(klik op ▼, ► om in / uit te klappen)

Citaten daoïsme

Opdracht

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?
En mijn even oude vader: Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.
Ik zei: Ik begrijp precies wat je bedoelt.

Deze website draag ik op aan iedereen die het net als ik, om wat voor reden dan ook, niet meer weet - in het bijzonder aan mijn moeder die op 25 juli 2011 en mijn vader die op 21 april 2012 ook het niet weten voorgoed achter zich lieten.

Disclaimer

Citaten op deze website zijn over het algemeen niet representatief voor de auteur of het werk in kwestie.

Ik ben het nergens mee eens of oneens, ook hiermee niet. Ik erken of ontken niets, ook dit niet. Dat geldt niet alleen voor de citaten maar ook en vooral voor alles wat gezegd moest blijven in mijn dwaalteksten.

Metafysica



Verlichting voor dummy's > De wereld > Metafysica

Deze pagina: Dwaalteksten over het wezen van de werkelijkheid, eerste serie.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.








Twijfel zaaien

Leerling: Wat is de oorzaak van dit alles?
Meester: Waaruit ontstaat een eik?
Leerling: Uit een eikel natuurlijk.
Meester: En een eikenbos?
Leerling: Nergens uit.
Meester: Waarom niet?
Leerling: Een bos is geen boom.
Meester: Nou dan.
Leerling: Bedoelt u dat dit alles geen oorzaak heeft?
Meester: Ik zaai alleen maar twijfel.




Hebben of krijgen

Leerling: Alles heeft een oorzaak.
Meester: Alles krijgt een oorzaak.
Leerling: Van wie?
Meester: Van wie niet.


De eerste oorzaak

Leerling: Wat is de eerste oorzaak?
Meester: God, daar vraag je me wat.
Leerling: En wat is uw antwoord?
Meester: Dat zeg ik.
Leerling: Wat.
Meester: God, daar vraag je me wat.


De nulde oorzaak

Leerling: God is de oorzaak van het universum.
Meester: Maar wat is de oorzaak van God?
Leerling: God heeft geen oorzaak nodig.
Meester: Waarom het universum dan wel?
Leerling: Wilt u zeggen dat God niet bestaat?
Meester: Ik wil helemaal niets zeggen.
Leerling: Waarom vraagt u dan...
Meester: Jij bent begonnen.


Waarom

Leerling: Waarom is er iets en niet niets?
Meester: Door dit.
Leerling: Waarom is er dit en niet niets?
Meester: Door dat.
Leerling: Waarom is er dat en niet niets?
Meester: Door zus.
Leerling: Waarom is er zus en niet niets?
Meester: Door zo.
Leerling: Waarom is er zo en niet niets?
Meester: Door dinges.
Leerling: Waarom is er dinges en niet niets?
Meester: Door je-weet-wel.
Leerling: Hier komt geen eind aan hè?
Meester: We zijn nog maar net begonnen.
Leerling: Maar ik wil weten hoe het zit!
Meester: Ook als je inziet dat er geen eind aan komt?
Leerling: Ik zie het wel maar ik voel het niet.
Meester: Dan gaan we vrolijk verder.
Leerling: Waarom is er je-weet-wel en niet niets?
Meester: Door hoe-heet-het.
Leerling: Waarom is er hoe-heet-het en niet niets?
Meester: Door huppeldepup.
Leerling: Ik word gek van mezelf!
Meester: Het gaat vanzelf een keer vervelen.
Leerling: Waarom is er huppeldepup en niet niets?
Meester: Door iets.
Lange stilte.
Meester: Toe dan.
Leerling: Krijg de pip!
Meester: Zie je wel?
Leerling: Had u dat niet meteen kunnen zeggen!
Meester: Had jij het meteen kunnen horen?
Leerling: Had ik dat maar geweten zeg.
Meester: Zeg maar rustig niet-weten.


De materialist

Leerling: Waarom is er iets in plaats van niets?*
Meester: Waarom niet.



* Hoofdvraag van de westerse metafysica


De idealist

Leerling: Waarom is er niets in plaats van iets?*
Meester: Waarom niet.



* Hoofdvraag van de oosterse metafysica


Een kwestie van tijd

Leerling: Waarom is er dit in plaats van dat?*
Meester: Had je maar eerder moeten komen.

Leerling: Waarom is er dit in plaats van dat?
Meester: Wacht maar.



* Tweede hoofdvraag van de westerse metafysica


Erbij

Leerling: Waarom is er iets in plaats van niets?
Meester: Waarom niet.
Leerling: U neemt mij al mijn vragen af!
Meester: Ik geef je er juist vragen bij.
Leerling: Waarom?
Meester: Waarom niet.
Leerling: Waar wilt u heen?
Meester: Ik wil nergens heen.
Leerling: Waarom niet ergens heen?
Meester: Waarom wel.


Schijn

Leerling: Is alles dan alleen maar een illusie?
Meester: Dat lijkt maar zo.



Leerling: Is alles dan alleen maar een illusie?
Meester: Dat lijkt maar zo.
Leerling: Bedoelt u dat het toch geen illusie is?
Meester: Dat lijkt maar zo.
Leerling: Zit u mij in de maling te nemen?
Meester: Dat lijkt maar zo.
Leerling: Waar bent u dan mee bezig?
Meester: Dat lijkt maar zo.


De overeenkomst

Leerling: Wat is het verschil tussen de realist en de idealist?
Meester: De eerste noemt de werkelijkheid stoffelijk, de tweede geestelijk.
Leerling: En de overeenkomst?
Meester: Beiden veronderstellen de werkelijkheid.


De sintel

Leerling: "Materie is geronnen geest."
Meester: Hans-Peter Dürr, fysicus.
Leerling: Volgens Dürr is materie slechts de sintel van de geest.
Meester: En waarvan is de geest de sintel?
De leerling weet niets meer te zeggen.
Meester: Over geronnen geest gesproken.


Geronnen

Leerling: Materie is geronnen geest.
Meester: En geest?
Leerling: Geronnen gedachten.
Meester: En gedachten?
Leerling: Eh...
Meester: Zo gewonnen, zo geronnen.


De diepste grond

Leerling: Ik ga vooraf aan de wereld!
Meester: Wat?
Leerling: Ik ben haar diepste grond!
Meester: Hoe bedoel je?
Leerling: Ik ben het bewustzijn waarin de wereld verschijnt en verdwijnt!
Meester: Inclusief deze gedachte.
Leerling: De wereld is iets wat komt en gaat in mij, niet andersom!
Meester: Deze gedachte ook.
Leerling: Dat bevestigt eens te meer dat ik de diepste grond ben!
Meester: Deze ook.
Leerling: En toch ben ik het bewustzijn!
Meester: Deze ook.


Achter de concepten

Leerling: Wij moeten de Werkelijkheid achter de concepten...
Meester: Behoren concepten soms niet tot de Werkelijkheid?
Leerling: Eh...
Meester: Wat zou er dan nog achter moeten zitten?


Leuk

Leerling: De wereld is wat je denkt dat hij is!
Meester: Leuk bedacht.


Bouwstenen

Meester: Uit welke bouwstenen is de wereld opgebouwd?
Leerlingen:
  • Alles bestaat uit de vier elementen, aarde, water, lucht en vuur.
  • Alles is lucht. Vuur is verdunde lucht, water vloeibare lucht, aarde vaste lucht.
  • Alles is aarde! Water is vloeibare aarde, lucht is...
  • Alles is water!
  • Alles is vuur!
  • De vier elementen zijn alleen maar verschijningsvormen van een onbepaalde oerstof!
  • Dat is allemaal allang achterhaald. Het universum is opgebouwd uit de 108 elementen van het periodieke systeem.
  • Niet de elementen maar de moleculen waarvan ze deel uitmaken bepalen de stof.
  • Niet de moleculen als zodanig maar hun stereometrie.
  • Iedere stof is uniek en moet bestudeerd worden naar zijn eigen aard.
  • Zoals Democritus al wist is het hele universum uit atomen opgebouwd.
  • Atomen bestaan uit protonen, neutronen en elektronen.
  • Die op hun beurt weer opgebouwd zijn uit quarks.
  • Die in werkelijkheid uit snaren bestaan.
  • Uit kwanten zul je bedoelen.
  • Leegte is de ware bouwsteen van het universum!
  • Welk universum?
  • Informatie, man, alles is informatie!
  • Energie, alles is energie!
  • Massa! Energie is een voorbijgaande toestand van massa!
  • Massa is gestolde energie!
  • Welnee, massa is de tegenhanger van antimassa!
  • Allemaal woorden!
  • We moeten in termen van krachten denken!
  • Uiteindelijk zal er maar één kracht blijken te zijn!
  • Krachtdeeltjes. Gravitonen, gluonen!
  • Krachten zijn geen deeltjes maar velden!
  • Vergeet de thermodynamica niet!
  • Stelletje godverlaten materialisten! Alles is Geest!
  • Stelletje godverlaten monisten! Alles is uniek!
  • verzoenend: We vullen elkaar alleen maar aan!
  • Er kan maar één waarheid zijn!
  • Waarheid bestaat niet!
  • Waarheid is wat werkt!
Meester: Dit werkt in ieder geval niet.


Hoog en laag

Leerling: Is er een hogere werkelijkheid?
Meester: Is er een lagere?


Koppen tellen

Leerling: Hoeveel werkelijkheden zijn er?
De meester telt het aantal leerlingen en zegt: In deze ruimte eenendertig.


Iedereen

Leerling: Iedereen leeft in zijn eigen werkelijkheid!
Meester: Misschien in jouw werkelijkheid.


Komen en gaan

Leerling: Hoeveel werkelijkheden zijn er?
Meester: Evenveel als er gedachten zijn.
Leerling: Gedachten zijn niet, die komen en gaan.
Meester: Nou dan.


Eén

Leerling: Is alles één?
Meester: Waarom vraag je dat aan mij?
Leerling: U kan het weten.
Meester: Jij kan het weten.
Leerling: Wilt u het soms niet zeggen.
Meester: Ik kan wel zoveel zeggen.
Leerling: Hoe moet ik er dan achter komen?
Meester: Tel zelf maar.
Lange stilte.
Leerling: Ik zou niet weten waar ik moest beginnen.
Meester: Nou, ik ook niet.
Leerling: Ik zou namelijk niet weten wat ik moest meetellen.
Meester: Nou, ik ook niet.


Paperclip

Een leerling gooit een paperclip in de prullenbak.
Meester: Je gooit de wereld weg.
Leerling: Het is maar een paperclip.
Meester: Er waren hoogovens nodig om hem te maken.
Leerling: Eén hoogoven maakt nog geen wereld.
Meester: Er was een wereld nodig om die hoogovens te maken.
Leerling, peinzend: De wereld in een paperclip...
De meester wacht rustig af, en ja hoor.
Leerling: Wilt u zeggen dat alles één is?
Meester: Eenheid is een gedachte.
Leerling: En de wereld dan?
Meester: Ook een gedachte.
Leerling: En de hoogovens?
Meester: Ook.
Leerling: En de paperclip?
Meester: Ook.
Leerling: En de gedachte dat het allemaal maar gedachten zijn?
Meester: Die ook.
Leerling: Nou weet ik nog niks.
Meester: Die ook.


Raadsel

Meester Tja heeft gezegd:

De pluralist gelooft dat de wereld veel is.
De dualist gelooft dat de wereld twee is.
De non-dualist gelooft dat de wereld niet-twee is.
De monist gelooft dat de wereld een is.
De idealist gelooft dat de wereld geen is.
Ikzelf geloof mijn gedachten niet.
En geloof dat ook maar niet.

En hij voegde eraan toe:

Wat heb ik nou gezegd?


Dit

Leerling: Dit is Het!
Meester: Het?
De leerling wijst om zich heen en zegt: Dit hier!
Meester: Wat bedoel je met dit?
De leerling wijst nogmaals om zich heen.
Meester: Wat.
Leerling: Dit hier.
Meester: Dit hier is dit hier?
De leerling knikt vaag.
Meester: Dat is een tautologie.
Leerling: Ik verwijs naar de Waarheid!
Meester: Dit hier is de Waarheid?
Leerling: Precies!
De meester kijkt om zich heen en zegt: Waar is dan de Leugen?


Een goudmijn

Leerling: Alleen maar dit!
Meester: Hè?
Leerling: Meer is er niet.
Meester: Meer dan wat!
Leerling: Wat je ziet is wat je krijgt!
Meester: Zo lust ik er nog wel een.
Leerling: O ja?
Meester: Wat je krijgt is wat je ziet.
Leerling: Verrek.
Meester: Je ziet alleen maar wat je niet krijgt.
Leerling: Mooi!
Meester: Je krijgt het wel maar ziet het niet.
Leerling: Inderdaad zeg!
Meester: Je krijgt het niet, je hebt het al.
Leerling: U bent een goudmijn!
Meester: En al jaren uitgeput.


Zodanigheid

Leerling: Waarom spreekt u mij altijd tegen?
Meester: Dat doe ik helemaal niet.
Leerling: Is dat om het denken te doorbreken?
Meester: Waarom zou ik dat willen?
Leerling: Om mij de zodanigheid van de dingen te tonen.
Meester: De wát?
Leerling: Hun zo-zijn.
Meester: Dat snap ik wel, maar wat wil je daarmee zeggen?
Leerling: Dat ze zijn wat ze zijn.
Meester: Probeer je soms niks te zeggen?
Leerling: De werkelijkheid achter de concepten...
Meester: Alsof zodanigheid geen concept is.
Leerling: Dat weet ik wel maar...
Meester: Je denkt nog steeds dat er iets achter zit.
Leerling: Bedoelt u dat dit alles is?
Meester: Wat bedoel je nou toch met dit?
Leerling: Dat er niks achter zit.
Meester: Waarachter?
De leerling wijst om zich heen en zei: Hierachter.
Meester: Ik bedoel alleen maar dat ik geen idee heb.
Leerling, verbaasd: Dus u heeft niets tegen concepten?
Meester: verbaasd: Waarom zou ik iets tegen concepten hebben?
Leerling, verbaasd: Wat bedoelt u dan?
Meester: verbaasd:Waarom zou ik iets bedoelen?
Leerling, verbaasd: Waarom zou u anders spreken?
Meester: Misschien wel omdat ik het niet kan laten.
Leerling: Kunt u het niet laten?
Meester: Ik heb geen idee.
Leerling: Ik begrijp er niets van.
Meester: Ik ook niet.
Leerling: Bedoelt u dat u het ook niet weet?
Meester: Dat weet ik niet.


Het zijnde is

Leerling: Het zijnde is!
Meester: Parmenides van Elea, zesde eeuw voor Christus.
Leerling: Martin Buber, twintigste eeuw na Christus.
De meester slaat zijn ogen ten hemel en zegt: Houdt het dan nooit op?
Leerling: De Waarheid is tijdloos!
Meester: Ik heb alle tijd.
Leerling: Wat is volgens u de Waarheid?
Meester: Tja.
Leerling: Is dat alles?
Meester: Leerling, eenentwintigste eeuw na Christus.


Singulariteit

Leerling: Elke situatie, iedere gebeurtenis, elk levend wezen en ieder ding is volstrekt uniek.
Meester: Toch weer iets gemeenschappelijks gevonden?


Groen

Meester: Wat is groen?
Leerlingen:
Groen betekent vrede.
Groen betekent zeeziek.
Groen betekent lente.
Groen betekent doorrijden.
Groen is een woord.
Groen is een kleur.
Groen is de boom.
Groen zijn de bladeren in de boom.
Groen zijn de bladgroenkorrels in het blad.
Groen is een primaire kleur.
Alleen in het additieve model.
Groen is een mengsel van geel en blauw.
Alleen in het subtractieve model.
Groen is licht met een golflengte van 530 nanometer.
Ook andere golflengten worden soms als groen gezien.
Tenzij je kleurenblind bent.
Groen is wat mijn ogen zien.
Het zijn de m-kegeltjes op het netvlies die het hem doen.
Zonder hersenzone V4 is kleur letterlijk ondenkbaar.
Vergeet de visuele cortex niet.
Het hele zenuwstelsel draagt bij aan de kleurbeleving.
Ik ben het die de boom groen schildert.
Groen is een samenwerkingsverband van mij en de boom.
En van de zon en de aarde die jou en de boom mogelijk maken.
Groen is een samenwerkingsverband van het hele universum.
Welk universum?
Groen is wat het is door alle kleuren die het niet is.
Kleur is wat het is door alle eigenschappen die het niet is.
Eigenschappen zijn wat ze zijn door alles wat ze niet zijn.
Kleur is een illusie.
Kleur is leegte.
Kleur is een manifestatie van het ene.
Kleur is kleur.
Niemand weet wat kleur is.
Niemand weet wat zijn is.
Niemand weet wat is.
Niemand weet wat.
Zelfs dat weet niemand.
Er valt een stilte
Leerling: Maar wat is nou groen?
Meester: Dat is nou groen.


Raadsel

Leerling: Het is groen en het hangt aan een boom.
Meester: Het is bruin en het zit aan een blad.


Warmte

Meester: Wat is warmte?
Leerlingen:
Warmte is een gemis aan koude.
Koude is een gemis aan warmte.
Warmte is een eigenschap van een object.
Warmte is een stofje, flogiston.
Warmte is het trillen van moleculen.
Ik heb anders nog nooit een molecuul gezien.
Warmte is het vuren van perifere en centrale zenuwen veroorzaakt door warmtesensoren in de huid.
Warmte is een sensatie in de waarnemer.
Warmte is het geheel van trillende moleculen, registrerende zintuigen, vurende zenuwen en bewustwording in de waarnemer.
Warmtewaarneming is het resultaat van miljoenen jaren evolutie.
Zonder aarde geen evolutie.
Zonder zon geen aarde.
Warmte veronderstelt het hele universum en de hele geschiedenis.
Het universum verschijnt in het bewustzijn.
Bewustzijn verschijnt in de materie.
Materie bestaat uit moleculen.
Moleculen bestaan uit snaren.
Snaren bestaan uit energie.
Energie is een vorm van warmte.
Warmte is een vorm van energie.
Energie is maar een idee.
Dingen zijn onvolmaakte afdrukken van volmaakte ideeën.
Ideeën zijn onvolmaakte modellen van volmaakte dingen.
Elk idee is uniek en in zichzelf besloten.
Elk ding is uniek en in zichzelf besloten.
Dingen zijn processen, net als warmte.
Processen zijn reeksen van toestanden.
Alleen voor zover de tijd uit kwanten bestaat.
Meester: Kan er iemand even een raampje opendoen.
Leerling: Bedoelt u dat "warmte" zijn betekenis ontleent aan de menselijke praxis?
Meester: Bedoelen is het voorrecht van de leerling.


Toeval

Leerling: Alles is toeval!
Meester: Heb je dat persoonlijk vastgesteld?
Leerling: Hoe kan dat nou!
Meester: Wat dan?
Leerling: Beredeneerd natuurlijk.
Meester: Uit eerste principes?
Leerling: Waaruit anders.
Meester: Dus toeval is noodzaak?
De leerling weet niets meer te zeggen.

Leerling: Alles is toeval!
Meester: Hoe weet je dat?
Leerling: Beredeneerd.
Meester: Uit eerste principes?
Leerling: Waaruit anders.
Meester: En die eerste principes?
Leerling: Wat is daarmee?
Meester: Zijn die toevallig of noodzakelijk?
De leerling weet niets meer te zeggen.

Leerling: Niets is toeval!
Meester: Heb je dat gecontroleerd?
Leerling: Hoe kan dat nou!
Meester: Steekproefsgewijs.
Leerling: Zelfs de grootste steekproef zou nog niet representatief zijn.
Meester: Heb je het dan beredeneerd?
Leerling: Hoe kan dat nou!
Meester: Uit eerste principes.
Leerling: Heb ik niet.
Meester: Hoe weet je het dan?
Leerling: Intuïtie.
Meester: En als je intuïtie je nou toevallig bedriegt?
De leerling weet niets meer te zeggen.


Van de klok en de klepel

Meester: Hoe staan we ervoor vandaag?
Leerlingen:
"Ik heb de klok al horen luiden en weet ook waar de klepel hangt."
"Ik heb de klok niet horen luiden maar weet wel waar de klepel hangt."
"Ik heb de klok wel horen luiden maar weet niet waar de klepel hangt."
"Ik heb de klok niet horen luiden en weet ook niet waar de klepel hangt."
"Ik heb wel iets horen luiden, maar wat het nou was?"
"Ik heb wel iets gehoord, maar hoe je het moet noemen?"
"Ik heb wel iets waargenomen, maar waarmee?"
"Wat heet waarnemen."
"Ik weet niet eens wat een klok is, laat staan een klepel."
" Wat is eigenlijk het verschil tussen mij en een klok?"
"Of tussen mij en het luiden?"
"Of de overeenkomst?"
"Ik heb totaal geen idee."
"Zelfs dat weet ik niet."
"Tja."
"Zwijgen helpt niet."
Plotseling luidt de bel voor het eten.
Iedereen springt op en stuift naar de eetzaal.