(klik op ▼, ► om in / uit te klappen)

Citaten daoïsme

Opdracht

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?
En mijn even oude vader: Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.
Ik zei: Ik begrijp precies wat je bedoelt.

Deze website draag ik op aan iedereen die het net als ik, om wat voor reden dan ook, niet meer weet - in het bijzonder aan mijn moeder die op 25 juli 2011 en mijn vader die op 21 april 2012 ook het niet weten voorgoed achter zich lieten.

Disclaimer

Citaten op deze website zijn over het algemeen niet representatief voor de auteur of het werk in kwestie.

Ik ben het nergens mee eens of oneens, ook hiermee niet. Ik erken of ontken niets, ook dit niet. Dat geldt niet alleen voor de citaten maar ook en vooral voor alles wat gezegd moest blijven in mijn dwaalteksten.

Non-dualiteit



Verlichting voor dummy's > De wereld > Non-dualiteit

Deze pagina: Dwaalteksten over eenheid, veelheid, identiteit, verschil en het maken van onderscheid.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.





U is een uilskop



Leerling: U leidt me van de illusie naar de werkelijkheid!
Meester: Ik leid je uit de illusie en de werkelijkheid.

Leerling: U leidt me van de duisternis naar het licht!
Meester: Ik leid je uit de duisternis en het licht.

Leerling: U leidt me van het eerder en het later naar het nu!
Meester: Ik leid je uit het eerder en het later en het nu.

Leerling: U leidt me van de dood naar de onsterfelijkheid!
Meester: Ik leid je uit de dood en de onsterfelijkheid.

Leerling: U leidt me van het tijdelijke naar het eeuwige!
Meester: Ik leid je uit het tijdelijke en het eeuwige.

Leerling: U leidt me van het aardse naar het heilige!
Meester: Ik leid je uit het aardse en het heilige.

Leerling: U leidt me van het menselijke naar het goddelijke!
Meester: Ik leid je uit het menselijke en het goddelijke.

Leerling: U leidt me van het lagere naar het hogere!
Meester: Ik leid je uit het lagere en het hogere.

Leerling: U leidt me van het iets naar het niets!
Meester: Ik leid je uit het iets en het niets.

Leerling: U leidt me van het leed naar de vreugde!
DMeester: Ik leid je uit het leed en de vreugde.

Leerling: U leidt me van onrust naar vrede!
Meester: Ik leid je uit onrust en vrede.

Leerling: U leidt me van afwijzing naar aanvaarding!
Meester: Ik leid je uit afwijzing en aanvaarding.

Leerling: U leidt me van oordelen naar niet-oordelen!
Meester: Ik leid je uit oordelen en niet-oordelen.

Leerling: U leidt me van hechting naar onthechting!
Meester: Ik leid je uit hechting en onthechting.

Leerling: U leidt me van de leugen naar de waarheid!
Meester: Ik leid je uit de leugen en de waarheid.

Leerling: U leidt me van hardvochtigheid naar mededogen!
Meester: Ik leid je uit hardvochtigheid en mededogen.

Leerling: U leidt me van het hoofd naar het hart!
Meester: Ik leid je uit het hoofd en het hart.

Leerling: U leidt me van haat naar liefde!
Meester: Ik leid je uit haat en liefde.

Leerling: U leidt me van mijn valse zelf naar mijn ware zelf!
Meester: Ik leid je uit het valse zelf en het ware zelf.

Leerling: U leidt me van de film naar het doek!
Meester: Ik leid je uit de film en het doek.

Leerling: U leidt me van de golf naar de oceaan!
Meester: Ik leid je uit de golf en de oceaan.

Leerling: U leidt me van mijn aangenomen naar mijn oorspronkelijke gezicht!
Meester: Ik leid je uit je aangenomen en je oorspronkelijke gezicht.

Leerling: U leidt me van het vastzitten naar het loslaten!
Meester: Ik leid je uit het vastzitten en het loslaten.

Leerling: U leidt me van schuld naar onschuld!
Meester: Ik leid je uit schuld en onschuld.

Leerling: U leidt me van wilskracht naar overgave!
Meester: Ik leid je uit wilskracht en overgave.

Leerling: U leidt me van het vele naar het ene!
Meester: Ik leid je uit het vele en het ene.

Een leerling zei: U leidt me van de concepten naar de onbemiddelde werkelijkheid!
Meester: Ik leid je uit het concept van de onbemiddelde werkelijkheid.

Een leerling zei: U leidt me uit de vanzelfsprekendheid naar het mysterie!
Meester: Ik leid je uit de vanzelfsprekendheid en het mysterie.

Een leerling zei: U leidt me van het worden naar het zijn!
Meester: Ik leid je uit het worden en het zijn.

Een leerling zei: U leidt me van gebondenheid naar vrijheid!
Meester: Ik leid je uit gebondenheid en vrijheid.

Een leerling zei: U leidt me van het doen naar het niet doen!
Meester: Ik leid je uit het doen en het niet doen.

Een leerling zei: U leidt me van dwaasheid naar wijsheid!
Meester: Ik leid je uit dwaasheid en wijsheid.

Een leerling zei: U leidt me van weten naar niet weten!
Meester: Ik leid je uit weten en niet weten.

Een leerling zei: U leidt me...
Meester: Uit het leiden en volgen.

Een leerling zei: U leidt me...
Meester: Uit het u en het ik.

Een leerling zei: U...
Meester: Is een Uilskop die ook maar wat roept.


Het Koninkrijk der Hemelen

Volgens een gangbare interpretatie van het Thomas-Evangelie betekent de komst van het Rijk Gods niet het einde van het universum maar het einde van de subjectieve werkelijkheid, mijn werkelijkheid, die waarin ik, juist als subject, afgescheiden ben van de rest van de wereld, die mij tot object dient. Het is deze persoonlijke, dualistische wereld die door de komst van het Rijk Gods vernietigd wordt, en wel precies op het moment dat ik tot inzicht kom omtrent haar ware, non-dualistische aard. De werkelijkheid is al het rijk der hemelen, maar we zien het niet. We leven de waarheid al maar we weten het niet. De waarheid is onzegbaar en onkenbaar maar zij is. Het is niet de werkelijkheid als zodanig die vernietigd moet worden, maar de werkelijkheid in ons, en wij met haar, opdat eindelijk de ene Werkelijkheid die wij zijn aan de dag kan treden. Aldus de non-dualistische interpretatie.

In niet weten vindt het idee van een hogere werkelijkheid geen onderdak, noch het tegengestelde idee dat er geen hogere werkelijkheid zou zijn, noch enig ander idee. Niet weten betekent geen-idee. Of, als het idee van een hogere werkelijkheid er toch onderdak vindt, dan ook het idee dat er geen hogere werkelijkheid is, en ieder ander idee. Want niet weten betekent elk-idee. En zo raken we in niet weten de werkelijkheid in iedere zin kwijt, en iedere zin voor de werkelijkheid. De dwijze weet niet eens of de werkelijkheid is, laat staan hoe zij is, of wat, of uit welke delen zij bestaat en in welk verband deze delen staan.

In niet weten hoeft de werkelijkheid niet vernietigd te worden, want zij wordt niet verondersteld, noch als realiteit, noch als illusie. Haar bestaan wordt ontkend noch bevestigd. Niet weten maakt niet alleen een einde aan de bekende wereld maar ook aan het einde daarvan. Van een hogere waarheid of een diepere werkelijkheid is in niet weten sprake noch geen sprake.

Wie dit alsnog non-dualiteit wil noemen, gaat zijn goddelijke gang maar. Zelf overkomt het me ook nog weleens. Maar ik doe m'n best...


Feliciteren

Op een dag gaat een leerling zonder toestemming in de zetel van de meester zitten.
De meester vlijt zich aan zijn voeten en zegt niets.
Leerling:  Ik wil hebben wat u heeft.
Meester: Het is geen kwestie van hebben.
Leerling: Is het dan een kwestie van kwijtraken?
Meester: Denk niet hebben, denk niet kwijtraken.
Leerling: Ik wil dat de mensen tegen me opkijken.
Meester: Het is geen kwestie van opkijken.
Leerling: Dan wil ik op ze neerkijken.
Meester: Denk niet opkijken, denk niet neerkijken.
Leerling: Verwijst u naar non-dualiteit?
Meester: Denk niet dualiteit, denk niet non-dualiteit.
De meester laat zich achterover zakken en wijst naast zich op de grond.
De leerling gaat naast hem liggen.
De meester zegt niets.
Leerling: Ik ben het spoor helemaal bijster.
Meester: Denk niet spoor, denk niet bijster.
Leerling: Ik weet gewoon niet meer wat ik moet denken.
Meester: Denk niet zwart, denk niet wit.
Leerling: Bedoelt u dat ik grijs moet denken, of in kleuren?
De meester schudt zijn hoofd.
Leerling: Bedoelt u dat ik helemaal niet meer moet denken?
Meester: Denk niet wel, denk niet niet.
Plotseling begint de leerling over zijn hele lichaam te zweten. Hij springt overeind.
Leerling: U heeft me zojuist mijn Ware Zelf getoond!
Meester: Denk niet waar, denk niet vals.
Leerling: Mijn Zelf dan!
Meester: Denk niet zelf, denk niet geen-zelf.
Leerling: Eindelijk ken ik het geheim!
Meester: Denk niet geheim, denk niet publiek.
Leerling: Waarlijk, U bent mijn meester!
Meester: Denk niet meester, denk niet leerling.
De leerling steekt zijn hand uit en zegt: U mag mij feliciteren!
De meester doet zijn armen over elkaar.
Hij zegt: Denk niet feliciteren, denk niet condoleren.


Om de beurt

Leerling: Wat is een dualist?
Meester: Iemand bij wie alleen de innerlijke leerling aan het woord komt.
Leerling: Wat is een non-dualist?
Meester: Iemand bij wie alleen de innerlijke meester aan het woord komt.
Leerling: Hoe zit dat bij u?
Meester: Bij mij mogen ze om de beurt hun zegje doen.
Leerling: Maar bent u nou een dualist of een non-dualist?
Meester: Het hangt ervan af wie er aan het woord is.


Een onvermogen

Leerling: Hoe kom ik tot inzicht inzake non-dualiteit?
Meester: Denk je soms dat zij zich laat kennen?
Leerling: Ik bedoel, welke oefeningen kan ik doen?
Meester: Denk je soms dat zij zich laat praktiseren?
Leerling: Maar hoe krijg ik haar dan te pakken?
Meester: Wat als non-dualiteit niet-pakken is?
Leerling: Is non-dualiteit niet-pakken?
Meester: In tegenstelling tot wat?
Leerling: Wel pakken.
Meester: Dat was een dualiteit.
Leerling: Verdikkeme. Wat is non-dualiteit dan wel?
Meester: Tja.
Leerling: Nou?
Meester: Dat was het antwoord al.
Leerling: Tja?
Meester: Geen onderscheid weten te maken.
Leerling: Hoe stopt men met onderscheid maken?
Meester: Het is geen kwestie van laten.
Leerling: Is het dan een kwestie van doen?
De meester schudt zijn hoofd.
Leerling: Andere mogelijkheden zie ik niet.
Meester: Doen versus laten is een dualiteit.
De leerling zwijgt.
Plotseling betrekt het gezicht van de meester. Hij staart weemoedig voor zich uit.
Leerling:  Meester?
Meester: Op een gegeven moment lukt het je gewoon niet meer.
Leerling: Wat niet?
Meester: Onderscheid maken.
Leerling:  Wilt u werkelijk beweren dat non-dualiteit een onvermogen is?
Meester: En wat dan nog?
De leerling kijkt hem hoofdschuddend aan.
Leerling: Daar kan men zich onmogelijk op laten voorstaan.
Meester: Wie wil zich nou onderscheiden met niet-onderscheiden.


Subtiel onderscheid

Meester: Wat is non-dualiteit?
Leerling: Geen-onderscheid.
Meester: Bedoel je dat je geen onderscheid meer maakt?
Leerling: Het onderscheiden gaat gewoon door.
Meester: Maar?
Leerling: Je gelooft er niet meer in.
Meester: Subtiel onderscheid.
De leerling glimt van trots.
Meester: Geloof je erin?


De diepste grond

Leerling: Wat is non-dualiteit?
Meester: Niet weten te onderscheiden.
Leerling: Welke van de twee is primair?
Meester: Hoe bedoel je?
Leerling: Niet weten of geen onderscheid?
Meester: Ik zie het verschil niet.


Een hogere werkelijkheid

Leerling: Verwijst "non-dualiteit" naar een hogere werkelijkheid?
Meester: Hoger dan wat?
Leerling: De alledaagse werkelijkheid.
Meester: Dat zou toch weer een onderscheid zijn.


Eenheid versus tweeheid

Leerling: Verwijst "non-dualiteit" naar eenheid?
Meester: Waarvan?
Leerling: De werkelijkheid.
Meester: Vergeleken met wat?
Leerling: Tweeheid, drieheid, veelheid, noem maar op.
Meester: Dat zou toch weer een onderscheid zijn.


Zo kun je het ook zeggen

Leerling: Bestaat non-dualiteit eigenlijk wel?
Meester: In plaats van?
Leerling: Niet te bestaan natuurlijk.
Meester: Dat zou toch weer een onderscheid zijn.
Leerling: Dus je kunt zelfs niet zeggen dat non-dualiteit bestaat?
Meester: En zelfs niet dat het niet bestaat.
Leerling: Ik vind het zo... nietszeggend allemaal.
Meester: Zo kun je het ook zeggen.
Leerling: Maar vreemd genoeg ook heel veelzeggend.
Meester: Zo kun je het ook zeggen.
Leerling: Maar wat het nou zegt...
Meester: Zo kun je het ook zeggen.


De tegenstrijdigheid van dit alles

Leerling: Zou je non-dualiteit de ware aard van de werkelijkheid kunnen noemen?
Meester: In tegenstelling tot wat?
Leerling: De schijnbare aard van de werkelijkheid.
Meester: Waar heb je het over?
De leerling maakt een wijds armgebaar en zegt: De tegenstrijdigheid van dit alles.
De meester kijkt hem vorsend aan.
Leerling: Betekent non-dualiteit niet dat onderscheidingen zoals goed en kwaad, mannelijk en vrouwelijk, rijk en arm, ...
Meester: Echt en schijnbaar.
Leerling: Eh, nou moe?
Meester: Nou moe?
Leerling: Ik wou zeggen, schijnbaar zijn?
Meester: Verder nog vragen?


Iets of niets

Leerling: Wat betekent non-dualiteit?
Meester: Wie zegt dat het iets betekent?
Leerling: Hè?
Meester: Stel dat het inderdaad iets betekent ...
Leerling: Ga door.
Meester: Dan betekent het iets anders niet.
Leerling: Nou én?
Meester: Dan zou er toch weer sprake van onderscheid zijn.
Leerling: Dus non-dualiteit betekent niets?
Meester: Vergeleken met wat?
Leerling: Eh... iets?


Wel of geen onderscheid maken

Leerling: Ik heb het!
Meester: Wat?
Leerling: Non-dualiteit betekent geen onderscheid maken!
Meester: In tegenstelling tot wat?
Leerling: Wel onderscheid maken natuurlijk.
De meester zegt niets.
De leerling begint te blozen.


De zondeval


Een van de oudste christelijke teksten die in verband kan worden gebracht met non-dualiteit staat in het eerste boek, Genesis, van het Oude Testament. Hij gaat over Adam en Eva in het paradijs, die zich op een dag door een slang laten verleiden om te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. De slang stelt hen wijsheid in het vooruitzicht. Hun ogen zullen geopend worden.

En inderdaad, na het eten van de verboden vruchten zijn hun ogen geopend. Adam en Eva zien elkaar aan en beseffen voor het eerst van hun leven dat ze naakt zijn. Beschaamd bedekken ze zich met een vijgenblad en trekken zich terug in de bosjes. De kennis van goed en kwaad heeft voorgoed een einde gemaakt aan hun onschuld.

Intussen is God hevig vertoornd omdat Adam en Eva nota bene de enige verboden vrucht in de Hof van Eden niet konden laten hangen. In Zijn ogen hebben ze iets verkeerd gedaan, ook al konden ze dat op het moment suprême helemaal niet weten omdat ze nog niet hadden gegeten van de boom van de kennis van goed en kwaad. God natuurlijk wel. Die heeft die boom eerst geschapen en er toen naar hartenlust van gegeten. Overmatig waarschijnlijk want zijn oordeel is hard, zijn straf meedogenloos. Zonder pardon stuurt hij Adam en Eva het paradijs uit, en met hen de hele mensheid. Want hun zonde is niet zomaar een zonde. Het is een erfzonde, die samen met de kennis van goed en kwaad tot op de dag van vandaag van generatie op generatie wordt overgedragen.

Interpreteren we dit verhaal in non-dualistische zin dan staat de boom van de kennis van goed en kwaad voor het maken van onderscheid en het vellen van oordelen. Het paradijs staat voor kinderlijke onschuld, zorgeloosheid, niet-oordelen, gewoon maar zijn en doen. Zalig zijn de eenvoudigen van geest, zal Mattheüs later in zijn Evangelie schrijven (11:25).

Een van de vragen waar ik geen antwoord op heb is deze: voor wie is nou eigenlijk dat paradijs? Niet voor degene die weet van goed en kwaad. Die mag er niet in. Maar ook niet voor degene die geen weet heeft van goed en kwaad. Voor hem bestaat het paradijs namelijk niet. Evenmin als de hel. Aan hem is het dus niet besteed. Hij zou het verschil niet weten. Adam en Eva mogen er dan wel een blauwe maandag gewoond hebben maar zodra ze het doorkregen werden ze er meteen uitgezet.

Volgens mij staat het paradijs leeg, is het althans nooit bewust bewoond geweest. Waar verblijft degene die niet weet van goed en kwaad dan? Hoe zullen we het eens noemen, het non-paradijs waarin je niet langer meent het aangezicht van God te aanschouwen, of een eeuwigdurende straf te ondergaan, of opgeborgen te zijn, of door een vuur gelouterd te worden? Hoe noemen we dit ergens noch nergens waarin je niet langer iemand of niemand meent te zijn en geen idee meer hebt wat je moet doen of laten, of waar je aan toe bent, of wat je er allemaal van moet vinden?

Niet de hemel natuurlijk.
Niet de hel.
Niet het voorgeborchte.
Niet het vagevuur.
Het vage misschien?
Of zullen we gewoon maar Tja zeggen
als iemand ons vraagt waar we zijn?


In concreto

Leerling: Wat betekent non-dualiteit voor u?
Meester: In concreto?
Leerling: Hier en nu.
Meester: Niet weten wat ik zeg.
Leerling: Geef eens een voorbeeld.
Meester: Dit was al een voorbeeld.
Leerling: Hè?
Meester: Wel opletten hè.
Leerling: Nog een voorbeeld alstublieft.
Meester: Iets goed of kwaad noemen.
Leerling: Wat is daarmee?
Meester: Als ik dat doe dan weet ik niet wat ik zeg.
Leerling: Hoe komt dat?
Meester: Doordat ik niet weet wat goed of kwaad is.
Leerling: Met welke begrippen heeft u nog meer moeite?
Meester: Eigenlijk met alle begrippen.
De leerling zei: Allemaal?
Meester: Leerling, zonder, uitzondering, meester, zeggen, allemaal, onbegrepen, jemineetje, onbegrippen, maar, waarom, zwijgen, u, niet, gewoon, wat, uitmaken...
Leerling: Zonder uitzondering?
De meester zei: Allemaal onbegrepen.
Leerling: Jemineetje.
Meester: Allemaal onbegrippen.
Leerling: Maar waarom zwijgt u dan niet gewoon?
Meester: Wat maakt dat nou uit?


Ik was er al bang voor

De meester zei: Wat is, is wat?
De leerling zei: Eerst maar eens vaststellen of het is.
Een paar dagen later zei de meester weer: Wat is, is wat?
De leerling zei: Heet dit testen of pesten?
De meester kon nog net zijn antwoord inslikken.
Een paar dagen later zei de meester nogmaals: Wat is, is wat?
De leerling zei: Alle dingen komen in drieën.
De meester corrigeerde: Alle goede dingen komen in drieën.
De leerling zei: Ik was er al bang voor.


Wie zonder zonde is

Wat is een bodhisattva?
Iemand die onderscheid maak tussen verlicht en onverlicht.

Wat is een advaitist?
Iemand die onderscheid maakt tussen dualiteit en non-dualiteit.

Wat is een monnik?
Iemand die onderscheid maakt tussen klooster en buitenwereld.

Wat is een boeddhist?
Iemand die onderscheid maakt tussen samsara en nirwana.

Wat is een taoïst?
Iemand die onderscheid maakt tussen doen en niet doen.

Wat is een zenboeddhist?
Iemand die onderscheid maakt tussen zitten en staan.

Wat is een mysticus?
Iemand die onderscheid maakt tussen een en veel.

Wat is een non-dualist?
Iemand die onderscheid maakt tussen onderscheiden en niet onderscheiden.


Eindelijk

Een leerling zei tevree: Eindelijk heb ik de jaren des onderscheids bereikt.
De meester zei: O jee.


Een harde les

Een leerling riep: Alles is één!
Met één houw van zijn zwaard kliefde de meester hem doormidden.


Tweegevecht

Leerling: Wat is een dualist?
Meester: Een duellist.
Leerling: Tegen wie duelleert hij?
Meester: Tegen zichzelf maar dat weet hij niet.
Leerling: Wat is een non-dualist?
Meester: Een non-duellist.
Leerling: Waarom duelleert hij niet?
Meester: Hij kan maar geen tegenstander vinden.
Leerling: En u? Wat bent u?
Meester: Ik ben alleen maar de getuige.
Leerling: Waarvan?
Meester: Van de strijd tussen de duellist in mij en de non-duellist in mij.


Oorzaak of gevolg

Leerling: Scheiden doet lijden.
Meester: Of was het nou andersom.


Alles?

Leerling: Is het waar dat alles precies goed is zoals het is?
Meester: Vergeleken met wat?


Voelen en weten

Leerling: Bent u één met de wereld?
Meester: Met de wat?
Leerling: Bent u één met... met die boom daar? Met mij?
Meester: Zo voelt het niet, maar eigenlijk kan ik dat niet weten.
Leerling: Bent u dan gescheiden van die boom, van mij?
Meester: Zo voelt het wel, maar eigenlijk kan ik dat niet weten.
Leerling: Maar dat weet u dan weer wel?
Meester: Wat?
Leerling: Dat u dat niet kunt weten.
Meester: Zo voelt het wel, maar eigenlijk kan ik dat niet weten.
Leerling: Mag ik hieruit opmaken dat u verlicht bent?
Meester: Zo voelt het niet, maar eigenlijk kan ik dat niet weten.
Leerling: Nou weet ik nog niks.
Meester: Zo voelt het wel, maar eigenlijk kun je dat niet weten.


Eén

Weemoedig zingt de meester: Ik wou dat ik twee meesters was.


Synchroonschreeuwen

De meester heeft al lang geleden eenheid bereikt.
Hij gaat maar weer eens voor de spiegel staan.
Hij zegt tegen zijn spiegelbeeld: Fijn hè, om één te zijn?
Hij wacht niet eens op antwoord.
Hij zegt: Zullen we synchroonschreeuwen?
Hij zegt: Of liever een canon dit keer?
Samen schreeuwen ze een tijdje.
Dan zeggen ze: Ik wou dat je me tegensprak.
Ze zeggen: Nou ik niet.
Ze zeggen: Maar ik wel.
Ze halen hun schouders op.
Ze zeggen: Tot de volgende keer dan maar weer.


Drie keer mis

Meester: Wat is het tegenovergestelde van non-dualisme?
Leerling: Dualisme. Monisme. Pluralisme.
Meester: Drie keer mis.
Leerling: Hoezo?
Meester: Non-dualisme heeft geen tegenovergestelde.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Anders zou het niet non-dualistisch zijn.


Hoeveel?

Leerling: Is de werkelijkheid één, twee of veel?
Meester: De werkelijkheid is ontelbaar.
Leerling: Bedoelt u te veel om te tellen?
Meester: Nee, ik bedoel ontelbaar.


Niet napraten

De meester zei: Wat betekent advaita?
Een leerling zei: Niet-twee.
Een leerling zei: Eén.
Een leerling zei: Niet-één.
De meester zei: Niet tellen.

Een leerling zei: Alles is één.
Een medeleerling zei: Niet tellen.
De meester zei: Niet voorschrijven.

Een leerling zei: Niet voorschrijven.
De meester zei: Niet napraten.

Een leerling zei: Niet napraten.
De meester zei: Je veronderstelt een vrije wil.
De leerling zei: Kan ik het helpen.
De meester zei: Je veronderstelt een onvrije wil.


Tel je zegeningen (niet)

Leerling: Ik weet de unio mystica maar niet te bereiken:
Meester: Wat is er mis met de divisio mystica?


Doen en laten

Leerling: Wat moet ik doen om tot eenheid te geraken?
Meester: Dat is geen kwestie van doen, het is een kwestie van laten.
Leerling: Wat moet ik laten om tot eenheid te geraken?
Meester: Dat is geen kwestie van laten, het is een kwestie van kwijtraken.
Leerling: Wat moet ik kwijtraken om tot eenheid te geraken?
Meester: De tel.


Wel heb ik ooit

Meester: Is de verlichte onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg?
Leerling: De verlichte is niet onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg.
De meester geeft hem een draai om zijn oren.
De leerling bedankt hem voor zijn onderricht.
Leerling: De verlichte is één met de wet van oorzaak en gevolg.
De meester geeft hem een draai om zijn oren.
De leerling bedankt hem voor zijn onderricht.
Meester: Heeft de verlichte altijd gelijk?
Leerling: De verlichte is niet onderworpen aan het principe van gelijk en ongelijk.
De meester geeft hem een draai om zijn oren.
De leerling bedankt hem voor zijn onderricht.
Leerling: De verlichte is één met het principe van gelijk en ongelijk.
De meester geeft hem een draai om zijn oren.
De leerling bedankt hem voor zijn onderricht.
De meester heft dreigend zijn hand en zegt: Wat heb je vandaag geleerd?
De leerling haalt zijn schouders op.
Meester: Zeker weten?
De leerling schudt zijn hoofd.
De hand van de meester zakt onverrichter zake omlaag.
Meester: Wel heb ik óóit.


Non-pluralisme

De term non-dualiteit of advaita (a-dvaita) betekent letterlijk niet-tweeheid en verwijst rechtstreeks naar de dualistische leer dat de mens uit twee substanties bestaat, namelijk lichaam en geest, of dat de werkelijkheid uit twee substanties bestaat, namelijk materie en bewustzijn. Non-dualiteit betekent dus niet dat er maar één substantie is maar dat er niet twee zijn. Non-dualisme is geen nieuwe zijnsleer maar de ontkenning van willekeurig welke dualistische zijnsleer. Op zichzelf beschouwd is het een non-leer, een non-theorie. Zo kun je het althans zien.

Dikwijls wordt de term non-dualistisch op een heel andere manier gebruikt, namelijk in de zin van niet-afgescheiden. Afgescheidenheid - populair gezegd het idee dat ik een kleine Calimero ben in een grote boze wereld - is in deze zienswijze een illusie. In werkelijkheid bevind ik mij niet in de wereld maar bevind de wereld zich in mij. Ik ben het bewustzijn (het Brahman, de bron, de ruimte, de openheid, de liefde, god et cetera) waarin zowel Calimero als de wereld verschijnen. Of liever, ik ben het geheel van het onvergankelijke bewustzijn en zijn vergankelijke inhouden. Dit type non-dualisme is geen ontkenning van willekeurig welke vorm van dualisme meer, maar een bevestiging van de absolute eenheid van het schijnbaar menigvuldige. Het is geen non-theorie maar een ontologie, en wel een monisme.

Natuurlijk zit er in het idee van afgescheidenheid inderdaad een soort tweeheid. Door mijn afgescheidenheid ervaar ik immers een onoverbrugbare kloof tussen hier en daar, binnen en buiten, ik en jij, mijn en dijn, subject en object. Ik is klein en zij zijn groot. Hiermee hebben we ongemerkt het terrein van de filosofie verlaten en dat van de psychologie betreden. Het gaat er niet meer om wat de wereld is (of niet is) maar hoe ik haar beleef.

Met de Calimero-interpretatie van het dualistische gedachtegoed benaderen we het wereldbeeld dat gewoonlijk als gezond verstand wordt aangeduid. Alleen bestaat de wereld volgens het gezond verstand niet uit twee maar uit een heleboel dingen en wezens. De wereld van het gezond verstand is geen dualiteit maar een pluraliteit. Het gezond verstand bepleit geen dualisme maar een pluralisme. De wereld bestaat niet uit twee maar uit "tienduizend" dingen. En één daarvan ben ik.

Over naar niet weten, want daar is het me tenslotte allemaal om begonnen. Niet weten is steno voor niet weten te onderscheiden. Hoe langer je nadenkt over de verschillen tussen jezelf en andere dingen en wezens, hoe onduidelijker ze worden. Nauwkeuriger gezegd is niet weten het onvermogen om de onderscheidingen die zich van je geboorte tot je dood onophoudelijk, spontaan, moeiteloos en ongevraagd aan je voordoen, ook maar enigszins te onderbouwen. Het onvermogen om ze nog helemaal serieus te nemen. Maar ook het onvermogen om ze helemaal links te laten liggen. Je hangt er zo'n beetje tussenin. In niet weten staan onderscheidingen tussen haakjes, maar ze zijn er nog wel.

Wanneer weten - als synoniem voor gezond verstand - de onvoorwaardelijke erkenning is van het intuïtieve pluralisme, dan is niet weten een onvoorwaardelijk voorbehoud ten aanzien van datzelfde pluralisme. Niet uit principe maar de facto - voor zover je in de wereld van niet weten nog van feiten kan spreken. Je kunt niet zeggen dat je voor dit voorbehoud kiest, je kunt niet zeggen dat het je overkomt. Je kunt niet zeggen dat je er een beter mens van wordt, je kunt niet zeggen dat je er een slechter mens van wordt. Je kunt niet zeggen dat het je gelukkiger maakt, je kunt niet zeggen dat het je ongelukkiger maakt. Enige normerende werking gaat er ook al niet van uit. Naar analogie van de term non-dualisme zouden we niet weten in deze zin non-pluralisme kunnen noemen.

Voor alle duidelijkheid: het onvoorwaardelijke voorbehoud van de dwijze ten aanzien van het gezond verstand is niet de bevestiging van een of ander monisme - of het nou een materialisme, een idealisme, een holisme of een ander type eenheidsdenken betreft. Non-pluralisme, in de zin van niet weten, is net als het oorspronkelijke non-dualisme, geen theorie maar een non-theorie, geen leer maar een non-leer. Hij bevat geen dogma's, zelfs niet het dogma dat de wereld geen veelvoud is. Hij geeft alleen maar uitdrukking aan een volstrekt onvermogen om het pluralisme van alledag, ja, om welk begrip, dogma, motto, principe of uitgangspunt, welke categorie, leer, mening, theorie of leefregel dan ook, te bevestigen of te ontkennen. Inclusief de onderscheidingen die ik in de loop van deze tekst heb moeten introduceren.


Natuurlijk onnatuurlijk

Mennoniet: Elektriciteit is onnatuurlijk!
Meester: En bliksem dan?

Milieu-activist: Kernenergie is onnatuurlijk!
Meester: En de zon dan?

Natuurbeschermer: Stuwdammen zijn onnatuurlijk!
Meester: En bevers dan?

Pacifist: Chemische wapens zijn onnatuurlijk!
Meester: En slangen dan?

Naturist: Kleding is onnatuurlijk!
Meester: En veren dan?

Nomade: Stedenbouw is onnatuurlijk!
Meester: En termietenheuvels dan?

Monogamist: Veelwijverij is onnatuurlijk!
Meester: En stieren dan?

Christen: Zelfmoord is onnatuurlijk!
Meester: En lemmingen dan?

Moslim: Homoseksualiteit is onnatuurlijk!
Meester: En koeien dan?

Socialist: Hebzucht is onnatuurlijk!
Meester: En eekhoorns dan?

Leerling: Iets onnatuurlijk noemen is onnatuurlijk!
Meester: En jij dan?


Beschaving

Obscurantist: De menselijke beschaving is onnatuurlijk!
Meester: Hoezo?
Obscurantist: De beschaving is een uitvinding van de mens.
Meester: De mens is een uitvinding van de natuur.
Obscurantist: Zo kun je alles wel natuurlijk noemen.
Meester: Inderdaad.
Obscurantist: Dan kun je net zo goed niks meer zeggen.
Meester: Zwijgen is onnatuurlijk.


Grenzen

Meester Eh heeft gezegd:

Dat je grenzen weet te trekken betekent nog niet dat ze er zijn.

Hij heeft ook gezegd:

Dat je geen grenzen weet te trekken betekent nog niet dat ze er niet zijn.

Toen iemand hem vroeg wat het dan wél betekent, zei hij:

Dat je niet weet wat het betekent betekent nog niet dat het iets betekent.

En bij een soortgelijke gelegenheid:

Dat je niet weet wat het betekent betekent nog niet dat het niets betekent.

En bij een soortgelijke gelegenheid:

Dat je weet wat het betekent betekent nog niet dat het iets betekent.

Meester Eh heeft tevens gezegd:

Dat grenzen wegvallen betekent niet dat er grenzeloosheid voor in de plaats komt.

En ook:

Dat grenzen wegvallen betekent niet dat alles een is.

Over dit laatste heeft hij tevens gezegd:

Eenheid is nog steeds een bepaling.

Om verder concluderen te ontmoedigen, voegde hij eraan toe:

Onbepaaldheid is nog steeds een bepaling.