Verlichting voor dummy's > Citaten > Cultuur > De nieuwe kleren van de keizer Deze pagina: Bekende sprookjes en volksverhalen als metaforen voor spirituele dikdoenerij. Auteur/samensteller: Hans van Dam. Deze website: NIET-WETEN.NL. Zere handenkom eens hiereven onder ons zachtjes praten... sst! als jij grote woorden gebruikt, zoals verlichting,
realisatie, zelfverwerkelijking, God, Brahman, Atman, Anatman, de
Beminde, het Levende Licht, de Heilige Geest, de Waarheid, de
Werkelijkheid, de Wijsheid voorbij alle wijsheid, een Weten zonder
woorden, de Kennis zonder leraar, niet-weten, de Boeddha, de Geest, Geen-geest, het
Zelf, Geen-zelf, het Hoogste, het Overstijgende, het Absolute, het
Numineuze, het Onnoemelijke, de Bron, het Zijn, Essentie, het Ene, het
Heden, de Eeuwigheid, Bewustzijn, Stilte, Leegte, kensho, satori,
ananda, jhana, moksha, samadhi, enzovoort weet je dan wel wat je zegt of doe je maar alsof? als de keizer langskomt in zijn "nieuwe kleren" ga jij dan staan klappen of ben jij het kind dat zegt "hij heeft niets aan"? zelf heb ik lang staan klappen maar nu ben ik dat kind en jij? De nieuwe kleren van de keizer (Hans Christian Andersen)Bron: www.beleven.org/verhaal/de_nieuwe_kleren_van_de_keizer.Vele jaren geleden leefde er een keizer die zo vreselijk veel van mooie, nieuwe kleren hield dat hij al zijn geld uit gaf om zich mooi te maken. Hij bekommerde zich niet om zijn soldaten, en het theater of een rijtoer in het bos vond hij alleen maar leuk om zijn nieuwe kleren te laten zien. Voor ieder uur van de dag had hij een ander gewaad, en zoals je over een koning zegt dat hij in de ministerraad is, zo zeiden ze hier altijd: "De keizer is in zijn kleedkamer!" In de grote stad waar hij woonde was het leven heel genoeglijk. Iedere dag waren er vreemdelingen en op een dag kwamen er twee bedriegers, die zich voor wevers uitgaven en zeiden dat ze de mooiste stoffen konden weven die je je maar denken kon. Niet alleen de kleuren en het patroon waren ongelooflijk mooi, maar ook hadden de kleren die ervan gemaakt waren, de wonderbaarlijke eigenschap dat ze onzichtbaar waren voor iedereen die niet voor zijn ambt deugde of die onvergeeflijk dom was. Wat een fijne kleren, dacht de keizer. Als ik die aan heb, kan ik erachter komen wie er in mijn rijk niet deugt voor zijn ambt en dan kan ik de knappen van de dommen onderscheiden. Die stof moet ik meteen laten weven! En hij gaf de bedriegers een flink handgeld, zodat ze met hun werk konden beginnen. Ze zetten ook twee weefgetouwen op en deden alsof ze werkten, maar er zat helemaal niets op het weefgetouw. Brutaalweg vroegen ze om de fijnste zijde en het prachtigste goud. Dat stopten ze in hun eigen zak en ze werkten aan de lege weefgetouwen, en dat nog wel tot diep in de nacht. "Nu zou ik eigenlijk toch wel eens willen weten hoever ze zijn met de stof," dacht de keizer, maar het werd hem wel een beetje vreemd te moede als hij eraan dacht dat wie dom was of niet voor zijn ambt deugde, de stof helemaal niet kon zien. Hij wist natuurlijk wel dat hij voor zichzelf niets te vrezen had, maar hij wilde toch liever eerst iemand anders sturen om te zien hoe het ermee stond. Alle mensen in de hele stad wisten welke wonderbaarlijke kracht de stof had en iedereen was erop gebrand om te zien hoe slecht of dom zijn buurman was. "Ik stuur mijn oude, eerlijke minister naar de wevers!" dacht de keizer. "Die kan het best zien hoe de stof wordt, want hij heeft verstand en niemand doet zijn werk beter dan hij!" Toen trad de brave, oude minister de zaal binnen waar de twee bedriegers aan de lege weefgetouwen zaten te werken. "De hemel beware me!" dacht de oude minister en hij sperde zijn ogen wijd open. "Ik zie niets!" Maar dat zei hij niet. De beide bedriegers verzochten hem dichterbij te komen en vroegen hem of het geen mooi patroon was en of het geen prachtige kleuren waren. Toen wezen ze naar het lege weefgetouw en de arme, oude minister sperde zijn ogen steeds verder open, maar hij zag niets, want er was niets. "Lieve hemel!" dacht hij. "Zou ik dom zijn? Dat had ik nooit gedacht en dat mag geen mens weten! Zou ik niet deugen voor mijn ambt? Ik kan ze toch niet vertellen dat ik de stof niet kan zien!" "Nou, u zegt zo weinig!" zei de één, die aan het weven was. "O, maar het is prachtig! Gewoonweg schitterend!" zei de oude minister en hij keek door zijn bril. "Dat patroon en die kleuren! Ja, ik zal aan de keizer zeggen dat het mij bijzonder goed bevalt!" "O, dat doet ons plezier," zeiden de twee wevers en nu noemden ze de kleuren en ze beschreven het bijzondere patroon. De oude minister lette goed op, zodat hij dat kon navertellen als hij bij de keizer kwam, en dat deed hij. Nu verlangden de bedriegers meer geld, meer zijde en goud. Dat hadden ze nodig voor het weven. Ze staken alles in hun eigen zak, er kwam geen draad aan het weefgetouw, maar ze gingen nog steeds door met weven aan het lege weefgetouw. De keizer stuurde weldra weer een brave raadsheer om te zien hoe het met het weven ging en of de stof gauw klaar was. Het verging hem net als de minister, hij keek en keek, maar omdat er niets anders was dan lege weefgetouwen, zag hij niets. "En, is het geen prachtig stuk stof?" vroegen de bedriegers en ze vertelden over het prachtige patroon dat er helemaal niet was. "Dom ben ik niet," dacht de man. "Zou ik dan niet deugen voor mijn goede ambt? Dat is toch te gek! Maar dat moet je niet laten merken!" En toen prees hij de stof die hij niet zag en verzekerde hen hoe goed de mooie kleuren en het prachtige patroon hem bevielen. "Het is gewoonweg schitterend!" zei hij tegen de keizer. Alle mensen in de stad spraken over de prachtige stof. Toen wilde de keizer zelf ook gaan kijken terwijl de stof nog op het weefgetouw zat. Met een hele schare uitgelezen mannen, waaronder de twee oude, brave raadslieden die er al eerder waren geweest, ging hij naar de listige bedriegers, die nu uit alle macht weefden, maar dat had geen draad om het lijf. "En, is het niet magnifiek?" vroegen de twee brave raadslieden. "Moet Uwe Majesteit eens zien, wat een patroon, wat een kleuren!" En toen wezen ze op het lege weefgetouw, want ze dachten dat de anderen de stof vast wel konden zien. "Wat krijgen we nou?" dacht de keizer. "Ik zie niets! Maar dat is verschrikkelijk! Ben ik dom? Deug ik niet voor het keizerschap? Dit is het vreselijkste dat me kon overkomen!" "O, het is heel mooi!" zei de keizer. "Het heeft mijn allerhoogste instemming!" En hij knikte tevreden en bekeek het lege weefgetouw, hij wilde niet zeggen dat hij niets kon zien. Het hele gevolg dat hij bij zich had, keek en keek, maar zag al niets meer dan alle anderen. Toch zeiden ze net als de keizer: "O, het is heel mooi!" en ze raadden hem aan van deze nieuwe prachtige stof kleren te laten maken voor de grote optocht die binnenkort zou komen. "Het is magnifiek, schitterend, excellent!" klonk het van mond tot mond en allemaal waren ze er zielstevreden over. De keizer gaf ieder van de bedriegers een ridderorde voor in hun knoopsgat en de titel van weefjonker. De hele nacht vóór de ochtend waarop de optocht zou plaatsvinden, bleven de bedriegers op en ze hadden wel zestien kaarsen aan. De mensen konden zien dat ze het druk hadden om de nieuwe kleren van de keizer af te krijgen. Ze deden alsof ze de stof van het weefgetouw haalden, ze knipten met grote scharen in de lucht, ze naaiden met naalden zonder draad en zeiden ten slotte: "Kijk, nu zijn de kleren klaar!" De keizer kwam zelf naar ze toe met zijn voornaamste hovelingen, en de twee bedriegers hielden een arm omhoog alsof ze iets vasthielden en zeiden: "Kijk, hier is de broek. Hier is de jas. Hier de mantel!" en zo verder. "Het is licht als spinrag! Je zou denken dat je niets aanhad, maar dat is juist het bijzondere ervan!" "Ja!" zeiden alle hovelingen. Maar ze zagen niets, want er was niets. "Zou het Uwe Keizerlijke Majesteit aller genadigst behagen uw kleren uit te doen?" vroegen de bedriegers. "Dan zullen we u de nieuwe aantrekken, hier voor deze grote spiegel!" De keizer deed al zijn kleren uit en de bedriegers deden alsof ze hem steeds een van de nieuwe kledingstukken gaven die ze gemaakt zouden hebben, en de keizer stond voor de spiegel te draaien. "Lieve hemel, wat staat dat mooi! Wat zit dat goed!" zeiden ze allemaal. "Wat een patroon! Wat een kleuren! Dat is een kostbaar kostuum!" "Buiten staan ze te wachten met het baldakijn dat in de optocht boven Uwe Majesteits hoofd gehouden wordt!" zei de opperceremoniemeester. "Ik ben ook klaar!" zei de keizer. "Zit het niet goed?" En toen draaide hij nog een keer voor de spiegel alsof hij zijn pracht nog eens goed bekeek. De kamerheren die de sleep moesten dragen, tastten met hun handen over de vloer, alsof ze de sleep opnamen: ze liepen iets in de hoogte te houden, ze durfden niet te laten merken dat ze niets konden zien. En zo liep de keizer in de optocht onder het prachtige baldakijn en alle mensen op straat en voor de ramen zeiden: "Ach heer, wat zijn de nieuwe kleren van de keizer weergaloos, wat een prachtige sleep heeft hij aan zijn mantel! Het zit als gegoten!" Niemand wilde laten merken dat hij niets zag, want dan deugde hij immers niet voor zijn ambt of was hij heel dom. Nog nooit hadden de kleren van de keizer zo'n succes gehad. "Maar hij heeft niets aan!" zei een klein kind. "Ach heer, de waarheid moet je uit een kindermond horen," zei de vader en de één fluisterde tegen de ander wat het kind zei. "Hij heeft niets aan," zegt een klein kind, "hij heeft niets aan!" "Maar hij heeft helemaal niets aan," riep tenslotte het hele volk. En de keizer kromp inéén, want hij vond dat ze gelijk hadden, maar hij dacht: "Ik moet het maar tot het eind volhouden." En de kamerheren liepen de sleep te dragen die er helemaal niet was. De nieuwe kleren van de keizer (Roald Dahl)Bron: www.beleven.org/verhaal/de_nieuwe_kleren_van_de_keizer_roald_dahl.'s Keizers kleermaker, mijnheer Grijs, had zijn zaak naast het paleis. Zo kon de keizer wel twaalf keer elke dag naar hem heen en weer. Want hij was verzot op kleren: pakken, mantels, hoeden, veren, gestikte vesten van rode zij, paarlen knoopjes op een rij... Het paleis was vol goud en pilaren, en lakeien en kamerdienaren, die de hele dag niets anders deden dan persen, strijken en de keizer kleden. Maar kleren kunnen gevaarlijk zijn voor 'n keizer met 'n minibrein… Bij hem kwamen op de eerste plaats zijn kleren, en de mensen 't laatst. Neem nou de lakei die per ongeluk iets morste op een kledingstuk. Hij werd dadelijk in het openbaar opgehangen aan zijn haar. Een andere lakei, die jammer genoeg bij het borstelen 'n pluisje oversloeg, werd levend gekookt, net als een kreeft, iets wat men maar zelden overleeft. De dienaar die wat snuif had gemorst op de gouden mouwrand van de vorst werd vermalen in een machine tot eersteklas dieetmargarine. 't Volk had hem 't liefst zelf gepakt, gevierendeeld en in mootjes gehakt. Dus kwamen twaalf slimme mannen, stiekem bijeen voor snode plannen. Hun bedoeling was die grote smeerlap van de troon te stoten. De slimste van hen riep op een nacht: "Ik heb een prachtig plan bedacht! Ga met mij mee tot op de hoek bij 's keizers kleermaker op bezoek om hem haarfijn uit te leggen wat te doen en wat te zeggen." Het plan werd heel goed voorbereid, de samenzwering was een feit. 't Werd winter, met veel sneeuw dat jaar. De wrede keizer ging dagelijks naar de heuvelrug. Daar skiede hij in haute couture ski-kledij. Op weg daarheen ging hij heel vaak even langs de kleermakerszaak. Heer Grijs riep uit: "O majesteit! U komt vandaag precies op tijd! Eindelijk, na jaren, heb ik het: een stof, geweven in Tibet, zo goddelijk mooi, zo rag- en ragfijn als stoffen maar hoogstzelden zijn! Iets uit een fabel of sprookje misschien. Zoiets moois hebt u nog nooit gezien!" "Wat een geluk!" riep de tiran. "Ik koop er iedere meter van!" De kleermaker boog diep en zei: "O sire, 't lijkt tovenarij. Ook bij strenge vorst houdt deze stof u net zo lekker warm alsof u binnen audiëntie houdt in een bedje van gesmolten goud. Bij 'n noordenwind als een orkaan behoeft u niets eronder aan." De keizer zei meteen: "O dan wil ik er wel een skipak van. En jassen, twee: één lang, één kort. 't Maakt niet uit hoe duur het wordt. Laat zien dat spul. Ja, haal 't maar. Ik ben er heel nieuwsgierig naar." De kleermaker deed heel verbaasd: "Maar sire, kijk! U staat ernaast." De keizer riep: "Waar is het dan?" "Hier, sire, ik heb het in mijn hand." De keizer rukte aan zijn haar en gilde: "Waar dan? Waar? Waar? Waar?" De kleermaker zei: "Niet zo snel, wacht tot ik u over de stof vertel. Hij is onzichtbaar voor idioten, voor stommelingen en malloten. Voor een dwaas, een hypocriet, bestaat de stof eenvoudig niet. Maar u, zo slim, zo wijs en goed, glimt hij ongetwijfeld tegemoet!" Op dat moment ging de voordeur open en kwamen de twaalf binnenlopen en riepen: "Mooie stof is dat, ik wou dat ik daar een pak van had!" Heer Grijs met 'n gespeelde zucht, hief lege handen in de lucht, en zei: "Nee, heren. Tot mijn spijt is dit slechts voor zijne majesteit." Om niet te verraden hoe stom hij was deed de keizer uitzinnig in zijn sas. "Is het niet goddelijk," jubelde hij. "En dat is allemaal voor mij! Ik wil er graag een skipak van en alles wat er nog meer uit kan." De slimme mannen riepen in koor: "O majesteit, u was ons voor! Wat zult u warm zijn in dat spul bij twintig graden onder nul." De dag erop kwam kleermaker Grijs het pak laten passen in het paleis vergezeld van de twaalf man ter ondersteuning van het plan. "Sire," zei Grijs, "trek alles uit, dit pak is zo warm op de huid er hoeft niets onder, grote vorst, zelfs geen haren op uw borst." De kleermaker maakte volgens plan er een compleet toneelstuk van de blote keizerlijke oen helemaal niets aan te doen. "Goed zo, sire. Hier uw arm. Nu de rits. Voelt dat niet warm? Trekt het niet? Zit het hier goed? Of vindt u dat 't wijder moet?" Vóór de kleermaker zo bezield de domme keizer bezighield hadden de slimme mannen net de verwarming extra hoog gezet. Al had de keizer buiten kijf geen ene draad meer aan zijn lijf, hij begon te zweten en te hijgen. "Dat ik 't zo heet zou krijgen, had 'k nooit gedacht, 't is speciaal voor in de sneeuw echt ideaal." Toen plots verscheen de keizerin met haar gehele hofhouding. Ze staarden stil met open mond naar des keizers blote kont. Hij draaide rond zo naakt als wat zonder zelfs een vijgenblad, en riep koket: "Kijk, Albertien! Zo'n pak heb jij nog nooit gezien!" De hofdames slaakten hoge kreetjes, knepen hun ogen toe tot spleetjes terwijl hun gretige blikken gleden over des keizers heerlijkheden. "Kijk nou!" riep een brutaal wicht. "Wat een vorstelijk gezicht!" De keizerin verliet de zaal. Zij kende het al allemaal. De keizer riep hun na: "Zeg hé! Ik ga skiën. Wie gaat mee?" Zij schudden hun hoofd en hup daar ging de keizer naakt naar de skihelling. Hij deed zijn ski's aan en skiede vlug in de richting van de heuvelrug. Zo kon het gebeuren dat alras de keizer stijfbevroren was. Het hele land jubelde blij. "Nu zijn we eindelijk vorstvrij!" Tijl Uilenspiegel als kunstschilderBron: www.beleven.org/verhaal/tijl_uilenspiegel_als_kunstschilder.Op zijn zwerftochten was Uilenspiegel aangeland in Hessen en daar hoorde hij, dat de graaf voornemens was, de wanden van zijn ridderzaal te laten beschilderen. Al de heldendaden van zijn voorouders wilde hij laten vereeuwigen in schone wandschilderingen. "Wel," sprak Tijl, "hoe kan het zo mooi uitkomen, ik ben toevallig kunstschilder van mijn vak; dat is net een karweitje voor mij." En hij ging zich aanmelden bij de graaf en zei, graag bereid te zijn de gevraagde wandschilderingen te maken. De graaf vertelde hem, wat de taferelen moesten voorstellen en welke prijs hij ervoor betalen wilde. "Meneer de Graaf," zei Tijl, "dat is nou precies het werk dat ik al voor verschillende hoge heren heb verricht en ik merk, dat u royaal betaalt, dus ik neem het werk aan. En u behoeft me niet eerder te betalen, dan als het werk af is. Maar ik ontving wel graag een voorschot om verf en andere benodigdheden te kopen." De graaf gaf een flink voorschot en Tijl kwam de volgende dag aanzetten met twee knechts, die potten verf, kwasten enz. droegen. "Ziezo, heer Graaf," sprak Tijl, "het werk begint. Maar we mogen niet gestoord worden: niemand mag de ridderzaal binnenkomen, zo lang wij nog aan het werk zijn. Ik kan er nu eenmaal niet tegen, op mijn handen te worden gekeken." De Graaf beloofde, dat niemand de kunstenaar en zijn helpers zou storen, en Tijl met z'n twee kornuiten verdwenen in de ridderzaal. En daar namen de drie heren het er van! Zij hadden lekker eten en drinken meegebracht en deden zich daaraan flink te goed onder vrolijk gezang. Daarna gingen zij uitrusten op de zachte divans, of speelden een gezellig spelletje kaart of dobbelden een uurtje en vóór de avond viel gingen zij weg en sloten de ridderzaal zorgvuldig af en namen voor zekerheid de sleutels mee. De volgende dag kwamen zij weer terug, allerlei geheimzinnige rollen en pakken en manden sjouwend. En ze vierden daar in die ridderzaal weer de hele dag feest en deden af en toe een dutje. Zo ging dat wel een dag of tien door; en als de Graaf 's avonds Tijl bij het weggaan opwachtte en vroeg, hoe het met het werk stond, dan zei Tijl, dat hij heel tevreden was en maakte van de gelegenheid gebruik om nog een voorschot te vragen. Zogenaamd omdat de verf die hij gebruikte, zo kostbaar was, maar in werkelijkheid omdat al dat eten en drinken van hem en zijn kameraden aardig wat kostte. Want de drie schavuiten vonden het nog niet mooi genoeg, dat ze de hele dag in die ridderzaal een lui en lekker leventje hadden, neen, als ze 's avonds terug kwamen in de herberg, waar ze sliepen, dan maakten ze ook daar goede sier, de herbergier had nog nooit zulke royale gasten gehad. Eindelijk werd het de Graaf toch wel een beetje te machtig en hij vroeg Uilenspiegel, of hij nu niet eens wat van z'n werk te zien kon krijgen. "Met genoegen," zei deze. Hij liet één van zijn helpers, die een beetje tekenen kon, een poppetje op een stuk papier krabbelen, en kwamen daarmee naar buiten. "Kijkt u 'es," sprak hij met een ernstig gezicht. "Ach nee," sprak de Graaf, "dat bedoel ik niet. Maar je bent nu al een paar weken bezig en ik wou nu eindelijk wel 'es wat zien van de muurschilderingen die je maakt." "Goed," sprak Uilenspiegel, "laten we dan afspreken, dat u vanmiddag eens komt kijken, dan zal de ene wand klaar zijn. Maar er mag niemand anders komen dan u alleen; ik heb een hele dure soort verf gebruikt, die alleen zichtbaar is voor mensen met edel bloed. Wie maar één druppeltje niet-adellijk bloed in z'n aderen heeft, die ziet van de hele beschildering niets." 's Middags werd de Graaf plechtig binnengelaten in zijn eigen ridderzaal. Op een wenk van Uilenspiegel trokken de helpers een linnen laken, dat voor één van de wanden hing, weg, en de kale muur kwam te voorschijn. "Wat zegt u er van, meneer de Graaf?" vroeg Tijl met een stalen gezicht. De Graaf zag niets, en zei: "Hm..." Maar Tijl had voor de feestelijke gelegenheid een palet in de linkerhand en wees met een grote kwast naar de kale muur begon vol geestdrift uit te leggen: "Daar op dat prachtige witte paard zit uw betovergrootvader, in dat gouden harnas; om hem heen, op de bruine paarden, de ridders van zijn leger; en drie lui daar in de hoek, die zo somber en verdrietig kijken, dat zijn de gevangen vijanden, die zich moesten overgeven. En daar tussen de bomen door ziet u de edelvrouw met haar dames aankomen om de overwinnaar te begroeten. Hier op de voorgrond liggen de lijken van drie vijanden, die uw Heer betovergrootvader hoogst eigenhandig in het zand deed bijten. Daar in de verte steekt het kasteel af tegen de blauwe lucht; ziet u de vlag wapperen?" De Graaf stond maar te knikken, al zag hij niets van al het moois, dat Tijl zo vol overtuiging stond aan te wijzen. Want hij dacht: als ik zei, niets te zien, zou dat bewijzen, dat ik niet van zuivere adel was. Met een schuin oog keek hij naar het doek, dat voor de andere muur hing. "Daar komt het tweede hoofdtafereel met uw Heer overgrootvader als voornaamste personage, uittrekkend voor de strijd tegen de Turken. Maar dat is nog lang niet af. En daar rechts, daar komt..." - "Ja, ja," zei de Graaf, die het benauwd kreeg, en hij stapte naar de deur. Uilenspiegel deed hem met veel strijkages uitgeleide, terwijl de twee helpers de andere kant uitkeken om hun lachen te verbergen. "Dus Uw Edelheid is tevreden?" vroeg Tijl vriendelijk en onderdanig. De Graaf wierp nog even een blik op de kale muur en zei: "Zeker, zeker, mijn vriend," en verdween. Maar toen de Gravin hoorde, dat haar gemaal al de eerste wandschildering had bewonderd, begon zij te zeuren, dat zij en haar hofdames ook wel eens een kijkje mochten nemen. Tijl weigerde eerst, maar toen ook de Graaf aandrong, grotendeels omdat hij nieuwsgierig was, of anderen soms wél iets van een wandschildering zouden ontdekken, gaf Tijl toe. De Graaf en de Gravin met hun hele gevolg kwamen binnen. Tijl vertelde weer van de bijzondere verf, die alléén gezien kon worden door mensen van zuivere adel, liet het doek wegnemen en begon weer aan zijn uitleg. Hij loog er nog tweemaal zoveel bij, als toen hij de Graaf alleen bij de neus nam. En het hele gezelschap hield z'n mond en stond maar te knikken. Maar de nar van de Graaf was ook mee naar binnen geslopen en die zei hardop: "Nou kan ik merken, dat het met mijn adel niet helemaal pluis is, want ik mag een boon zijn, als ik ook maar iets zie van een tekening of van verf." "Stakkerd," zei Uilenspiegel lachend en de hofdames trokken vol minachting haar neusjes op voor die nar, die zo te koop liep met z'n lage afkomst. Toen het hele gezelschap de zaal verlaten had, buitelden de twee helpers van puur plezier driemaal over hun kop. Maar Tijl zei: "Jongens, als de narren de waarheid beginnen te zeggen, dan wordt het voor ons gevaarlijk. We pakken vanavond onze biezen en komen hier niet meer terug, hoor." En de volgende morgen wachtte de Graaf tevergeefs op de drie bedriegers: zij hadden Hessen verlaten. |