling: Ik geef het op. Meester: Nu al? Leerling: Ja. Meester: Waarom? Leerling: Ik begrijp wat u bedoelt. Meester: O ja? Leerling: Ik weet niet wat ik zeg. Meester: Eerste woord. Wat is ik? DefiniërenLeerling: Wat is definiëren?Meester: Eén onbekend woord vervangen door tien. BewijzenLeerling: Wat is bewijzen?Meester: Onweerlegbaar afleiden uit onbewezen premissen. LegitimerenMeester: Wat is legitimeren?Leerling: Een stelling bewijzen met een beroep op een autoriteit zoals de bijbel, god, een expert, een beroemdheid of de wetenschap. Meester: Hoe legitimeert een autoriteit zichzelf? Leerling: Met een beroep op een hogere autoriteit. Meester: En de hoogste autoriteit? Leerling: Die hoeft zich niet te legitimeren. Meester: Waarom niet? Leerling: Omdat zij de hoogste autoriteit is. Meester: Wie zegt dat? Leerling: Dat moeten we aannemen. Meester: Zonder bewijs? Leerling: Zonder bewijs. Meester: Kun je dan niet net zo goed meteen de oorspronkelijke stelling aannemen? AntwoordLeerling: Wat is een antwoord?Meester: Aanleiding tot nieuwe vragen. OorzaakLeerling: Wat is een oorzaak?Meester: Iets dat men wél zonder meer meent te mogen aannemen. Ignotum per ignotius
Leerling: Wat is verklaren?Meester: Het herleiden van het onbekende tot het onbekendere. Leerling: Wat is verklaren? Meester: Het bijzondere onbekende herleiden tot het algemene onbekende. Obscurum per obscurius
Leerling: Wat is begrijpen?Meester: Het herleiden van het duistere tot het duisterdere. In wezenPunt en lijnEen punt is een lijn zonder lengte, dus een punt is in wezen een lijn. Een lijn kun je trekken met een punt, dus een lijn is in wezen een punt. Lijn en vlak Een lijn is een vlak zonder breedte, dus een lijn is in beginsel een vlak. Een vlak kun je trekken met een lijn, dus een vlak is in beginsel een lijn. Vlak en ruimte Een vlak is een ruimte zonder hoogte, dus een vlak is in de grond een ruimte. Een ruimte kun je trekken met een vlak, dus een ruimte is in de grond een vlak. Punt en vlak Een punt is een vlak zonder lengte of breedte, dus een punt is in essentie een vlak. Een vlak kun je trekken met een lijn getrokken met een punt, dus een vlak is in essentie een punt. Lijn en ruimte Een lijn is een ruimte zonder breedte of hoogte, dus een lijn is in principe een ruimte. Een ruimte kun je trekken met een vlak getrokken met een lijn, dus een ruimte is in principe een lijn. Punt en ruimte Een punt is een ruimte zonder lengte, breedte of hoogte, dus een punt is in wezen een ruimte. Een ruimte kun je trekken met een vlak getrokken met een lijn getrokken met een punt, dus een ruimte is in wezen een punt. De achterste stoel
Leerling: Als je naar een
spannende film kijkt, besef je soms ineens: het is niet echt. Het is
maar een film. Dan kun je ontspannen en met des te meer genoegen naar
die film kijken.De meester knikt. Leerling: Zo is het ook met het leven. Meester: Het leven is een film? De leerling knikt. Meester: En jij zit ernaar te kijken? Leerling: Ik zit te kijken naar een film met mij in de hoofdrol. Ik identificeer me met de hoofdrolspeler. Maar eigenlijk ben ik alleen maar een toeschouwer. Meester: En alleen de toeschouwer is echt? De leerling knikt. Meester: Mooie film. Leerling: Wat? Meester: Je hebt zojuist het scenario geschreven van een film over iemand die naar een film over zichzelf zit te kijken en zich identificeert met de toeschouwer. Leerling: Verdomd! Meester: Een film over het zien van een film Leerling: Dan zou het leven dus het zien van een film over het zien van een film zijn? De meester haalt zijn schouders op. Leerling: Goede genade! Meester: En dit gesprek over het zien van een film over het zien van een film? Leerling: Wat is daarmee? Meester: Is dat echt? Leerling: Verdomd! Meester: Wat is het dan wel? Leerling: Een film over het zien van een film over het zien van een film? De meester haalt zijn schouders op. Leerling: Daarmee wordt het leven het zien van een film over het zien van een film over het zien van een film! De meester glimlacht. Leerling: Het begint me een beetje te duizelen. Stilte. Dan begint de leerling te knikken. Meester: Wat? Leerling: Hoe ver je je ook terugtrekt, je laatste stap zal zich altijd voordoen als de achterste stoel, de hoogste realiteit, het enige ware perspectief. De meester veert op en zegt: Ik geloof zowaar dat je het door begint te krijgen. Leerling: De vraag is dus, hoe ontsnappen we aan de achterste stoel? De meester zakt terug en zegt: Te vroeg gejuicht. Leerling: Hoezo? Meester: Vanwege je theorie van de achterste stoel. Leerling: Ik snap het niet. Meester: Je hebt meteen weer plaatsgenomen. Je zit daar alweer prinsheerlijk gelijk te hebben. Leerling: Verdomd! De meester haalt zijn schouders op. Stilte. De leerling slaat met zijn vuist op tafel. Leerling: Nu heb ik het! Meester: Wel? Leerling: Het komt er simpelweg op aan nooit meer te gaan zitten! De meester glimlacht meewarig. De leerling springt op en steekt zijn armen in de lucht. Hij juicht: En dat is alles! De meester kijkt naar de leerling die boven hem uittorent en zegt fijntjes: Zit je lekker? Trechter- en kokerdenkenHet herleiden van meerdere onbegrepen verschijnselen tot één onbegrepen principe, concept, hypothese of verklaring, noem ik trechterdenken. De theorie van de zwaartekracht is een voorbeeld van trechterdenken, evenals de evolutieleer, evenals het atomisme.Iedere keer als iemand zegt dat iets "eigenlijk" iets anders is, hanteert hij de trechter. Volgens de fysicus is scheikunde "eigenlijk" natuurkunde. Volgens de chemicus is fysiologie "eigenlijk" scheikunde. Volgens de fysioloog is biologie "eigenlijk" fysiologie. Volgens de bioloog is psychologie "eigenlijk" biologie. Volgens Freud is kunst "eigenlijk" een sublimatie van de oerdrift. Volgens het materialisme is alles "eigenlijk" stof. Volgens het idealisme is alles "eigenlijk" bewustzijn. Volgens de advaita vedanta zoekt iedereen "eigenlijk" blijvend geluk en ligt aan elk verlangen "eigenlijk" het verlangen naar verlangenloosheid ten grondslag. Volgens het boeddhisme is alles "eigenlijk" leeg. Volgens zen is alles "eigenlijk" geest. Volgens de mystiek is de mens "eigenlijk" God. Volgens het universalisme zijn leegte, geest en God "eigenlijk" verwijzingen naar het Onzegbare. Wetenschap is het prototype van trechterdenken, zou je haast denken, ware het niet dat het opvatten van wetenschap als een prototype van trechterdenken zelf weer een voorbeeld van trechterdenken is. Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor mystiek, zen, boeddhisme, non-dualisme, idealisme, materialisme, universalisme, psychoanalyse enzovoort. De mond van de trechter afzagen en de wereld door het resterende kokertje bekijken, leidt tot kokervisie. Het denken dat getuigt van kokervisie noem ik kokerdenken. Wie meent dat iedere visie een kokervisie is, heeft zelf last van kokervisie, en wie meent dat alle denken kokerdenken is, is zelf een kokerdenker. Het trilemma van Agrippa*Volgens sceptici kun je een stelling S "eigenlijk" maar op twee manieren rechtvaardigen:1. Door botweg te stellen dat het nou eenmaal zo is: S want S. 2. Door een beroep te doen op een onderliggende stelling, S', waaruit S langs logische weg dwingend wordt afgeleid. Ad 1 Te zeggen dat het nou eenmaal zo is - S want S - heet dogmatisme; de bewering "S want S" heet een tautologie. Meestal doet de dogmaticus een beroep op het gezond verstand. S heet dan vanzelfsprekend of zelf-evident te zijn. Ad 2 Wie een beroep doet op een onderliggende stelling S' verschuift het probleem. Gevraagd naar een rechtvaardiging van S' zal hij zich opnieuw moeten beroepen op een onderliggende stelling S'', en zo voort. Deze terugtrekkende beweging heet regressie. Hiervan bestaan drie soorten: 1. Eindige regressie 2. Circulaire regressie 3. Oneindige regressie Ad 1 Ingeval van een eindige regressie stop je na een eindig aantal unieke stellingen, waarvan de laatste alle anderen draagt terwijl zij zelf ongerechtvaardigd blijft. Iemand die gelooft dat een dergelijke stapsgewijze herleiding van een stelling tot een onbetwijfelbare vanzelfsprekendheid mogelijk is, en voldoende rechtvaardiging biedt, heet een fundamentist - een aanhanger van het fundamentisme. Zelfevidentie - S want S - kun je opvatten als de kortst denkbare eindige regressie, met een lengte van 1. Ad 2 Het kan ook zijn dat je achteruit redenerend na een of meer stappen op een stelling stuit waarop je je eerder ook al hebt moeten beroepen, zodat er een cirkelredenering ontstaat. Iemand die gelooft dat de hechte, vicieuze samenhang van een groep uitspraken voldoende rechtvaardiging biedt voor iedere uitspraak afzonderlijk, heet een coherentist - een aanhanger van het coherentisme. Zelfevidentie - S want S - kun je opvatten als de kleinst mogelijke cirkelredenering, met een lengte van 1. Ad 3 Het kan ook zijn dat je almaar achteruit blijft redeneren. Hierdoor ontstaat - althans in theorie - een oneindige regressie. Wie gelooft dat een in principe oneindige regressie voldoende rechtvaardiging biedt voor een uitspraak, heet een infinitist - een aanhanger van het infinitisme. Ben je van mening dat dogmatisme, fundamentisme, coherentisme en infinitisme onvoldoende rechtvaardiging bieden voor welke stelling dan ook, dan ben je een scepticus - een aanhanger van het scepticisme. Het trilemma van Agrippa vat het probleem van het rechtvaardigen van een uitspraak puntig samen. Volgens Agrippa moet je kiezen uit drie kwaden: dogmatisme, een cirkelredenering of een oneindige regressie. Niet weten verondersteld niet dat je moet kiezen uit drie kwaden, of uit minder dan drie, of uit meer dan drie, of dat je moet kiezen, of dat je kunt kiezen, of dat je niet kunt kiezen. Het is niet te herleiden tot fundamentisme, coherentisme, infinitisme of scepticisme. Het stelt niets, zelfs niet dat er niets te stellen valt, en geeft geen instructies, zelfs niet dat je niet moet instrueren. Niet weten is niet dogmatisch, niet anti-dogmatisch en niet a-dogmatisch. Niet dat ik weet. * geloof het of niet, maar geen van de begrippen in dit stukje is door mij bedacht BewijsbaarheidLeerling: Als we niks kunnen bewijzen kunnen we net zo goed ophouden.Meester: Kun je dat bewijzen? Leerling: Als we niks kunnen bewijzen kunnen we net zo goed ophouden. Meester: Als we niks kunnen bewijzen kunnen we net zo goed doorgaan. OngelofelijkTwee meesters maken een ommetje.Zegt de ene: Sommige mensen geloven nog steeds dat de aarde plat is! Zegt de andere: Sommigen geloven nog steeds dat de aarde rond is! Zegt de ene: Sommigen geloven nog steeds dat je iets moet geloven! Zegt de andere: Sommigen geloven nog steeds dat je niets moet geloven! Hoofdschuddend lopen ze verder. Regressie, regressor, grond, grondeloosOnder regressie versta ik het eenmalig of achtereenvolgens
herleiden van een
doorgaans bijzondere zaak, de regressor (bijvoorbeeld een begrip, bewering, bewijs, interpretatie,
oorzaak of verklaring) tot een gelijksoortige en doorgaans algemenere
zaak.Wanneer een regressie na een of meer achterwaartse stappen doodloopt in een beginpunt - een eerste oorzaak, een laatste zin, een hoogste doel, een diepste betekenis, een universele wet, een theorie van alles, een absolute autoriteit, een hoogste werkelijkheid, een ultieme waarheid, een basiswaarde - dan spreken we van een eindige regressie, anders van een oneindige regressie. Datgene waarin een eindige regressie ten einde loopt, noemen we de grond van de regressor. Zodra je vaste grond onder je voeten hebt, is het probleem waarvoor je je gesteld zag, namelijk het funderen van kennis, opgelost. Tot die tijd schuif je het probleem alleen maar voor je uit en ben je grondeloos. RegressievragenVoorbeelden van regressievragen zijn:
Regressieleer, regressieprobleem, regressie-argumentRegressieleer is het kentheoretisch
dogma dat ieder
gezag - god, paus, kerk, bijbel, wetenschap, empirie,
verstand, opleiding, intuïtie, ervaring - waarop je je beroept om
iets (een daad, een maatregel, een stelling) te rechtvaardigen,
op zijn beurt autorisatie behoeft, zonder einde,
zodat je nooit ook maar de geringste zekerheid kunt verkrijgen. Iedere verklaring vraagt immers om een onderliggende verklaring, iedere interpretatie om een hogere interpretatie, ieder principe om een achterliggend principe, et cetera. Wat je ook opvoert, God, de wetenschap, intuïtie, ervaring, ratio, instinct - de vraag vanuit de regressieleer zal altijd zijn: hoe weet je dat die grond onbetwijfelbaar is? Dit obstinate doorvragen, waartegen geen kruid gewassen is, maakt van elke regressie een oneindige regressie die verloren loopt in het ongewisse - tenzij je net als in de wiskunde je toevlucht neemt tot postulaten. Daardoor krijgt kennis echter een hypothetisch karakter en schiet je het doel, het onderbouwen van kennis, alsnog voorbij. Als dit waar is dan geldt het uiteraard ook voor de regressieleer zelf. Als het daarentegen niet voor de regressieleer geldt dan is het in algemene zin niet waar. Dat regressieleer zichzelf kan onderbouwen is daarom al op voorhand uitgesloten. Zij is noodzakelijkerwijs dogmatisch. Zij kan alleen op voorhand, dus zonder enige grond, weigeren een laatste grond te erkennen. Het probleem van het funderen van kennis noem ik het regressieprobleem. Het betoog dat je vanwege het regressieprobleem niets kunt weten, noem ik het regressie-argument. Op mijn startpagina ga ik dieper in op deze kwesties. RegressieanalyseRegressieanalyse is het in kaart brengen van een of andere vorm van regressie, in het bijzonder van de aannames en onderscheidingen die ten grondslag liggen aan een bewering. Regressieanalyse zou je kunnen omschrijven als het afgraven van de ongrond waarop een bewering berust. Of als het begraven van een bewering in zijn eigen ongrond.Omdat achter onderstellingen andere onderstellingen schuil gaan en achter onderscheidingen andere onderscheidingen en zo verder, is een regressieanalyse nooit volledig. Daarom is een eerste aanzet niet minder compleet dan een ver doorgevoerde analyse. Een tekst waarin verslag wordt gedaan van een regressieanalyse noem ik een dwaaltekst. VoorwaardelijkheidOnder voorwaardelijkheid versta ik het voorbehoud dat een bewering, nog los van de vraag of zij waar is, pas waar kan zijn wanneer de onderliggende onderscheidingen geldig en de onderliggende aannames waar zijn. Vanwege het regressieprobleem is nooit met zekerheid vast te stellen of een bewering waar is. Vandaar dat het voorbehoud "eeuwig" is.Voorbeelden van voorwaardelijkheid:
Om de twee soorten voorwaardelijkheid van elkaar te onderscheiden, zou je de boeddhistische variant ontologische voorwaardelijkheid kunnen noemen, en de regressieve epistemologische voorwaardelijkheid. Wat mij betreft zijn het de keerzijden van dezelfde munt. Vanuit metafysische invalshoek kom je uit op ontologische voorwaardelijkheid, vanuit kentheoretische invalshoek op epistemologische voorwaardelijkheid. Als alle beweringen voorwaardelijk zijn, dan uiteraard ook de bewering dat alle beweringen voorwaardelijk zijn. Via regressivaRegressieleer is niet hetzelfde als niet weten, dat immers geen enkele uitspraak doet over wat dan ook, dus ook niet over de grondeloosheid van alle kennis. Uit de 'lege leer' die niet weten is, volgt niets, dus ook geen regressieleer. Omgekeerd volgt de lege leer nergens uit, dus ook niet uit de regressieleer.Meer heb ik over een eventuele via regressiva naar dwijsheid niet te zeggen. Nou doet u het zelfLeerling: Als ik op televisie iemand een mening hoor ventileren, denk ik weleens: die gelooft nog steeds in zijn gedachten!Meester: Net als jij. Leerling: Wat? Meester: Jij gelooft in de gedachte dat je naar iemand zit te kijken die zijn mening ventileert en nog steeds in zijn gedachten gelooft. Leerling: Waar zit ik anders naar te kijken? Meester: Pixels op een beeldscherm. Leerling: Verhip. Meester: Insgelijks. Leerling: Dus eigenlijk ben ik iemand die naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven! Meester: Nou doe je het weer. Leerling: Wat? Meester: Nou geloof je weer in de gedachte dat je eigenlijk iemand bent die naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven. Leerling: Waar zit ik anders naar te kijken? Meester: Beelden in je bewustzijn. Leerling: Verhip. Meester: Insgelijks. Leerling: Dus eigenlijk ben ik iemand die naar beelden in zijn bewustzijn zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven! Meester: Nou doe je het weer. Leerling: Wat? Meester: Nou geloof je weer in de gedachte dat je eigenlijk iemand bent die naar beelden in zijn bewustzijn zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven. Leerling: Waar zit ik anders naar te kijken? Meester: Wie zegt dat je een bewustzijn hebt? Leerling: Verhip. Meester: Insgelijks. Leerling: Dus eigenlijk ben ik iemand die niet eens weet of hij een bewustzijn heeft terwijl hij denkt dat hij naar beelden in zijn bewustzijn zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven! Meester: Nou doe je het weer. Leerling: Wat? Meester: Nou geloof je weer in de gedachte dat je iemand bent die niet eens weet of hij een bewustzijn heeft terwijl hij denkt dat hij naar beelden in zijn bewustzijn zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven. Leerling: Wat is daar mis mee? Meester: Dat je niet eens weet of je bent, bijvoorbeeld. De leerling haalt diep adem en zegt in één keer: Dus eigenlijk weet ik niet eens of ik iemand ben die niet eens weet of hij een bewustzijn heeft terwijl hij denkt dat hij naar beelden in zijn bewustzijn zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven! Meester: Nou doe je het weer. Leerling: Waarom maakt u het mij zo moeilijk? Meester: Om het principe van oneindige regressie te demonstreren dat al het denken aankleeft? Leerling: Nou doet u het zelf! Meester: Vandaar dat vraagteken. Leerling: Verhip. Waarachtig
Zegt de ene meester: Je ontkomt er niet aan je huidige gedachte
te geloven.Zegt de andere: Pas de volgende gedachte kan de huidige weerspreken. Zegt de ene: Maar dan is het al te laat. Zegt de andere: Geloof je dat nou echt? Zegt de ene: Geloof je dat nou echt? Zegt de andere: Geloof je dat nou echt? Zegt de ene: Geloof je dat nou echt? Zegt de andere: Zo komen we niet verder. Zegt de ene: Geloof je dat nou echt? Zegt de andere: Geloof je dat nou echt? Zegt de ene: Geloof je dat nou echt? Zegt de andere: Geloof je dat nou echt? Zegt de ene: Volgens mij zitten we vast. Zegt de andere: Geloof je dat nou echt? Zegt de ene: Geloof je dat nou echt? Zegt de andere: Geloof je dat nou echt? Zegt de ene: Geloof je dat nou echt? Zegt de andere: Eigenlijk is er niets op tegen om je huidige gedachte te geloven. Zegt de ene: Geloof je dat nou echt? Zegt de andere: Geloof je dat nou echt? Zegt de ene: Geloof je dat nou echt? Zegt de andere: Geloof je dat nou echt? Zegt de ene: Zolang je de vorige gedachte maar loslaat. Zegt de andere: Geloof je dat nou echt? Zegt de ene: Geloof je dat nou echt? Zegt de andere: Geloof je dat nou echt? Zegt de ene: Geloof je dat nou echt? Zegt de andere: Hè hè! Zegt de ene: Nou nou! Zegt de andere: Het valt waarachtig niet mee om meester te zijn! Zegt de ene: Geloof je dat nou echt? Zegt de andere: Geloof je dat nou echt? Zegt de ene: Geloof je dat nou echt? Zegt de andere: Geloof je dat nou echt? Bewijsvoering als taalspelEen bewijs kun je zien als een
taalspel waarin je redenerenderwijs vanuit premissen (waarvan de
geldigheid niet ter discussie staat) in een taal (waarvan de geldigheid
niet ter discussie staat) volgens de afleidingsregels van een logica
naar keuze (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat) tot "ware"
uitspraken probeert te komen.Bewijsvoering is in zoverre een spel dat het pas gespeeld kan worden wanneer de spelers het eens zijn over de spelregels die oneindige regressies moeten voorkomen. Zodra iemand de geldigheid van de premissen aanvecht, is het spel uit. Zodra iemand over wil schakelen op een andere logica is het spel uit. Zodra iemand de taal waarvan men zich in de bewijsvoering bedient (natuurlijke taal, formele taal, procedurele taal, enzovoort) ter discussie stelt, is het spel uit. "Waar" is een gegeven uitspraak dus alleen voor degenen die het eens zijn over de spelregels en die alle aannames onderschrijven, dat wil zeggen voor degenen die bereid zijn het spel ten volle te spelen - en alleen voor hen. Zo bezien is waarheid een kwestie van conventie, van consensus, om niet te zeggen van sportiviteit. Waarheid is voor teamspelers; de rest staat buitenspel. Het hoogste spel wordt gespeeld in de wiskunde en de exacte wetenschappen. Daarin wordt relatief de meeste aandacht besteed aan het expliciteren van de postulaten en premissen, de gebruikte woorden en symbolen en de logische afleidingsregels. In de alfa-wetenschappen en de filosofie is eerder sprake van redeneren dan bewijzen, in het openbare debat en het dagelijks leven eerder van overreden dan redeneren. Wat voor spel is niet weten? Een spel van niks zeggen, niet beweren, of althans niet geloven wat je zo nodig schijnt te moeten beweren - dit ook niet. Waar niets beweerd of geloofd wordt, hoeft niets bewezen te worden, ook niet met betrekking tot het bewijzen zelf. Niet weten is een spel van niks. Toch betekent dit niet dat de dwijze geen wiskunde, wetenschap of filosofie kan bedrijven. Wel betekent het dat hij de resultaten daarvan niet ziet als onomstotelijk bewezen, en ook niet als relatief waar binnen het taalspel dat bewijsvoering heet, en ook niet op een andere onveranderlijke, vooringenomen wijze, maar integendeel, vanuit steeds wisselende standpunten, waarvan hij er niet één voor waar of superieur houdt. Deze ook niet. |