Verlichting voor dummy's > Citaten > Filosofie > Maurice Blanchot Deze pagina: Citaten over niet weten van de postmoderne filosoof Maurice Blanchot. Samensteller: Hans van Dam. Deze website: NIET-WETEN.NL. De titels van de citaten zijn van mij, tenzij anders vermeld. Uit Spreek als laatste, over de poëzie van Paul Celan, Maurice Blanchot 1988: Het verlies dat in ons huist En toch kiezen wij ons altijd een metgezel, niet voor onszelf, maar voor iets in ons, buiten ons. Wij kiezen een metgezel die het gemis in ons nodig heeft om over de grens te gaan die wij nooit zullen bereiken. Het is een metgezel die we bij voorbaat al verloren hebben, het is het verlies zelf dat voortaan in ons huist. (15) Tot het heden aan toe Je voelt de neiging om te vallen. Maar het ik valt niet alleen, het gaat over in een wij, zodat dat wat valt, tot het heden aan toe, verenigd wordt in een 'samenvallen'. (33) Scheuren en kloven Het gaat niet zozeer om de immense gaping van de afgrond, waar je alleen maar in zou hoeven wegglijden, als wel om deze scheuren of kloven die ons vanwege hun dwingende nauwte en hun beklemming zo aangrijpen, omdat ze juist de onmogelijkheid om in de leegte weg te kunnen zinken aangeven. Wij kunnen niet wegglijden volgens de beweging van de vrije val, ook al zou deze eeuwig zijn. (48) uit de inleiding van Joke Hermsen en Henk van der Waal in hetzelfde boek: Het algemene van het woord Het woord geeft betekenis aan het ding, zodat dit ding opgenomen kan worden in een bepaalde samenhang. Maar in deze betekenisgeving gaat er ook iets verloren. [Met] het benoemen van de dingen [wordt] het onmiddellijke bestaan van die dingen vernietigd. ... Door deze vernietiging kan het ding zich door middel van het woord een toegang verschaffen tot het betekenisgeheel van de wereld. Het bijzondere en onmiddellijke van het ding lost hiermee op in het algemene van het woord. Het woord doodt het bijzondere van het ding, zodat Blanchot kan zeggen dat de dood de voorwaarde is voor het onstaan van betekenis, voor het bestaan van de wereld. (8) De leegte van het woord De dood is hoopvol, omdat door de ontkenning van het onmiddellijke en bijzondere bestaan van de dingen de mens zich een betekenisvolle wereld schept die hij bewonen en beheersen kan. De literatuur echter probeert het bijzondere dat in de betekenisgeving vernietigd is, weer terug te vinden. In tegenstelling tot de conceptuele taal, zoekt de literaire taal naar datgene ten koste waarvan de algemene termen tot stand zijn gekomen, naar de leegte die het woord in zich draagt. De literatuur is zo op weg naar de grens van de wereld, naar het gebied waar de woorden ontdaan zijn van hun betekenis en waar de taal overgaat in de deining van dwalende woorden. (9) Gemurmel In [het] betekenisloze Buiten klinken de van nacht doorweekte stemmen, horen we het onduidelijke gemurmel van de taal dat in het dagelijks spreken vernietigd wordt, maar dat de poëzie juist probeert terug te vinden. Dit gemurmel van de taal, als de grens van het zegbare, is wat Blanchot de metgezel van het spreken noemt. Een metgezel die bij voorbaat al verloren is, omdat in het spreken het gemurmel wordt overstemd. (12) Uit Van angst naar taal in Literatuur en het recht op de dood, Maurice Blanchot, Agora 2000: Tot niets herleid De schrijver bevindt zich in deze steeds komischer toestand dat hij niets te schrijven heeft, dat hij geen enkel middel heeft om het te schrijven, en dat hij door een extreme noodzaak gedwongen wordt het nog steeds te schrijven. Dat hij niets uit te drukken heeft moet in zijn eenvoudigste zin worden genomen. Wat hij ook wil zeggen, het is niets. De wereld, de dingen, het weten zijn voor hem slechts bakens dwars door de leegte heen. En hijzelf is al tot niets herleid. (96) Neen Het niets is zijn materie. Hij verwerpt de vormen waaronder zij zich aan hem aanbiedt als was ze iets. ... Hij zoekt haar als het neen dat geen neen aan dit, aan dat, aan alles is, maar het zuivere en eenvoudige neen. Overigens zoekt hij haar niet; zij ligt buiten het bereik van elk onderzoek; zij kan niet als doeleinde genomen worden; men kan niet als doel aan de wil voorleggen wat bezit neemt van de wil door hem te vernietigen: zij is niet, daarmee is alles gezegd ... (96) Stomme redenaar Het bestaan van de schrijver levert het bewijs dat, in hetzelfde individu, naast de angstige mens nog een koelbloedig mens bestaat, naast de gek een redelijk wezen en, nauw verbonden met een stomme die alle woorden heeft verloren, een redenaar die meester blijft over het vertoog. (98) Opoffering Wat van de schrijver wordt geëist, is eindeloos veel zwaarder. Het is noodzakelijk dat hij vernietigd wordt in een handeling die hem werkelijk op het spel zet. De uitoefening van zijn macht dwingt hem ertoe die macht op te offeren. Het oeuvre dat hij maakt betekent dat er geen gemaakt oeuvre is. De kunst waar hij gebruik van maakt, is een kunst waarin tegelijk het perfecte welslagen en de volledige mislukking moeten verschijnen, de overvloed aan middelen en het onherstelbare verval, de werkelijkheid en de nietigheid van de resultaten. (100) Zonder enige vorm 'Ik wil niet iets bereiken,' zegt de schrijver bij zichzelf. 'Integendeel, ik wil dat dat iets dat ik ben als ik schrijf, door het feit dat ik schrijf, uitloopt op niets, zonder enige vorm. ... Ik verlang dat die mogelijkheid om te scheppen, als ze schepping wordt, niet enkel haar eigen vernietiging en de vernietiging van alles wat ze in het geding brengt, d.w.z. alles, uitdrukt, maar deze ook niet uitdrukt. Het gaat er mij om een oeuvre te maken dat zelfs niet de werkelijkheid heeft de afwezigheid van werkelijkheid uit te drukken.' (102) Ambiguïteit De ambiguïteit is de taal, in handen van een boodschapper die me zou willen leren wat ik niet kán leren en die, zijn onderricht vervolledigend, me verwittigt dat ik niets leer van wat hij me leert. (108) Labyrint Hij maakt van de mond die spreekt, die bedreven spreekt door de spraakverwarring, door de stilte, door de waarheid, door de leugen, het orgaan dat gedoemd is hartstochtelijk te spreken om niets te zeggen. Hij bewaart de ambiguïteit, maar ontneemt haar haar taak. Van die tegendraadse lectuur die de geest in ademloze spanning houdt door de hoop op een onkenbare waarheid, laat hij slechts het labyrint van de veelvuldige zingevingen bestaan, waar de geest zijn onderzoek voortzet zonder hoop op een mogelijke waarheid. (108) Alles De literatuur is niet alleen onwettig, maar ze is nietig, en die nietigheid vormt misschien een buitengewone, wonderlijke kracht, mits in zuivere staat afgezonderd. Zo te werk gaan, dat de literatuur de onthulling van dit lege binnenste wordt, dat ze volledig openstaat voor de nietigheid die haar deel is, dat ze haar eigen onwerkelijkheid verwerkelijkt, dat is een van de taken die het surrealisme zich heeft gesteld, zodat het terecht is om het als een machtige ontkennende beweging te beschouwen, maar niet minder waar om het de grootste scheppende ambitie toe te schrijven, omdat de literatuur maar één ogenblik hoeft samen te vallen met niets, of ze is onmiddellijk alles, het alles begint dan te bestaan: een groot wonder. (120) De Zaak zelf Is het werkstuk mislukt, dan heeft het eerlijke bewustzijn daar geen moeite mee: nu is het volledig geslaagd, zegt het, want de mislukking is het wezen, de verdwijning is de verwerkelijking ervan, en het is er gelukkig mee, geheel bevredigd door het fiasco. Maar als het boek zelfs niet ontstaat, een louter niets blijft? Welnu, dat is nog beter: de stilte, het niets, dat is juist de essentie van de literatuur, 'de Zaak zelf'. (129) De andere eerlijkheid Wanneer het eerlijke bewustzijn bijgevolg met zijn oordeel de schrijver in een van die vormen vastlegt, bijvoorbeeld het oeuvre meent te veroordelen omdat het een mislukking is, dan protesteert de andere eerlijkheid van de schrijver uit naam van ... de zuiverheid van de kunst, die in de mislukking haar overwinning ziet - en evenzo kan de schrijver, telkens als hij in een van zijn aspecten in het geding wordt gebracht, slechts erkennen dat hij altijd anders is, en aangesproken als auteur van een mooi oeuvre dat oeuvre verloochenen en, bewonderd om zijn inspiratie en genie in zichzelf slechts oefening en arbeid zien en, door iedereen gelezen, zeggen: wie kan mij lezen, ik heb niets geschreven. Deze verschuiving maakt van de schrijver een eeuwige afwezige en een onverantwoordelijke zonder geweten... (133) Meermans De moeilijkheid is dat de schrijver niet alleen meerderen in een enkeling is, maar dat ieder moment van hem alle andere ontkent, alles voor zich alleen opeist en geen verzoening noch compromis verdraagt. (133) Gij zult De schrijver moet tegelijkertijd gehoor geven aan meerdere absolute en absoluut verschillende geboden, en zijn moraliteit bestaat uit de ontmoeting en de tegenstelling van onverzoenbaar vijandige regels. De ene zegt hem: Je zult niet schrijven, je zult niets blijven, je zult het zwijgen bewaren, je zult geen woorden kennen. De andere: Ken niets anders dan woorden. - Schrijf om niets te zeggen. - Schrijf om iets te zeggen. - Geen oeuvre, maar de ervaring van jezelf, de kennis van wat je onbekend is. - Een oeuvre! Een werkelijk oeuvre, erkend door anderen en belangrijk voor anderen. - Wis de lezer uit. - Wis jezelf uit voor de lezer. - Schrijf om waarachtig te zijn. ... - Wees dan leugenachtig, want schrijven met het oog op de waarheid, is schrijven wat nog niet waar is en dat misschien nooit zal zijn. - Doet er niet toe, schrijf om te handelen. - Schrijf, bang als je bent om te handelen. - Laat de vrijheid in je spreken. - Laat in jou de vrijheid vooral geen woord worden. (133,134) Allemaal tegelijk Welke wet volgen? Naar welke stem luisteren? Maar hij moet ze allemaal volgen! Wat een verwarring; is helderheid niet zijn wet? Ja, ook de helderheid. Hij moet zich dus tegen zichzelf keren, zichzelf bevestigen om zich te ontkennen, in de oppervlakkigheid van de dag de diepte van de nacht vinden en in de duisternis die nooit begint het zekere licht waaraan geen einde kan komen. Hij moet de wereld redden en de afgrond zijn, het bestaan rechtvaardigen en antwoord geven aan wat niet bestaat; hij moet aan het einde der tijden, in de universele volheid zijn, en hij is de oorsprong, het ontstaan van wat niet meer doet dan ontstaan. (134) Absolute soevereiniteit Ten slotte is [de schrijver] de ontkenning zelf: zijn oeuvre is niets anders dan het werk van de ontkenning, zijn ervaring is de beweging van een hardnekkige, in bloed gedrenkte ontkenning die de anderen ontkent, God ontkent, de natuur ontkent en die, in deze onophoudelijk doorlopen cirkel, van zichzelf geniet als van de absolute soevereiniteit. (145) Schaduw die in een blik is veranderd Literatuur is die ervaring waardoor het bewustzijn zijn wezen ontdekt in de onmacht het bewustzijn te verliezen, in de beweging waardoor het zich in zijn verdwijning ontrukt aan de punctualiteit van een ik, en zich voorbij het onbewuste herstelt in een onpersoonlijke spontaneïteit, in de hardnekkigheid van een verwilderd weten, dat niets weet, door niemand gekend wordt en dat de onwetendheid steeds achter zich vindt als zijn schaduw die in een blik is veranderd. (158) uit Om niets te zeggen, of De nieuwe kleren van de keizer, een essay over Blanchot in de bundel Een verlangen naar ontroostbaarheid, Patricia de Martelaere, 1993: Zonder doel of bedoeling Veeleer dan te schrijven om gelezen te worden, of om zichzelf uit te drukken, of om wat dan ook te bereiken, zou de schrijver, vóór alles, het zuivere niets willen realiseren in zijn werk, zonder aanwezigheid, zonder betekenis, zonder doel of zonder bedoeling. (12) (Niet) te zijn De kracht van de schrijver, zegt Blanchot, ligt in de hand die niet schrijft, die in staat is het schrijven te onderbreken, het potlood weg te nemen. De paradox van de schrijver ligt in het feit dat hij twee handen heeft, waarvan de ene moet schrijven en de andere niet wil, en niet kan schrijven. Het is de paradox van de krankzinnige die maar niet krankzinnig kan zijn, die krankzinnig wordt van zijn eigen redelijkheid, die zijn rede helemaal zou willen verliezen. Het vurigste verlangen van de schrijver: niet te schrijven, niet te willen schrijven, niet te moeten schrijven, alleen maar (niet) te zijn wat hij niet is. (14) Almaar duidelijker niets zeggen De taal is immers geen 'ding' zoals de andere dingen van deze wereld, ze is niet echt een grondstof van de werkelijkheid maar berust, integendeel, op de afwezigheid van alles waar ze het over heeft. Dat zal uiteindelijk Blanchots laatste antwoord zijn op de vraag naar het wezen van literaire taal: dat zij, als taal, probeert te breken met het basisgegeven van taal, dat zij probeert een ding te zijn, een van werkelijkheid overvolle werkelijkheid en niet langer een vruchteloze verwijzing naar iets dat altijd afwezig blijft, dat zij, met andere woorden, probeert niet meer te betekenen maar te zijn, niet meer te spreken maar te tonen. Taal te gebruiken, en er toch in te slagen niets te zeggen, en almaar duidelijker en indringender niets te zeggen naarmate taal overvloediger en hartstochtelijker wordt gebruikt - daar komt het opaan. (16) Alibi Zoals de schrijver is, zo kun je eigenlijk niet zijn, hij is niets anders dan de volgehouden onmogelijkheid om iemand te zijn, om iets te doen, om iets te willen. ... De schrijver is, met andere woorden, altijd opnieuw, en op ontelbare manieren, degene die er niet is, de voortvluchtige zonder nagelaten sporen, de afwezige die nooit aanwezig is geweest, het verpersoonlijkte 'alibi'. De schrijver is wezenlijk degene zonder positie, degene die op alle mogelijke plaatsen alleen maar niets is, niet om elders te zijn, maar om weg te zijn, er niet te zijn. (18) Geen oorspronkelijk gegeven Het probleem van de schrijver is niet dat van de 'adequate verwoording', het pogen te beschrijven, in almaar preciezere, meer suggestieve termen, van een 'gegeven' - in de werkelijkheid, in zichzelf, in de verbeelding - dat hem, als gegeven, duidelijk voor ogen staat, maar waar hij alleen nog een vertaling voor zoekt. Zijn probleem is dat er niet alleen geen adequate verwoording is, maar zelfs geen oorspronkelijk gegeven. Schrijven - schrijven zoals de schrijver dat wil - wordt dan een volstrekte onmogelijkheid: het probeert een vertaling te zijn van iets dat er niet is. (20) De kleren van de keizer De schrijver is de beeldhouwer van het niets, wat hij wil beschrijven is de volle pracht en praal van de nieuwe kleren van de keizer. ... Maar dan, op het eind, zegt hij, met de ontwapenende oprechtheid van een kind: Ze zijn er niet, wat je ziet is er niet. (20) Toverwoorden Ik zeg: 'Deze vrouw' - zegt Blanchot - en ze is er al niet meer, de taal tovert haar weg en tovert haar in woorden terug, en het is niet meer dezelfde vrouw, al is het ook geen andere - het is een naamloze, ongrijpbare aanwezigheid die is omgezet in iets kenbaars, iets vertrouwds. (20) De materialiteit van de taal Literaire taal is taal die radicaal probeert te breken met taal, taal die een acrobatische poging onderneemt om partij te kiezen voor de dingen. Haar enige hoop ligt hierbij in de materialiteit van de taal, in het feit dat woorden, al met al, ook dingen zijn... Literatuur wordt dan niet langer een betekenisproces, maar een proces waarin betekenis voortdurend wordt doorbroken - een stamelende poging om, zonder taal te verliezen, toch aan betekenis te ontkomen. (21) Zwijgen in woorden Wat de schrijver 'eigenlijk' zou willen is zwijgen, maar dan in woorden. (23) Praatzieke mysticus Waarover men niet spreken kan, daarover moet men schrijven. Want de schrijver is de praatzieke mysticus. Hij onderneemt een bloedernstige, maar ietwat ridicule poging om, in woorden, sprakeloos te worden. (23) |
