, eerste reeks.
Auteur: Hans van Dam.
Dwijsheid
meester Tja zegt
zolang mijn tijd niet vervuld is
weet ik geen wortels te vormen
sommigen noemen dit wijsheid
maar wat is er verstandig aan
anderen noemen het dwaasheid
maar wat is er onverstandig aan
ikzelf, ik noem het dwijsheid
Aanspreektitel
iemand vroeg meester Tja:
hoe zal ik u aanspreken?
de meester zei
zeg jij maar tja
tegen mij
Niemand die het ziet
een verstandig koopman
verbergt zijn schatten
en doet zich voor als een arme
maar de volmaakte dwijze
vertoont vrijelijk zijn onwetendheid
en niemand die het ziet
Een vrouw
men beeldt zich in: een vrouw
men
kijkt naar naar en ziet haar niet
haar naam: de onzichtbare
vrouw
men luistert naar haar en hoort haar niet
haar naam: de
onhoorbare vrouw
men klauwt naar haar en vat haar niet
haar
naam: de ongrijpbare vrouw
men ruikt aan haar en ruikt haar niet
haar
naam: de geurloze vrouw
men likt aan haar en proeft haar niet
haar
naam: de smakeloze vrouw
haar naam: de onwaarneembare vrouw
men
zoekt haar geslacht en vindt het niet
zijn naam: iemand
men
zoekt zijn vorm en vindt het niet
zijn naam: wezen
men zoekt
zijn wezen
en vindt het niet
zijn naam: iets
men zoekt zijn
zijn
en vindt het niet
zijn naam: niets
men zoekt zijn
niet-zijn
en vindt het niet
zijn naam: tja
Onmetelijk
Wie ongetwijfeld zegt, weet.
Wie waarschijnlijk zegt, weet.
Wie misschien zegt,
weet.
Wie onwaarschijnlijk zegt, weet.
Wie onmogelijk zegt, weet.
Hoe gering het verschil tussen
ongetwijfeld en onmogelijk.
Hoe
onmetelijk dat tussen
weten en niet weten.
Het eeuwige Tja
Een van de gezellen zei:
"Het tja dat geuit kan worden
is niet het eeuwige Tja",
Is dat waar?
De meester zei:
Tja.
De moeder aller dingen
een van de gezellen zei
leer ons de moeder
aller dingen kennen
meester Tja zei
leer eerst maar eens
één ding kennen
Het wezen
meester Tja zegt
ik begrijp de verschijningsvorm al niet
hoe zou ik dan het wezen
kunnen doorgronden
Eén
erkennen allen onder de hemel
de lelijkheid van het schone en
de schoonheid van het lelijke
dan zal het onderscheid in rook opgaan
maar daarmee het verschil nog niet
Overwinnen
Een gezel zei
hoe het kwade te overwinnen
en het goede te behouden
meester Tja zei:
erkennen allen onder de hemel
de goedheid van het kwade en
de kwaadheid van het goede
dan valt er niets te overwinnen
en niets meer te behouden.
Uitgerekend
Laat er een kleine staat met weinig volk zijn
of een grote staat met
veel volk.
Laat er hoofden zijn over tien-
en honderdtallen
of over duizend- en
tienduizendtallen.
Volk dat de dood vreest zal daarom
of ergens anders om
of zonder duidelijke
reden
tijdelijk of voorgoed
thuis blijven,
in de buurt blijven
of wegtrekken.
Als er schepen en wagens zijn
zal men reden vinden erin te gaan
en
reden eruit te blijven.
Zijn er geen schepen of wagens
dan zal
men reden vinden ze te vervaardigen
en reden om dat te verbieden.
Als
er kurassen zijn
zal men reden vinden ze aan te doen
en
reden ze uit te laten.
Als er wapenen zijn
zal men reden vinden ze te hanteren
en reden ze te laten liggen.
Zijn er geen kurassen of wapenen
dan zal
men reden vinden ze te maken
en reden dat te verbieden.
Keert
het volk terug
tot het gebruik der geknoopte koorden
dan zal men
reden vinden voor het schrift
en reden om het schrift voorgoed te
verbieden.
Houdt het volk het bij het schrift
dan zal het reden
vinden
terug te keren tot geknoopte koorden
en reden die voorgoed af
te danken.
Vind het volk smaak in zijn voedsel,
is het trots
op zijn klederen,
vindt het vrede in zijn woning
en verblijdt het
zich in zijn zeden
dan zal het reden vinden
iets anders te proberen.
Doet
het dan iets anders
dan zal het reden vinden
terug te keren tot het
oude.
Al ligt een naburige staat ver weg,
zodat de hanen en
honden van
weerskanten
elkanders geluid niet kunnen horen,
het volk zal reden
vinden er gemeenschap mee te hebben.
Heeft het volk gemeenschap met een naburige staat
dan zal het reden vinden de
banden te verbreken.
Want het volk vindt overal reden voor
maar nooit vindt het
reden voor
zijn reden
of daar weer reden voor.
Daarom houdt de dwijze
overal rekening mee
maar hij rekent nergens op.
Geen werk
zelfs van niet doen
maakt de dwijze geen werk
Dwijsheid
niets weten
en dat
net niet
vergeten
Nog niet
hij slaat geen wijsheid op
hij stoot geen wijsheid af
hij
spreekt geen wijsheid uit
hij houdt geen wijsheid achter
en nog
is hij niet wijs
Altijd
droogte, zonneschijn, bewolking
mist, regen, sneeuw
er is altijd wel iemand die erbij gedijt
er is altijd wel iemand die eronder lijdt
windstilte, bries, passaat
storm, orkaan, wervelwind
er is altijd wel iemand die erbij gedijt
er is altijd wel iemand die eronder lijdt
vorst, koelte, lauwheid
warmte, hitte, vuur
er is altijd wel iemand die erbij gedijt
er is altijd wel iemand die eronder lijdt
Vanzelfsprekend
zelfs als hij spreekt
gebruikt de dwijze geen woorden
en gebruiken de woorden hem niet
De weg van de hemel
de weg van de hemel
is de weg van de aarde
de weg van de aarde
is de weg van de mensen
de weg van de mensen
is de weg van het weten
de weg van het weten
is de weg van niet weten
de weg van niet weten
is de weg van het tja
de weg van het tja
leidt overal van weg
de weg die overal van wegleidt
is de weg van de hemel
De hoop op een eeuwig leven
Nog voor de mens wordt geboren
is
hij ten dode opgeschreven.
Hij sterft zacht of stijf,
sterk of
zwak,
afhankelijk van zijn leeftijd.
Nog voor ze worden geboren
- de dingen, het gras, de bomen -
zijn ze ten dode opgeschreven.
Ze
sterven zacht en teer,
droog en schraal
afhankelijk van hun
leeftijd.
Daarom:
Stijfheid en sterkte, zachtheid en zwakte,
alle
zijn volgelingen van het leven.
Alle zijn voorboden van de dood.
Want een
boom die zwak staat
zal zeker omwaaien.
Een boom die sterk staat
zal
beslist verbranden.
Een boom die onverwoestbaar staat
zal van binnenuit
wegrotten.
Een leger dat zwak staat
zal weggevaagd worden.
Een leger dat sterk staat
zal door list verslagen worden.
Een leger dat onverslaanbaar is
zal zich overbodig maken.
Onvergankelijk is slechts
de hoop
op een eeuwig leven.
Zelden
wie
als timmerman de kost verdient
zelden dat hij zich niet in
de vingers snijdt
wie zelf zijn hout kapt
zelden dat hij zich niet in de voeten hakt
wie liever hout met
handen breekt
zelden dat hij geen splinters oploopt
wie hieruit conclusies trekt
zelden dat hij gelijk krijgt
Scherprechter of moordenaar
de man die doodt uit naam van de staat
noemt
men een scherprechter
de man die doodt uit naam van zichzelf
noemt
men een moordenaar
wie bent u liever?
Vorst of volk
de vorst die het
volk schrik aanjaagt met de dood
moet voor zijn leven vrezen
de vorst die voor zijn leven
vreest
jaagt het volk schrik aan met de dood
hoe is het allemaal begonnen?
Dader of slachtoffer
de man die gedood
wordt in naam der wet
noemt men een dader
de man die gedood wordt
op persoonlijke titel
noemt men een slachtoffer
wie bent u liever?
Niet wijzer
De dwijze kent zichzelf niet
en alles is hem duister.
Soms
houdt hij van zichzelf,
soms niet, maar meestal
geen
van beide.
Daarom laat hij dit
en neemt hij dat
en weet zich
toch niet
wijzer.
Hoe hoog
weten is hoog
niet weten is hoger
weten van niet weten is het
hoogst
niet weten van niet weten is nog hoger
weten van niet weten van niet weten is hoger nog
de slotzin van deze oneindige reeks kennen
is het allerhoogst
de hele reeks in één keer doorgronden
is het aller-allerhoogst
het allerhoogste niet
van het allerlaagste weten
is dwijsheid
wie kan zeggen
hoe hoog dat is
Over het belang van ervaring
Een ervaren krijgsman zei:
Ik
durf niet te beginnen,
ik wacht liever af.
Een andere zei:
Ik durf niet af te wachten,
ik begin liever.
Weer een andere zei:
Men moet beginnen
én afwachten.
Een vierde zei:
Ik durf niet te beginnen
of af te wachten.
Een ervaren krijgsman zei:
Ik durf geen duim vooruit te gaan,
ik ga liever een voet terug.
Een andere zei:
Ik durf
geen duim terug te gaan,
ik ga liever een voet vooruit.
Weer een andere zei:
Men moet achterwaarts
vooruit gaan
Een vierde zei:
Ik durf vooruit te gaan
noch terug.
Een ervaren krijgsman zei:
Men moet voorgaan
zonder te gaan.
Een andere zei:
Men moet gaan
zonder voorgaan.
Weer een andere zei:
Men moet gaande
voorgaan.
Een vierde zei:
Men moet gaan
noch voorgaan.
Een ervaren krijgsman zei:
Men moet dreigen
zonder de armen te strekken.
Een andere zei:
Men moet de armen strekken
zonder te
dreigen.
Weer een andere zei:
Men moet dreigen
en de armen strekken.
Een vierde zei:
Men moet dreigen
noch de armen strekken.
Een ervaren krijgsman zei:
Men moet opdringen
zonder weerstand te wekken.
Een andere zei:
Men moet weerstand wekken
zonder op te dringen.
Weer een andere zei:
Men moet weerstand wekken
en opdringen.
Een vierde zei:
Men moet opdringen
noch weerstand wekken.
Een ervaren krijgsman zei:
Men moet aangrijpen
zonder te wapenen.
Een andere zei:
Men moet wapenen
zonder aan te grijpen.
Weer een andere zei:
Men moet aangrijpen
door te wapenen.
Een vierde zei:
Men moet aangrijpen
noch wapenen.
Een ervaren krijgsman zei:
Goed dat ik ten strijde ben getrokken.
Een andere zei:
Was ik maar
thuis gebleven.
Weer een andere zei:
Ik had thuis
ten strijde moeten trekken.
Een vierde zei:
Ik had ten strijde moeten trekken
noch thuis moeten blijven.
Weigering
een gezel zei
hoe komen wij tot aanvaarding
van de tienduizend dingen
meester Tja zei
is weigering niet één
van de tienduizend dingen
Als vanzelf
de dwijze denkt als vanzelf
dat het hart als vanzelf klopt
de geest als vanzelf weet
het lichaam als vanzelf handelt
de staat als vanzelf ingrijpt
het recht als vanzelf spreekt
het volk als vanzelf
zijn begeerten leeft
de dwijze denkt als vanzelf
dat het hart als vanzelf stopt
de geest als vanzelf vervliegt
het lichaam als vanzelf vergaat
de staat als vanzelf uiteenvalt
het recht als vanzelf zwijgt
het volk als vanzelf
zijns weegs gaat
de dwijze denkt als vanzelf
en niets blijft ongeregeld
en niets blijft geregeld
en niets
blijft
Veel
veel zwijgen put zich uit
het is beter alles uit te spreken
veel wijsheid put zich uit
het is beter alles af te breken
veel spreken put zich uit
en valt vanzelf stil
veel zwijgen put
zich uit
en gaat in woorden op
Als een blaasbalg
de dwijze is als een blaasbalg
hij zwijgt terwijl hij inademt
en spreekt terwijl hij uitademt
maar wat dat nou wil zeggen
In alle toonaarden
spreekt het tja over zichzelf
dan spreekt het in alle toonaarden
noemt het zich geest
dan noemt het zich lichaam
noemt het zich hemel
dan noemt het zich aarde
noemt het zich wezen
dan noemt het zich vorm
noemt het zich licht
dan noemt het zich duister
noemt het zich piek
dan noemt het zich dal
noemt het zich diep
dan noemt het zich oppervlakkig
noemt het zich poort
dan noemt het zich muur
noemt het zich weg
dan noemt het zich versperring
noemt het zich eeuwig
dan noemt het zich
tijdelijk
noemt het zich goed
dan noemt het zich kwaad
noemt het zich waarheid
dan noemt het zich leugen
noemt het zich vrede
dan noemt het zich oorlog
noemt het zich wijs
dan noemt het zich dwaas
zwijgt het tja over zichzelf
dan zwijgt
het in alle toonaarden
Alles en niets
tja is
alles
zien
en
niets
vatten
Nog steeds
wij kijken ernaar
en snappen het niet
wij luisteren ernaar
en snappen het niet
wij bestuderen het
en snappen het niet
wie dan eindelijk snapt
dat hem alles ontgaat
heeft nog altijd iets
begrepen
Als water
als ijs bedekt het zee en land
als wolk brengt het regen en mist
als golf brengt het
redding en dood
als stoom drijft het aan en verbrandt
als vloeistof vult het de diepste spleten
als sneeuw bedekt het de hoogste toppen
het is zacht bij lage snelheid, hard bij hoge
het holt grotten uit
en vult ze met druipsteen
het verdrinkt de mensen en belucht
de vissen
het doet planten groeien en wortels rotten
het vormt stranden en vernietigt duinen
ja, met water weet men maar nooit
toch treft het blaam noch faam
hierin komt water het tja
nabij
Woorden
mensen kennen de liefde
maar de
liefde kent geen mensen
mensen kennen strooien honden
maar
strooien honden kennen geen mensen
mensen kennen hemel en aarde
maar
hemel en aarde kennen geen mensen
mensen kennen woorden
maar woorden
kennen
geen mensen
de liefde zegt
niets terug
strooien honden zeggen niets terug
hemel en aarde zeggen niets terug
woorden zeggen niets terug
want woorden spreken
niet
alleen de mensen spreken
alleen de mensen spreken
terug
Een eindeloze vlakte
dragen
neerzetten
laten
vallen
gevuld houden
opdrinken
leeggieten
wetten om te scherpen
wetten
tot men zich snijdt
wetten tot het lemmet is verdwenen
wetten
tot men het laat
meteen het wetten laten
een
zaal vullen met juwelen en goud
die zaal inrichten als museum
en hermitage noemen
die zaal inrichten als mausoleum
en dichtmetselen
die
zaal aan de vijand schenken
die zaal aan het volk schenken
die
zaal de rug toekeren
die zaal laten leegroven
die zaal zelf leegroven
die zaal
vernietigen
die zaal bewaken
strijdvaardig zijn bij rijkdom of eer
nietswaardig zijn bij
rijkdom of eer
boetvaardig zijn bij rijkdom of eer
boosaardig
zijn bij rijkdom of eer
hovaardig zijn bij rijkdom of eer
onaardig
zijn bij rijkdom of eer
waardig zijn bij rijkdom of eer
aardig
zijn bij rijkdom of eer
tja is geen weg
tja is geen
wegennet
tja is een
eindeloze
vlakte
Naamloos
wie het zinnelijke
op doet gaan in het geestelijke
heet een idealist
wie het geestelijke
op doet gaan in het zinnelijke
heet een materialist
wie het zinnelijke
naast het geestelijke plaatst
heet een dualist
wie tot eenheid komt
en ondeelbaar wordt
heet een monist
wie tot veelheid komt
en onverenigbaar wordt
heet een pluralist
wie dit alles
doet noch laat
hoe zal men
hem noemen
Kip zonder kop
terwijl de poorten des hemels
zich openen en sluiten kan de dwijze
doodzitten als een broedende hen
rondrennen als een kip zonder kop
piekeren als een kop zonder kip
en het zich toch niet
euvel duiden
Nog niet
wiens duisternis
de vier richtingen
doordringt
is daarom
nog niet
blind
Werk
de ogen der mensen schilderen
de vijf kleuren
de oren der mensen spelen de vijf tonen
de mond
der mensen verwekt de vijf smaken
de geest der mensen spreekt de
vijf gedachten
het hart der mensen bemint de vijf geliefden
de handen der mensen maken de vijf goederen
de benen der mensen belopen
de vijf avonturen
het binnenste der mensen fluistert de vijf
stiltes
daarom maakt de dwijze nergens werk van
niet van
zijn ogen
niet van zijn oren
niet van zijn mond
niet van
zijn geest
niet van zijn hart
niet van zijn handen
niet van zijn benen
niet van zijn binnenste
zelfs van niet werken
maakt de dwijze geen werk
en dat is nu zijn werk
Lichaam en geest
ons treft het grote leven
via het lichaam
ons treffen grote gedachten
via het lichaam
ons treffen grote geneugten
via het lichaam
ons treffen grote rampen
via het lichaam
ons treft de grote dood
via het lichaam
ons treft het hele lichaam
via het lichaam
maar kennen doen wij
het lichaam niet
daarom:
wie zijn geest kent
als
zijn lichaam
hem kan men het tja
toevertrouwen
Volkomen onvolkomen
De dwijzen van ouds,
zij waren niet dwaas.
Ze waren niet wijs.
Ze wisten en
ze wisten niet.
Ze waren licht en tastbaar
als het weten zelf.
Ze waren duister en ongrijpbaar
als niet weten zelf.
Hun
diepte was ondiepte,
hun oppervlakkigheid
bodemloos.
Daar niets gekend kan worden,
laat staan de dwijze van ouds,
tracht
ik een denkbeeld te geven.
Hij was behoedzaam
als wie zijn vrienden vreest
en zijn vijanden vertrouwt.
Ingetogen
als een gast
en opgetogen als een kind.
Wijkend en kruiend
als
smeltend ijs.
Massief als een berg
en leeg als een vallei.
Duister als troebel water
en
helder als smeltwater.
Wie klaart de troebel niet op en
verstoort
niet de helderheid?
Wie neemt rust in beweging
en beweging in rust?
De dwijze van ouds.
Vol en toch leeg,
rijk en berooid,
in en uit de tijd
is hij
volkomen
onvolkomen.
Loochenen
wie opperste leegte zoekt
verloochent zijn volheid
wie bestendige rust zoekt
verloochent zijn onrust
wie wijsheid zoekt
verloochent zijn dwaasheid
wie eeuwigheid zoekt
verloochent zijn vergankelijkheid
wie zuiver geluk zoekt
verloochent zijn lijden
wie ongerept niet weten zoekt
verloochent zijn weten
wie het einde van het loochenen zoekt
verloochent het loochenen
wie zoekt verloochent
wie daarom het zoeken opgeeft
verloochent het zoeken
Wat ze ook zeiden
Van de grote heersers
wisten de
onderdanen
nagenoeg niet
dat ze bestonden.
De grote heersers zelf
wisten nauwelijks
dat ze bestonden.
Noch wisten zij
of hun onderdanen
wel bestonden.
Noch wisten zij
wie heerste over wie.
Nooit meenden zij
enige verdienste verworven,
enig werk volvoerd te hebben.
Nooit waren zij bedachtzaam
of onbedachtzaam.
Nooit waren hun woorden
kostbaar.
Wat ze ook zeiden,
ze zeiden maar wat
en dat zeiden ze
ook.
Zei het volk: "Bemind
en geprezen zijn onze heersers",
dan zeiden zij niet: "Wij zijn beminnelijk en prijzenswaardig".
Zei het volk: "Verachtelijk en vreeswekkend zijn onze heersers",
dan zeiden zij niet: "Wij hebben geen eer en wij intimideren".
Zei het volk: "Wie wantrouwt, zal wantrouwen vinden",
dan zeiden zij niet: "Wie vertrouwt die vindt trouw".
Zei het volk: "Wij doen alles vanzelf",
dan zeiden zij niet: "Wij doen niets".
Zei het volk: "Slechts het Tja regeert",
dan zeiden zij niet: "Wij
zijn het Tja".
Ze zeiden ook niet van niet
en hun zwijgen
betekende
niets.
Erkennen noch miskennen
de gezellen zeiden
menslievendheid, misantropie en misère
huichelarij, onvrede en rechtschapenheid
schapenliefde, kinderliefde
en ouderliefde
incest, molest en ongehoorzaamheid
vernuft, nooddruft en hufterigheid
orde, verval en wederopbouw
toewijding, trouw en verraad
zeg ons wat wij moeten
onderscheiden
en wat niet
meester Tja zei
eenheid is
geen enkel onderscheid erkennen
dit noemt men weleens wijsheid
verdeeldheid is
geen enkel onderscheid miskennen
dit noemt men weleens dwaasheid
eenheid noch verdeeldheid is
geen enkel onderscheid
erkennen of miskennen
dit noem ik weleens dwijsheid
Niets
niets is goed in ieder opzicht
niets is goed zonder opzicht
niets is goed
niets is slecht in ieder opzicht
niets is slecht zonder opzicht
niets is slecht
niets is goed of slecht
behalve in een opzicht
niets is goed of slecht
Doen en laten
meester Tja zegt
dit doen is dat laten
dat doen is dit laten
wat wilt u daaraan doen
wat wilt u daarom laten
Problemen
meester Tja zegt
de oplossing van vandaag
is het probleem van morgen
hij zegt ook
het probleem van vandaag
is de oplossing van morgen
en
waarom nieuwe problemen maken
als u kunt leven met de oude
en
waarom met oude problemen leven
als u nieuwe kunt maken
en
geen problemen
zonder oplossingen
en
geen oplossingen
zonder problemen
en
het grootste probleem
is problemen zien
en
problemen zien
als het grootste probleem zien
is ook geen oplossing
Hoe het helpt
de gezellen zeiden
hoe helpt ons
het tja des hemels
meester Tja zei:
het tja
des hemels kent links niet van rechts
het kent de eiser niet van de
schuldenaar
het kent de deugd niet van de ondeugd
het kent de
goede niet van de kwade
daarom stelt het tja des hemels
u nergens toe in staat
en dit
is hoe
het helpt
Zeg maar tja
zeg maar tja
tegen de tienduizend dingen
zeg maar tja tegen het ene
zeg maar tja tegen het leven
zeg maar tja tegen de dood
zeg maar tja tegen de liefde
zeg maar tja tegen de haat
zeg maar tja tegen de oorlog
zeg maar tja tegen de vrede
zeg maar tja tegen het lijden
zeg maar tja tegen het geluk
zeg maar tja tegen de aarde
zeg maar tja tegen de hemel
zeg maar tja tegen de ander
zeg maar tja tegen je zelf
zeg maar tja tegen het verleden
zeg maar tja tegen de toekomst
zeg maar tja tegen het heden
zeg maar tja tegen het doen
zeg maar tja tegen het laten
zeg maar tja tegen het spreken
zeg maar tja tegen het zwijgen
zeg maar tja tegen het antwoord
zeg maar tja tegen de vraag
zeg maar tja tegen het doel
zeg maar tja tegen de weg
zeg maar tja tegen het vasthouden
zeg maar tja tegen het loslaten
zeg maar tja tegen het weten
zeg maar tja tegen niet weten
zeg maar tja tegen je gedachten
zeg maar tja tegen het tja
zeg maar tja