, vierde reeks.
Auteur: Hans van Dam.
Dit ogenblik
Meester Nebbisj heeft gezegd:
Doorgrondt hemel en aarde
door ze niet te doorgronden.
Doorgrondt hem die voor u staat
door hem niet te doorgronden.
Want hij staat niet vóór u
en gij staat niet tegenover hem,
noch in de hemel,
noch op aarde.
Herkent mij niet langer
en dit ogenblik:
Gij zult het doorgronden.
De weg naar het koninkrijk
gevraagd naar de weg
zei meester Nebbisj
eerst brengt men zichzelf
om het leven
dan brengt men zichzelf
om de dood
Dwaasheid en wijsheid
dwaasheid is radeloos zijn
en toch nog raad weten
wijsheid is geen raad weten
en toch niet radeloos zijn
De discipel
Een discipel zei:
Is men op weg naar het koninkrijk
de kapitein of de passagier?
Meester Nebbisj zei:
Het schip.
Een discipel zei:
Is men op weg naar het koninkrijk
de kapitein of het schip?
Meester Nebbisj zei:
De zee.
Een discipel zei:
Is men op weg naar het koninkrijk
de kapitein of de zee?
Meester Nebbisj zei:
De weg.
Een discipel zei:
Is men op weg naar het koninkrijk
de kapitein of de weg?
Meester Nebbisj zei:
Het koninkrijk.
Een discipel zei:
Is men op weg naar het koninkrijk...
Meester Nebbisj zei:
De discipel.
Engelen en profeten
Meester Nebbisj zei tot zijn discipelen:
De engelen zullen naar u toekomen
en u geven wat u toekomt.
Ze zullen verklaren:
Wij zullen niet vliegen
behalve in uw geest.
Wij kunnen niet bewaren
behalve in uw geest.
Er zijn geen engelen
behalve in uw geest.
Wat gij in uw hoofd heeft
neemt dat zelf maar in ontvangst.
Dan zullen de profeten naar u toekomen
en u geven wat u toekomt.
Ze zullen verklaren:
Wij zullen niet voorspellen
behalve in uw geest.
Wij kunnen niet openbaren
behalve in uw geest.
Er zijn geen profeten
behalve in uw geest.
Wat gij in uw hoofd heeft
neemt dat zelf maar in ontvangst.
Dan zal ik naar u toekomen
en u geven wat u toekomt.
Ik zal verklaren:
Ik besta niet,
behalve in uw geest.
Gij bestaat niet
behalve in uw geest.
Uw geest bestaat niet
behalve in uw geest.
Gedachten bestaan niet
behalve in uw geest.
Bestaan bestaat niet
behalve in uw geest.
Niet-bestaan bestaat niet
behalve in uw geest.
Niets gaat in gedachten op
behalve in uw geest.
Wat gij in uw geest heeft
neem dat zelf maar in ontvangst.
Wat ziet gij?
Meester Nebbisj daagde zijn discipelen uit:
Ziet mij aan! Wat ziet gij?
Ze zeiden:
Wij zien onze meester.
Wij zien de Vader.
Wij zien de Zoon.
Wij zien de Heilige Geest.
Voorwaar, wij zien onszelf!
En ze klapten verheugd in hun handen.
Hij antwoordde:
Gij ziet veel meer dan ge ziet.
Gij ziet heel mijn lichaam niet.
't Is slechts mijn voorkant die ge ziet.
Of ziet gij soms mijn achterkant?
Ziet gij soms mijn binnenste?
Zeg eens eerlijk, ziet gij soms
het achterste van mijn tong,
het brood in mijn maag,
de uitwerpselen in mijn achterste?
Het is mijn vóórkant die ge ziet.
De rest denkt gij erbij.
Hij zei tot zijn discipelen:
Ziet mij aan! Wat ziet gij?
En zij antwoordden:
Het is uw voorkant die wij zien.
De voorkant van onze meester.
De voorkant van de Vader.
De voorkant van de Zoon.
De voorkant van de Heilige Geest.
Louter voorkant is wat gij zijt.
Facade is wat wij zijn!
En ze klapten verheugd in hun handen.
Hij zei tot hen:
Gij zijt als een gat en een nagel:
weet de één een gat,
de ander weet een nagel;
weet de één een nagel,
de ander weet een gat.
Ziet gij mijn rug ontbreken?
Heeft gij persoonlijk vastgesteld
dat in mijn borst geen hart klopt,
in mijn hersenpan geen hersenen,
in mijn buikholte geen darmen?
Het ontbreken ziet gij niet.
Het is mijn lichaam dat gij ziet.
De rest denkt gij eráf.
Hij zei tot tot zijn discipelen:
Ziet mij aan! Wat ziet gij?
Maar zij antwoordden niet
en hij klapte verheugd in zijn handen.
Voor de deur
een van de discipelen zei
wat moeten we doen als we
eenmaal voor de deur staan
meester Nebbisj verzonk in diep gepeins
toen iedereen dacht dat hij in slaap was gevallen
begon hij plotseling te spreken:
wie klopt, hem zal worden opengedaan
wie klopt staat voor een gesloten deur
opengedaan wordt hem die niet klopt
wie niet klopt, hem zal niet opengedaan worden
wie klopt waar geen deur is, hem zal opengedaan worden
wie klopt waar geen deur is, wordt niet gehoord
wie klopt waar geen deur is, klopt niet
kloppen doet men met zijn hart
het kloppen van het hart wordt zelden gehoord
waar men ook klopt, daar zal een deur verschijnen
en hij lachte uitbundig
want zijn volgelingen kreunden
en wisten plots van wijken
hij riep hen na:
wie klopt zal geklopt worden
wie een deur opent, bij hem zal geklopt worden
wie de ene deur opent, sluit de andere
wie één deur opent, opent ze allemaal
wie de ene deur sluit, opent de andere
wie één deur sluit, sluit ze allemaal
wie klopt zoekt toegang tot zichzelf
wie klopt krijgt zere vingers
wie uitgeklopt is, zal binnentreden
hij riep hen na
tot ze in geen velden
of wegen
meer te zien waren
Geen beloften
beloften over het rijk doe ik u geen
want nakomen kan ik ze niet
maar ze zullen mij achtervolgen
en gij zult mij te na komen
Wie niet gelooft
zijn discipelen zeiden
zegt ons wie gij zijt
opdat wij in u geloven
meester Nebbisj zei
wie niet in mij gelooft
zal tot mij komen
wie niet in de wereld gelooft
zal tot de wereld komen
wie niet in zichzelf gelooft
zal tot zichzelf komen
wie niet in geloven gelooft
zal tot het geloof komen
Het antwoord
Vlak voor zijn verscheiden
verklaarde Meester Nebbisj:
De dingen waarover gij mij
in die dagen hebt ondervraagd
terwijl ik ze u toen niet gezegd heb:
ik kan ze nu nog steeds niet zeggen.
Uw vragen roepen vragen in mij op,
mijn vragen wedervragen in u
en daarin ligt het antwoord.
De aanklacht
als ik u iets zeg
trekt gij er lering uit
als ik u niets zeg
trekt gij er lering uit
Spreekwoordenkraam
meester Nebbisj sprak zijn discipelen aldus toe:
een bekend spreekwoord luidt:
wie zoekt zal vinden
een ander bekend spreekwoord luidt:
wie niet zoekt zal vinden
een ander bekend spreekwoord luidt:
wie zoekt zal niet vinden
een ander bekend spreekwoord luidt:
wie niet zoekt zal niet vinden
nog een bekend spreekwoord luidt:
wie vindt blijft zoeken
ook deze wil ik u niet onthouden:
wie vindt heeft iets te verliezen
en tot slot:
wie alles verloren heeft vindt niets
Een vrouw
het rijk van de vader
is als een vrouw:
ge hebt haar nooit
en ge weet nooit
wat ge aan haar hebt
en dat is wat ge
aan haar hebt
De morgen en de avond
het rijk van de vader
is als de morgen en de avond:
de morgen weet niet
wat de avond brengt
de avond weet niet
wat de morgen brengt
Het geheim van geen
het rijk van de vader
is als het geheim van geen:
geheim van één
weet God alleen
geheim van twee
wordt licht gemeen
geheim van drie
weet iedereen
geheim van geen
dat weet geen één
Een koe
het rijk van de vader
is als een koe
die weet
van bah
noch boe
Niet ertussen
meester Nebbisj heeft gezegd:
wie oren heeft
zitte er niet tussen
hij heeft ook gezegd:
wie oren heeft
kan er niet vaak genoeg
achter krabben
en ook:
wie oren heeft
vrage ze van zijn hoofd
Weten
weten is niet als een vrouw
wier schoot ongemerkt leegloopt
weten is niet als een man
die ongemerkt zijn wijnzak leegdrinkt
weten is als een kruik
die net zolang te water gaat
tot zij barst
Een feestmaal
Zijn discipelen zeiden hem:
Uw broeders en uw moeder
staan weer aan de deur.
Hij zei hun:
Ik wilde op deze plaats
de wil van mijn Vader verrichten.
Maar wat maakt hier tot hier?
Wat maakt daar tot daar?
Schept niet het een het ander?
Waar ben ik zonder beide?
Hij zei:
Vaders wil is wet
maar heeft hij wel een wil
en is zijn wil wel wet
en is zijn wil de zijne
of is het soms de mijne
en wat is toch een wet?
Hij zei:
Mijn Vader is mijn Vader
maar is Hij wel van mij
en ben ik wel van Hem
en is hij wel een Vader
of is hij slechts de Zoon
van een van mijn gedachten?
Hij mompelde:
Geef het rijk wat van het rijk is.
Hij schreeuwde:
Laat mijn familie binnen!
En ze richtten een feestmaal aan.
Belasting
Zij toonden hem een goudstuk
en zeiden angstig:
De mannen van Caesar
eisen belasting van ons.
Meester Nebbisj antwoordde:
Belasting is een bedenksel van Caesar.
Wij zijn hem niets verschuldigd.
Caesar is een bedenksel
van de mannen van Caesar.
Wij zijn hen niets verschuldigd.
Schuld is een bedenksel van onszelf.
We zijn het niets verschuldigd.
Vlees en bloed zijn een bedenksel van de Zoon.
Wij zijn Hem niets verschuldigd
maar geeft de mannen wat hen niet toekomt
of bloeden zal ons vlees.
Wie weet
wie wéét lijkt op een blaffende hond
liggend aan een kort touw:
zijn geblaf weerhoudt hem ervan
zijn touw door te knagen
in de voerbak der ossen te gaan liggen
en met hen mee te eten
Rovers
zalig de mens die weet
wanneer de rovers binnenbreken
zodat hij kan opstaan
zijn spullen verzamelen
hun zakken vullen
hun lendenen omgorden
zodra ze binnenkomen
zalig de mens die niet weet
wanneer de rovers binnenbreken
zodat hij kan blijven liggen
nieuwe krachten kan opdoen
en zijn eigen leven
en dat van de rovers
niet onnodig op het spel zet
terwijl ze hem verlossen
van zijn bezit
zalig de mens die niet weet
wat zaligheid is
zodat hij niet hoeft te blijven liggen
en niet hoeft op te staan
en geen krachten hoeft te verzamelen
en niet zijn lendenen omgordt
om koste wat het kost
zijn eigen zaligheid
na te streven
Tot die tijd
zeg mij wat een gebed is
en ik zal vloeken
zeg mij wat eten is
en ik zal vasten
zeg mij wat een zonde is
en ik zal hem begaan
zeg mij wie mijn vijand is
en ik laat mij overwinnen
zeg mij wie mijn bruid is
en ik zal haar verlaten
maar tot die tijd:
laat mij met rust
Nog geen brood
als gij van twee
één wilt maken
bedenk dan wel:
gemalen graan
is nog geen brood
en twaalf discipelen
maken nog geen meester
Bè
Het Rijk is vergelijkbaar met een herder
die zijn dikste schaap teruggevonden had.
Hij zij tot het schaap:
Gij waart mijn grootste beproeving.
Gij zijt mijn oorspronkelijke gezicht.
Voorwaar, Gij zijt de Ware!
en het schaap blaatte verheugd.
De herder schoor de Ware
van kop tot staart
en verdeelde de wol
onder de andere schapen.
Hij slachtte de Ware
en liet het vlees aan de gieren.
Hij verbrijzelde de botten van de Ware,
verbrandde de botsplinters
en strooide de as uit in zee.
Hij wiste alle hoefsporen van de Ware,
bande hem uit zijn gedachten
en uit zijn geheugen.
Na de beproeving sprak hij tot zijn schapen:
Voorwaar, Gij zijt de Ware!
De hele kudde sloeg op hol
en keerde nooit weerom.
Later verklaarde de herder:
Om te blaten heb ik echt
geen schapen meer nodig.
Verzaken
wie de wereld gevonden heeft
hij verzake de wereld
wie het rijk gevonden heeft
hij verzake het rijk
wie zichzelf gevonden heeft
hij verzake zichzelf
wie niets gevonden heeft
hij verzake het verzaken
Desnoods
wie zijn hoofd verliest
verliest zichzelf
en wie zichzelf verliest
verliest de wereld
en wat er dan nog overblijft
noem dat desnoods het Rijk
Te laat
Het is niet door uit te kijken
dat men het Rijk ziet komen
maar door weg te kijken.
Men zal niet zeggen:
kijk, het Rijk is hier!
of zie, dit is het ogenblik!
maar: wat is "hier"
of: wat is "ogenblik"
en dan is het te laat.
Zelfs voor "te laat"
is het te laat
en dat is nu het Rijk.
Stenen van brood
de wijze is als de goede ziel
die weet van brood stenen te maken
maar niet van stenen brood
De nieuwe wereld
zijn discipelen zeiden:
op welke dag komt
de nieuwe wereld?
meester Nebbisj zei hun:
brengt mij de oude
en ik schep u een nieuwe
Tot wie babbelt de beek?
zijn discipelen zeiden:
vierentwintig profeten
hebben door u gesproken
meester Nebbisj zei
nooit heeft iemand door mij gesproken
nooit zal iemand door mij spreken
ook ik heb nooit door mij gesproken
nooit heb ik mij tot u gericht
tot wie babbelt de beek?
tot wie ruist de olijfboom?
tot wie dondert het onweer?
tot wie mekkert de geit?
tot wie gaapt de vis
op het droge?
De besnijdenis
zijn discipelen vroegen:
wat is het nut van de besnijdenis
meester Nebbisj zei hun
men besnijdt of men besnijdt niet
wie spreekt er over nut?
hij zei:
indien ik onbesneden was
zoudt gij nog naar mij luisteren?
hij zei:
indien iedereen een voorhuid had
wie zoudt gij nog besnijden?
hij zei:
indien u als enige besneden was
zoudt gij zich dan liever
een voorhuid aannaaien
of een oor?
hij zei hun:
zelfs het besnijden van de geest
brengt u niet in het rijk der hemelen
maar het besnijden van het rijk der hemelen
verlost u van het goede en het kwade
amen
Voordeel
er is geen voordeel te behalen:
niet door bezit te vergaren,
niet door het af te staan
niet door geschriften te bestuderen,
niet door ze te verbranden
niet door het juiste te verlangen,
niet door het verlangen te overwinnen
er is geen enkel voordeel te behalen:
tenzij ge dát als voordeel ziet
Een raadsel
alleen door het Rijk te vernietigen
zult gij het binnengaan
maar waar is dan het Rijk
Van boven tot beneden
wendt en stijgt
en daalt en keert
van boven
tot beneden
zolang ge nog
een Rijk poneert
zult gij het
niet betreden
Eet smakelijk
zolang gij van de boom der kennis blijft eten
zult gij zich Rijk rekenen
Onderweg
een discipel smeekte:
spreekt slechts een woord
en ik zal tot u komen
meester Nebbisj antwoordde:
juist het verlangen
naar mijn woorden
houdt u bij mij weg
juist het verlangen naar mij
houdt u bij uzelf weg
juist het verlangen naar uzelf
houdt u bij mijn woorden weg
het houdt u onderweg
Eclips
meester Nebbisj zegt
wie mij tegemoetkomt
nadert zijn eclips
en zijn duisternis
zal zich over het ganse
universum uitstrekken
wie zich van mij afkeert
nadert de zon
met vleugels van was
en zijn val zal vrij zijn
en eindeloos
Beelden
op een tamboerijn slaand
rapte meester Nebbisj:
beelden openbaren zich
betoveren de mens
verzengen zo zijn duisternis
geheel conform zijn wens
ze scheppen hem een Vader en
ze scheppen hem een Zoon
ze scheppen hem discipelen
't is mijn verdiende loon
Vergeten
Jacob zei hun:
Dat Sarah vanuit ons midden wegga
omdat vrouwen het leven niet waardig zijn.
Meester Nebbisj zei hem:
Dat gij vanuit ons midden wegga
omdat gij vrouwen niet waardig zijt.
Hij zei:
Is het niet de man die de vrouw bevlekt?
Hij zei:
Is het niet uit uw moeder
dat gij het leven binnengetreden zijt?
Kleeft niet haar bloed nog aan uw schedel?
Hij zei:
Eén week per maand bereidt de vrouw zich voor
om drie weken per maand rein te zijn.
Wanneer bereidt gij zich voor?
Hij zei:
Uw handen zijn vol eelt,
uw tanden vallen uit
en sterker nog dan schapenkaas
ruikt uw kleed naar schapenkaas.
Hoe durft gij dan te klagen over
de reinheid van een vrouw?
Hij zei:
Uw lichaam verschilt meer van het mijne
dan het mijne van dat van Sarah.
Zal ook ik uit ons midden weggaan?
Toen beval hij Sarah uit hun midden te gaan
en Jacob gromde tevreden
en Sarah ging uit hun midden
en meester Nebbisj ging met haar
en de discipelen gingen met hem
en Jacob ging met hen
- zij het ook schoorvoetend -
tot ze allen weer
in hun midden waren.
Meester Nebbisj zei:
Ziet: Sarah zal ons tot zich halen
om ons vrouwelijk te maken
want levend is haar geest
en dood is reeds haar weten
en wij zullen haar tot ons halen
om haar mannelijk te maken
en het onderscheid
te vergeten.