(klik op ▼, ► om in / uit te klappen)

Citaten daoïsme

Opdracht

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?
En mijn even oude vader: Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.
Ik zei: Ik begrijp precies wat je bedoelt.

Deze website draag ik op aan iedereen die het net als ik, om wat voor reden dan ook, niet meer weet - in het bijzonder aan mijn moeder die op 25 juli 2011 en mijn vader die op 21 april 2012 ook het niet weten voorgoed achter zich lieten.

Disclaimer

Citaten op deze website zijn over het algemeen niet representatief voor de auteur of het werk in kwestie.

Ik ben het nergens mee eens of oneens, ook hiermee niet. Ik erken of ontken niets, ook dit niet. Dat geldt niet alleen voor de citaten maar ook en vooral voor alles wat gezegd moest blijven in mijn dwaalteksten.

Zen 2



Verlichting voor dummy'sDe bekende weg > Zen 2

Deze pagina: Dwaalteksten over zen, tweede reeks.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.






Boeddha


Als het graf

Een leerlinge droomde dat ze Zijne Heiligheid Shakyamuni Boeddha ontmoette.
De leerlinge boog diep voor Zijn Aangezicht, zeggende: O, Gezegende!
De Gezegende zei nors: Ken ik niet.
De leerlinge zei: Ach, Zijne Hoogheid wil natuurlijk liever de Boeddha genoemd worden.
De Boeddha zei: Niet zo formeel alsjeblieft.
De leerlinge zei: Shakyamuni dan?
Shakyamuni zei iets toeschietelijker: Mijn vrienden noemen me Sjaak.
De leerlinge zwijmelde: O, Sjaak!
Sjaak zei zelfbewust: Ach, zeg maar gewoon Sjakie.
De leerlinge zei: O, Sjakie!
Sjakie zei: En laat dat o ook maar weg.
De leerlinge zei: Zoals je wilt, jongen.
De jongen zei: En hoe heet jij?
Het meisje zei: Anita.
De jongen zei: Sjakie en Anita.
Anita zei: Ik zou wát graag een bloemetje voor je plukken, Sjakie.
Sjakie zei: Dan doe je dat toch lekker?
Anita zei: Dat mag niet.
Sjakie plukte een madeliefje voor haar en draaide het heen en weer tussen duim en wijsvinger.
Sjakie zei: Van wie niet?
Anita zei: Ik heb beloofd geen leven te nemen en alle levende wezens te redden.
Sjakie zei: Waar slaat dat nou op?
Anita zei: Dat moest.
Sjakie zei: Van wie?
Anita zei: Van u.
Sjakie zei: Jou.
Anita zei: Van jou.
Sjakie zei: Maar ik ken je niet eens!
Anita zei: Jij hebt daartoe opgeroepen.
Sjakie zei: Ik?
Anita zei: Niet dan?
Sjakie zei: Ik weet niet eens wat het verschil is tussen leven en dood.
Anita zei: Dat hoeft het redden toch niet in de weg te staan?
Sjakie zei: Redden? Maar waaruit dan?
Anita zei: Uit het lijden natuurlijk.
Sjakie zei: Welk lijden?
Anita zei: Heb jij niet gezegd dat het leven lijden is?
Sjakie zei: Dat moet dan tijdens een kater geweest zijn.
Anita zei: Zo luidt anders jouw eerste wet.
Sjakie zei: Mijn eerste wat?
Anita zei : Nee, wét.
Sjakie zei: Hoe dan?
Anita zei: "Leven is lijden."
Sjakie zei ongelovig: En dat zou ik gezegd hebben?
Anita zei : Zo staat het geschreven.
Sjakie zei: Dat kan ik nooit geweest zijn.
Anita zei: Waarom niet?
Sjakie zei: Ik weet niet eens wat lijden is.
Anita zei: Dus je hebt inderdaad het lijden overwonnen?
Ze pakte een pen en een opschrijfboekje uit haar tas en begon driftig te schrijven.
Sjakie zei: Volgens mij zie jij ze vliegen.
Anita zei: Maar u zei toch net ...
Sjaak zei: Ik zei alleen maar dat ik niet weet wat lijden ís, niet dat ik het overwonnen heb.
De leerlinge zei: Wiens wet is het dan wel?
Shakyamuni zei: Wat kan mij dat nou schelen!
De leerlinge zei: Maar niet de uwe?
Shakyamuni Boeddha trok tientallen madeliefjes en grote plukken gras uit de grond.
Hij schreeuwde: Ik doe niet aan wetten.
De leerlinge begon weer druk te schrijven.
Boeddha zei: Wat zit je toch te doen?
De leerlinge zei: Opschrijven.
Boeddha zei: Wat dan?
De leerlinge las voor: Doe niet aan wetten.
De Boeddha keek haar verbijsterd aan.
Ineens ging hem een lichtje op.
De Verlichte grijnsde breeduit.
De leerlinge zei: Is er wat?
De Gezalfde stelde zijn lach ietsje naar beneden bij.
De leerlinge zei: Ziet u iets wat ik niet zie?
Subtiel was de glimlach van de Gezegende nu, prikkelend en geheimzinnig.
De rest van de droom zat de leerlinge vol verwachting met haar pen in de aanslag.
Maar Zijne Heiligheid zweeg als het graf.


De schittering van Boeddha

Leerling: De schittering van Boeddha verlicht het hele ...
De meester steekt zijn vingers in zijn oren.
Leerling: Is er wat?
Meester: WAT?
Leerling: IS ER WAT?
De meester haalt zijn vingers uit zijn oren en zegt: Napraten kan iedereen.
Leerling: Dus ik moet het in mijn eigen woorden zeggen?
Meester: Dat zou nog steeds napraten zijn.
Leerling: Ik zei toch mijn eigen woorden?
Meester: Geen enkel woord is eigen.
Leerling: Maar hoe moet ik het dan zeggen?
Meester: Wat zeggen?
Leerling: Tja.
Meester: Bravo!


Geen groter eer

Leerling: Hoe kunnen wij de boeddha de grootste eer bewijzen?
Meester: Door hem te doden.
Leerling: Ik zou u hierom moeten doden!
Meester: Je kunt me geen groter eer bewijzen.

Leerling: Hoe kunnen wij de dharma de grootste eer bewijzen?
Meester: Door haar onophoudelijk te betwijfelen.
Leerling: Ik begin steeds meer aan u te twijfelen.
Meester: Je kunt me geen groter eer bewijzen.

Leerling: Hoe kunnen wij de sangha de grootste eer bewijzen?
Meester: Door ons onafhankelijk op te stellen.
Leerling: Ik zou u hierom moeten verlaten.
Meester: Je kunt me geen groter eer bewijzen.


De hamvraag

Leerling: Volgens de Boeddha is verlichting niet-lijden, volgens Nagarjuna niet-zijn. Wat is het volgens u?
Meester: Niet-weten.
Leerling: Wat niet?
Meester: Wie de boeddha eigenlijk is of was en of hij wel is of was. Wie Nagarjuna eigenlijk is of was en of hij wel is of was. Wie of wat ik zelf ben en of ik eigenlijk wel ben. Wat niet-lijden is en of de boeddha wel vrij van lijden was, als hij al bestond. Wat niet-zijn is en of Nagarjuna inderdaad niet was, gesteld dan dat hij was. Wat verlichting is, als het al is, en al dan niet voor wie.
De leerling kijkt hem met open mond aan.
Meester: Dat soort dingen.
Leerling: En dan nu de hamvraag.
Meester: Kom maar op.
Leerling: Wat is niet-weten?
Meester: Alsof jij dat niet weet.


Het probleem

Leerling: Volgens mij begrijpt u niets van het boeddhisme.
Meester: Jij wel?
Leerling: Ik toevallig wel, ja.
Meester: Dan zal dat het probleem wel zijn.


Sunyata

Zegt de ene meester: Wat is een ander woord voor Boeddhisme?
Zegt de andere: Nou?
Zegt de ene: Gatsdienst.


Weg

Leerling: Heeft u de leegte gevonden?
Meester: Ook die ben ik kwijtgeraakt.


Missa brevis

Op een dag neemt de Gezegende plaats op het spreekgestoelte.
Hij zegt:
  • Wie denkt dat ik gezegend ben, heeft het mis.
  • Wie denkt dat ik niet gezegend ben, heeft het mis.
  • Wie denkt dat hij zelf gezegend is, heeft het mis.
  • Wie denkt dat hij zelf niet gezegend is, heeft het mis.
  • Wie denkt dat oefening hem tot een gezegend mens zal maken, heeft het mis.
  • Wie denkt dat oefening hem niet tot een gezegend mens zal maken, heeft het mis.
  • Wie denkt dat hij een mens is, heeft het mis.
  • Wie denkt dat hij geen mens is, heeft het mis.
  • Wie denkt dat hij iemand is, heeft het mis.
  • Wie denkt dat hij niemand is, heeft het mis.
  • Wie denkt dat hij anders moet denken, heeft het mis.
  • Wie denkt dat hij niet moet denken, heeft het mis.
  • Wie denkt dat hij het is die denkt, heeft het mis.
  • Wie denkt dat hij het niet is die denkt, heeft het mis.
  • Wie denkt dat hij het mis heeft, heeft het mis.
  • Wie denkt dat hij het bij het rechte eind heeft, heeft het mis.
  • Zijn er nog vragen.
Zonder dralen staat de Gezegende op en verlaat het spreekgestoelte.



(Over) koans


Met één hand

Leerling: Hoe kun je nou klappen met één hand, gek!
Meester: Moet je een draai om je oren?


Zonder handen

Leerling: Hoe kun je nou klappen zonder handen!
Meester: "Applaus!"
Leerling: Zo hou ik geen koan over!
Meester: Én?
Leerling: Hoe moet ik nou verder?
Meester: Ga daar dan maar mee zitten.


Verder

Leerling: Waarom krijg ik geen nieuwe koan?
Meester: Ga daar dan maar op zitten.
Leerling: Zo kan ik toch niet verder!
Meester: Verder dan wat?
Leerling: Moet ik dan maar gewoon gaan zitten?
Meester: Je kunt ook gewoon blijven staan.
Leerling: Nou weet ik nog niks!
Meester: Kun je zo weer verder?


Hints

Leerling: Geef me toch een hint!
Meester: Waarvoor?
Leerling: Voor hoe ik mijn koan moet oplossen natuurlijk.
Meester: Wie zegt dat je hem moet oplossen?
Leerling: Wilt u soms zeggen van niet?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Leerling: Ik vroeg u om een hint!
Meester: Dat waren er twee.


Negatief

Leerling: Wat is eigenlijk een koan?
Meester: Wat niet.


Een nieuwe koan

Een leerling heeft jaren op een koan zitten broeden.
Op een dag heeft hij er genoeg van.
Leerling: Ik geef het op.
Meester: Waarom?
Leerling: Ik ga helemaal niet vooruit.
Meester: Misschien moet je wel achteruit.
Leerling: Ik ga zelfs niet achteruit.
Meester: Wat is er mis met stilstand?
De leerling kijkt hem verbijsterd aan.
Meester: Dan is dat je nieuwe koan.



Een leerling heeft jaren op een koan zitten broeden.
Op een dag heeft hij er genoeg van.
Leerling: Ik geef het op.
Meester: En als opgave nou de oplossing is?
Leerling: Dan heb ik hem onbedoeld opgelost.
Meester: En als het opgeven van het opgeven nou de oplossing is?
Leerling: Dan moet ik nog even volhouden.
Meester: Wat nu?
De leerling kijkt hem verbijsterd aan.
Meester: Dan is dat je nieuwe koan.



Leerling: Waarom toch al die koans?
Meester: Het is mij een raadsel.
Leerling: Als u het al niet weet, wie dan wel?
Meester: Denk je nou heus dat iemand het weet?
Leerling: Wilt u soms zeggen van niet?
Meester: Denk je nou heus dat ik dat weet?
De leerling kijkt hem verbijsterd aan.
Meester: Dan is dat je nieuwe koan.


Eureka

Een leerling heeft jaren op een koan zitten broeden.
Op een dag roept hij: Eureka!
Meester: Wat is er?
Leerling: Ik heb het!
Meester: Ga dan maar weer gauw zitten.


Eén

Leerling: Met welke koan bent u nu bezig?
Meester: Er is er maar één.
Leerling: Ik heb anders gehoord dat er een paar duizend zijn.
Meester: Dat kan best wezen.
Leerling: Maar?
Meester: Ze komen allemaal op hetzelfde neer.
Leerling: Wist ik maar waarop.
Meester, verbaasd: Kende je hem al?


Ooit

Leerling: Over mijn eerste koan deed ik drie jaar.
Meester: Ik ben er nog steeds mee bezig.



Leerling: Ooit zal ik alle koans hebben opgelost!
Meester: Ooit zul je er geen enkele hebben opgelost.



Leerling: Ik heb de koans voorgoed achter me gelaten.
Meester: Ik heb ze voorgoed voor me.


Ik

Leerling: De grootste koan dat ben ik zelf.
Meester: Toch weer een identiteit gevonden?


Haast

Leerling: Als ik eerst deze koan maar achter de rug heb!
Meester: Wat dan?
Leerling: Daar vraagt u me wat.
Meester: Wel?
Leerling: Dan heb ik hem tenminste achter de rug.
Meester: Wat is in zijn algemeenheid een antwoord?
Leerling: Nou?
Meester: De volgende vraag.
Leerling: Hm.
Meester: Wat is in zijn algemeenheid een oplossing?
Leerling: Nou?
Meester: Het volgende probleem.
Leerling: Hm.
Meester: Wat is in zijn algemeenheid de oplossing van een koan?
Leerling: Wist ik het maar.
Meester: Het volgende raadsel.
De leerling zegt niets.
Meester: Of niet soms.
Leerling: Hoe moet ik dat nou weten!
Meester: Precies.
Leerling: Vanwaar dan die koans.
Meester: Vandaar dus die koans.


Het alternatief

Leerling: Hoe kan je nou met een koan zitten.
Meester: Waar wou je anders mee zitten?


Achterlaten

Leerling: Ik zal blij zijn als ik alle koans opgelost heb.
Meester: Waarom?
Leerling: Dan kan ik ze eindelijk achter me laten.
Meester: Daarvoor hoef je ze toch niet opgelost te hebben?


Andersom

Leerling: U heeft natuurlijk alle koans al opgelost.
Meester: Het is eerder andersom.
Leerling: Bedoelt u dat u er nog geen een heeft opgelost?
Meester: Ik bedoel dat ze mij hebben opgelost.


Een goede tip

Leerling: Hoe lost men een koan op?
Meester: Daar vraag je me wat.
Leerling: U kunt me toch wel een beetje op gang helpen?
Meester: In zoutzuur?


Endlösung

Leerling: Ik heb geen idee hoe ik mijn koan moet oplossen.
Meester: Door de wereld op te lossen.
Leerling: Hoe los je de wereld op?
Meester: Door jezelf op te lossen.
Leerling: Hoe los je jezelf op?
Meester: Door je weten op te lossen.
Leerling: Hoe los ik mijn weten op?
Meester: Welk weten?


De makkelijke weg

Leerling: Graag zou ik u eens een koan opgeven.
Meester: Je kunt net zo goed meteen naar de oplossing vragen.
Leerling: Weet u die dan al?
Meester: Probeer maar.
Leerling: Moet ik eerst mijn koan zeggen?
Meester: Dat zou al te gemakkelijk zijn.
Leerling: Wat is de oplossing van de koan die ik nu verzwijg?
Meester: Tja.
Leerling: Zo eenvoudig kan het toch niet zijn!
Meester: Je hebt geen idee hoe moeilijk dat is.


Moedersleutel

Leerling: Bestaat er een algemene oplossing die op alle koans van toepassing is?
Meester: Een soort moedersleutel?
Leerling: Ja.
Meester: Tja.


Het middelpunt

Leerling: Wat is een koan?
Meester: Een toverbal.
Leerling: Wat zit daarin?
Meester: Een heleboel kleurtjes.
Leerling: En wat nog meer?
Meester: Dat zou je weleens willen weten, hè?
Leerling: Nou en of!
Meester: Helemaal in het midden zit...
Leerling: Toe dan!
Meester: Het middelpunt.
Leerling: Wat is het middelpunt?
Meester: Een fictie.
Leerling: Ik bedoel, waar staat het voor?
Meester: Nergens voor.
Leerling: Leegte? Sunyata? Het ene? Dit?
Meester: Gewoon niets.
Leerling: Hét niets?
Meester: Het niets van niet weten.
Leerling: Dat is wel het laatste wat ik wil vinden.
Meester: Daarom voeren we je zolang koans.


Cocon

Leerling: Wat is het verband tussen koans en niet weten?
Meester: Wie alle koans heeft doorgewerkt, heeft het niet weten gevonden. Wie één koan heeft doorgewerkt, heeft het niet weten gevonden. Wie nog steeds aan zijn eerste koan werkt, heeft het niet weten gevonden. Wie nog nooit een koan heeft gezien maar aldoor voor een raadsel staat, heeft het niet weten gevonden.
Leerling: En wie niet aldoor voor een raadsel staat?
Meester: Die leeft in een cocon.


Onwetendheid

Een leerling heeft jaren op een koan zitten broeden.
Op een dag heeft hij er genoeg van.
Leerling: Ik geef het op.
Meester: Waarom?
Leerling: Ik wil niet iedere dag geconfronteerd worden met mijn onwetendheid.
Meester: Alsof dat aan die koan ligt.



Zazen


Gelukt

Leerling: Waar is dat zitten eigenlijk goed voor?
Meester: Om je te laten nadenken over de vraag waar het eigenlijk goed voor is.
Leerling: Nou, dat is dan mooi gelukt.

Tien jaar later.
Leerling: Waar is dat nadenken eigenlijk goed voor?
Meester: Om je te laten voelen wat het is om geen antwoord te hebben.
Leerling: Nou, dat is dan mooi gelukt.

Tien jaar later.
Leerling: Waar is dat voelen wat het is om geen antwoord te hebben eigenlijk goed voor?
Meester: Om je te laten zien waar het in zen om draait.
Leerling: Nou, dat is dan mooi mislukt.

Tien jaar later.
Leerling: Waar draait het nou eigenlijk om in zen?
Meester: Als ik dat wist, was ik nooit meester geworden.
Leerling: Dan is het toch gelukt.


Net zolang

Leerling: Wat is zazen?
Meester: Zitten tot je opstaat.

Leerling: Wat is kin-hin?
Meester: Lopen tot je stilstaat.


Voor niets

Leerling: Wat is zazen?
Meester: Opzitten tot je dwarsligt.

Leerling: Wat is kin-hin?
Meester: Doorlopen tot je voor niets staat.


Vinden

Leerling: Waar is dat zitten goed voor?
Meester: Wie zegt dat het ergens goed voor is?
Leerling: Wilt u soms zeggen van niet?
Meester: Wie zegt dat ik iets wil zeggen?
Leerling: Ik wil alleen maar weten wat u vindt.
Meester: Alleen leerlingen vinden iets.
Leerling: Nou weet ik nog niet waar dat zitten goed voor is.
Meester: Dat is waar het zitten goed voor is.


Vragen

Leerling: Waar is dat zitten goed voor?
Meester: Waarom zou het ergens goed voor zijn?
Leerling: Waarvoor doe ik het anders?
Meester: Stel dat het ergens goed voor is...
Leerling: Nou?
Meester: Waar is dat dan weer goed voor?
Leerling: Voor zichzelf, neem ik aan.
Meester: Waarom het zitten dan niet?
Leerling: Wilt u zeggen dat we alleen maar zitten om het zitten?
Meester: Ik stel alleen maar vragen.


De eeuwige les

Leerling: Wat is zitten?
Meester: Wachten tot je een ons weegt.
Leerling: Bedoelt u dat het onzin is om te gaan zitten?
Meester: Zitten is zitten.
Leerling: Maar wat is dan de les?
Meester: Dat is dan de les.
Leerling: Nou, dan heb ik mijn lesje wel geleerd.
Meester: Ga dan maar weer gauw zitten.
Leerling: Waarom?
Meester: Voor de volgende les.
Leerling: Welke les?
Meester: De eeuwige les.
Leerling: Te weten?
Meester: Het afleren van de vorige.


Motto's voor zazen

Meester: Wie weet er een motto voor zazen?
Leerlingen:
  • Zitten, niet achternazitten.
  • Zitten, niet bezitten.
  • Zittenblijven tot je overgaat.
  • Zitten tot je leegzit.
  • Tegenzitten tot je voorzit.
  • Tegenzitten tot je meezit.
  • Vastzitten tot je loszit.
  • Dichtzitten tot je opengaat.
  • Doorzitten tot je doodzit.
  • Dwarszitten tot je recht zit.
  • Rechtzitten tot je dwarsligt.
  • Opzitten tot je geen pootjes meer geeft.
  • Zitten maar niet pitten.
  • Stilzitten maar niet vastzitten.
  • Thuiszitten, waar je ook zit.
  • Zitten, niet mooizitten.
  • Neerzitten, niet omhoogzitten.
  • Vrij zitten, niet gevangenzitten.
  • Zitten zonder zitten.
  • Zitten zonder spitten.
  • Zitten zonder splitten.
  • Zitten zonder paal.
De meester heft zijn handen op.
Leerling: En u meester, hoe luidt uw motto?
Andere leerling: Wedden dat het "zitten zonder motto" is?
Meester: Alsof dat geen motto is.


Onmiskenbaar

Vraag: Waaraan herkent men de zenmeester?
Antwoord: Aan zijn aambeien.



Geloften





De vier edele oorzaken

Leerling: Wat is de oorzaak van het lijden?
Meester: Denken dat er een oorzaak voor is.

Leerling: Wat is de oorzaak van het lijden?
Meester: Denken dat je er vanaf moet.

Leerling: Wat is de oorzaak van het lijden?
Meester: Denken dat je er vanaf kunt.

Leerling: Wat is de oorzaak van het lijden?
Meester: De gelofte om het te bestrijden.


Alles

Leerling: Wat is de oorzaak van het lijden?
Meester: Alles.
Leerling: Wat is de oorzaak van het genieten?
Meester: Alles.
Leerling: Dus mocht ik er ooit in slagen de oorzaak van het lijden op te heffen...
De meester knikt.
Leerling: Nou?
Meester: Alles.


Niets

Leerling: Wat is lijden?
Meester: De keerzijde van vreugde.
Leerling: Hoe bevrijd ik mij van het lijden?
Meester: Door het verschil tussen leed en vreugde te onderzoeken.
Leerling: Wat zal ik dan ontdekken?
Meester: Dat kun je alleen zelf vaststellen.
Leerling: Wat heeft u ontdekt?
Meester: Niets.


Van de regen in de drup

Een leerling brandt een wierrookstaafje voor Kanzeon.
Hij klapt een paar keer in zijn handen en buigt eerbiedig.
Leerling: Hierbij beloof ik plechtig alle levende wezens te redden!
Meester: En ze hebben het al zo moeilijk.



Buitenspel

Leerling: Hoe talloos de levende wezens ook zijn, ik beloof ze alle te bevrijden. Hoe onpeilbaar de oorzaak van lijden ook is, ik beloof die geheel te verwijderen.
Meester: Toe maar.
Leerling: Wat?
Meester: Je veronderstelt nogal wat.
Leerling: Wat dan?
Meester: Wat niet.
Leerling: Bijvoorbeeld?
Meester: Dat er levende wezens zijn, dat je die weet te onderscheiden van dode en van de levenloze materie, dat die veronderstelde wezens lijden, dat jij weet wat lijden is, dat lijden ongewenst is, dat er een oorzaak voor is, dat die verwijderd kan worden, dat het redden van de een niet ten koste hoeft te gaan van de ander en dat er een jij is met een vrije wil die beloften kan doen en zich daaraan kan houden. Om te beginnen.
De leerling haalt zijn schouders op.
Meester: Hoe weet je dat allemaal?
Leerling: Wat kan mij dat nou schelen.
De meester weet niets meer te zeggen.