Verlichting voor dummy's >
De bekende weg > Zen 2
Deze pagina: Dwaalteksten over zen, tweede reeks.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
Boeddha
Als het graf
Een leerlinge droomde dat ze Zijne
Heiligheid Shakyamuni Boeddha ontmoette.
De leerlinge boog diep voor
Zijn Aangezicht, zeggende: O, Gezegende!
De Gezegende zei nors: Ken ik niet.
De leerlinge zei: Ach, Zijne Hoogheid wil natuurlijk
liever de Boeddha genoemd worden.
De Boeddha zei: Niet zo formeel
alsjeblieft.
De leerlinge zei: Shakyamuni dan?
Shakyamuni zei iets toeschietelijker: Mijn vrienden noemen me Sjaak.
De leerlinge
zwijmelde: O, Sjaak!
Sjaak zei zelfbewust: Ach, zeg maar gewoon
Sjakie.
De leerlinge zei: O, Sjakie!
Sjakie zei: En laat dat o
ook maar weg.
De leerlinge zei: Zoals je wilt, jongen.
De jongen zei: En hoe heet jij?
Het meisje zei: Anita.
De jongen zei: Sjakie en Anita.
Anita zei: Ik zou wát graag een
bloemetje voor je plukken, Sjakie.
Sjakie zei: Dan doe je dat toch
lekker?
Anita zei: Dat mag niet.
Sjakie plukte een
madeliefje voor haar en draaide het heen en weer tussen duim en
wijsvinger.
Sjakie zei: Van wie niet?
Anita zei: Ik heb beloofd
geen leven te nemen en alle levende wezens te redden.
Sjakie zei: Waar slaat dat nou op?
Anita zei: Dat moest.
Sjakie zei: Van wie?
Anita zei: Van u.
Sjakie zei: Jou.
Anita zei: Van jou.
Sjakie zei: Maar ik ken je niet
eens!
Anita zei: Jij hebt daartoe opgeroepen.
Sjakie zei: Ik?
Anita zei: Niet dan?
Sjakie zei: Ik weet niet eens
wat het verschil is tussen leven en dood.
Anita zei: Dat hoeft het
redden toch niet in de weg te staan?
Sjakie zei: Redden? Maar
waaruit dan?
Anita zei: Uit het lijden natuurlijk.
Sjakie zei:
Welk lijden?
Anita zei: Heb jij niet gezegd dat het leven lijden is?
Sjakie zei: Dat moet dan tijdens een kater geweest zijn.
Anita zei: Zo
luidt anders jouw eerste wet.
Sjakie zei: Mijn eerste wat?
Anita zei : Nee, wét.
Sjakie zei: Hoe dan?
Anita zei: "Leven
is lijden."
Sjakie zei ongelovig: En dat zou ik gezegd hebben?
Anita zei : Zo staat het geschreven.
Sjakie zei: Dat kan ik nooit geweest
zijn.
Anita zei: Waarom niet?
Sjakie zei: Ik weet niet eens
wat lijden is.
Anita zei: Dus je hebt inderdaad het lijden
overwonnen?
Ze pakte een pen en een opschrijfboekje uit haar tas en
begon driftig te schrijven.
Sjakie zei: Volgens mij zie jij ze
vliegen.
Anita zei: Maar u zei toch net ...
Sjaak zei: Ik zei
alleen maar dat ik niet weet wat lijden ís, niet dat ik het overwonnen heb.
De leerlinge zei:
Wiens wet is het dan wel?
Shakyamuni zei: Wat kan mij dat nou
schelen!
De leerlinge zei: Maar niet de uwe?
Shakyamuni
Boeddha trok tientallen madeliefjes en grote plukken gras uit de grond.
Hij schreeuwde: Ik doe
niet aan wetten.
De leerlinge begon weer druk te schrijven.
Boeddha zei: Wat zit je toch te doen?
De leerlinge zei: Opschrijven.
Boeddha zei: Wat dan?
De leerlinge las voor: Doe niet aan wetten.
De Boeddha keek haar verbijsterd aan.
Ineens
ging hem een lichtje op.
De
Verlichte grijnsde breeduit.
De leerlinge zei: Is er wat?
De Gezalfde stelde zijn lach ietsje naar beneden bij.
De leerlinge zei: Ziet u
iets wat ik niet zie?
Subtiel was de glimlach van de Gezegende nu, prikkelend en
geheimzinnig.
De rest van de droom zat de leerlinge vol verwachting
met haar pen in de aanslag.
Maar Zijne
Heiligheid zweeg als het graf.
De schittering van Boeddha
Leerling: De
schittering van Boeddha verlicht het hele ...
De meester steekt zijn
vingers in zijn oren.
Leerling: Is er wat?
Meester: WAT?
Leerling: IS ER WAT?
De
meester haalt zijn vingers uit zijn oren en zegt: Napraten kan iedereen.
Leerling: Dus ik moet het
in mijn eigen woorden zeggen?
Meester: Dat zou nog steeds
napraten zijn.
Leerling: Ik zei toch mijn eigen woorden?
Meester: Geen enkel woord is eigen.
Leerling: Maar hoe
moet ik het dan zeggen?
Meester: Wat zeggen?
Leerling: Tja.
Meester: Bravo!
Geen groter eer
Leerling: Hoe kunnen wij de boeddha de grootste eer bewijzen?
Meester: Door hem te doden.
Leerling: Ik zou u hierom moeten doden!
Meester: Je kunt me geen groter eer bewijzen.
Leerling: Hoe kunnen wij de dharma de grootste eer bewijzen?
Meester: Door haar onophoudelijk te betwijfelen.
Leerling: Ik begin steeds meer aan u te twijfelen.
Meester: Je kunt me geen groter eer bewijzen.
Leerling: Hoe kunnen wij de sangha de grootste eer bewijzen?
Meester: Door ons onafhankelijk op te stellen.
Leerling: Ik zou u hierom moeten verlaten.
Meester: Je kunt me geen groter eer bewijzen.
De hamvraag
Leerling: Volgens de Boeddha is verlichting niet-lijden, volgens Nagarjuna niet-zijn. Wat is het volgens u?
Meester: Niet-weten.
Leerling: Wat niet?
Meester: Wie de boeddha eigenlijk is of was en of hij wel is of
was. Wie Nagarjuna eigenlijk is of was en of hij wel is of was. Wie of
wat ik zelf ben en of ik eigenlijk wel ben. Wat niet-lijden is en of de
boeddha wel vrij van lijden was, als hij al bestond. Wat niet-zijn is en
of Nagarjuna inderdaad niet was, gesteld dan dat hij was. Wat
verlichting is, als het al is, en al dan niet voor wie.
De leerling kijkt hem met open mond aan.
Meester: Dat soort dingen.
Leerling: En dan nu de hamvraag.
Meester: Kom maar op.
Leerling: Wat is niet-weten?
Meester: Alsof jij dat niet weet.
Het probleem
Leerling: Volgens mij begrijpt u niets van het boeddhisme.
Meester: Jij wel?
Leerling: Ik toevallig wel, ja.
Meester: Dan zal dat het probleem wel zijn.
Sunyata
Zegt de ene meester: Wat is een ander woord voor Boeddhisme?
Zegt de andere: Nou?
Zegt de ene: Gatsdienst.
Weg
Leerling: Heeft u de leegte gevonden?
Meester: Ook die ben ik kwijtgeraakt.
Missa brevis
Op een dag neemt de Gezegende plaats op het spreekgestoelte.
Hij
zegt:
- Wie denkt dat ik gezegend ben, heeft het mis.
- Wie denkt dat ik
niet gezegend ben, heeft het mis.
- Wie denkt dat hij zelf gezegend is,
heeft het mis.
- Wie denkt dat hij zelf niet gezegend
is, heeft het mis.
- Wie denkt dat oefening hem tot een gezegend mens
zal maken, heeft het mis.
- Wie denkt dat oefening hem niet tot een
gezegend mens zal maken, heeft het mis.
- Wie denkt dat hij een mens is,
heeft het mis.
- Wie denkt dat hij geen mens is, heeft het mis.
- Wie denkt
dat hij iemand is, heeft het mis.
- Wie denkt dat hij niemand is, heeft
het mis.
- Wie denkt dat hij anders moet
denken, heeft het mis.
- Wie denkt dat hij niet moet denken, heeft het
mis.
- Wie denkt dat hij het is die denkt, heeft het mis.
- Wie denkt dat
hij het niet is die denkt, heeft het mis.
- Wie denkt dat hij het mis
heeft, heeft het mis.
- Wie denkt dat hij het bij het rechte eind
heeft,
heeft het mis.
- Zijn er nog vragen.
Zonder dralen staat de Gezegende op en verlaat het spreekgestoelte.
(Over) koans
Met één hand
Leerling: Hoe kun je nou klappen met één hand, gek!
Meester: Moet je een draai om je oren?
Zonder handen
Leerling: Hoe kun je nou klappen zonder handen!
Meester: "Applaus!"
Leerling: Zo hou ik geen koan over!
Meester: Én?
Leerling: Hoe moet ik nou verder?
Meester: Ga daar dan maar mee zitten.
Verder
Leerling: Waarom krijg ik geen nieuwe koan?
Meester: Ga daar dan maar op zitten.
Leerling: Zo kan ik toch niet verder!
Meester: Verder dan wat?
Leerling: Moet ik dan maar gewoon gaan zitten?
Meester: Je kunt ook gewoon blijven staan.
Leerling: Nou weet ik nog niks!
Meester: Kun je zo weer verder?
Hints
Leerling: Geef me toch een
hint!
Meester: Waarvoor?
Leerling: Voor hoe ik mijn koan moet oplossen natuurlijk.
Meester: Wie zegt dat je hem moet oplossen?
Leerling: Wilt u soms zeggen van niet?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Leerling: Ik vroeg u om een hint!
Meester: Dat waren er twee.
Negatief
Leerling: Wat is eigenlijk een koan?
Meester: Wat niet.
Een nieuwe koan
Een leerling heeft jaren op een koan zitten broeden.
Op een dag heeft hij er genoeg van.
Leerling: Ik geef het op.
Meester: Waarom?
Leerling: Ik ga helemaal niet vooruit.
Meester: Misschien moet je wel achteruit.
Leerling: Ik ga zelfs niet achteruit.
Meester: Wat is er mis met stilstand?
De leerling kijkt hem verbijsterd aan.
Meester: Dan is dat je nieuwe koan.
Een leerling heeft jaren op een koan zitten broeden.
Op een dag heeft hij er genoeg van.
Leerling: Ik geef het op.
Meester: En als opgave nou de oplossing is?
Leerling: Dan heb ik hem onbedoeld opgelost.
Meester: En als het opgeven van het opgeven nou de oplossing is?
Leerling: Dan moet ik nog even volhouden.
Meester: Wat nu?
De leerling kijkt hem verbijsterd aan.
Meester: Dan is dat je nieuwe koan.
Leerling: Waarom toch al die koans?
Meester: Het is mij een raadsel.
Leerling: Als u het al niet weet, wie dan wel?
Meester: Denk je nou heus dat iemand het weet?
Leerling: Wilt u soms zeggen van niet?
Meester: Denk je nou heus dat ik dat weet?
De leerling kijkt hem verbijsterd aan.
Meester: Dan is dat je nieuwe koan.
Eureka
Een leerling heeft jaren op een koan zitten broeden.
Op een dag roept hij: Eureka!
Meester: Wat is er?
Leerling: Ik heb het!
Meester: Ga dan maar weer gauw zitten.
Eén
Leerling: Met welke koan bent u nu bezig?
Meester: Er is er maar één.
Leerling: Ik heb anders gehoord dat er een paar duizend zijn.
Meester: Dat kan best wezen.
Leerling: Maar?
Meester: Ze komen allemaal op hetzelfde neer.
Leerling: Wist ik maar waarop.
Meester, verbaasd: Kende je hem al?
Ooit
Leerling: Over mijn eerste koan deed ik drie jaar.
Meester: Ik ben er nog steeds mee bezig.
Leerling: Ooit zal ik alle koans hebben opgelost!
Meester: Ooit zul je er geen enkele hebben opgelost.
Leerling: Ik heb de koans voorgoed achter me gelaten.
Meester: Ik heb ze voorgoed voor me.
Ik
Leerling: De grootste koan dat ben ik zelf.
Meester: Toch weer een identiteit gevonden?
Haast
Leerling: Als ik eerst deze koan maar achter de rug heb!
Meester: Wat dan?
Leerling: Daar vraagt u me wat.
Meester: Wel?
Leerling: Dan heb ik hem tenminste achter de rug.
Meester: Wat is in zijn algemeenheid een antwoord?
Leerling: Nou?
Meester: De volgende vraag.
Leerling: Hm.
Meester: Wat is in zijn algemeenheid een oplossing?
Leerling: Nou?
Meester: Het volgende probleem.
Leerling: Hm.
Meester: Wat is in zijn algemeenheid de oplossing van een koan?
Leerling: Wist ik het maar.
Meester: Het volgende raadsel.
De leerling zegt niets.
Meester: Of niet soms.
Leerling: Hoe moet ik dat nou weten!
Meester: Precies.
Leerling: Vanwaar dan die koans.
Meester: Vandaar dus die koans.
Het alternatief
Leerling: Hoe kan je nou met een koan zitten.
Meester: Waar wou je anders mee zitten?
Achterlaten
Leerling: Ik zal blij zijn als ik alle koans opgelost heb.
Meester: Waarom?
Leerling: Dan kan ik ze eindelijk achter me laten.
Meester: Daarvoor hoef je ze toch niet opgelost te hebben?
Andersom
Leerling: U heeft natuurlijk alle koans al opgelost.
Meester: Het is eerder andersom.
Leerling: Bedoelt u dat u er nog geen een heeft opgelost?
Meester: Ik bedoel dat ze mij hebben opgelost.
Een goede tip
Leerling: Hoe lost men een koan op?
Meester: Daar vraag je me wat.
Leerling: U kunt me toch wel een beetje op gang helpen?
Meester: In zoutzuur?
Endlösung
Leerling: Ik heb geen idee hoe ik mijn koan moet oplossen.
Meester: Door de wereld op te lossen.
Leerling: Hoe los je de wereld op?
Meester: Door jezelf op te lossen.
Leerling: Hoe los je jezelf op?
Meester: Door je weten op te lossen.
Leerling: Hoe los ik mijn weten op?
Meester: Welk weten?
De makkelijke weg
Leerling: Graag zou ik u eens een koan opgeven.
Meester: Je kunt net zo goed meteen naar de oplossing vragen.
Leerling: Weet u die dan al?
Meester: Probeer maar.
Leerling: Moet ik eerst mijn koan zeggen?
Meester: Dat zou al te gemakkelijk zijn.
Leerling: Wat is de oplossing van de koan die ik nu verzwijg?
Meester: Tja.
Leerling: Zo eenvoudig kan het toch niet
zijn!
Meester: Je hebt geen idee hoe moeilijk dat is.
Moedersleutel
Leerling: Bestaat er een algemene oplossing die op alle koans
van toepassing is?
Meester: Een soort moedersleutel?
Leerling: Ja.
Meester: Tja.
Het middelpunt
Leerling: Wat is een koan?
Meester: Een toverbal.
Leerling: Wat zit daarin?
Meester: Een heleboel kleurtjes.
Leerling: En wat nog meer?
Meester: Dat zou je weleens willen weten, hè?
Leerling: Nou en of!
Meester: Helemaal in het midden zit...
Leerling: Toe dan!
Meester: Het middelpunt.
Leerling: Wat is het middelpunt?
Meester: Een fictie.
Leerling: Ik bedoel, waar staat het voor?
Meester: Nergens voor.
Leerling: Leegte? Sunyata? Het ene? Dit?
Meester: Gewoon niets.
Leerling: Hét niets?
Meester: Het niets van niet weten.
Leerling: Dat is wel het laatste wat ik wil vinden.
Meester: Daarom voeren we je zolang koans.
Cocon
Leerling: Wat is het verband tussen koans en niet weten?
Meester: Wie alle koans heeft doorgewerkt, heeft het niet weten
gevonden. Wie één koan heeft doorgewerkt, heeft het niet weten gevonden.
Wie nog steeds aan zijn eerste koan werkt, heeft het niet weten
gevonden. Wie nog nooit een koan heeft gezien maar aldoor voor een
raadsel staat,
heeft het niet weten gevonden.
Leerling: En wie niet aldoor voor een raadsel staat?
Meester: Die leeft in een cocon.
Onwetendheid
Een leerling heeft jaren op een koan zitten broeden.
Op een dag heeft hij er genoeg van.
Leerling: Ik geef het op.
Meester: Waarom?
Leerling: Ik wil niet iedere dag geconfronteerd worden met mijn
onwetendheid.
Meester: Alsof dat aan die koan ligt.
Zazen
Gelukt
Leerling: Waar is dat zitten eigenlijk
goed voor?
Meester: Om je te laten nadenken over de vraag waar het eigenlijk goed voor
is.
Leerling: Nou, dat is dan mooi gelukt.
Tien jaar later.
Leerling: Waar is dat nadenken eigenlijk goed voor?
Meester: Om je te laten voelen wat het is om geen antwoord te
hebben.
Leerling: Nou, dat is dan mooi gelukt.
Tien jaar later.
Leerling: Waar is dat voelen wat het is om geen
antwoord te hebben eigenlijk goed voor?
Meester: Om je te laten zien waar het in zen om draait.
Leerling: Nou, dat is dan mooi mislukt.
Tien jaar later.
Leerling: Waar draait het nou eigenlijk om in zen?
Meester: Als ik dat wist, was ik nooit meester geworden.
Leerling: Dan is het toch gelukt.
Net zolang
Leerling: Wat is zazen?
Meester: Zitten tot je opstaat.
Leerling: Wat is kin-hin?
Meester: Lopen tot je stilstaat.
Voor niets
Leerling: Wat is zazen?
Meester: Opzitten tot je dwarsligt.
Leerling: Wat is kin-hin?
Meester: Doorlopen tot je voor niets staat.
Vinden
Leerling: Waar is dat zitten goed voor?
Meester: Wie zegt dat het ergens goed voor is?
Leerling: Wilt u soms zeggen van niet?
Meester: Wie zegt dat ik iets wil zeggen?
Leerling: Ik wil alleen maar weten wat u vindt.
Meester: Alleen leerlingen vinden iets.
Leerling: Nou weet ik nog niet waar dat zitten goed voor is.
Meester: Dat is waar het zitten goed voor is.
Vragen
Leerling: Waar is dat zitten goed voor?
Meester: Waarom zou het ergens goed voor zijn?
Leerling: Waarvoor doe ik het anders?
Meester: Stel dat het ergens goed voor is...
Leerling: Nou?
Meester: Waar is dat dan weer goed voor?
Leerling: Voor zichzelf, neem ik aan.
Meester: Waarom het zitten dan niet?
Leerling: Wilt u zeggen dat we alleen maar zitten om het zitten?
Meester: Ik stel alleen maar vragen.
De eeuwige les
Leerling: Wat is zitten?
Meester: Wachten tot je een ons weegt.
Leerling: Bedoelt u dat het onzin is om te gaan zitten?
Meester: Zitten is zitten.
Leerling: Maar wat is dan de les?
Meester: Dat is dan de les.
Leerling: Nou, dan heb ik mijn lesje wel geleerd.
Meester: Ga dan maar weer gauw zitten.
Leerling: Waarom?
Meester: Voor de volgende les.
Leerling: Welke les?
Meester: De eeuwige les.
Leerling: Te weten?
Meester: Het afleren van de vorige.
Motto's voor zazen
Meester: Wie weet er een motto voor zazen?
Leerlingen:
-
Zitten, niet achternazitten.
-
Zitten, niet bezitten.
-
Zittenblijven tot je overgaat.
-
Zitten tot je leegzit.
-
Tegenzitten tot je voorzit.
-
Tegenzitten tot je meezit.
-
Vastzitten tot je loszit.
-
Dichtzitten tot je opengaat.
-
Doorzitten tot je doodzit.
-
Dwarszitten tot je recht zit.
-
Rechtzitten tot je dwarsligt.
-
Opzitten tot je geen pootjes meer geeft.
-
Zitten maar niet pitten.
-
Stilzitten maar niet vastzitten.
-
Thuiszitten, waar je ook zit.
-
Zitten, niet mooizitten.
-
Neerzitten, niet omhoogzitten.
-
Vrij zitten, niet gevangenzitten.
-
Zitten zonder zitten.
-
Zitten zonder spitten.
-
Zitten zonder splitten.
-
Zitten zonder paal.
De meester heft zijn handen op.
Leerling: En u meester, hoe luidt uw motto?
Andere leerling: Wedden dat het "zitten zonder motto" is?
Meester: Alsof dat geen motto is.
Onmiskenbaar
Vraag: Waaraan herkent men de
zenmeester?
Antwoord: Aan zijn aambeien.
Geloften
De vier edele oorzaken
Leerling: Wat is de oorzaak van het lijden?
Meester: Denken dat er een oorzaak voor is.
Leerling: Wat is de oorzaak van het lijden?
Meester: Denken dat je er vanaf moet.
Leerling: Wat is de oorzaak van het lijden?
Meester: Denken dat je er vanaf kunt.
Leerling: Wat is de oorzaak van het lijden?
Meester: De gelofte om het te bestrijden.
Alles
Leerling: Wat is de oorzaak van het lijden?
Meester: Alles.
Leerling: Wat is de oorzaak van het genieten?
Meester: Alles.
Leerling: Dus mocht ik er ooit in slagen de oorzaak van het lijden op te heffen...
De meester knikt.
Leerling: Nou?
Meester: Alles.
Niets
Leerling: Wat is lijden?
Meester: De keerzijde van vreugde.
Leerling: Hoe bevrijd ik mij van het lijden?
Meester: Door het verschil tussen leed en vreugde te onderzoeken.
Leerling: Wat zal ik dan ontdekken?
Meester: Dat kun je alleen zelf vaststellen.
Leerling: Wat heeft u ontdekt?
Meester: Niets.
Van de regen in de drup
Een leerling brandt een wierrookstaafje voor Kanzeon.
Hij klapt een paar keer in zijn handen en buigt eerbiedig.
Leerling: Hierbij beloof ik plechtig alle levende wezens te redden!
Meester: En ze hebben het al zo moeilijk.
Buitenspel
Leerling: Hoe talloos de levende wezens ook zijn, ik beloof ze
alle te bevrijden. Hoe onpeilbaar de oorzaak van lijden ook is,
ik beloof die geheel te verwijderen.
Meester: Toe maar.
Leerling: Wat?
Meester: Je veronderstelt nogal wat.
Leerling: Wat dan?
Meester: Wat niet.
Leerling: Bijvoorbeeld?
Meester: Dat er levende wezens zijn, dat je die weet te
onderscheiden van dode en van de levenloze materie, dat die
veronderstelde wezens lijden, dat jij weet wat lijden is, dat lijden
ongewenst is,
dat er een oorzaak voor is, dat die verwijderd kan worden, dat het
redden van de een niet ten koste hoeft te gaan van de ander en dat er
een jij is met een vrije wil die beloften kan doen en zich daaraan kan
houden. Om te beginnen.
De leerling haalt zijn schouders op.
Meester: Hoe weet je dat allemaal?
Leerling: Wat kan mij dat nou schelen.
De meester weet niets meer te zeggen.