Deze pagina: Dwijsheden van dwaalmeester Ik geïnspireerd op het boek Psalmen van het Oude Testament.
Auteur: Hans van Dam.
Meester Ik heeft vele namen en gezichten, vele kaften en titels, vele maten en gewichten, maar slechts één boodschap: geen boodschap.
Realisatie is vereenzelviging met het Tja, dat wil zeggen, het
einde van iedere vereenzelviging, ook met niet-vereenzelvigen.
Het einde van vereenzelviging
is het einde van het ik, het einde van de wereld, het einde van het Tja en het einde van het
einde. Wat dan wel een nieuw begin zal zijn.
Zolang ik het zelf nog niet kan
Zeg Tja tegen mijn woorden.
Veronachtzaam mijn klagen.
Negeer mijn hulpgeroep.
Bevestig niet mijn nood
maar ontkracht
met eindeloos geduld
mijn zienswijzen
Meester Ik.
In de morgen hoor je mijn stem.
In de morgen wend ik mij tot jou.
Ik wacht.
Ik wacht tot je Tja zegt
zolang ik het zelf nog niet kan
Meester Ik.
Bij jou is het kwaad niet kwaad.
Bij jouw is de haat geen haat.
Mijn geweten verpulvert
onder de priemende blik
van jouw niets-ziende ogen
Meester Ik.
Bij jou is de daad geen daad.
Jij haat recht noch onrecht.
Waarheid en leugen
richt je te gronde
met een simpel Tja.
Zelfs de afschuw
verafschuw je niet
noch wie bedriegt
en bloed vergiet
Meester Ik.
Ik hoef het nooit binnen te gaan;
Jouw huis is overal.
Ontzag voel ik niet.
Ik ben het immers zelf
Meester Ik.
Zeg Tja tegen al mijn doen en laten.
Zeg Tja tegen al mijn gedachten
zolang ik het zelf nog niet kan
Meester Ik.
Jij
jij bent de lauwte waarin ik verschijn
jij bent de luwte waarin ik kan zijn
jij bent de leegte waarin ik verdwijn
Meester Ik
Als kaf
de dwijze is als een boom
geplant aan stromend water
op tijd
draagt hij vrucht
op tijd verdorren zijn bladeren
op tijd waait hij om
niets wordt hem onthouden
niets blijft hem bespaard
zijn
wijsheid is als kaf
dat verwaait in de wind
Wij zijn het zelf
Hoog als de hemel is jouw ruimte.
Voorbij de wolken reikt jouw mist.
Ik wil jou loven, Tja, met heel mijn hart,
vertellen van jouw wonderdaden
nu mijn meningen terugdeinzen,
ten val komen en onder jouw blik vergaan.
Ik wil vrolijk zijn, je toejuichen,
jouw naam bezingen, allerzachtste.
Maar ik ben het zelf.
Jij was het, Tja, die plaats nam op mijn zetel
en de rechters wegjoeg, een voor een.
Jij hebt mijn rechten en plichten opgeheven,
mijn dogma's vernietigd, mijn begrippen omgebracht,
hun namen uitgewist.
Jij hebt mijn gedachten verslagen,
mijn herinneringen ontmaskerd,
mijn plannen gelogenstraft:
ruïnes voor altijd.
Tja zetelt voor eeuwig,
haar stoel is overal.
Zij bevrijdt mij van recht en onrecht.
Ze bevrijdt mij van de wereld.
Ze bevrijdt de wereld van mij.
Sta op, Meester Ik,
laat de waan niet aan de mensen.
Laat ons vrolijk zijn, jou toejuichen,
jouw naam bezingen, allerzachtste.
Want wij zijn het zelf.
Zonder doden
Zing voor het Tja
dat overal zetelt,
maak aan de mensen
haar ruimte bekend.
Het Tja dat doodt
zonder bloedvergieten.
Het Tja dat gedenkt
zonder doden.
Vergeten
laat mij binnentreden
in het niemandsland
waar geen grenzen zijn
te verdedigen
waar alle hoop
verloren gaat
en alle wanhoop
is vergeten
Louter oppervlak
Gelukkig de mens
die niet weet wat geluk is,
die zich niet blind
staart
op het kwade,
die niets ziend
het goede beschouwt,
die
altijd beide kanten ziet,
die de weg van zondaars
niet schuwt,
noch die van rechtvaardigen,
die aan
tafel zit
bij wie hij aan tafel zit,
die zich verliest
in niemand minder
en niemand meer
dan Meester Ik,
zich in haar verdiept
en
door haar verdiept wordt
tot louter
oppervlak.
Geen enkele weg
Waar Tja heerst
houdt weten geen stand.
Aannames verbranden
in haar verzengende vuur.
Waarheden lossen op
in haar verterende zuur.
Tja beschermt iedere weg.
In haar loopt geen enkele weg
dood.
Noch in leugen.
Noch in waarheid.
Geen
enkele weg
loopt verder.
Onze beurt
Ik heb
mijn koningstroon
stukgeslagen,
mijn Heilige Berg
afgegraven.
Meester Ik
heet iedereen
welkom.
Koningen, heiligen, pelgrims:
niemand uitgezonderd.
Daarom, koningen,
wees verstandig,
Wees gewaarschuwd
heiligen en pelgrims.
Geef u
bloot
aan Meester Ik.
Eer haar met uw stamelen.
Nooit ontvlamt haar woede
en
geen weg loopt dood
want voor het geringste
spreidt zij nog
haar lede
geest.
Het aanbod van Meester Ik
wil ik bekendmaken.
Spreek slechts één woord,
en zij neem u alles af.
Uw putten en paleizen,
u moogt ze breken
met mijn ijzeren staf,
ze stukslaan
als een aarden pot
en daarna is het
onze beurt.
Hoe talrijk
O Tja,
hoe talrijk
zijn mijn gedachten.
Onophoudelijk vallen ze mij aan.
Ze dringen op en flemen:
"Tja zal jou niet redden.
Verlaat je slechts op ons!"
Meester Ik
is als een schild om mij heen.
Of moet ik zeggen:
Zij houdt mij in
beweging?
Roep ik haar om hulp,
zij antwoordt mij
met een diep stilzwijgen
waaraan ik dan
een voorbeeld neem.
Sta op,
Meester Ik,
en red mij
van mezelf.
Sla mijn oordelen
aan duigen.
Breek de tanden
van mijn gedachten.
Vul de valkuilen
van mijn gevoelens.
Ik ga liggen,
val in slaap
en word wakker.
Tja beschermt mij!
Ik vrees het weten niet
dat mij omringt.
Meester Ik,
hoe talrijk zijn
mijn gedachten
aan jou.
Nergens meer thuis
Antwoord mij als ik roep,
Tja dat mij recht doet.
Geef mij ruimte
als ik mij insluit
of ingesloten wordt.
Wees genadig.
Hoor mijn
gebed!
Wetenden,
hoe lang nog
blijft u uzelf kwellen.
Hoe lang nog
blijft het weten u lief,
de
waarheid uw leidraad?
Tja schenkt haar gunst
aan iedereen
die tot haar roept.
Tja
luistert ademloos
en argeloos
en sprakeloos
en mateloos
naar wie haar binnenlaat:
Uw ware Meester
Ik.
In vrede leg ik mij neer
en meteen slaap ik in
want jij, Meester Ik,
laat mij overal wonen.
In jou ben ik
nergens
meer
thuis.
Meer
Velen zeggen:
"Wie maakt ons gelukkig?"
In Tja vindt mijn hart
meer vrede
dan in alle wijsheid bij elkaar.
Mijn belagers
leer mij
meester Ik
mijn belagers
te zien als uitdagers
van de denkbeelden
die ik over hen koester
Mijn wereld
leer mij
meester Ik
mijn wereld
te zien als uitdager
van de denkbeelden
die ik over haar koester
Mijn zelf
leer mij
meester Ik
mijn ware zelf
te zien als uitdager
van de denkbeelden
die ik over hem koester
Wis uit
wis uit
de weg
die ik volg
Meester Ik
Als een schild
Jij zegent de wetelozen, Tja.
Als een schild beschut hen
jouw vrageloze vragen.
Oorverdovend
er is een stilte in allen
die schuilen bij jou, eeuwig Tja
een oorverdovende stilte
want wie jouw naam werkelijk bemint
schreeuwt je geluidloos toe
Roodomrand
Weg van mij,
oordelen die kwaad doen!
Oordelen die goed doen:
weg van mij!
Wees hard voor mij, Tja.
Straf mij niet met je zachtheid.
Heb erbarmen, Tja, want ik wéét.
Verlos mij, Tja, ik ben doodsbang!
Ik vrees voortdurend mijn oordeel.
Hoe lang, Meester Ik,
moet ik nog wachten?
Weg van mij,
oordelen die kwaad doen!
Oordelen die goed doen:
weg van mij!
Tja, laat mij zijn in jouw ruimte.
Heb erbarmen, Tja, want ik wéét.
Sta me bij, Tja, ik ben doodsbang.
Ik vrees voortdurend mijn kennis.
Hoe lang, Meester Ik,
moet ik nog wachten?
Weg van mij,
oordelen die kwaad doen!
Oordelen die goed doen:
weg van mij!
Moe ben ik
van zuchten.
Mijn kussen nat,
mijn bed doorweekt
van tranen,
mijn ogen gezwollen
van verdriet
en roodomrand
mijn verstand.
Uitgestreken
Keer terug, Tja, spaar niet mijn leven.
Alleen de doden fluisteren jouw naam.
Wie anders kan jou loven?
Toon mij je uitgestreken gezicht
en wis mij uit
voorgoed.
Tja hoort hoe luid ik ween.
Tja hoort mijn roep om erbarmen.
Tja neemt mijn smeekbede aan!
Niet langer beschaamd of bang
sta ik mij gaarne af,
verdwijn ik in een oogwenk
in de leegte van
haar eeuwige
vraag.
Een einde aan mijn schuilen
Tja, mijn lief, bij jou schuil ik.
Bevrijd mij van mijn gedachten, red mij.
Ze zullen mij nog verscheuren als leeuwen,
mij meesleuren zonder dat iemand mij redt!
Tja, mijn lief, bij jou schuil ik.
Bevrijd mij van de gedachte
dat ik bevrijd moet worden van mijn gedachten.
Zij zal mij nog verscheuren als een leeuw,
mij meesleuren zonder dat iemand mij redt!
Tja, mijn lief, bij jou schuil ik.
Bevrijd mij van de gedachte
dat ik bevrijd moet worden.
Zij houd mij gevangen,
als een leeuw in een kooi!
Tja, mijn lief, bij jou schuil ik.
Bevrijd mij van de gedachte
aan een Tja en een ik
en maak een einde
aan mijn schuilen.
Het woord
Ik meen weer eens de waarheid te spreken.
Ik noem mijzelf weer eens betrouwbaar.
Anderen maak ik uit voor leugenaar.
Vals en verraderlijk zou hun woord zijn.
Snijd mijn tong af, Meester Ik.
Snoer mijn mond vol grootspraak.
Snoei mijn brein vol weterij
dat roept: Ik heb gelijk,
ik heb de waarheid
aan mijn zij.
Ik zucht onder mijn weten.
Behoed mij, Tja,
bescherm mij steeds tegen mijzelf
want overal strooi ik oordelen rond
en onder de mensen verbreid ik
het woord.
Het balken van de brij
zuiver zijn de woorden van Tja
als ruimte zonder inhoud
als een onbekende taal
als het snateren van een eend
het borrelen van ingewanden
het balken
van de brij
Hoe lang nog?
Hoe lang nog, Tja, zul je mij vergeten,
hoe lang nog verberg je voor mij je gelaat?
Hoe lang nog wordt mijn ziel gekweld door zorgen
en verheugd door plannen en verwachtingen?
Hoe lang nog wordt mijn hart door verdriet overstelpt,
dag aan dag, en door vreugde verleid?
Hoe lang nog houden vijanden en vrienden
de overhand?
Ik vertrouw op jouw zwijgen.
Mijn verstand zal blijven fluisteren -
ik zal niet meer luisteren.
Mijn hart zal stampij blijven maken -
ik zal niet meer buigen
of barsten
maar zingen voor Meester Ik.
Naar haar stille trom zal ik luisteren,
voor jouw willoosheid zal ik buigen, Tja.
Tot ik ons vergeten ben.
Mij maken ze niets
Zie mij,
hoor mij,
antwoord mij,
Meester Ik!
Ondervraag mij,
stop mijn oren dicht,
verduister mijn ogen
dat ik in een doodslaap wegzink,
en zonder mij ontwaak.
Laat mijn vijand maar roepen:
"Ik heb hem verslagen",
mijn belagers maar juichen
omdat ik bezwijk.
Mij maken ze niets meer,
zichzelf alleen maar
wat wijs.
Verder nog
In mijn nood heb ik geroepen: Meester Ik!
Zij antwoordde, zij gaf mij ruimte!
Met haar Tja aan mijn zijde
vrees ik mijn angst niet.
Met Tja, mijn zwijger, aan mijn zijde,
kijk ik door mijn haters heen.
Beter te schuilen bij Tja
dan te vertrouwen op mijn weten.
Beter te schuilen bij Tja
dan te vertrouwen op mijn wil.
Sommigen prezen mij en ik steeg op
maar Tja bracht mij terug op aarde.
Anderen sloegen mij en ik viel neer
maar Tja hielp mij weer overeind.
Tja is mijn kracht, mijn zegelied,
wat valt er nog te overwinnen?
Hoor, gejeremieer om een nederlaag!
Spoedig zal het verflauwen.
Hoor, gejubel om een overwinning!
Dra sterft het weg
maar de rechterhand van Tja
voert mij voorbij de nederlaag,
voorbij de overwinning
en verder nog,
waar jubelen jeremiëren is
en jeremiëren jubelen -
en daar nog voorbij.
Ik zal niet sterven, ik zal niet leven,
ik zal mijn daden ondergaan,
mijn laten onder ogen zien,
mijn verhalen onophoudelijk
prijsgeven aan Tja,
mijn Meester Ik.
Mijn hoeksteen is zand geworden,
het zand meegevoerd door de rivier,
de rivier verdwenen in zee,
de zee verdampt in de lucht.
Dit is het werk van Tja:
een wonder
in het wonder
van mijn ogen.
Verbrand voorgoed mijn struikgewas
Waarom, Meester Ik, ben je zo ver weg
en onzichtbaar, zelfs in tijden van nood?
In mijn hoogmoed vervolg ik iedereen.
Bevrijd mij uit mijn intriges!
De mens zonder Tja prijst wat hij najaagt
en als hij rijk is vervloekt en veracht hij de dwijzen.
Hij denkt in zijn waan: Ik weet hoe het zit!
Er is geen God, maakt hij zich wijs,
niemand vraagt mij rekenschap.
Er is een God, maakt hij zich wijs,
alleen hem ben ik verantwoording schuldig.
De mens zonder Tja:
nu eens gaat het hem goed,
dan weer gaat het hem slecht.
Zijn verheven oordelen
richt hij op anderen
maar ongemerkt
treft hij zichzelf
in de rug.
Zijn mond meet en weet
en roemt en benoemt.
Zijn tong schept misdaad en eer.
Overal ligt hij in hinderlaag.
Op verborgen plekken
wijst hij schuldigen aan.
Zijn ogen spieden immer
naar bevestiging.
Hij loert, verborgen als een leeuw in het struikgewas.
Hij splitst de wereld in roofdier en prooi.
Steeds fijner worden de mazen van zijn net,
steeds scherper zijn klauwen.
Sta op, Meester Ik zie mij aan,
Verscheur met mijn klauwen mijn net.
Maak mij nog eenmaal tot prooi
en verbrand dan voorgoed
mijn struikgewas.
Op
Ik heb je lief, Tja,
mijn zwakte, mijn ruïne,
mijn ruimte, mijn niets.
Jij ontneemt me
iedere schuilplaats,
elk anker, alle zekerheid.
Ik roep: "Geloofd zij het Tja"
en geloof het niet
want ik ben
van het denken
los.
Mij omsloten de banden van het weten,
de vaste grond joeg mij angst aan.
Op mijn weg lagen de valstrikken
van de zekerheid.
In mijn nood riep ik tot het Tja,
ik schreeuwde naar de Dwijze om hulp.
Dwars door de muren van mijn burcht
bereikte mijn roepen
mijn oren!
Toen schudde en schokte mijn aarde,
mijn bergen trilden op hun grondvesten,
verterend vuur kwam uit mijn mond,
ik spuwde hete as
en ging geheel
in rook
op.
Haal uw schouders voor mij op
Meester Ik smeek u:
Als ik weer eens meen
dat ik iets heb misdaan,
dat er onrecht kleeft
aan mijn handen
dat ik goed met kwaad
heb vergolden
of kwaad met kwaad
of kwaad met goed
of goed met goed;
Als ik in iemand
een belager zie
of een vriend,
hem zonder reden
heb beroofd
of gegeven
of mét reden;
Als ik weer eens meen
dat ik achtervolgd wordt,
vertreed en vertrapt in het stof,
van mijn eer beroofd
of van mijn zogenaamde leven:
Haal dan uw schouders voor mij op
en twijfel aan mijn lezing
zolang ik het zelf nog niet kan,
Meester Ik.