Verlichting voor dummy's >
De wereld > Metafysica 2
Deze pagina: Dwaalteksten over het wezen van de werkelijkheid, tweede serie.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
Ding an sich
Volgens de Duitse filosoof Immanuel Kant is een Ding-an-sich een object zoals het is voordat
het menselijk kenvermogen zich er meester van maakt, dat wil zeggen,
een lege huls of een kaal
raamwerk waaraan het verstand (Vernunft) zelf bepaalde kwaliteiten
toekent, zoals
ruimtelijkheid, tijdelijkheid, vorm, substantie, kleur, textuur, geur en
smaak.
Hoewel iedere beeldspraak tekortschiet, of te ver gaat, kun je je het ding-op-zich voorstellen
als een soort negatief, een niet-manifest gat waarvan wij mensen
zelf een positief maken door het op te vullen met kwaliteiten. Deze
kwaliteiten zijn
in Kant's visie niet eigen aan het ding als zodanig maar aan het
ding
zoals het zich voordoet aan het kennende subject. Een ding is geen ding
in en op
zichzelf maar een ding
voor mij.Als we Kant mogen geloven is de wereld
an
sich onkenbaar. Object en subject zijn onlosmakelijk met elkaar
verknoopt. Wat het gezonde verstand ook
zegt, onze voorstelling van de wereld is geen getrouwe afspiegeling van
de objectieve werkelijkheid maar een constructie, een projectie van
datzelfde verstand, dat zich niet alleen
ex nihilo een
fantoombeen en een regenboog weet te scheppen maar met
evenveel gemak een heel lichaam en een wereld om in rond te lopen:
für
mich.
Is dit hoe de wereld van de dwijze eruit ziet? Als een verzameling
Dinge-an-sich in een Welt-an-sich? Nee. De dwijze neemt niet aan
dat dingen op
zichzelf genomen
onkenbaar zijn of dat ze dat niet zijn; hij neemt niet eens aan dat ze
bestaan,
of dat ze niet bestaan, noch dat ze alleen maar zijn wat ze zijn voor
het subject, of dat dat niet het geval is, noch dat er zoiets is als een
subject, of dat dat niet het geval is.
Voor de dwijze zijn
dingen geen gaten die worden opgevuld door het menselijk verstand. Ook
is het menselijk verstand geen gat dat wordt opgevuld door de dingen.
Dwijsheid zelf is het gat. Daarin
verdwijnen niet alleen de
Dinge an sich maar ook de
Dinge für
mich, het kenvermogen, de kwaliteiten, het
subject, de wereld, het weten, het niet-weten - de hele rataplan, met
inbegrip van de dwijze, de dwijsheid en het verdwijnen. Waarna het liedje weer van
voren af
aan begint.
Maar of dat nog hetzelfde liedje is?
Betekenis
Meester: Wie wil er iets zeggen over de betekenis van de dingen?
Leerlingen:
Dingen hebben een beperkt aantal betekenissen die wij
thuis en op school leren.
Dingen hebben steeds nieuwe betekenissen die door
beschouwing en wetenschappelijk onderzoek blootgelegd worden.
De betekenis van de dingen ligt in de handelingen
waartoe zij ons verleiden en die wij door oefening vervolmaken.
Dingen hebben maar één ware betekenis, die wij door
meditatie ontdekken.
Dingen hebben oneindig veel betekenissen die niemand
kan overzien.
Dingen hebben helemaal geen betekenis en er valt niets
over te weten.
Er zijn geen dingen, laat staan dat ze wat betekenen.
Wie de dingen echt wil leren kennen moet achter de
betekenissen kijken.
Een ding is niets anders dan zijn betekenissen.
"Ding" is zelf al een betekenis.
Betekenis is maar een woord.
Betekenis drukt een verlangen uit.
Betekenis is een uitdrukking van het verstand.
Betekenis ken je toe.
Betekenis tref je aan.
Betekenis overkomt je.
Betekenis is een illusie.
Illusie is een betekenis.
Betekenis is tijdelijk.
Betekenis is van alle tijden
Betekenis is plaatselijk.
Betekenis is van alle plaatsen
Betekenis is persoonlijk.
Betekenis is een kwestie van consensus.
De betekenis ligt in het gebruik.
Het gebruik wordt bepaald door de betekenis.
De betekenis, dat ben ik.
Ik heb niets te betekenen.
Ik ben de betekenis voorbij.
Alleen de doden zijn de betekenis voorbij.
Maar niet voor de nabestaanden.
Betekenis is betekenis.
Niet weten wat ze betekenen is wat de dingen betekenen.
En zo kunnen we nog wel even doorgaan.
Meester: We kunnen ook wel even stoppen.
Leerling: Wat heeft dit alles te betekenen?
Meester: Wie wil er iets zeggen over de betekenis van de dingen?
Tijd
Meester: Wat is tijd?
Leerlingen:
Tijd is één van de vier dimensies van tijdruimte.
Tijd is de grond die verandering mogelijk maakt.
Tijd is een maat voor die verandering.
Tijd is een ervaring van verandering.
Tijd is die verandering zelf.
Tijd is vergankelijkheid.
Tijd is een conventie.
Tijd is wat gemeten wordt door een klok.
Tijd is wat geproduceerd wordt door een klok.
Tijd is een schepping van God.
Tijd is emergent, net als bewustzijn.
Tijd is een absolute grootheid, voor iedereen hetzelfde.
Tijd is relatief en verschilt per waarnemer.
Tijd is afhankelijk van je snelheid.
Tijd is afhankelijk van de zwaartekracht.
Tijd en waarnemer zijn één.
Tijd is een categorie van het menselijk verstand.
Tijd is de beleving van duur.
Duur is de beleving van tijd.
Tijd is een illusie.
Tijd is een abstractie.
Tijd is een woord.
Tijd is een gevoel.
Tijd is een gemoedstoestand.
Tijd is geld.
Geld is tijd.
Tijd is de beweging van de planeten.
Tijd is de beweging van het cesium-atoom.
Tijd is ritme.
Tijd is het kloppen van het hart.
Tijd is het bewegen van het lichaam.
Tijd is een beweging van de geest.
Wat is het verschil tussen lichaam en geest?
Tijd is wat nooit stilstaat.
Tijd is wat soms stilstaat.
De tijd zelf staat altijd stil.
Tijd is de stroom van het bewustzijn.
Bewustzijn is de stroom van de tijd.
Wij denken de tijd.
Wij leven de tijd.
Wij worden geleefd door de tijd.
Tijd is een manifestatie van het tijdloze.
Het tijdloze is een limietvorm van de tijd.
Tijd is een denkbeeldig punt tussen verleden en toekomst.
Tijd is de realiteit tussen een denkbeeldig verleden en een dito toekomst.
Verleden en toekomst zijn altijd nu.
Hoe kan het nou nu zijn zonder toen en straks.
Tijd is in wezen lineair.
Tijd is in wezen cyclisch.
Tijd is in wezen homogeen.
Tijd is in wezen heterogeen.
Tijd is datgene waar niemand het over eens is.
Niemand is het ooit ergens over eens.
Daar ben ik het niet mee eens.
Hoe laat is het eigenlijk?
Meester: Koffietijd.
Nu-isme
Als je iemand met belangstelling voor spiritualiteit
vraagt hoe laat het is, moet je niet gek opkijken als hij zegt: Nu! Dan
weet je meteen dat je te maken hebt met een aanhanger van de leer van
het eeuwige heden. Volgens deze leer is het altijd nu. Het verleden is
een herinnering nu. De toekomst is een verwachting nu. Tijd als zodanig bestaat
niet. Het is altijd nu.
De leer van het eeuwige heden is in het
huidige eeuwige heden zo populair dat ik er maar een naam voor bedacht
heb: nu-isme. Iemand die het nu-isme aanhangt noem ik een nu-ist. De
nu-ist leeft naar zijn idee buiten de tijd in een heden zonder begin of
einde, waarbinnen
de lineaire en de cyclische, de logische en de psychologische, de
relatieve en de absolute, de omkeerbare en de onomkeerbare tijd als
illusie verschijnen. De nu-ist weet zich
ex-tempore.Juist in dit weten zit het verschil tussen de nu-ist
en de dwijze. Laatstgenoemde weet zich niet in het nu en ook niet
erbuiten. Hij weet zich niet in de
tijd noch de tijd in zichzelf. Ook in andere opzichten heeft de dwijze
over tijd niets te melden, tenzij in de vorm van een hersenloze
opsomming van zoveel mogelijk verschillende visies en ervaringen.
Een
van de centrale gedachten van het nu-isme is dat het geen leer is maar
een geleefde waarheid. De nu-ist ziet zichzelf dus niet als een gelovige
maar als iemand die de waarheid leeft,
nu. De dwijze daarentegen ziet zichzelf
niet,
laat staan dat hij zichzelf ziet als iemand die de waarheid leeft, of
een leugen, of nog iets anders, nu, in het verleden of in de toekomst.
Nu-isten
vind je in uiteenlopende tradities als tantra, new age, mindfulness en
zen. Ze hebben allerlei oefeningen en technieken bedacht om je
aandacht bij het heden te houden en je niet te laten meeslepen door
herinneringen, schuldgevoelens, plannen, zorgen en angsten. Voorbeelden
van deze technieken zijn shikantaza, vipassana, de vijf ritmes en
lachmeditatie. Sommige mensen geloven erin, sommige mensen geloven er
niet in. Maar de dwijze?
Helpt niks
Leerling: Kan ik mij van mijn zorgen bevrijden door in het hier
en nu te verblijven?
Meester: Zorgen heb je hier en nu.
Leerling: Kan ik mij van het verleden bevrijden door in het hier
en nu te verblijven?
Meester: Herinneringen heb je hier en nu.
Hoe lang al?
Leerling: Meester, ik ben helemaal in het hier en nu!
Meester: Hoe lang al?
Leerling: Volgens mij al dagen.
De kunst
Leerling: Meester, ik ben helemaal in het hier en nu!
Meester: In het hier en nu zijn is geen kunst.
Leerling: Wat is dan wel een kunst?
Meester: Eruit komen.
Welk hier en nu
Leerling: Meester, ik ben helemaal in het hier en nu.
Meester: Welk hier en nu?
Leerling: Het hier en nu van dit gesprek natuurlijk.
Meester: Niet het hier en nu van hoe je daar zit? Niet het hier en nu
van de
spanning in je opgetrokken nekspieren? Niet dat van de druk op je
voetzolen? Niet dat van de vorm van je tong in je mond? Niet dat van je
ademhaling? Niet dat van de lucht om je heen? Niet dat van je tinnitus?
Niet dat van de krassende kraai of de auto die voorbijrijdt? Niet dat
van de geur van
after-shave en rook en gebakken eieren en flatulentie? Niet dat van de
gedachte "Ik moet in het hier en nu zijn?" Niet dat van de stoel? Niet
dat van de vloer? Niet dat van de muren? Niet dat van mijn sprekende
mond? Niet dat van mijn achterkant? Niet dat van mijn kleding? Niet dat
van ...
Leerling: Dat kan toch helemaal niet!
Meester: Nou dan.
Niet van gisteren
Leerling: U bent ook niet van gisteren.
Meester: Maar ook niet van vandaag.
Niet van deze tijd
Leerling: U bent niet meer van
deze tijd.
Meester: En ook niet van een andere.
Vergissing
Leerling: Verlichting kent geen tijd!
Meester: Je bedoelt gezelligheid.
Allang begonnen
Leerling: Sorry!
Meester: Waarvoor?
De leerling wijst naar de klok.
Meester: Wat is daarmee?
Leerling: Het is al kwart over negen geweest.
Meester: Het is altijd kwart over negen geweest.
Leerling: Nee, daarnet moest het nog kwart over negen worden.
Meester: Het moet altijd nog kwart over negen worden.
Leerling: Ik ben te laat.
Meester: Hoezo?
Leerling: Ik zou er om negen uur zijn.
Meester: Hoelang duurt om negen uur?
Leerling: Doe niet zo gek.
Meester: Ik stel alleen maar een vraag.
Leerling: Om negen uur is een tijdstip. Dat heeft geen duur.
Meester: Hoe kun je er dan om negen uur zijn?
Leerling: Rond negenen, snap dat dan!
Meester: Het is altijd rond negenen.
Leerling: Zullen we dan maar gauw beginnen?
Meester: We zijn allang begonnen.
Te laat
Leerling: Sorry!
Meester: Waarvoor?
De leerling kijkt op zijn horloge en zei: Het is kwart over negen.
Meester: Dat is jouw schuld toch niet?
Leerling: Ik ben te laat.
Meester: Waarvoor?
De leerling zei: Afspraak is afspraak.
Meester: Maar wat is een afspraak.
Leerling: Wat we hebben afgesproken.
Meester: Laat die afspraak dan maar eens zien.
Leerling: Hoe kan ik nou een afspraak laten zien?
Meester: Wat is daar zo moeilijk aan?
Leerling: Een afspraak is een herinnering in het hoofd van de betrokkenen.
Meester: Ik herinner me anders niet dat wij iets afgesproken hebben.
Leerling: Maar u begint altijd om negen uur.
Meester: Op die manier.
Leerling: En vanwege die gewoonte ben ik te laat.
Meester: Te laat is een gedachte in je hoofd.
Leerling: Te laat is een feit.
Meester: Wijs dat feit dan maar eens aan.
Leerling: Wat?
Meester: Het feit van te laat zijn.
De leerling kijkt hem ongelovig aan.
Meester: Te laat.
Niet nodig
Een leerling is al een paar weken zijn horloge kwijt.
Leerling: Ik raak alle besef van
tijd kwijt.
Meester: Daarvoor hoef je heus je horloge niet te verliezen.
Omdat jij dat vindt
Leerling: Waarom komt alles altijd te vroeg of te laat?
Meester: Niets komt van zichzelf te vroeg of te laat.
Leerling: Bedoelt u dat alles precies op tijd komt?
Meester: Niets komt van zichzelf op tijd.
Leerling: Als niets te vroeg, te laat of op tijd komt, wanneer komt het dan wel?
Meester: Op zijn eigen tijd.
Leerling: Waarom lijkt het dan toch alsof alles altijd te vroeg, te laat of op tijd komt?
Meester: Omdat jij dat vindt.
NapraatjeMeester: Wat heb je nou geleerd?
Leerling: Dat alles op zijn eigen tijd komt.
Meester: En hoe komt dat?
Leerling: Ik heb geen idee.
Meester: Omdat jij dat vindt.
Als je nergens meer iets van vindt
Leerling: Als je nergens meer iets van vindt komt alles op zijn eigen tijd.
Meester: Nou én?
Leerling: Dat is wel zo rustig.
Meester: Niet als je nergens meer iets van vindt.
Met lede ogen
Leerling: Als je nergens meer iets van vindt...
Meester: Kun jij dat?
Leerling: Wat?
Meester: Nergens meer iets van vinden.
Leerling: Dat is te zeggen...
Meester: Nou?
Leerling: Nog niet.
Meester: Ken je iemand die nergens meer iets van vindt?
Leerling: U?
Meester: Dan moet ik je toch teleurstellen.
Leerling: Hè?
Meester: Ik vind overal van alles van.
Leerling: Wat is dan het verschil tussen ons?
Meester: Dat jij je vereenzelvigt met wat je vindt.
Leerling: En u?
Meester: Ik zie het met lede ogen aan.
Echt
Zegt de ene passagier: Deze trein kwam drie kwartier te laat. Dat geloof je toch niet!
Zegt de ander: Hij kwam precies op tijd. Ik kon zo instappen!
Zegt een derde: Hij kwam net te vroeg. Ik had nog graag een bakkie koffie gehaald!
Zegt de eerste: Hij was toch echt te laat!
Zegt de tweede: Hij was toch echt op tijd!
Zegt de derde: Hij was toch echt te vroeg!
Gelukkig maar
Zegt de ene passagier: Mijn vliegtuig had zowat twee uur vertraging!
Zegt de andere: Anders was je mooi te laat geweest.
Zegt de ene: Hoe kom je daar nou bij?
Zegt de andere: Je hebt zowat twee uur in de wachtkamer verlummeld.
Op tijd
Leerling: Als u "te vroeg", "op tijd" en "te laat" niet als reëel of irreëel ziet, valt er dan nog wel iets met u af te spreken?
Meester: Heb je reden tot klagen?
Leerling: Tot nog toe niet...
Meester: Nou dan.
Leerling: Maar ik vrees het ergste.
Meester: Erg is alleen maar een oordeel.
Leerling: Het wordt steeds enger.
Meester: Eng is alleen maar een gevoel.
Leerling: U klinkt een beetje als een computer.
Meester: Als het je gerust stelt, ik kom meestal op tijd.
Leerling: Ook al zegt het onderscheid tussen op tijd en te laat u niets?
Meester: Dat het me niets zegt, zegt me ook niets.
Leerling: Waarom komt u dan nog steeds op tijd?
Meester: Daarom kom ik dus nog steeds op tijd.
Het idee
Leerling: Sorry!
Meester: Mijn naam is Corrie.
Leerling: Die tering-NS ook!
Meester: Toe maar.
Leerling: Drie kwartier vertraging had mijn trein!
Meester: Treinen kunnen geen klok kijken.
Leerling: Maar de NS wel!
Meester: Heeft de NS ogen?
Leerling: Wat?.
Meester: Hoe kan de NS dan klok kijken.
Leerling: Niet letterlijk natuurlijk.
Meester: Waarom geef je de NS dan toch de schuld?
Leerling: Die trein is van de NS!
Meester: Waar is de NS?
Leerling: Wat?
Meester: Waar is de NS?
Leerling: Door het hele land.
Meester: Is de NS het hele land?
Leerling: Natuurlijk niet.
Meester: Wat is de NS dan wel?
Leerling: De Nederlandse Spoorwegen, man!
Meester: Zijn dat de treinen zelf?
Leerling: Natuurlijk niet.
Meester: De machinisten dan?
Leerling: Natuurlijk niet!
Meester: De conducteurs, het spoor, de bovenleiding, het
schoonmaakpersoneel, de spoorwegpolitie, de stations, de
kantoorgebouwen, de dienstregeling, de rechtspersoon, het personeel, het
kapitaal?
Leerling: Dat zijn alleen maar onderdelen.
Meester: Is het dan het rijden van de treinen, het omzetten van de
wissels, het schakelen van seinen, het knippen van de kaartjes, het leggen van de rails, het
schenken van koffie, het vegen van...
Leerling: Dat zijn alleen maar processen.
Meester: Dan vraag ik je nogmaals, wat is de NS?
De leerling zwijgt.
Meester: Nou?
Leerling: De NS is gewoon het geheel.
Meester: Het geheel?
Leerling: Van onderdelen en processen.
Meester: Waar is dat geheel?
De leerling zwijgt.
De meester slaat met zijn vuist op tafel en buldert: Breng mij de NS.
Leerling, angstig: Dat kan ik niet.
Meester: Waarom niet?
Leerling: Ik kan 'm niet vinden.
Meester: Maar ik wel.
Leerling: Waar dan?
De meester tikt met zijn vinger tegen het hoofd van de leerling en zegt: Hier.
Leerling: Waar?
Meester: De NS is een gedachte in je hoofd.
Leerling: Het idee!
Meester: En wie is de eigenaar van dat idee?
Leerling: Ik zeker.
Meester: Hoe komt het dus dat je te laat bent?
NapraatjeLeerling: Bent u dan nooit eens boos op de NS.
Meester: Natuurlijk wel.
Leerling: Wat is dan het verschil tussen ons?
Meester: Dat jij denkt dat je gelijk hebt?
Typisch
Meester: Wat de vertragingen bij de NS betreft...
Leerling: Kom je aan de NS dan kom je aan mij.
Meester: Een typisch geval van identificatie.
Leerling: Daar schaam ik me niks voor.
Meester: O nee?
Leerling: Ik heb er veertig jaar gewerkt. Ik heb er carrière
gemaakt. Weet u, ik ben pas net met pensioen gegaan. Nu heb ik eindelijk tijd voor spirituele zaken.
De meester feliciteerde hem.
Meester: Tussen twee haakjes, waar heb je die veertig jaar gelaten?
Leerling: Hè?
Meester: Die veertig jaar waar je het net over had. Waar zijn die?
Leerling: Wat is dat nou weer voor een vraag!
Meester: Toe dan. Laat eens kijken.
Leerling: Laat eens kijken?
Meester: Heb je ze niet bij je?
Leerling: Wat bazelt u nou?
Meester: Of bewaar je ze soms in een kluisje?
Leerling: Je kunt het verleden toch niet...
Meester: Of liggen ze ergens in de opslag?
Leerling: Die veertig jaren zijn voorbij!
Meester: Welke veertig jaren?
Leerling: Ik snap het niet.
Meester: Wat is het dat voorbij is? Heb je er foto's van?
Leerling: Ik heb wel foto's van mezelf uit die tijd...
Meester: Maar niet van die jaren?
Leerling: Hoe kan dat nou!
Meester: Niet?
Leerling: Jaren bestaan toch niet echt?
Meester: Waarom zeg je dan dat je veertig jaar bij de NS gewerkt hebt?
Leerling: Ik heb er carrière gemaakt!
Meester: Geef hier.
Leerling: Wat?
Meester: Je carrière.
Leerling: Mijn carrière?
Meester: Wat je gemaakt hebt kun je beetpakken.
Leerling: "Gemaakt" zeg je alleen bij wijze van spreken.
Meester: Laat dan maar zien bij wijze van spreken.
Leerling: Maar er is niets om te laten zien!
Meester: Waarom niet?
Leerling: Omdat ie voorbij is.
Meester: Wie?
Leerling: Mijn carrière!
Meester: En toen ie nog niet voorbij was?
Leerling: Hoe bedoelt u?
Meester: Had je toen wel iets om te laten zien?
Leerling: Maar een carrière is toch zeker geen ding!
Meester: Wat is het dan wel?
Leerling: Een... een idee.
Meester: Een gedachte?
Leerling: Een gedachte, ja.
Meester: En waar is die gedachte?
Leerling: Nu?
Meester: Nou?
Leerling: Nergens.
Meester: Waarom niet?
Leerling: Omdat ik... hem nu niet denk.
Meester: En als je hem wel denkt?
Leerling: In mijn hoofd neem ik aan.
Meester: En nu ben je met pensioen?
Leerling: Heerlijk!
Meester: Waar is dat pensioen?
Leerling: Waar?
Meester: Nou?
Leerling: Ik werk er niet meer, dat is alles.
Meester: Maar wat houdt dat pensioen dan concreet in?
Leerling: Dat ik niet...
Meester: Waar is dat pensioen?
Leerling: Verrek.
Meester: Nou?
Leerling: Ook in mijn hoofd!
Meester: "Mijn"?
Leerling: Nee toch!
Meester: Een typisch geval van identificatie.
Herinneringen
De meester zei: Heeft iedereen pen en papier?
De leerlingen knikten.
De meester zei: Roep drie herinneringen op uit
verschillende fasen van je leven, waarin je zelf de hoofdrol
speelde.
Hij wachtte even terwijl de leerlingen in hun geheugen groeven.
Toen zei hij: Schrijf in een paar woorden op wat er toen gebeurde, dan gaan we er zo meteen over babbelen.
Na een paar minuten zei de meester: Wie wil er een herinnering delen?
Een leerling stak zijn hand op.
De meester zei: Ga je gang.
De leerling zei: Ik zal een jaar of vier geweest zijn toen ik een
buurmeisje met een speelgoedhamer zo hard op haar hoofd sloeg dat het bloed uit de wond gutste. Ik ziet het nog zo voor me!
De meester zei: Wat zie je precies voor je?
De leerlinge zei: Een jongetje, op zijn rug gezien, een blond meisje dat half
achter hem schuil gaat en een hamertje op haar hoofd krijgt.
De meester zei: Dank je wel. Iemand anders?
Een leerlinge stak haar hand op.
De meester zei: Ga je gang.
De leerlinge zei: Op mijn tiende of elfde ben ik op het dak van de
plaatselijke bibliotheek geklommen. Ik zie het nog zo voor me!
De meester zei: Wat zie je precies voor je?
De leerlinge zei: Een slank meisje met halflang donker haar, zittend op de nok van een rood pannendak, gezien vanaf de straat.
De meester zei: Dankjewel. Mooi beeld. Nog iemand?
Een leerling stak zijn hand op.
De meester knikte hem toe.
De leerling zei: Ik herinner mij dat ik mijn lief voor het eerst
ontmoette. We gingen samen met nog twee cursisten naar Havelte voor een cursus shiatsu. Ik zie het nog zo voor me!
De meester zei: Wat zie je precies voor je?
De leerling zei: Ik zie ons beiden achterin een witte Renault 4 zitten
smoezen, alsof ik door het raampje van het achterportier naar binnen
kijk. Het was meteen raak!
De meester glimlachte en zei: Dankjewel.
Hij keek de zaal rond en zei: Drie verschillende herinneringen van drie
verschillende mensen. Is iemand misschien iets opgevallen?
Iedereen zweeg.
De meester zei: Denk eens aan de beelden die je zojuist gehoord hebt. Vanuit welk perspectief zijn die beschreven?
Stilte.
De meester vroeg aan de eerste leerling: Als dit een authentieke
herinnering is, hoe kun jij jezelf en je buurmeisje dan op de rug zien?
Hij
vroeg aan de tweede leerling: Als dit een authentieke herinnering is,
hoe kun jij jezelf dan vanaf de straat op de nok van het dak zien
zitten?
Hij vroeg aan de derde leerling: Als dit een authentieke herinnering is, hoe kun jij jezelf en je lief dan door
het raampje van het achterportier in een auto zien zitten?
De leerlingen keken hem ontsteld aan.
De meester zei: Merkwaardig, vinden jullie niet? Herinneringen in de eerste persoon gezien vanuit het
perspectief van de derde persoon. Wat is hier aan de hand?
Iemand opperde: Misschien herinneren ze zich de foto's maar niet de gebeurtenis zelf?
De meester zei: Zijn jullie herinneringen gebaseerd op foto's?
De leerlingen schudden het hoofd.
Iemand grinnikte en zei: Een typisch geval van uittreding.
Een van de drie zei: Wou je soms zeggen dat ik hier een potje zit te liegen?
De meester zei: Rustig maar. Ik heb zelf ook een heleboel van zulke herinneringen.
Iemand zei: Nou, herinneringen...
De meester zei: Tja.
De eeuwigheid
Leerling: Volgens Rilke gaat de eeuwigheid aan je voorbij als je te veel begrijpt.
Meester: Dat begrijp ik niet.
Wedden
Meester: Ooit ben ik onderuit gegaan op de tramrails in mijn
straat. Als ik mij dat thuis herinner, vanuit mijn appartement op de
derde verdieping, dan zie ik mezelf van bovenaf op het wegdek liggen.
Als ik door die straat loop, dan zie ik mezelf liggen vanuit het punt waar
ik mij op dat moment bevind. Als ik het mij van hieruit herinner dan zie ik
mezelf liggen vanuit een zwevend perspectief in diezelfde straat. En als ik mij herinner hoe
ik daar lag, dan voel ik de harde straat onder me en zie ik mijn
onderlichaam, een geschoeide voet en een voet in een sok, en mijn schoen
die uit de tramrails steekt.
Leerling: Wat is de vraag?
Meester: Welke van deze beelden juist is.
Leerling: Alleen het laatste.
Meester: Waarom?
Leerling: Omdat u daar door uw eigen ogen kijkt.
Meester: En die andere perspectieven dan?
Leerling: Allemaal verbeelding. Reconstructies achteraf.
Meester: Wie garandeert mij dat het ik-perspectief authentiek is?
Leerling: Het is toch aannemelijk dat...
Meester: Zou je je leven eronder verwedden?
Leerling: Nou, nee.
Meester: Nou, ik ook niet.
De ontsnapping
Leerling: Hoe ontsnapt men aan de tijd?
Meester: Door niets van tijd te snappen.
Vast niet zo goed
Leerling: Wie weet wat voor
virtual reality machines ze nog eens zullen uitvinden!
Meester: Vast niet zo goed als je lichaam.
Tenzij
Leerling: Er bestaat geen betere virtual reality
machine dan het lichaam.
Meester: Tenzij het lichaam zelf virtueel is.
Een illusie armer
Leerling: Je hersenen toveren je een wereld voor.
Meester: Maar wat tovert jou je hersenen voor?
Leerling: Ik bedoel, je hersenen zijn echt, maar de wereld niet.
Meester: Ik bedoel, je hersenen maken toch deel uit van de wereld?
Leerling: Luister nou, de wereld is een illusie van je hersenen!
Meester: Hoe weet je dat je hersenen zelf niet tot de illusie behoren?
Eindelijk ziet de leerling het probleem.
Leerling: Als mijn hersenen niet echt zijn, waar komt de illusie dan vandaan?
Meester: Waar je ook mee op de proppen komt, je zult steeds tegen hetzelfde probleem aanlopen.
Leerling: Ik geloof er niets van.
Meester: Probeer maar.
Leerling: De wereld is een illusie van je zintuigen.
Meester: Hoe weet je dat je zintuigen zelf geen illusie zijn?
Leerling: De wereld is een illusie van het denken.
Meester: Hoe weet je dat het denken zelf geen illusie is?
Leerling: De wereld is een illusie van het bewustzijn.
Meester: Hoe weet je dat de het bewustzijn zelf geen illusie is?
Leerling: De wereld is een illusie van het ik.
Meester: Hoe weet je dat het ik zelf geen illusie is?
Leerling: De wereld is een illusie van god.
Meester: Hoe weet je dat god zelf geen illusie is?
Leerling: De wereld is een illusie, en daarmee basta.
Meester: Hoe weet je dat de illusie zelf geen illusie is?
Leerling, hoofdschuddend: Ik kan het gewoonweg niet geloven.
Plotseling klaart het gezicht van de leerling op.
Leerling: Niet weten is de enige werkelijkheid!
Meester: Als dat zo is zul je het nooit weten.
De schilder
Leerling: De geest is de schilder van de werkelijkheid.
Meester: Is dit een schildering of de werkelijkheid?
Leerling: De geest is de schilder van de werkelijkheid.
Meester: Maar wie is de schilder van de geest.
Het zekere voor het onzekere
Een leerling besluit een gloedvol betoog met de woorden: Waarmee bewezen is dat de wereld niet echt is!
De meester springt op, holt naar de wc en roept over zijn schouder: Ik denk niet dat ik het risico neem.
Op losse schroeven
Meester: Hoe zou je je huidige toestand
omschrijven?
De leerling wijst om zich heen.
Meester: Dat weet je zeker?
Leerling: Zo
zeker als een en een twee is.
Meester: Maar stel nou dat je zo
meteen geheel onverwacht geboren wordt, hoe zul je dan op dit
gesprek terugkijken?
Leerling: Geboren?
Meester: In
een nieuwe wereld.
Leerling: Hoe komt u daar nou bij?
Meester: Zo gek is dat toch niet? Het is je al eens eerder overkomen.
Leerling: Dat zou alles op losse
schroeven zetten.
Meester: Hoe weet je dat je niet op het punt staat geboren te worden?
Leerling: Dat... kan ik niet weten.
Meester: Dan staat je wereld al op losse schroeven.
Werkelijkheid
Leerling: Wat is maya?
Meester: Het idee dat de werkelijkheid een illusie is.
Leerling: Wat is realisatie?
Meester: Het doorzien van de illusie.
Leerling: Doorziet u de illusie?
Meester: Als de werkelijkheid een illusie is, dan behoort maya
ook tot de illusie, evenals jouw vraag, mijn antwoord, ikzelf en
jijzelf.
Leerling: En als het niet zo is?
Meester: Dan is de illusie werkelijkheid.
Coma
Leerling: Als ik in coma lag zou ik niet
verder willen leven.
Meester: Hoe weet je dat je niet in
coma ligt?
Een weerspiegeling
Leerling: Mijn gedachten zijn een weerspiegeling van de
werkelijkheid.
Meester: Waarom niet andersom?
Leerling: De werkelijkheid is een weerspiegeling van mijn
gedachten?
Meester: Waarom niet iets
ertussenin?
Leerling: De leerling zei: De werkelijkheid en mijn
gedachten weerspiegelen elkaar?
Meester: Waarom niet wat meer dynamiek?
Leerling: De
werkelijkheid en mijn gedachten vormen elkaar?
Meester: Waarom niet iets eenzijdigers?
Leerling: Alles is werkelijkheid, ook mijn gedachten?
Meester: Waarom niet het tegenovergestelde?
Leerling: Alles is gedachte, ook de werkelijkheid?
Meester: Voordat we dit boeiende gesprek voortzetten...
Leerling: Wat?
Meester: Zijn "werkelijkheid" en "gedachte" wel
meer dan woorden?
Leerling: Wou u soms zeggen van niet?
Meester: Ik wijs je alleen maar op een aanname.
Leerling: En als het
inderdaad alleen maar woorden zijn?
Meester: Dan is ook hun onderlinge
verband fictief.
Leerling: Nou weet ik nog niks!
Meester: Tenzij de werkelijkheid een weerspiegeling is van je gedachten.
Au!
Meester: Hoe weet je dat je nu niet
droomt?
De leerling knijpt in zijn arm en zegt: Au!
Meester: Dat bewijst niets.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Weet je in je droom dat
je droomt?
Leerling: Nee. In de droom lijkt alles echt.
Meester: Wanneer weet je het dan wel?
Leerling: Als je
wakker wordt en je de droom herinnert.
Meester: Kun je dus ooit zeggen dat je nu droomt?
Leerling: Nee. Je droomt niet, je hebt gedroomd.
Meester: Kun je dus ooit zeggen dat je nu niet droomt?
Leerling: Nee, want in de droom lijkt alles echt.
Meester: Dus
vraag ik je opnieuw, hoe weet je dat je nu niet droomt?
Drie dromen
Leerling: Ik droomde dat ik de Waarheid had gezien.
Meester: Dat moet inderdaad een droom geweest zijn.
Leerling: Ik droomde dat ik de Waarheid nooit zou zien.
Meester: Dat moet inderdaad een droom geweest zijn.
Leerling: Ik droomde dat ik droomde.
Meester: Weet je
zeker dat het een droom was?
Opschorten
Meester: Droom je nu of ben je wakker?
Leerling: Ik ben ongetwijfeld wakker.
Meester: Stel dat je zo aanstonds wakker wordt in je eigen bed,
hoe zul je dit gesprek dan duiden?
Leerling: Als een droom, vrees ik.
Meester: Zullen we ons oordeel dan nog maar even opschorten?
Lood om oud ijzer
Meester: Wanneer weet je dat je droomt?
Leerling: Niet terwijl je droomt
Meester: Wanneer dan wel?
Leerling: Pas als je wakker wordt en je de droom herinnert.
Meester: Hoe weet je dat je werkelijk hebt gedroomd wat je je
herinnert?
Leerling: Doordat je je dat herinnert natuurlijk.
Meester: Hoe kun je die herinnering verifiëren?
Leerling: Dan moet je terug je droom in, denk ik.
Meester: Kun jij dat?
Leerling: Ik niet.
Meester: Ooit gehoord dat iemand terug zijn droom in kon?
Leerling: Eerlijk gezegd niet, nee.
Meester: Dus je kunt je droomherinnering op geen enkele wijze verifiëren?
Leerling: Ik zou niet weten hoe.
Meester: Als ik nou beweer dat je nooit droomt, alleen maar
droomherinneringen hebt.
Leerling: Valse herinneringen bedoelt u, aan dromen die ik nooit gehad heb?
De meester knikt.
Leerling: Dat zou bizar zijn!
Meester: Maar het zou wel kunnen?
Leerling: In theorie wel, ja.
Meester: Wat is merkwaardiger, een droom uit het niets die men zich
nauwelijks kan herinneren en pas na afloop als droom herkent, of een
herinnering uit het niets aan een droom die nooit heeft plaatsgevonden?
Leerling: De herinnering natuurlijk.
Meester: Waarom?
Leerling: Omdat die vals zou zijn.
Meester: Is de droom dan niet vals?
Leerling: Misschien wel als inhoud maar niet als verschijnsel.
Meester: Net als een droomherinnering waaraan geen droom vooraf is gegaan.
Leerling: Verdraaid.
Meester: Lood om oud ijzer.
Leerling: Wilt u beweren dat de droom geen slaapverschijnsel
is maar een waakverschijnsel?
Meester: Bewijs maar eens van niet.
Echt
Leerling: Alles is illusie.
Meester: Is de illusie echt?
Leerling: Eh... ja.
Meester: Dan is niet alles illusie.
Leerling: Alles is illusie.
Meester: Is de illusie echt?
Leerling: Eh... nee.
Meester: Dan is niet alles illusie.
Misbruik melden|
Pagina afdrukken