Verlichting voor dummy's >
Citaten >
Religie > Mystiek a-z
Deze pagina: Citaten over niet weten uit de mystiek.
Samensteller: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
De titels van de citaten zijn van mij, tenzij anders vermeld.
Inhoud
- 1 Voorbij alle woorden, Harry Hamersma
- 2 Augustinus
- 3 Cusanus, Nicolaas
- 4 Jaspers, Karl, over Jezus
- 5 Plotinus
- 6 Pseudo-Dionysius de Aeropagiet
- 7 Ruusbroec, Jan van (1293 – 1381)
- 8 Seuse, Heinrich
- 9 Sjestov, Lev
- 10 Tauler, Johannes
- 11 Thomas-evangelie
- 12 Vandekerckhove, Bieke
- 13 Wyk Louw, N.P. van
- 14 Diversen
Voorbij alle woorden, Harry Hamersma
Uit
Voorbij alle woorden; fluisteraars van het onzegbare, Harry Hamersma, Ankh-Hermes, Deventer 2008:
Stro'Ons
diepste inzicht betreffende God, is dat we helemaal niets over Hem
weten', zei Thomas van Aquino (1225-1274). Alles wat hij geschreven
heeft komt hem voor als stro. Het is dor. Het schiet te kort. Er kwam een
moment dat hij daarom ook maar ophield met schrijven. Hij was er niet
meer toe te bewegen zijn onvoltooide geschriften af te maken. (9)
Ze kunnen niet anders'God wordt het beste begrepen door
niet-begrijpen', zegt Augustinus (354-430). Een lange reeks prominente
kerkleraren zegt precies hetzelfde. Toch nemen degenen die dit zeggen
hun eigen uitspraak niet ter harte. Ze schrijven meestal uitvoerig over
het Onuitsprekelijke. Ze kunnen niet anders. (10)
Spreken en tegensprekenEr is een traditie die een weg heeft
gevonden die lijkt op spreken en zwijgen tegelijk. Het is een vreemd
soort taal, die lijkt op meerstemmigheid van spreken en tegenspreken.
Alles wat gezegd wordt, wordt ook weer teruggenomen. De uitspraken
imploderen, maar laten daarbij wel een spoor achter. Het gaat om
meerdere pogingen tegelijk, die op zichzelf te kort schieten, maar in
combinatie een akkoord opleveren dat enigszins voldoet.
Affirmerend-negerend spreken, uitersten of tegengestelden die elkaar
raken. Het levert godsnamen op als 'Alles en Niets', 'Welluidende
Stilte', 'Oogverblindende Duisternis', 'Weerloze Almacht.' Degenen die
zulke uitdrukkingen gebruiken, zeggen van zichzelf al dat ze eigenlijk
alleen maar stamelen. (10)
Nauwelijks of geen leerstellingenWanneer alle grote verhalen
en religies zouden verdampen, dan bestaat die merkwaardige taalvorm nog
steeds. Het is een traditie die religies overleeft, juist doordat er
geen of nauwelijks leerstellingen zijn. Zij overleeft alle tradities,
omdat zij tijdloos is. (11)
Geen geboortedag of vaderland'In mystieke uitspraken is er
een eeuwige overeenstemming, die een criticus aan het denken moet zetten
en die er de oorzaak van is dat de mystieke klassieken geen geboortedag
of vaderland kennen.' (William James, The Varieties of Religious
Experience) Het is een religie zonder leer, omdat het voornamelijk een
religie van zwijgen. (11)
In de mislukking van het denkenEr wordt echter wel iéts
gezegd. Wat overblijft na het terugnemen van alle uitspraken is een
'gevulde stilte'. Het mislukkende spreken en denken wordt zo zelf tot
spreken. 'Onze mislukking is onze overwinning', zegt Meister Eckhart.
'God spreekt in de mislukking van het denken', leerde ons Immanuel Kant
(1724-1804). (11)
Een soort fluisterenIn de voorbeelden die volgen over het
terugnemen van alles wat gezegd wordt, waarbij dan toch iets overblijft,
wordt niets verkondigd. Het gaat eerder om een soort fluisteren. Om een
religie zonder dogma's en instituten. Die religie is opmerkelijk mild
en optimistisch. Het is een merkwaardige vorm van taal die in totaal
verschillende culturen en tijdperken voorkomt. Nadat alle uitspraken
zijn gedaan en duidelijk is gemaakt dat ze onbevredigend zijn, blijft er
een betekenisvolle stilte over. (12)
Niet nietsIn de stilte die bereikt is, klinken nog de echo's
van de woorden, laten de schaduwen van de beelden zich nog zien. Het is
niet niets. In Oost en West bestaat er een lange traditie van spreken
over het Onzegbare, waarbij de mislukking van het denken en spreken
bewust in het denken wordt opgenomen. (13)
Een oorverdovende stilteHet is taal die zich moeilijk laat
onderbrengen. 'Ik zoek woorden, maar wil woordeloos worden'. 'Het
duister is mijn licht.' Het is een 'oorverdovende stilte'. Het lijkt
allemaal zonder betekenis, maar dat is het niet. Na alle echo's en
schaduwen van het onzegbare blijft er geen tekst over, ook geen gezongen
tekst, maar wel een gefluisterd vermoeden, of in elk geval een melodie.
(13)
Zichzelf uitwissen
Elk boek bestaat uit twee delen. Het eerste deel komt van de auteur, het
tweede van de lezer. Wanneer het om teksten over het Onzegbare gaat,
zijn deze teksten vaak zo enigmatisch, dat het voornamelijk op de lezer
aankomt. Het mislukken van het spreken wordt in zulke teksten, die
zichzelf uitwissen, zelf tot taal. Datgene wat niet gezegd kan worden,
kan indirect toch worden getoond. Het aandeel van de lezer wordt groter. (13)
Nooit van de randEen Perzische dichter vergelijkt de natuur met een boek waarvan de eerste en laatste bladzijden ontbreken. Onze kennis neemt toe, het boek wordt steeds dikker, maar de eerste en laatste bladzijden vinden we niet. Het lijkt alsof je telkens nieuwe stukjes vindt voor een oneindig grote legpuzzel waar al eeuwen aan gewerkt wordt. De puzzel wordt alsmaar groter, maar er worden nooit stukjes van de rand gevonden. (87)
De oceaan van het onbekende'Onze kennis is een eiland in de oneindige oceaan van het onbekende'. (Victor Weisskopf,
Knowledge and Wonder, 1962). Het eiland wordt steeds groter, maar daarmee worden de grenzen ook steeds verder opgerekt. Dat is het dubbelzinnige bij het groter worden van alle kennis. Onze kennis wordt steeds rijker, maar ook steeds duizelingwekkender. (87)
De stap naar binnenReligies en metafysische stelsels proberen antwoorden te geven en de ontbrekende bladzijden in te vullen. Lyotard noemt het 'metaécrits', 'metaverhalen'. Die grote verhalen hebben hun geldigheid verloren toen bleek dat ze zich niet konden legitimeren. Vaak zijn ze bijzonder coherent. Binnen het systeem past alles en krijgen alle vragen een antwoord. Maar wat niet duidelijk wordt gemaakt, is waarom je de stap naar binnen eigenlijk zou zetten. Soms geven ze antwoord op diepzinnige vragen die niemand stelt. Grote verhalen blijven zelf eigenlijk ook staan bij een grens waar alleen nog maar kan worden gezwegen. (87)
Hoe of datWe weten steeds meer over het 'hoe', terwijl we even verwonderd blijven over het 'dat' van de werkelijkheid. Op dit punt wordt onze kennis nooit groter. (88)
Een niemandslandEr is een grens aan alle kennis, maar er is nog een laatste conclusie mogelijk bij de grens: het is denkbaar dat is, wat ondenkbaar is. Wij kunnen niet tegen de buitenkant van de werkelijkheid aankijken, maar we zien wel een niemandsland dat niet het exclusieve bezit is van een religie of metafysisch systeem. Geen enkel metaverhaal kan het claimen, maar je kunt de ruimte niet ontkennen en de toegang tot die ruimte niet verbieden. (89)
Een open plekHet gaat om een open plek die gekoesterd moet worden. Reserveruimte in het denken is niet alleen een teken van openheid of verwachting. De Atheners hadden een altaar gereserveerd voor een nog onbekende god. Er is een Joods gebruik om bij feesten een extra plaats aan tafel te dekken voor een onverwachte gast. Tijdens de oorlog werd door boekdrukkers het kostbaarste papier ingebonden in lege folianten, om het veilig te stellen voor betere tijden. Het gebedssnoer van de moslims telt negenennegentig kralen, één voor elk van de mooiste namen van Allah. Eigenlijk zijn er honderd mooiste namen, maar de allermooiste kennen we niet. Volgens een oud Egyptisch gezegde heeft God ontelbaar veel namen, maar kent niemand de naam van God. (89)
Het denken houdt de ruimte openWanneer ik iets probeer te zeggen over het niemandsland, het gekoesterde vacuüm, dan mislukt dat spreken. Als ik nadenk over het mislukken van mijn denken en spreken, dan vind ik geen antwoord. Ik weet alleen dát mijn denken mislukt. 'Ik weet dat ik niets weet', zei Socrates. Ik onderga een negatieve ervaring die ik positief kan duiden. Niets-zien is iets anders dan niet-zien. Datgene wat ik niet zie, wat ik niet begrijp, zou kunnen zijn en niet-zijn. Het denken houdt de ruimte open. (90)
Het duistere lichtAls het spreken niet verder kan, kun je nog zingen. Als dat ook niet meer kan, kun je nog neuriën. Er is altijd nog een melodie, die zich rondzingt door de geschiedenis, als iets dat in de lucht hangt. Het is als een 'susurrus'. Dat betekent: 'gefluister', 'zoemen', 'suizen van de wind'. Wat er niet mee harmonieert, is 'absurdus', het ongerijmde. Er zijn souffleurs van het Onzegbare. Ze hebben een boodschap die fluisterend wordt doorgegeven. Het bericht gaat niet over een virtuele parallelle wereld, maar over het duistere licht dat te zien is voor wie zijn ogen sluit, over een verborgen stilte. (93)
Augustinus
Geciteerd door Gabriel Marcel in
De mens zichzelf een vraagstuk,1956:
Met verbijstering geslagen
Groot, mijn God, is deze macht
van het geheugen; ja zeker, zeer groot. Het is een geweldig, een
onmetelijk heiligdom. Wie is ooit tot de uithoeken ervan doorgedrongen!
Toch is het niet anders dan een vermogen van mijn geest, dat
voortvloeit uit mijn natuur. Maar ik kan mij niet volledig voorstellen
wat ik ben. Is de geest dan te eng om zichzelf te kunnen bevatten? Waar
blijft dan datgene wat hij van zichzelf niet bevatten kan? Zou dit dan
buiten hem zijn en niet in hem? Maar op welke wijze bevat hij het niet?
Deze gedachte doet mij geheel verbaasd staan, en ik voel mij met
verbijstering geslagen. (105)
Cusanus, Nicolaas
Uit
Voorbij alle woorden; fluisteraars van het onzegbare, Harry Hamersma, Ankh-Hermes, Deventer 2008:
Complexio oppositorumCusanus is vooral beroemd geworden door zijn leer van de 'coincidentia' of 'complexio oppositorum': het samenvallen van tegengestelden in God. In het oneindige raken uitersten elkaar. Hij kende het uit de wiskunde. Als je één zijde van een driehoek tot in het oneindige verlengt, dan gaan de andere zijden er ten slotte mee samenvallen. Als je de doorsnee van een cirkel tot in het oneindige verlengt, dan gaat de omtrek samenvallen met de doorsnee. Een rechte lijn wordt dan tegelijk driehoek en cirkel. (35)
Over het geleerde niet-weten[Cusanus] is verwonderd over een gave die hij heeft ontvangen: 'Als een geschenk ontving ik van de Vader het licht dat ik het onbegrijpelijke op een onbegrijpelijke wijze vatte in het weten van het niet-weten.' Dit geschenk zal leiden tot de titel van zijn belangrijkste boek, 'De Docta Ignorantia', 'Over het geleerde niet-weten' (1441). (36)
NegatiesDe kern van het boek, het begrijpen van het onbegrijpelijke in het weten van het niet-weten, was een inzicht dat hij plotseling kreeg tijdens een zeereis, van Constantinopel naar Venetië, in de winter van 1437 - 1438. Wanneer je affirmaties over God niet als beeld ziet, aldus Cusanus, dan verval je tot afgodendienst. Alleen negaties betreffende God zijn waar. Wij weten wat Hij niet is. Maar wanneer je niet verder komt dan negaties en alleen maar leert wat God niet is, dan is je kennis nutteloos. Er is een volgende stap nodig. Die stap heeft Cusanus gevonden. (36)
In het mislukkenAlle denken is gebonden aan tegenstellingen. Wil je daar bovenuit komen, dan mislukt het denken. Wanneer je dat mislukken tot denkmodel maakt, dan gebeurt er iets anders, dan leidt de reeks mislukkingen tot een nieuw inzicht en toont het onuitsprekelijke zich in dat mislukken. Dankzij het inzicht dat God het samenvallen van tegenstellingen is, heeft Cusanus een weg gevonden. (37)
Alles en nietsDe logische taal cijfert zichzelf als het ware weg en komt dan boven het logische uit. Van God moet alles tegelijk worden bevestigd en ontkend. Hij is alles en niets tegelijk. Vraag je of hij al dan niet bestaat, dan vind je hem niet. Het antwoord op de vraag of hij bestaat luidt: 'Dat hij noch is, noch niet-is. Dat hij niet-is en niet is'. (37)
Niet andersWordt hiermee nog iets gezegd? Wij kennen alles via het tegendeel ervan. Wij weten wat eenheid is, omdat we ook veelheid kennen. Wij weten wat groot is, omdat we weten wat klein is. Wij kennen licht dankzij donker, veel dankzij weinig, vreugde dankzij verdriet. De begrippen ontlenen hun betekenis aan elkaar. Maar waaraan moet het woord God dan zijn betekenis ontlenen? God is immers alles zonder tegenovergestelde. Het antwoord luidt: Hij is zelf het 'niet anders zijn', het 'non aliud'. Dat is de titel van een ander boek van Cusanus, 'De Li Non Aliud', 'Over God Niet-Anders'. (37)
Geen tegenovergesteldeHet tegenovergestelde van God is niet het andere of het niets. Er is helemaal geen tegenovergestelde, ook geen begrenzing. God gaat aan het niets vooraf. Hij gaat vooraf aan het worden. Hij is niet dit of dat en kan ook niet niet-dit of niet-dat worden. Bij hem is er helemaal geen tegenstelling van kunnen zijn en zijn, geen tegenstelling van mogelijkheid en werkelijkheid. Hij is 'possest', 'coincidentia van 'posse' (kunnen) en 'esse' (zijn). Hij is wat hij kan zijn. Hij is het grootste en het kleinste. Hij is het grootste omdat hij alles omvat, het kleinste omdat hij in alles is. God is wat hij heeft. Hij is het oneindige einde, omdat hij alleen het einde van zichzelf is. Hij wordt door niets begrensd. (38)
OngepastDe mens kan geen enkele vraag met betrekking tot God stellen, zonder dat het gevraagde al wordt verondersteld. Vragen wij of God eenheid is, dan veronderstellen we al zijn bestaan. Eigenlijk zijn alle vragen ongepast, omdat elke vraag twee mogelijkheden veronderstelt, waarvan er slechts één waar kan zijn. Bij God is dat echter niet het geval. Cusanus denkt in de richting waar alle bepaaldheid, alle denkbaarheid, al het voorstelbare ophoudt en waar datgene is, dat eigenlijk is en tegelijkertijd niets is. (38)
Nooit een cirkelWezen en bestaan, essentia en existentia, vallen in God samen. God is het maximum en het minimum. Hij bezit geen grootte en geen gradaties. Al het andere wel. Wij begrijpen en onderscheiden dingen doordat we ze kunnen vergelijken. God valt echter met niets te vergelijken. We weten van God wat hij niet is, we bezitten alleen 'docta ignorantia', een 'geleerd niet-weten'. Alle wetenschap is kennis-bij-benadering. Cusanus vergelijkt verstandelijke kennis met een veelhoek binnen een cirkel. Je kunt het aantal hoeken alsmaar groter maken, maar de veelhoek wordt nooit een cirkel. (38)
SchipbreukHet denken over het Oneindige gaat altijd wankelen. Het lijdt schipbreuk, maar je kunt dat zien als een positief gegeven. Je komt ergens aan. Je komt aan bij 'het oneindige einde, dat het einde van zichzelf is'. En 'het oneindige einde' is een godsnaam. (39)
De bandbreedte van onze begrippenGaat het alleen maar om het spelen met concepten waarvan de betekenis in het oneindige begint te zweven, of zelfs helemaal verdwijnt? Uitersten raken elkaar in het oneindige. Je kunt je er niets meer bij voorstellen, maar je begrijpt wel dat het iets zegt over de bandbreedte van onze begrippen. Voor wie op de noordpool staat hebben 'oost' en 'west' geen betekenis meer. In de Tao Te Tjing komen ook voorbeelden voor van limieten waarbij het denken begint te wankelen. 'Het grootste vierkant heeft geen hoeken'. Het zegt minder over het vierkant dan over ons denkvermogen. Merkwaardig genoeg leert ook de Tao Te Tjing de 'docta ignorantia', als een deugd. (39)
Jaspers, Karl, over Jezus
Uit
Socrates, Boeddha, confucius, Jezus,
Karl Jaspers, 1999 (1960):
Onafhankelijk
Deze
zekerheid aangaande God, die wij bij Jezus ontmoeten, maakt een houding
van de ziel mogelijk, die op haar beurt weer onbegrijpelijk is. De mens
blijft in de wereld en neemt deel aan het leven in de wereld. Maar wat
hem ook raakt, in de diepte, in de grond, die de wereld te buiten gaat,
is er niets wat hem kan raken. Hij is in de wereld boven de wereld
verheven. In de verlorenheid van zijn bestaan aan de wereld is hij
ergens - op een onbewijsbare, van meet af aan betwijfelbare wijze -
onafhankelijk van de wereld. (151)
Wonderbare onbevangenheid
Deze
onafhankelijkheid,
waarin de wereld toch niet wordt verlaten, bewerkt
Jezus' wonderbare onbevangenheid. Enerzijds kunnen de dingen van de
wereld in hun eindigheid niet meer het absolute worden, de wereldse
bouwwerken van het weten kunnen geen totaal weten meer worden; en ook
de regels en de wetten kunnen niet meer verleiden tot de verstarring in
wat men kan berekenen en overzien. Deze verlokkingen lijden schipbreuk
op die vrijheid uit de zekerheid aangaande God. Anderzijds is het eigen
wezen van die wereld aan het licht gebracht en wordt het oog geopend
voor alle realiteiten [...]. (152)
Instorting
Jezus
heeft alle bestaande ordening van de wereld achter zich gelaten. Hij
ziet, dat alle ordeningen en gewoonten farizeïsch zijn geworden, hij
toont de oorsprong van waaruit ze kunnen worden omgesmolten. De grond
van alles wat er in de wereld is wordt definitief weggeslagen; en er is
niets wat daarvan wordt uitgezonderd. Alle ordeningen, de banden van de
piëteit, van de gevestigde instellingen, van de redelijke zedewetten,
storten in. Alle taken vallen weg tegenover de oproep om God te volgen
naar zijn rijk. (152)
Onmogelijk
Jezus
heeft de weg gevonden naar deze plaats, van waaruit de hele aardse
werkelijkheid in het niet verzinkt [...]. Deze plaats is in feite geen
plaats in de zin van een plaats in de wereld. Ieder die hem wil meten
met de maatstaven van het in de wereld welgevoeglijke moet hem
misverstaan. Van de wereld uit gezien is hij onmogelijk. (153)
Uit
Voorbij alle woorden; fluisteraars van het onzegbare, Harry Hamersma, Ankh-Hermes, Deventer 2008:
Stranden is landenJaspers noemt de laatste werkelijkheid 'het Omvattende', 'das Umgreifende', of ook 'het Omvattende van het Omvattende'. Het is de laatste horizon, steeds aanwezig, altijd terugwijkend, altijd onbereikbaar. Door er bewust overheen te schieten is het mogelijk er iets over te zeggen en het zo, indirect, aan het licht te brengen. Van Kant heeft hij geleerd dat de transcendentie zich toont in het mislukken van het denken. Het is geen echte mislukking. Het levert iets op. Stranden is landen. (60)
Er moet iets kapot gaanDe Griekse tragedies, Homerus, het boek Job, de Edda, Calderon, Racine en Dostojevski, laten je toeschouwer zijn van het mislukken. Het mislukken laat je een katharsis ervaren. Er moet iets kapot gaan om het eigenlijke bloot te leggen. De graankorrel sterft. De held sterft. Maar er is geen tragedie zonder transcendentie. (60)
OnlogicaDenken en spreken over het mislukken van alle denken en zijn, noemt Jaspers 'alogik', 'onlogica'. Over het niet-logische kun je maar beter zwijgen, omdat je niet meer weet wat je zegt. Jaspers zwijgt echter niet. Hij voelt zich onderdeel van een traditie die als een geheim door de tijden gaat, een soort muziek van de speculatie. De 'alogik' is een denkoperatie die niets voortbrengt, maar die de mens verandert. (61)
Zinnen die zichzelf opheffenEr zijn tal van manieren gevonden om iets te zeggen over het Onzegbare. Je gebruikt beelden waarvan je weet dat ze verboden en onmogelijk zijn. Het beeldenverbod is het meest terechte en het meest onmogelijke. Zonder beelden gaat het echter niet. Wat ons dan overblijft is het scheppen van beelden om ze direct daarna weer te vernietigen. Gedachten die zichzelf tegenspreken, zinnen die zichzelf opheffen. Grote filosofen vertonen allerlei bewuste 'fouten' in hun denken: grensverleggingen, contradicties, tautologieën, cirkelredeneringen. Ze zien eruit als abstracties waarop het denken zich stukbijt, maar zijn door hun onlogische vorm juist heel geschikt als namen voor het Onzegbare, omdat ze als het ware licht doorlaten, transparant worden. (61)
ChiffertaalJaspers heeft een naam gevonden voor de taal die de transcendentie spreekt: het is de Chiffertaal. ... Het woord 'chiffer' is van Arabische oorsprong. 'Sifr' betekent 'nul', 'niets', 'leegte'. Het begrip waarvoor het staat is een uitnodiging van de Indiërs. Het Sanskriet noemt het 'sunya', 'leeg'. (62)
ContradictiesEen heel complex van in zijn chiffer-leer centrale begrippen zijn ontleend aan de zee: de horizon, het omvattende, de ruimte, de eenzaamheid, het zich verankeren in de eeuwigheid en het stranden. Chiffers zijn immanente transcendentie. Dat is een begrip dat zich schaart in de eeuwenlange reeks van contradicties waarmee het Onzegbare wordt aangeduid, contradicties die volgens Wittgenstein ... niets zeggen, die onzin zijn maar niet onzinnig, omdat ze iets 'tonen'. (63)
Wat geen verstand kan vattenWanneer we beseffen dat het eigenlijke zijn geen object en geen subject is, maar het Omvattende dat zich in de subject-object structuur aan ons openbaart, dan is alles wat zich in deze structuur aan ons toont 'verschijning'. De drijvende kracht achter het transcenderende denken is de rede. Deze zoekt naar het geheel, verbreekt alle vanzelfsprekendheden en illusies. Ze gaat als een publiek geheim door de geschiedenis, houdt alles in beweging en laat wat geen verstand kan vatten, in chiffers tegenwoordig zijn. (63)
De wereld wordt mysterieWie de chiffers leest, verwondert zich over het vanzelfsprekende. Hij ontwaakt uit de slaap. Alle dogmatisme, het verheffen van een bepaald weten tot hét weten wordt doorbroken. De 'taal van de dingen' wordt hoorbaar. De werkelijkheid wordt transparant en blijkt het handschrift van een ander. Er ontstaat als het ware een tweede wereld van de objecten. De wereld verdubbelt zich. Alles krijgt naast zijn bestaansdimensie ook een symbooldimensie. De wereld wordt mysterie. Wat altijd al bestond wordt meer dan het aanvankelijk scheen, het wordt chiffer. (64)
Mogelijkheden, geen werkelijkheidHet is alsof de transcendentie een buitenkant en een binnenkant bezit. Tot haar buitenkant behoort haar onkenbaarheid, tot haar binnenkant hoort het chifferschrift van de dingen. Chiffers moeten blijven zweven, men mag ze niet verwisselen met inhoudelijke kennis. Ze bieden mogelijkheden, geen werkelijkheid. Ze bevatten waarheid en onwaarheid, nooit het Ene Zelf dat zonder beeltenis is. (65)
Denken dat bewust zijn eigen mislukking zoektDe godheid is 'het Andere', Nirwana, Hyperzijn, Tao, Voorzienigheid, het Ene, Absolute Geest. Na al deze namen is er in wezen niets veranderd. Geen enkele naam overstijgt het chifferkarakter. Lege namen, contradicties, tautologieën, cirkelredeneringen: het zijn allemaal vormen van denken dat bewust zijn eigen mislukking zoekt. (67)
Naar onafzienbare ruimten'Het is denkbaar dat is, wat ondenkbaar is.' In zo'n gedachte vat ik het 'dat', niet het 'wat' van de godheid. Het is een logisch-alogisch denken dat mij voert naar onafzienbare ruimten. (67)
Plotinus
In
Kloppen waar geen poort is, Ton
Lathouwers, 2007 lezen we wat Lev Sjestov schrijft over de mystieke
ervaringen van Plotinus:
Vleugels
Men moet boven het weten uitstijgen. Men moet de dwingende 'waarheid'
overwinnen. Men moet leren niet langer te luisteren naar de sirenezang
van het verstand. Men kán de dwingende waarheid overwinnen. Men kán
uitstijgen boven 'kennis'. De ziel heeft vleugels daarvoor. [...] Zij
heeft het absoluut niet nodig om, zoals het verstand haar probeert te
doen geloven, een dialectische weg te gaan en stap voor stap voort te
kruipen langs een door eerdere generaties gelegd karrenspoor [...]. Zij
hoeft zich niet te vergewissen van wat in haar macht ligt en wat niet,
van wat beantwoordt aan de structuur van het 'geheel' en wat niet, van
wat bedrieglijk is en wat niet. (104)
Nee, nee en nog eens nee
Wat zijn verstand hem ook zei, op dat alles kent hij dan nog maar één
antwoord: 'Nee, nee, en nog eens nee!' Alles is beter dan het
zogenaamde in ideeën gevangen bestaan dat ons voorgeschoteld wordt door
het verstand. Zelfs de dood, die het verstand ons leerde vrezen,
belooft ons meer dan de 'noodzakelijkheid' waarover het verstand
spreekt. (107)
Buiten spel
Nu de evidenties van het verstand verstrooid zijn, heeft de dialectiek
geen macht meer over wat goed en kwaad is, over wat volmaakt en
onvolmaakt is. Zelfs niet meer over wat mogelijk en onmogelijk is.
(109)
IJdelheid en schimmigheid
Enkel en alleen in die zeldzame ogenblikken als het ons lukt of gegeven
is de boeien van ons af te werpen, die door honderden generaties vóór
ons levende mensen zijn gesmeed [...] beginnen wij plotseling heel de
ijdelheid en de schimmigheid te doorzien van die algemene waarheden, die
enkel bestaan bij de gratie van het verstand en die voor allen
toegankelijk zijn. (113)
Pseudo-Dionysius de Aeropagiet
Uit
De Mystieke Theologie, Pseudo-Dionysius de Areopagiet, vertaald
door Wim van den Dungen, Antwerpen, 2009,
sofiatopia.org/equiaeon/nmysthe.htm
Gezichtsloze geesten
Leid ons voorbij het niet-kennen
en het licht tot de verste, hoogste top van 't mystieke schrift, waar
de mysteries van Gods Woord eenvoudig, absoluut en onveranderlijk in de
schitterende duisternis van een verborgen stilte liggen. Te midden van
de diepste schaduw gieten ze overweldigend licht op het meest in het
oog springende. Te midden van de geheel en al ongevoelde en ongeziene
vullen ze onze gezichtsloze geesten volledig met schatten voorbij alle
schoonheid.
Begrip laten varen
Daarvoor bid ik; en Timotheus, mijn vriend,
mijn
raad aan jou als je op zoek bent naar een aanblik van de verborgen
dingen, is al het waargenomene en begrepene, al het waarneembare en
begrijpbare, al wat niet is en al wat is achter je te laten en, terwijl
je je begrip hebt laten varen, zoveel als je kan opwaarts te streven
naar vereniging met hem die voorbij al het zijn en alle kennis is.
Alles afwerpend
Door
jezelf en al de rest onverdeeld en absoluut te verliezen, alles
afwerpend en vrij van alles, zal je verheven worden tot de stralende
lichtbundel van de goddelijke schaduw die is boven alles wat bestaat.
Kolossaal en minuscuul
Dit is tenminste wat geleerd werd
door de gezegende Bartholomeus. Hij zegt dat het Woord van God
kolossaal en minuscuul is, dat het Evangelie breed opgezet en toch
begrensd is. Mij lijkt het dat hij hierin buitengewoon scherpzinnig is,
want hij heeft begrepen dat de goede oorzaak van alles tegelijk
welsprekend en zwijgzaam is, inderdaad onuitgesproken.
Het
verstand verzakend
Maar dan maakt hij (Mozes) zich van hen los, weg van wat ziet en gezien
wordt, en duikt hij in de ware mysterieuze duisternis van het
niet-kennen. Hier, verzakend aan alles wat het verstand kan bevatten,
geheel gehuld in het ontastbare en onzichtbare, behoort hij volledig
toe aan hem die zich voorbij alles bevindt.
Door niets te kennen
Hier, zichzelf zijnd noch
iemand anders, voelt men zich in de hoogste graad verenigd door een
compleet niet-kennende inactiviteit van alle kennis en kent men voorbij
het verstand door niets te kennen.
Ver boven het licht
Ik
bid dat we tot deze duisternis kunnen geraken, zo ver boven het licht!
Ontbrak
het ons maar
Ontbrak het ons maar aan zicht en kennis, om zo niet-ziende en
niet-kennend dat te zien en te kennen wat voorbij elk zien en elke
kennis ligt.
Verborgen duisternis
Maar als
we nu van de laatste zaken naar de meest elementaire opklimmen
ontkennen we alles zodat we op onverscholen wijze misschien dat
niet-kennen kunnen kennen, dat zelf verborgen is voor al wie onder de
zijnden door kennis wordt bezeten, zodat we boven het zijn uit die
duisternis zouden kunnen zien die verborgen is voor al 't licht dat
temidden van de zijnden is.
Sprakeloos
Het is zo dat hoe hoger onze vlucht, hoe meer
onze woorden bepaald worden door de ideeën die we ons kunnen vormen,
zodat nu we in de duisternis duiken die voorbij het intellect is, we
zullen merken dat we niet gewoonweg woorden tekort komen maar
sprakeloos en niet-kennend zullen zijn.
Voorbij bevestiging
en ontkenning
Het is noch ziel of
verstand, noch bezit het verbeelding, overtuiging, spraak of begrip.
Noch is het spraak op zich of begrip op zich. Er kan niet over
gesproken worden en het kan niet door het verstand begrepen worden. Het
is niet aantal of rangorde, grootte of kleinheid, gelijkheid of
ongelijkheid, overeenkomst of ongelijkvormigheid. Het is niet
onbeweeglijk, in beweging of in rust. Het heeft geen macht, het is geen
macht, en het is ook geen licht. Het leeft niet of is niet het leven.
Het is geen substantie en het is ook geen eeuwigheid of tijd. Het kan
niet gevat worden door het begrip daar het geen kennis en ook geen
waarheid is. Het is geen koningschap. Het is geen wijsheid. Het is één
noch eenheid, goddelijkheid noch goedheid. En het is ook geen geest, in
de zin waarin we die term verstaan. Het is geen zoonschap of vaderschap
en het is niets wat ons of enig ander wezen bekend is. Het valt onder
het predikaat niet-zijn noch onder zijn. Bestaande wezens kennen het
niet zoals het werkelijk is en het kent hen niet zoals ze zijn. Er
bestaat geen uitspraak van, een naam noch kennis. Duisternis en licht,
dwaling en waarheid ; het is niets hiervan. Het is voorbij bevestiging
en ontkenning.
Uit
Voorbij alle woorden; fluisteraars van het onzegbare, Harry Hamersma, Ankh-Hermes, Deventer 2008:
EpikeinaDe teksten van Dionysius zijn zo tijdloos, dat het niet verwonderlijk is dat ze eeuwenlang verkeerd gedateerd konden worden. Als je de teksten in één woord zou willen samenvatten, dan komt het begrip 'epekeina' daarvoor in aanmerking, wat 'voorbij', 'aan gene zijde van' betekent. Hij spreekt over geheimen die verborgen liggen in de oogverblindende duisternis van een verborgen stilte. (28)
Een volmaakt niet-zien en niet-begrijpenDionysius gebruikt het voorbeeld van de beeldhouwer, dat hij ontleent aan Plotinos. De beeldhouwer maakt het beeld niet. Het was er altijd al. Het zat verborgen in het blok marmer. De beeldhouwer haalt alleen maar weg wat het verbergt. Door op te ruimen wat het beeld in de weg staat, door te verwijderen wat er niet bij hoort, laat hij de verborgen schoonheid zien. Op dezelfde manier moeten wij uitkomen bij de verheven duisternis boven alle licht, voorbij alle inzicht, uitkomen bij een volmaakt niet-zien en niet-begrijpen. Duisternis verdwijnt in het licht. Hoe meer licht, hoe minder duister. Gods duisternis blijft echter verborgen voor alle licht en kennis. Het is verheven boven alle licht. Hij is totaal ongekend en niet-bestaand. Hij bestaat voorbij het zijn en wordt gekend voorbij het intellect. (29)
Van alles afwendenHij was niet, zal niet zijn en ontstond niet. Hij wordt gekend in alle dingen en is anders dan alle dingen. Hij wordt gekend door niet-weten. Woorden kunnen hem niet bevatten. Geen naam kan greep op hem krijgen. De geest moet zich van alles afwenden, ook van zichzelf, en komt dan in een duizelingwekkende toestand terecht. Juist daar en dan wordt de geest verlicht door de onpeilbare diepte van de wijsheid. (29)
Voorbij'Leid ons voorbij het niet-weten en het licht
naar de verste en de hoogste top
van de mystieke geschriften
waar de geheimen van Gods woord
eenvoudig, stil en onveranderlijk liggen
in de schitterende duisternis
van een verborgen stilte.'
(uit 'De Mystieke Theologie', Hoofdstuk I) (30)
Ruusbroec, Jan van (1293 – 1381)
Uit: Het Derde Leven, Jan van
Ruusbroec, vertaling Wim van den Dungen,
sofiatopia.org/equiaeon/3thlife
Dood zijn voor zichzelf
En daarom, wie dit zal verstaan moet
dood zijn voor zichzelf en in het besef van God leven en zijn gelaat
richten naar het eeuwige licht in de bodem van zijn geest, waar de
verborgen waarheid zichzelf openbaart zonder bemiddeling.
Ongemodelleerdheid en duisternis
Ten derde moet hij zichzelf verloren hebben in
een ongemodelleerdheid en duisternis waarin alle schouwenden in vreugde
rondwandelen en zichzelf niet langer kunnen vinden in een creatuurlijke
wijze. In de afgrond van deze duisternis waarin de liefhebbende geest
voor zichzelf gestorven is, begint de openbaring van God en het eeuwige
leven.
Boven onderscheid
En
daarom zouden alle innerlijk schouwenden moeten uitgaan, overeenkomstig
de wijze van schouwen, boven de rede, boven onderscheid, en boven hun
geschapen-zijn, met een eeuwig naar-binnen-staren door het aangeboren
licht; zo worden ze getransformeerd en één met datzelfde licht
waardoor zij zien en dat zij zien.
Afgrond van nameloosheid
Want de onpeilbare bovenaardsheid van God
is zo duister en zo onbepaald dat zij in zichzelf alle goddelijke
vormen en activiteiten en eigenschappen van de personen omvat in de
rijke omhelzing van de wezenlijke eenheid, en dat zij een goddelijke
vreugde voortbrengt in deze afgrond van nameloosheid.
Bovenaards en zonder reden
En hier is de
vreugdevolle oversteek, een verzwolgenheid die wegvloeit in de
wezenlijke naaktheid waar alle goddelijke namen en alle wijzen en alle
levende ideeën die in de spiegel van de goddelijke waarheid afgebeeld
worden, zonder uitzondering in deze eenvoudige nameloosheid vallen,
bovenaards en zonder reden.
Onbegrepen grond
Want in deze bodemloze maalstroom
van eenvoud, worden alle dingen omvat door vreugdevolle gezegendheid,
terwijl de grond zelf totaal onbegrepen blijft, tenzij door wezenlijke
eenheid.
Bestaan zonder bepaling
Hiervoor moeten de personen en alles wat in God leeft wijken,
want hier bestaat niets anders dan een eeuwige rust in een vreugdevolle
omhelzing van liefdevolle vervoering. Dat is, in het bestaan zonder
bepaling dat alle vrome geesten verkozen hebben boven alle dingen. Dit
is de donkere stilte waarin al de liefhebbenden verloren zijn.
Seuse, Heinrich
uit
Het boek van de waarheid, Heinrich Seuse, vertaald door C.O. Jellema, Historische Uitgeverij, Groningen 2004:
Dit grondeloze zijnNu
heeft Dionysius dit grondeloze Zijn in z'n onbedektheid geschouwd en
hij zegt, zoals ook andere leermeesters doen, dat dat enkelvoudige
waarvan sprake is, ondanks alle namen, uiteindelijk onbenoemd blijft.
Want zoals de wetenschap van de logica stelt, moet de naam zowel het
wezen van de zaak als de definitie ervan uitdrukken. Nu is het echter
bekend dat het wezen van het genoemde enkelvoudige Zijn oneindig en
onmeetbaar is en voor de mens niet in begrippen te denken. Daarom weten
alle hooggeleerde theologen wel dat dit Zijn-zonder-zijnswijze ook
naamloos is. (14)
Te gedifferentieerdIk verbaas me
erover waar die meervoudigheid vandaan komt die men aan het Ene
toeschrijft, hoewel dat immers zo volstrekt enkelvoudig is. De een
bekleedt het met wijsheid en noemt het 'de wijsheid', een ander met
goedheid, weer een ander met gerechtigheid en wat dies meer zij. Zo
spreken de theologen vanuit hun geloof over de goddelijke
Drievuldigheid. Waarom laat men het niet voor wat het is: in z'n
enkelvoudigheid, die het zelf is? Werkelijk, me dunkt dat zo dat enig
Een te veel te doen heeft en te gedifferentieerd is. Of hoe kan het als
een zo zuiver Een bestaan, waar zo'n menigvuldigheid heerst? (15)
Een stille duisternis[De
oergrond] is de natuur en het zijn van de godheid. En in die grondeloze
afgrond verzinkt de Drieheid der Personen in haar eenheid, en elke
veelheid wordt daar op een bepaalde wijze van zichzelf bevrijd. Daar is
dan ook, zo opgevat, geen andere activiteit dan een stille, in zichzelf
zwevende duisternis. (15)
In onkennisDe leerling zei:
Ik zie echter dat er bergen en dalen zijn, water en lucht en allerlei
schepselen. Hoe kun je dan beweren dat er enkel het Ene is?
Het
zuivere woord antwoordde en zei: Ik zeg je nog dit: tenzij de mens twee
tegengesteldheden, dat wil zeggen twee elkaar tegensprekende zaken,
samen als eenheid kan begrijpen, werkelijk, dan is het zonder twijfel
niet erg gemakkelijk om met hem te praten over zulke dingen. Want als
hij dit begrijpt, is hij pas op de helft gekomen van de weg des levens
die ik bedoel.
Een vraag: Welke zijn die tegengesteldheden?
Antwoord: Een eeuwig Niets en zijn gewordenheid in de tijd.
Een tegenwerping: Het een-zijn van twee tegengesteldheden is in ieder opzicht in tegenspraak met alle wetenschappen.
Antwoord: Ik en jij zitten niet op dezelfde tak en vinden elkaar niet
op hetzelfde punt. Jij gaat een weg en ik een andere. Jouw vragen komen
voort uit menselijke gedachten, en ik antwoord vanuit de gedachten die
alle menselijke begrip te boven gaan. Je moet gedachteloos worden, wil
je zover komen, want in onkennis wordt de waarheid gekend. (29)
OnbegrijpelijkheidEen
vraag: Doet de Schrift een uitspraak over hetgeen jij 'Niets' hebt
genoemd, dat wil zeggen niet over het niets-zijn, maar over zijn alles
te boven gaande onbegrijpelijkheid?
...
Antwoord: Zolang de mens
zoiets als 'een eenheid' begrijpt voor zover het met verstandelijke
argumenten bewezen kan worden, moet hij nog dieper doordringen. Het
Niets kan uit zichzelf niet dieper, alleen ons begrip kan er dieper in
doordringen, dat wil zeggen, wanneer wij zonder voorgevormde beelden en
voorstellingen die er kunnen zijn, gaan begrijpen wat alle
voorstellingen en beelden begripsmatig te boven gaat. En daarover kan
men niet spreken, want gesproken worden, meen ik, kan alleen over iets
wat men met verstandelijke argumenten kan bewijzen. Wat er nu ook over
gesproken wordt, toch wordt van het Niets in geen enkel opzicht bewezen
wat het is, hoeveel leermeesters en boeken er ook zijn. (30)
Evenmin als wijEen
vraag: Wat wil dat zeggen, dat, wanneer het voortbrengende Niets, dat
men God noemt, in zichzelf komt, de mens geen onderscheid tussen
zichzelf en hem kent?
Antwoord: Zolang dat Niets zoiets in ons
bewerkstelligt, is het vanuit ons gezichtspunt niet in zichzelf. Wanneer
het echter vanuit ons gezichtspunt in zichzelf komt, weet het vanuit
ons gezichtpunt daarvan niets, evenmin als wij. (31)
Alleen daarDe
ziel blijft altijd schepsel, maar in het Niets, wanneer zij zichzelf
daar heeft verloren, wordt totaal niet gedacht hoe zij schepsel is of
niet, en of zij schepsel is of niet, en of zij zich verenigd heeft of
niet. Maar waar het denkvermogen nog aanwezig is, daar wordt dat nog
beseft, en dat raakt geen mens kwijt. (33)
Daar heeft men geen weetEen vraag: Bezit zo'n mens nog het beste?
Antwoord:
Ja, in die zin dat hem hetgeen hij had niet wordt ontnomen en hem wel
iets anders, iets beters gegeven wordt. Hij zal wat hij had beter en
duidelijker begrijpen en niet kwijtraken. Maar met dat alles komt hij
nog niet daar waarover gesproken is na het ontstaan daaruit. Wil hij
daar komen, dan moet hij in de oergrond zijn, die verborgen ligt in het
voornoemde Niets. Daar heeft men geen weet van het Niets, daar is niets,
daar is ook geen daar. Elke uitspraak erover is onzin. Desondanks is de
mens aldus zijn eigen Niets, waarin hij alles behoudt, zoals zoëven is
gezegd. (34)
Volkomen stilDe leermeesters zeggen, dat
de zaligheid van de ziel in de eerste plaats gelegen is in de onverhulde
aanschouwing van God, waarin zij haar hele wezen en leven en al wat zij
is, voorzover zij zalig is, put uit de oergrond van dat Niets, terwijl
zij, bij dat aankijken om zo te zeggen, helemaal niets weet van weten,
noch van liefde of iets. Zij wordt enkel volkomen stil in het Niets en
weet niets dan het Zijn dat God of het Niets is. Wanneer zij echter weet
en onderkent dat zij 'het niets' weet, aanschouwt en onderkent, heeft
zij dat eerste beginsel verlaten en reflecteert zij het in haar denken
volgens de natuurlijke ordening. En omdat die wederopneming door
dezelfde aderen gedrongen is, kun je begrijpen hoe het in de oergrond
is. (34)
Van alle beelden ontbeeldWanneer men het
geschapene op zichzelf kent, dan heet en is dat een 'avondinzicht', want
zo aanschouwt men de schepping zonder enig onderscheid, van alle
beelden ontbeeld en ontdaan van alle gelijkenis in het ene, dat God zelf
in zichzelf is. (34)
ZelfverliesEen vraag: Hoe gaat verliezen in z'n werk wanneer de mens zich in God verliest?
Antwoord: Als je goed naar me geluisterd had, dan was het je eigenlijk
al wel duidelijk geworden. Want als de mens aan zichzelf ontnomen wordt
zo dat hij van zichzelf noch van iets anders enig weet heeft en volkomen
stil is geworden in de oergrond van het eeuwige Niets, dan heeft hij
zichzelf op de juiste wijze verloren. (38)
Het naamloos wildeOp
een stralende zondag zat hij eens in zichzelf gekeerd en diep in
gedachten, en in de stilte van zijn gemoed zag hij voor zijn geestesoog
een gestalte die goed uit zijn woorden kon komen maar in zijn gedrag
ongeciviliseerd was en op het overdrevene af blakend van welstand.
Hij begon tegen die gestalte: Waar kom je vandaan?
Die zei: Ik kwam nergens vandaan.
Hij zei: Vertel me, wat ben je?
Het antwoord: Ik ben niets.
Hij zei: Wat wil je?
Het antwoord: Ik wil niets.
Toen zei hij: Dat is wonderbaarlijk. Zeg me hoe je heet.
Het antwoord: Ik ben het naamloos wilde.
De leerling zei: Dat zal wel dat je zo heet, want je woorden en
antwoorden zijn nogal wild. Op een vraag moet je me antwoord geven: Wat
beschouw je als jouw bestemming?
Hij zei: Ongebonden vrijheid.
Een ongebonden vrijheidHet wilde zei: Wat noem je ordelijk en wat ordeloos?
De leerling zei: Ordelijk noem ik het wanneer niets van wat bij een
zaak hoort, uiterlijk zowel als innerlijk, bij de uitvoering ervan
buiten beschouwing en achterwege blijft. Onordelijk noem ik het wanneer
wel iets van het genoemde achterwege blijft.
Het wilde zei: Een ongebonden vrijheid moet dat allemaal tegengaan en uitbannen.
De leerling zei: Die achteloosheid gaat tegen elke waarheid in en is
identiek met de valse, ongebonden vrijheid, want zij is tegen de orde
die het eeuwige Niets in zijn vruchtbaarheid aan alle dingen heeft
meegegeven.
Het wilde zei: De mens, die in zijn eeuwig Niets teniet is gegaan, weet van onderscheid niets. (42)
Zijn doen is zijn latenEen vraag: Brengt een onthecht mens zijn tijd in ledigheid door, of wat doet hij eigenlijk?
Antwoord: Van een onthecht mens is zijn doen zijn laten en zijn werk
zijn ledigheid, want doende blijft hij in ruste en in zijn werk blijft
hij vrij. (48)
Menen en geloven
Een vraag: Is zo iemand tot een volledige kennis van de waarheid gekomen of blijft er voor hem nog mening en geloof over?
Antwoord: Omdat de mens zichzelf blijft, blijft hem ook het menen en
geloven. Maar wanneer hij aan zichzelf is ontvallen in dat wat is, is
daar een weten van de gehele waarheid, want dat weten is de waarheid, en
hij heeft geen weet meer van zichzelf. En hiermee moge genoeg zijn
gezegd. Want met vragen komt men niet zo ver, maar met de juiste
onthechting komt men tot die verborgen waarheid. (49)
Sjestov, Lev
Uit
Kloppen waar geen poort is, Ton
Lathouwers, 2007:
Vergeet alles
Als jouw ogen levend zijn en je ogen
open, ruim dan alle 'instrumenten' en 'apparaten' op. Vergeet alle
methoden en vertrouw geheel en al op jezelf. Wat is er mis mee geen
'algemene oordelen' of 'waarheden' meer te hebben? [...] Je zult leren
niet langer te kijken met de ogen van iedereen, maar te zien als
niemand anders ziet. (88)
Alleen als je de weg kwijtraakt
Wat
is de weg die daarheen leidt? Als je Don Quixote, Theresia van Avila,
ja zelfs als je Orpheus navolgt, zul je nooit ergens geraken. Als je
dan ergens uitkomt, is het niet daar, waar jouw gidsen te vinden zijn.
Alleen als jij de weg kwijtraakt en als de weg jou kwijtraakt, ja,
dan. (94)
Afgrond
Probeer je maar eens te verdiepen
in de ziel van een ander. Je zult niets anders zien dan een
uitgestrekte, lege zwarte afgrond. Het enige wat met je gebeurt is, dat
je als beloning voor al je moeite door duizeling wordt bevangen. Maar
wellicht wordt er precies in die duistere afgrond wel iets gevonden wat
voorbij gaat aan die duizeling. Daarvoor is het niet zozeer nodig
nieuwe methoden uit te vinden, als wel te leren zonder angst in die
diepten te kijken die voor het ongeoefende oog bodemloos lijken. (94)
Ontsnappen
Zelfs
de 'waarheid', hoe zuiver en eenvoudig dit woord ook mag klinken, doet
me niets meer. We moeten een weg vinden om te ontsnappen aan de macht
van welke waarheid dan ook. (95)
Vloeibaar
Daarvoor
is nodig het skelet van zijn eigen ziel te laten vermorzelen, datgene
wat we beschouwen als de basis van ons bestaan te laten breken. Al die
kant-en-klare zekerheden en al die pasklare definities en begrippen,
waarin wij gewend zijn de zogenaamde eeuwige waarheden te zien. We
moeten ervaren dat alles in ons vloeibaar geworden is. (95)
Oerbegin
De
mens die zich weet te bevrijden uit de nachtmerrie van de buiten hem
staande ideeën komt tot zoiets ongewoons en zoiets nieuws, dat het hem
moet voorkomen dat hij buiten het gebied van de werkelijkheid is
gekomen en genaderd is tot het eeuwige niet-zijn van het oerbegin. (96)
Tauler, Johannes
uit
In de Afgrond van Zijn Oorsprong, Johannes Tauler, vertaald door C.O. Jellema, Historische Uitgeverij, Groningen 2004:
Een uitgang uit onszelfWant
wil er een uitgang uit onszelf gebeuren, ja, een overgang boven onszelf
uit, dan moeten wij elk op onszelf gericht willen, verlangen en
handelen opgeven, opdat het enige wat overblijft een zuiver bedoelen van
God is, en niet eens en op geen enkele manier om de Zijne te zijn of te
worden of om Hem te winnen, maar alleen om in de hoogste nabijheid te
zijn en Hem plaatst te bieden, zodat Hij Zijn werk kan doen en Zijn
geboorte in jou kan verkrijgen en daarin niet door jou wordt gehinderd.
(61)
Vrij, leeg en loosWant als twee een moeten
worden, moet het ene zich passief opstellen en het andere actief. Wil
mijn oog op de wand voorstellingen zien of wat dan ook, dan moet het
zelf voorstellingsloos zijn; want zou het in zichzelf enige gekleurde
voorstelling bezitten, dan zou het nooit een kleur kunnen onderscheiden;
of als het oor een geluid zou bezitten, zou het nooit een ander geluid
horen. Wanneer iets ontvankelijk wil zijn, moet het vrij, leeg en loos
zijn. Daarover zei de heilige Augustinus: 'Giet uit, opdat je gevuld
kunt worden; treedt uit, opdat je kunt ingaan.' (61)
Ga helemaal uitMaar
het is zeker: wil jij spreken, dan moet Hij zwijgen. Men kan dat Woord
niet beter dienen dan door te zwijgen en te luisteren. Ga jij nu
helemaal uit, dan komt Hij zonder twijfel helemaal binnen, evenveel
binnen als jij uit, niet meer en niet minder. (62)
Toen het midden zwijgen werdDaarover
zullen we komende zondag bij het begin van de mis zingen 'Dum medium
silentium fieret, toen het midden zwijgen werd en alle dingen in het
hoogste zwijgend waren en de nacht haar loop had volbracht, Heer, toen
kwam Uw almachtige Woord vanaf de koninklijke troon', dat was het
eeuwige Woord uit het Vaderlijke hart. In dit zwijgende midden, waarin
alle dingen in het hoogste zwijgen zijn en een ware
silentium heerst,
daar krijg je in waarheid dit Woord te horen. Wil God spreken, dan moet
jij zwijgen. Wil God ingaan, dan moeten alle dingen uitgaan. (64)
Ondersteboven gekeerd
Dit huis moet de mens binnengaan en zich zo onttrekken aan al het
zintuiglijke en zinnelijke en aan alles wat de zintuigen aandragen en
naar binnen brengen aan beelden en vormen, en aan alles wat de fantasie
en het voorstellingsvermogen en het zintuiglijke waarnemingsvermogen
ooit naar binnen brachten op hun manier, ja, ook boven de voorstellingen
uit die het intellect zich vormt en de werking daarvan, zoals het
intellect functioneert en invloed heeft. Wanneer de mens in dit huis
komt en God daar zoekt, dan wordt dit huis ondersteboven gekeerd, en dan
zoekt God hem en keert dit huis grondig gelijk iemand die iets zoekt:
die gooit het ene hierheen en het andere daarheen, tot hij vindt wat hij
zoekt. Zo gebeurt het met die mens: als hij in dat huis komt en God
heeft gezocht in die innerlijkste grond, dan komt God en zoekt die mens
en keert het huis grondig. (98)
Nimmer bezeten
Dat 'binnengaan' betekent niet dat men soms naar binnen gaat en
vervolgens weer naar buiten om met de schepselen van doen te hebben. Het
ondersteboven keren van dat huis en het zoeken van God, die de mens
daarin zoekt, betekent dat al die verschillende opvattingen en
tegenstrijdige meningen omtrent God, zoals die de mens hier worden
voorgehouden, hem allemaal volkomen ontnomen worden zodra hij in die
innerlijke grond komt, in dat huis, en dat alles zo ondersteboven wordt
gekeerd als had hij het nooit en te nimmer bezeten. En weer en weer
worden al die zienswijzen, die lichten, al hetgeen waarin iets wordt
gegeven en geopenbaard of zich ooit voordeed, in dit zoeken volkomen
ondersteboven gekeerd. (99)
Boven de natuur uit vliegen
En als het mogelijk zou zijn dat de natuur het verdroeg dat die omkering
dag en nacht zeven maal zeventig keer zou plaats vinden, dat een mens
dat zou verdragen en zich daaraan kon overgeven, dan zou dat nuttiger
voor hem zijn dan alles wat hij ooit heeft begrepen of wat hem gegeven
werd. In deze ommekeer wordt de mens, mits hij zich daaraan zou kunnen
overgeven, onuitsprekelijk ver gebracht, veel verder dan in alle werken
en levensvormen en doelstellingen die ooit bedacht of ooit gevonden
werden. Ja, zij die werkelijk daarin terechtkomen worden de
beminnenswaardigste mensen, en het wordt hun zo licht dat, als ze dat
willen, ze op ieder moment inkeren en boven de natuur uit vliegen. (99)
Geslecht en onthechtDie natuur is in veel mensen iets
kleverigs en wil altijd wat hebben waaraan ze zich kan vasthechten en
wat haar houvast is. En veel mensen kunnen niet loslaten en zijn
plakkerig. Ze zijn te vergelijken met een te maken dorsvloer waarop
gedorst moet worden: die zit zo vol stenen en is zo hobbelig, dat je een
sterke, harde bezem moet pakken en er flink en stevig over heen moet
vegen totdat hij geslecht en glad wordt. Maar bij een vlakke dorsvloer
hoef je er alleen maar met een vederborstel over heen te gaan. Zo zijn
nogal wat mensen hobbelig en niet tot loslaten in staat: daar moet God
overeen vegen met een sterke, harde bezem van allerlei verzoeking en
lijden om hun te leren zichzelf los te laten. Maar met beminnenswaardige
mensen, die geslecht en onthecht zijn, gaat dat als vanzelf, en zo
werden zij als beminnenswaardig geboren, en ontzonken en ontvielen aan
alles waaraan de natuur zich zou kunnen vastklampen, en drongen ze voor
zich door tot in de grond, helemaal zonder aan iets te blijven hangen of
iets vast te houden, en zo blijven ze arm en bloot in ware gelatenheid.
(100)
Jezelf verlatenOch kinderen, wie zo'n ommekeer
in zichzelf zou toelaten, het zou ver uitgaan boven alle doelstellingen
en alle werken en levenswijzen van de hele wereld, die uiterlijk en
zinnelijk werkt. Dat bevestigde onze Heer toen Hij zei: 'Wie tot Mij wil
komen verlate zichzelf en kome tot Mij.' Zo moet de mens zichzelf
verlaten in alles wat hem bij de ware voortgang hindert. (100)
In bezit of in ontbering
Komen nu de mensen die zichzelf niet kunnen loslaten in grote verzoeking
en worden ze met de sterke, harde bezem geveegd, dan denken ze dat
alles verloren is, en ze raken in grote, hevige bekoring, vertwijfeling
en in gruwelijke angst. Ze zeggen: 'Nee, Heer, alles is verloren. Ik ben
beroofd van alle licht, van alle genade.' Zou je een goed geslecht,
gelaten mens zijn, dan zou het je nooit beter kunnen gaan, noch beter
voor je kunnen worden, dan zoals de Heer je zou willen zoeken; dat zou
genoeg voor je zijn, daarin zou je waarlijk vrede hebben. Wilde Hij
blind, wilde Hij duister, wilde Hij koud, wilde Hij warm, wilde Hij arm
of op welke wijze Hem dat ook maar beviel, in bezit of in ontbering: in
alles waarin Hij jou zou zoeken liet je je vinden. (101)
OntwordenWanneer
dit schip zo de hoogte en de diepte in komt dan verzinkt het met het
net, en alles met elkaar breekt. Dat is heel goed dat zijn eigenheid
gebroken en gescheurd wordt, want wil een ding worden wat het niet is,
dan moet het wat het is ontworden. (113)
Ontbloot als het nietsHier
gaan op een bepaalde manier lichaam en ziel beide ten onder in de diepe
zee, en ze verliezen hun natuurlijke werkzaamheid en de natuurlijke
uitoefening van hun eigen krachten en ze hebben bij dat verzinken in die
grondeloze zee woord noch begrip. Dan doet de mens zoals de heilige
Petrus deed: hij viel hier voor onze Heer neer en sprak een onzinnig
woord: 'Heer, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens.' Woord en
begrip zijn de mens ontvallen. Dat is een ding. Het tweede is dat de
mens hierbij zozeer valt in zijn grondeloze niets en zo helemaal klein
wordt en zo helemaal niets, dat hij aan alles ontvalt wat hij ooit van
God ontving, en werpt dat allemaal louter terug in God, van wie het ook
is, alsof hij het nooit verkregen had en hij wordt daarmee niets en even
ontbloot van alles als het niets is, alsof hij nooit iets bezat, en
daar verzinkt het geschapen niets in het ongeschapen niets en dat is
niet iets wat men kan begrijpen of verwoorden. (113)
Abyssus abyssum invocatHier wordt het woord waar dat de
profeet sprak in het boek de Psalmen: 'abyssus abyssum invocat, de
afgrond leidt de afgrond binnen.' De afgrond die geschapen is leidt de
ongeschapen afgrond in zich binnen, en die twee afgronden worden een
enige één, een louter goddelijk
zijn, en daar heeft de geest zich verloren in Gods geest, in de grondeloze zee is hij verdronken. (114)
Niets
Onze Heer zei: 'Een ding is noodzakelijk.' Wat is nu dat ene, dat zo noodzakelijk is? Dat ene is, dat je je eigen nietigheid onderkent, dat wat je bent en wie je bent van jezelf, dat dat niets is. ... Mensenlief, laat varen alles wat ik en alle leraren ooit hebben onderwezen: alle geestelijke inspanning en bespiegeling en verheven contemplatie, en leer alleen dit ene, opdat jullie dat ten deel valt: dan hebben jullie goed gewerkt. ... Werkelijk waar, als je alleen maar dat zou bereiken, dan had je alles bereikt, niet een deel, maar alles. Nu zijn er nogal wat mensen die over hun niets-zijn heel verstandig kunnen praten en heel deemoedig, alsof zij die edele deugd echt wezenlijk bezitten, toch zijn ook zij in hun grond groter dan de dom is. Ze willen hun grootheid echter tonen; terwijl ze hun medemensen bedriegen, bedriegen ze het meest zichzelf, want ze zullen absoluut in hun bedrog blijven steken. Kindlief, als je meent dat bepaalde handelingen of gedragingen die je verricht of beoefent ook maar enige waarde hebben, dan zou het veel beter voor je zijn dat je niets deed en inkeerde tot je loutere niets, je ondeugdelijkheid, je onvermogen, dan dat je helemaal opging in innerlijke of uiterlijke activiteit en daarbij jouw niets vergeet. (120)
De uiterlijke mensZie eens wat je bent: waaruit ben je ontstaan? Uit smerige, bederfelijke, kwalijke, onreine materie, die in zichzelf en voor alle mensen weerzinwekkend en walgelijk is. En wat ben je nu geworden? Een onsmakelijke zak vol bocht. En er is geen reine, fijne spijs of drank die, al gaat die nog zo mooi en rein bij je binnen, of hij wordt een smerige, vies smakende onreinheid in je. En niemand heeft een ander zo lief, ook al heeft hij daarvoor zijn eeuwig leven op het spel gezet of een eeuwig hellevuur aangedurfd, dat hij, als die ander sterft, hem bij zich zou willen houden: hij wijkt van hem weg als van een rottende hond. (121)
VerzinkEn kijk, veel gebreken, innerlijk zowel als uiterlijk, heeft God jou opgelegd. Leer dat goed te zien, het is het enige wat noodzakelijk is. Met de juiste houding. God legt je dat alles op voor jouw bestwil, opdat je daardoor in jouw niets terechtkomt, en dat is vermoedelijk veel beter voor je, dan dat je je met zogenaamd belangrijke zaken bezighoudt. Er zullen mensen bij je aankomen met dreigende gebaren en bezwerende woorden en vervolgens de grote intellectuelen met de gewiekste, zwaarwegendste, verhevenste woorden, alsof ze de apostelen in eigen persoon zijn. Menslief, verzink, verzink in je grond, in je niets, en laat de toren met zijn transen over jou heen instorten! Laat alle duivels die in de hel zijn over je heen komen! Hemel en aarde met alle schepselen, het zal jou alles wonderbaarlijk dienen. Verzink echt, jij: jou wordt het allerbeste alles. (123)
Enkel langs de weg van het nietsZo komen er vaak mensen aanzetten die het hebben over grote, begrippelijke, bovenzinnelijke, boventijdruimtelijke dingen, helemaal alsof ze boven de hemelen uit zijn gevlogen, en toch deden ze nooit ook maar een stap buiten zichzelf door hun eigen niets te onderkennen. Ze mogen dan wel gekomen zijn tot de waarheid van het verstand, maar tot de levende waarheid, daar waar de waarheid waarheid is, komt niemand dan enkel langs de weg van zijn niets. (125)
DeemoedHet zou fout zijn als de mens iets in zichzelf voor deemoed hield. Daarover zei onze Heer: 'Als jullie niet worden als dit kind, kunnen jullie het koninkrijk der hemelen niet binnengaan.' Daarom moeten we niets van wat we doen voor iets houden.
Abyssus abyssum invocatDeze waarachtige zelfverkleining verzinkt in de goddelijke, innerlijke afgrond. Daar verlies je je helemaal in echte, ware zelfverlorenheid. 'Abyssus abyssum invocat, de afgrond leidt de afgrond binnen.' De geschapen afgrond leidt vanwege zijn diepte de ongeschapen afgrond in. Zijn diepte en zijn onderkende niets trekken de ongeschapen open afgrond in zich binnen, en daar vloeit de ene afgrond in de andere afgrond en wordt daar een enig een, een niets in het andere niets. (126)
Daar lost de geest helemaal opDat is het niets waarover de heilige Dionysius zei dat God niets is van alles wat men kan benoemen of begrijpen of verstaan: daar lost de geest helemaal op. In dat niets zou God de geest helemaal tot niets willen maken, en zou die daarin helemaal tot niets kunnen worden, dan zou dat zijn uit liefde voor dat ene iets waarmee hij versmolten is, want hij weet niets, bemint niets en proeft niets dan die eenheid. (126)
Gehuld in duisternisKinderen, in die vernieuwing en inkeer wiekt de geest steeds boven zichzelf uit, hoger dan ooit een adelaar opvloog in de richting van de liefelijke zon of het vuur opsteeg naar de hemel: zo wiekt de geest op naar de goddelijke duisternis, zoals Job zei: 'Zo is voor de mens de weg verborgen en is gehuld in duisternis'; op naar de duisternis van de onbekendheid van God, daar waar Hij is boven alles wat men Hem kan toeschrijven, daar waar Hij naamloos, vormloos, beeldloos is boven alle zijnswijzen en boven al het zijn uit. (136)
Voorbij alle lichtDat is, kinderen, het wezen van werkelijke inkeer. Daartoe is in het bijzonder de stilte van de nacht nuttig en bevorderlijk. Dus als de mens goed geslapen heeft voor de metten, dan moet hij zich aan al zijn zinnelijke en zintuiglijke krachten onttrekken, en zich na de metten met al zijn krachten aan alle beelden en vormen laten ontzinken en boven al zijn krachten uit opwieken en, klein mens als hij is, mag hij er niet aan denken dat hij de edele duisternis nadert, waarover een heilige schrijft: 'God is een duisternis voorbij alle licht', maar in die duisternis van Zijn onbekendheid late de mens zich eenvoudigweg in God los zonder te vragen, zonder iets te verlangen, toegenegen en in liefde; en werp in de onbekende God alle dingen, ook je gebreken en je zonden en al je voornemens, alles in werkelijke liefde; werp het allemaal in de duistere, onbekende, goddelijke wil. (136)
Laat maarWant de diep deemoedige mens verzinkt des te dieper in zijn grond, hoe meer hij zijn eer onderkent, want die telt voor hem niet. De groei van zo'n mens wordt grotendeels veroorzaakt door lijden. Want onze Heer stelt hem op de proef, en dat doen ook allen die bij hem zijn, en in een kloostergemeenschap, waar misschien een of twee van zulke mensen zijn, stellen de anderen die op de proef met streng optreden en harde woorden als hamerslagen.
Vroeger martelden de heidenen en de joden de heiligen, en nu, kindlief, zullen diegenen jou martelen die heel heilig schijnen te zijn en in hoog aanzien staan en veel meer presteren dan jij. Och, dat gaat door merg en been. Want die zeggen dat jij op de verkeerde weg bent, en ze hebben veel gezien en de grote predikers gehoord en weten waar ze het over hebben. Och, dan weet je niet wat te beginnen of waartoe je je moet wenden.
Welnu, verdraag het geduldig en laat maar en buig je en zwijg stil en zeg inwendig: 'Lieve Heer, U weet wel dat mij niets anders voor ogen staat dan U.' Zoals zij het in hun hoofd hebben, zo willen ze dat elk lid van de kloosterorde denkt en is, precies zo en niet anders, en dat kan niet. Elkeen moet z'n eigen wijze hebben, en zoals hij geroepen is, zo moet hij komen. (139)
Als de wind
De wind is heel snel en behendig: je weet niet vanwaar hij komt en waar
hij heen wil. Deze wind is de allerinnerlijkste mens, de verborgen,
hoogste mens, naar Gods beeld en godsvormig. Die gaat ver boven alle
begrip uit en boven alles wat we met ons werkende verstand kunnen
bedenken. Het rijst boven al onze zinnen uit. Deze innerlijke mens
vliegt terug in zijn oorsprong, in zijn ongeschapenheid, en wordt daar
een licht in het licht. (155)
Thomas-evangelie
Uit
Het Evangelie van Thomas, Erik van Ruysbeek, Marcel Messing,
Ankh-Hermes, 1990. De integrale tekst vind je op mijn pagina
Evangelie van Thomas.
In verwondering opgaan
Jezus heeft gezegd:
Dat hij die
zoekt niet ophoude met zoeken
tot hij gevonden heeft
en als hij
gevonden zal hebben
zal hij verbijsterd zijn
en verbijsterd zijnde
zal
hij in verwondering opgaan
(uit logion 2, p72)
Wonder
boven wonder
Jezus heeft gezegd:
Als het vlees ontstaan is wegens de geest
is het een wonder,
maar als de geest onstaan is wegens het lichaam
is het wonder boven wonder.
Maar ik, ik verwonder mij over het volgende:
hoe deze grote rijkdom
in deze armoede heeft gewoond.
(logion 29, p96)
Omverwerpen
Jezus
heeft gezegd:
Ik zal dit huis omverwerpen
en niemand zal het weer
kunnen opbouwen.
(logion 71, p132)
Niemand in de put
Hij
heeft gezegd:
Meester, velen staan rond de put
maar niemand in de
put.
(logion 74, p134)
Oprollen
Jezus heeft gezegd:
De
hemelen zullen zich voor uw ogen oprollen
evenals de aarde
(uit
logion 111, p162)
Vandekerckhove, Bieke
Uit
De smaak van stilte, Bieke Vandekerckhove, Uitgeverij Ten Have, Kampen 2010:
Alles of nietsEn
misschien is ons leven wel zoals in die verhaaltjes. Want de dieren van
Toon Tellegen weten niets. Als je onder weten tenminste verstaat: 'een
sluitende verklaring hebben voor de dingen'. Ze proberen maar wat. Ze
hebben lol. Ze vergissen zich deerlijk. Ze zijn een stelletje
ongeregeld. En toch eindigt en begint Tellegen hun verhaal met
'Misschien wisten zij alles.' De dieren van Toon Tellegen durven het:
springen en vallen, de afgrond in, het onbekende tegemoet. (18)
Ondoorgrondelijke nachtIn
het begin en lange tijd was ik sprakeloos! Ik wist niets meer. Het was
alleen nog maar angstwekkend en dodelijk leeg en stil in mijn hoofd. Ik
stelde verbouwereerd vast dat de vertrouwde kaders, die mijn leven tot
dan toe zin en richting hadden gegeven, aan diggelen lagen. Natuurlijk
heb ik geprobeerd om al mijn ideeën weer overeind te krijgen, maar het
lukte niet meer. Ze hadden geen benen meer om op te staan. Ze waren
uiteengevallen in niet te lijmen brokken. Het leven kent blijkbaar
stormen die al onze menselijke overtuigingen onherroepelijk doen breken.
Zekerheden raken ontwricht. Niets biedt nog houvast. Het bestaan wordt
onbegrijpelijk en onherbergzaam. Er is enkel nog ondoorgrondelijke
nacht. En dat niet voor eventjes, maar voorgoed. (23)
Een niet-wetenToch
is zo'n storm niet alleen verwoestend! Het laat een puinhoop achter, en
daarmee verder moeten, is verschrikkelijk. Maar in die puinhoop kiemde
ook iets nieuws, namelijk een niet-weten. Niet als een doods en leeg
besef, maar vol leven, springlevend zelfs! Niet-weten dat zo gaat
fascineren dat geen enkel weten ooit nog kan verzadigen. De nacht kan
veel verbergen... ons wezen, onze wortels. Maar één ding
kan hij
niet verbergen: de vonk die woont in ons binnenste. Een vonk die
ontvlamt in niet-weten, en die - soms - brandt, ondanks de nacht. (24)
Geen antwoordSylvie Germain, een tijdgenote, heeft over dit punt een indrukwekkende tekst geschreven in haar boekje
Les échos du silence.
Oog in oog met de wreedheden van de vorige eeuw, weet ze zich geen raad
meer met de christelijke beelden waarin ze is opgegroeid. Ze houden
geen steek. Ze kan er niets mee. Ze kan er alleen nog tegen schoppen. Ze
raakt er met haar verstand niet meer aan uit. En toch vervalt ze niet
in nihilisme. Nee, ze houdt de zin én onzin van het leven in een enorme,
haast onmenselijke spanningsboog samen. Ze verliest de onzin geen
seconde uit het oog, maar laat ook de zin van het leven niet los. Ze
doet iets wonderlijks: ze gaat midden in de pijnlijke stilte van het
'geen antwoord hebben' staan, en spoort aan om daar, vanuit dit nergens,
verkleumd van nacht en verlatenheid, een zwerftocht te wagen... op
avontuur in het mysterie van de stilte zelf. (28)
Wakers van het nietsZe
schrijft: 'We moeten het risico nemen een weg te nemen die instemt met
de stilte, zonder van haar te eisen dat zij zichzelf zou doorbreken,
maar ook zonder er met een onherroepelijke leegte een einde aan te
stellen. Een weg van zuiver zwerven in de steeds expanderende woestijn
van die stilte zelf. En dat terwijl we "ons vlees tussen de tanden
nemen", terwijl ons hele wezen uitgestald in onze handpalmen ligt, zoals
van de ongelukkige Job. Er bestaan mentale vlakten die zo dor zijn, zo
kaalgeschoren, zo desolaat, dat men er maar kan binnengaan als men
aanvaardt zijn gedachten "buiten het eigen ik" te plaatsen, en de dijk
van de rede te laten doorbreken om zijn geest uit te leveren aan het
onbekende, het onvoorziene. Alle rechtvaardigen en heiligen die de
ultieme beproeving van de nacht van de leegte van begin tot einde
doorstaan hebben, tegen alles in toch staande blijvend in het
geloofsvertrouwen, hebben zich op deze manier gedragen: als nomaden van
de stilte, van de grond tot de nok ontledigd, als wakers van het niets,
van het ondenkbare.' (28)
In de vraagIk geloof niet in
denkbeelden en theorieën, niet in antwoorden en overtuigingen. Ik
geloof alleen in de vraag, het verhaal, de glimlach, de schreeuw en de
stilte. (29)
ZenIk vergeet nooit mijn eerste zendag in
de Harp te Izegem. Geen omhaal van woorden. Geen lange beschouwingen.
Alleen een uiterst korte uitleg, waarna ik hartelijk uitgenodigd werd om
mee in de stilte te gaan zitten. Het raakte mij dat ik meteen werd
overgelaten aan mijn eigen weg. En ook, toen ik er iets over ging lezen,
dat zen geen theorie wil zijn, geen filosofie, geen theologie, geen
dogmatiek, zelfs geen methode, maar gewoon: rechtstreekse omgang met het
Mysterie in een aandachtige aanwezigheid, zonder dat Mysterie te willen
grijpen. (29)
Leeg latenDe ontmoeting met de westerse
contemplatieve traditie heeft in mij iets ontgrendeld en opengemaakt.
Het vuur kon/kan branden. Ik kon weer ademen. Ik kan mijn leven niet
uithouden zonder die opening op een ongrijpbare overkant. Maar open wil
zeggen open. Ik verdraag niet dat die open ruimte ingevuld wordt. Ze
moet leeg blijven, maar wel open... (30)
Ik weet het nietJarenlang
had ik er geen benul van dat het leven eigenlijk iets is om van te
duizelen. Alsof ik enkel in de bovenste vijf centimeter van mijn lichaam
leefde. Ik benaderde de werkelijkheid volledig vanuit mijn hoofd. Het
leven was voor mij dan ook begrijpelijk en overzichtelijk. Als student
verdiepte ik me in filosofie en psychologie. Mijn streefdoel was: de
dingen in hun context situeren en een denkkader uitbouwen dat naar mijn
gevoel recht deed aan de complexiteit van mens en wereld. Ik was trots
op mijn duidelijke maar genuanceerde visie. Het kan mij niet meer
bekoren. Het is allemaal voltooid verleden tijd. Nu kan en wil ik alleen
nog zeggen: ik weet het niet. (55)
Een nieuwe ochtendDe confrontatie met ziekte en
vergankelijkheid maakte het bouwwerk van
ideeën, waar ik zorgvuldig aan gewerkt had en waarvan ik dacht dat het
stevig in elkaar zat, met de grond gelijk. Het was als een bom die
explodeerde. Tot op heden herinner ik mij hoe doods en leeg mijn hele
leven er na die explosie bij lag. De ijzige stilte. Het vreselijke
gevoel dodelijk verwond te zijn. Het ondraaglijke besef: 'dit komt niet
meer goed'. Het gekke is dat ik het na verloop van tijd als een
bevrijding ben gaan ervaren. Sterker nog: wat eerst pure verschrikking
was, bleek later het meest bevrijdende te zijn. Het ineenstorten van al
mijn opvattingen betekende voor mij een ommekeer, ingrijpender dan mijn
ziekte. In die mate zelfs dat ik bijna durf te zeggen: gelukkig dat die
bom ontploft is. Nooit meer wil ik terug in het keurslijf van begrippen.
Wat aanvankelijk duizelingwekkend leeg en doods aanvoelde, bleek later
al even duizelingwekkend te sprankelen. Het was alsof er in die
ondraaglijke nacht van niets meer weten een nieuwe ochtend doorbrak. Zo
stralend en fris dat het de adem beneemt, zij het in niet-weten... (56)
Wyk Louw, N.P. van
Op zijn blog wordpress.pittig.com schrijft Peter Pit over de dichter N.P. van Wyk Louw:
Het gedicht ‘In waansin het ek gevra’ van de Zuid Afrikaanse dichter N.P. van Wyk Louw houdt mij nu al een paar jaar bezig. In mijn jeugd heb ik het meerdere malen gelezen, maar het bleef toen niet hangen. Ik was er nog niet aan toe?
Ik ben vorig jaar bezig geweest om honderden Zuid Afrikaanse gedichten in het Nederlands te vertalen of vertalingen te zoeken en toen kwam ik dit gedicht weer tegen. Het sloeg in als een bom! Wat een herkenning van de vragen waar ik mee bezig was (en ben). Alle wetenschappelijke kennis die ik meende te moeten vergaren, alle gedachten en ideeën over God en de wereld die mij vulden, daar wist Van Wyk Louw precies de vinger op te leggen.
De gedichten van deze diepe denker en twijfelaar in het veelal streng gereformeerde (christelijke) Zuid Afrika van zijn tijd zijn nu juweeltjes voor me geworden. Ze verwoorden wat ik ten diepste voel en helpen me om er ook weer woorden voor te vinden. Het onderstaande gedicht doet dat voor mij op magistrale wijze.
Dit is nu mijn weg geworden: niet meer boven God willen staan, in mijn drang om alles te weten en te begrijpen, maar mijn ‘Weten’ kapot scheuren, reizen zonder einde, zoeken zonder te vinden. Want om God te ‘vinden’ – vast te leggen, hem te (be)grijpen, dat is de vloek van God, maar om hem te zoeken, dat is Gods zegen!Hier volgt het gedicht
‘In waansin het ek gevra’ uit de bundel
Alleenspraak (1935) in de vertaling van Adriaan van Dis en Robert Dorsman, uit hun boek:
O wye en droewe land: Honderd-en-een gedichten in het Afrikaans, Meulenhoff – Amsterdam, 1998:
In waanzin heb ik gevraagdHerr du mein Gott, was gehen mich die
Gesetze der Natur und Arithmetik an?In waanzin heb ik gevraagd, o God,
voor mij de vrede van de ster,
om boven de bergen stil te wonen,
de wereld onder dof en ver.
Ik wilde Uw lichaam zien en grijpen,
ik wilde de zee vangen in mijn net;
ik wilde Uw macht vangen, vangen en binden
met de koperen kettingen van mijn wet.
Dan wilde ik zelf in glorie tronen,
hof houden bij winden en bij sterren;
ik wilde met eeuwig-stille ogen
op U en op Uw knechtschap zien.
vergeef die wilde en dwaze bede —
o God, hoe kon ik wijzer zijn?
Maar, moet Uw vlam mijn voorhoofd kronen,
ik neem de glorie en de angst!
Voor mij niet meer de dwaze rust
van mensen en van dag en jaar,
voor mij de vlammen van Uw wagen,
en ogen die in verten staren.
Voor mij het kruis en de doornenkroon,
de reizen die geen einde hebben,
voor mij het zoeken dat nooit vindt,
voor mij de sterren zonder wet.
O God, voor mij de wilde zin,
de ogen die hun waanzin laten zien,
om wat ondenkbaar is te denken,
en wat onmogelijk is te beginnen.
Ik zal ons Weten aan stukken scheuren
en uitstrooien tussen sterren en maan!
Zal ik met zo’n haveloos kleed
Uw wegen, o God, Uw wegen gaan?
Zo zal ik met een lichaam naakt
de reis door dit wonderleven maken,
met wonderogen in het licht
dat om mij heen van Uw Wonder beeft.
Er is één heerlijkheid: U zien;
er is één rust: U zoeken;
om niet te weten – dat is Uw zegen;
en om te vinden – dat is Uw vloek.
Diversen
Uit de
Encyclopedie van
de mystiek en de mysteriegodsdiensten, John Ferguson, vertaald en
bewerkt door Simon Vinkenoog, 1979:

Verblindende duisternis
De
via negativa is een der mystieke wegen naar God. Als alles is
wegenomen, is wat overblijft Leegte, Leegheid, Niets, Woestijn,
Duisternis. En dat duister is het Licht. Zo spreekt het Tibetaans
Dodenboek van "het heldere licht van de Leegte" en Dionysus van de
"verblindende duisternis die alle glans overschaduwt met de intensiteit
van haar donkerte". Ook Ruusbroec zegt dat de contemplatieve mens zich
moet verliezen in een duisternis waarin hij zich nooit kan vinden op een
scheppende wijze [...]. Zo beschrijft ook de dichter Vaughan in God
"een diepe maar verblindende duisternis". (68)
Heilige
onzekerheid
Term door Martin Buber toegepast op een aspect van de
waarachtige religieuze ervaring, die "komt als ons bestaan
onbegrijpelijk en angstwekkend wordt, als alle zekerheid door het
mysterie wordt uiteengeslagen". [...] De open mens heeft geen
kant-en-klare antwoorden, maar door zijn onzekerheid heilig te maken,
komt hij ermee tot overeenstemming. (114)
uit
een recensie van De Grote Transformatie, Het begin van onze
religieuze
tradities, Karen Armstrong, 2005:
Kenosis
Kennis
dient zich pas aan na een
intellectuele kenosis, het leegmaken van het denken, als we beseffen
dat we niets weten en als de geest gezuiverd is van alle vooroordelen.