Verlichting voor dummy's > Citaten > Religie > Martin Buber Deze pagina: Citaten over niet weten van Martin Buber. Samensteller: Hans van Dam. Deze website: NIET-WETEN.NL. De titels van de citaten zijn van mij, tenzij anders vermeld. Buber, MartinUit De mystiek van ik en jij - Een nieuwe vertaling van 'Ich und Du', proefschrift van C.J. Waaijman, Nijmegen 1976: Ik beschouw een boom Ik kan hem als beeld opnemen: een verstijvende pijler onder een stortvloed van licht, of een uiteenspattende bundel groen doorstroomd van de zachte, blauwzilveren achtergrond. Ik kan hem als beweging bespeuren: het vloeiende adernet aan de klevende en strevende kern, het zuigen van de wortels, het ademen van de bladeren, het oneindige verkeer met aarde en lucht - en het donkere groeien zelf. Ik kan hem indelen bij een soort en hem als een eksemplaar bekijken lettend op bouw en levenswijze. Ik kan het feit dat hij nu zo is en deze vorm heeft, zo krachtig overwinnen, dat ik hem nog slechts als uitdrukking van een wet opvat - van wetten volgens welke een voortdurend tegenover elkaar staan van krachten zich gestadig oplost, of van wetten volgens welke de stoffen zich mengen en ontmengen. Ik kan hem tot een getal, tot zuivere getalsverhouding vervluchtigen en vereeuwigen. Bij dit alles blijft de boom mijn tegengesteldheid en heeft hij zijn plaats en zijn tijdsbestek, zijn aard en zijn hoedanigheid. Het kan echter ook gebeuren, uit wil en genade ineen, dat ik, de boom beschouwend, in de betrekking tot hem word opgenomen, en nu is hij geen het meer. ... Daarvoor is het niet nodig dat ik afzie van een van mijn beschouwingswijzen, er is niets waarvan ik zou moeten afzien om te zien, en geen weten dat ik zou hebben te vergeten, veeleer is alles, beeld en beweging, soort en eksemplaar, wet en getal, mede daarin ononderscheidbaar verenigd. (133) Hijzelf Dus hij zou een bewustzijn hebben, die boom, lijkend op het onze? Ik ervaar het niet. Maar wilt u weer, omdat het u bij uzelf gelukt schijnt te zijn, het onontleedbare ontleden? Mij komt geen ziel van de boom tegen en geen dryade, maar hijzelf. (135) Geen ding onder de dingen Sta ik tegenover een mens als tegenover mijn jij, spreek ik het grondwoord ik-jij tot hem, dan is hij geen ding onder dingen en niet uit dingen bestaande. Niet hij of zij is hij, door andere hij's en zij's begrensd, een in het wereldnet uit ruimte en tijd bestaande geregistreerd punt; en niet een hoedanigheid, ervaarbaar, beschrijfbaar, een losse bundel vastgestelde eigenschappen, maar zonder buren en zonder voegen is hij jij en vult het hemelrond. Niet alsof er niets anders zou zijn dan hij: maar al het andere leeft in zijn licht. (135) Niet uit tonen Zoals de melodie niet uit tonen is samengesteld, het vers niet uit woorden en het beeld niet uit lijnen, men moet er aan rukken en trekken voor men de eenheid gereedgemaakt heeft voor de veelheid, zo ook de mens tot wie ik jij zeg. Ik kan de kleur van zijn haren of de kleur van zijn spreken of de kleur van zijn goedheid uit hem halen, ik moet het steeds weer; maar reeds is hij niet meer mijn jij. (135) Niet in de ruimte En zoals het gebed niet in de tijd is, maar de tijd in het gebed, het offer niet in de ruimte, maar de ruimte in het offer, en wie de verhouding omkeert heft de werkelijkheid op, zo ook tref ik de mens tot wie ik jij zeg, niet aan in een ooit en een ergens. Ik kan hem er binnen plaatsen, ik moet het steeds weer doen, maar slechts nog een hij of een zij, een het, niet meer mijn jij. (136) Niets afzonderlijks meer - Wat ervaart men dus van het jij? - Juist niets. Want men ervaart het niet. - Wat weet men dus van het jij? - Slechts alles. Want men weet van hem niets afzonderlijks meer. (138) Geen begrippelijkheid De betrekking tot het jij is onmiddellijk, tussen ik en jij staat geen begrippelijkheid, geen voorweten en geen fantasie; en de herinnering zelf verandert, omdat ze uit de verbijzondering in de heelheid valt. Tussen ik en jij staat geen bedoeling, geen begerigheid en geen vooruitgrijpen; en het hunkeren zelf verandert, omdat het uit de droom in de verschijning valt. Alle middel is hindernis. Slechts waar alle middel is stukgevallen, geschiedt de tegenkomst. (139) Tussen tegenwoordigheid en tegengesteldheid In het licht van de onmiddellijkheid van de betrekking wordt al het middellijke onbelangrijk. Het is ook onbelangrijk, of mijn jij het het van andere ikken ... reeds is of pas juist door de uitwerking van mijn wezensdaad worden kan, want de eigenlijke grens, weliswaar een zwevende, heen en weer gaande, loopt noch tussen ervaring en niet-ervaring, noch tussen het gegevene en het niet-gegevene, noch tussen zijnswereld en waardenwereld, maar dwars door alle gebieden heen tussen jij en het: tussen tegenwoordigheid en tegengesteldheid. (139) Als was het hun naam Weliswaar heeft menigeen die zich er in de wereld van de dingen tevreden mee stelt deze te ervaren en te gebruiken, er voor zichzelf een ideeën-aanbouw of -bovenbouw opgezet, waarin hij bij een vlaag van waardeloosheid een toevlucht vindt en tot rust komt. Hij legt het kleed van het kwalijke alledaagse leven af op de drempel, hult zich in smetteloos linnen en laaft zich aan de aanblik van het oer-zijnde of het moetende-zijnde, waaraan zijn leven geen deel heeft. Ook al zal het hem goed doen het te verkondigen. Maar de het-mensen die iemand fantaseert, postuleert en propageert, hebben met de mensen in levende lijve waartegen een mens waarachtig jij spreekt, niets gemeen. De edelste fiktie is een fetisj, de verhevenste fiktieve zienswijze is een zonde. De ideeën tronen evenmin boven onze hoofden als dat ze er in huizen; ze verkeren onder ons en treden op ons toe; beklagenswaardig wie het grondwoord ongesproken laat, maar erbarmelijk wie hen in plaats daarvan met een begrip of een leuze aanspreekt, als was het hun naam! (141) 'Waarheid' De wereld is de mens tweevoudig naar zijn tweevoudige houding. Hij neemt het zijn om zich heen waar, dingen zonder meer en wezens als dingen, hij neemt het geschieden om zich heen waar, processen zonder meer en handelingen als processen, dingen uit eigenschappen, processen uit momenten bestaande, dingen in het ruimtenet, processen in het tijdnet geregistreerd, dingen en processen door andere dingen en processen ingegrensd, aan hen meetbaar, met hen vergelijkbaar, geordende wereld, afgesplitste wereld. Deze wereld is enigermate betrouwbaar, ze heeft dichtheid en duur, haar geleding laat zich overzien, men kan haar altijd weer te voorschijn halen, men repeteert haar met gesloten ogen en kontroleert met geopende: daar staat ze dan, tegen je huid aanliggend, wanneer je het zo wilt, in je ziel ingenesteld, wanneer je hieraan de voorkeur geeft, ze is immers jouw tegengesteldheid, ze blijft het naar jouw believen, en blijft je oervreemd, buiten en in je. Je neemt haar waar, neemt haar voor jezelf tot 'waarheid', ze laat zich door jou nemen, maar ze geeft zich niet aan je. (160) In het niets begraven Slechts over haar kun je je met anderen 'verstaan', zij is, al doet ze zich ook aan ieder anders voor, bereid voor jullie onder elkaar tegengesteldheid te zijn, maar je kunt anderen niet in haar tegenkomen. Je kunt zonder haar niet in leven blijven, haar betrouwbaarheid houdt je staande, maar zou je sterven in haar naar binnen, dan zou je in het niets begraven zijn. (160) Onoverzienbaar Of de mens komt het zijn en het worden tegen als zijn tegenover, steeds slechts één wezenheid en ieder ding slechts als wezenheid; wat er is, ontsluit zich aan hem in het geschieden, en wat er geschiedt, overkomt hem als zijn; niets anders is tegenwoordig dan dit ene, maar dit ene wereldvervuld; maat en vergelijking zijn geweken; het ligt aan jou hoeveel van het onmetelijke voor jou tot werkelijkheid wordt. ... De wereld die jou zo verschijnt, is onbetrouwbaar, want ze verschijnt je steeds nieuw, en je mag ze niet aan haar woord houden; ze heeft geen dichtheid, want alles doordringt in haar alles; zonder duur, want ze komt ook ongeroepen en verdwijnt ook als je haar vasthoudt; ze is onoverzienbaar; wil je haar overzienbaar maken, dan verlies je haar. (161) De zekerheid schokkend De het-wereld heeft samenhang in de ruimte en in de tijd. De jij-wereld heeft in beide geen samenhang. Het afzonderlijke jij moet na afloop van het betrekkingsgebeuren tot een het worden. Het afzonderlijke het kan, door binnen te treden in het betrekkingsgebeuren, tot een jij worden. Dit zijn de twee grondpriveleges van de het-wereld. Ze brengen de mens er toe de het-wereld als de wereld te beschouwen waarin men te leven heeft en waarin ook te leven valt, ja die iemand ook val allerlei prikkels en ontroeringen, werkzaamheden en inzichten voorziet. De jij-momenten verschijnen in deze vaste en nuttige kroniek als zonderlinge, lyrisch-dramatische episoden, met een verleidelijke bekoring wel maar gevaarlijk in het uiterste trekkend, de beproefde samenhang losser makend, meer vragen dan tevredenheid achterlatend, de zekerheid schokkend, gewoon angstwekkend en gewoon ontbeerlijk. (162) Louter tegenwoordigheid In louter tegenwoordigheid valt niet te leven, ze zou iemand verteren, wanneer er niet voor gezorgd was dat ze snel en grondig overwonnen wordt. Maar in louter verleden valt te leven, ja slechts daarin valt een leven in te richten. Men hoeft slechts ieder ogenblik met ervaren en gebruiken te vullen en het brandt niet meer. (163) Het zwijgen Slechts het zwijgen tot het jij, het zwijgen van alle tongen, het zwijgende uitzien in het ongevormde, in het ongescheiden woord nog voor de tong het uitspreekt, laat het jij vrij, staat ermee in de ingehoudenheid waar de geest zich niet manifesteert, maar is. Alle antwoord pakt het jij in in de het-wereld. Dat is de melancholie van de mens en dat is zijn grootheid. (166) Naakt Lotsbeschikking en vrijheid zijn met elkaar verloofd. De lotsbeschikking komt slechts tegen wie de vrijheid verwerkelijkt. Dat ik de daad die mij bedoelt, ontdek, daarin, in de beweging van mijn vrijheid, openbaart zich aan mij het geheim. Maar ook, dat ik haar niet zo volbrengen kan als ik haar bedoelde, ook in de weerstand openbaart zich aan mij het geheim. Wie al het veroorzaakt zijn vergeet en beslist vanuit de diepte, wie have en goed aflegt en naakt voor het aangezicht treedt: hem, de vrije mens, blikt als het evenbeeld van zijn vrijheid de lotsbeschikking tegen. (177) De stukken omver werpen Het dogma [van het noodlot] kent de mens niet die de alstrijd door de omkeer overwint; die het web van de gewoontedriften door de omkeer verscheurt; die zich aan de ban van de klasse door de omkeer onttrekt; die door de omkeer het zekere bouwsel van de geschiedenis beweegt, verjongt, verandert. Het dogma van de afloop laat jou voor zijn schaakspel slechts de keuze: de regels in acht nemen of uitscheiden: maar de omkerende werpt de stukken omver. het dogma wil jou altijd toestaan het bepaald zijn met het leven te voltrekken en in de ziel 'vrij te blijven'; maar deze vrijheid beschouwt de omkerende als de meest smadelijke knechtschap. (181) Geloof in het noodlot Het enige wat de mens tot noodlot kan worden, is het geloof in het noodlot: het houdt de beweging van de omkeer er onder. (182) Vrij van het geloof in de onvrijheid Degene die door de het-wereld overweldigd is, moet wel in het dogma van de onveranderlijke afloop een waarheid zien die klaarheid brengt in het voortwoekerende; in waarheid laat het hem slechts nog dieper onderhorig worden aan de het-wereld. Maar de wereld van het jij is niet gesloten. Wie met bijeengezameld wezen, met verrezen betrekkingskracht tot haar uitgaat, wordt de vrijheid gewaar. En van het geloof in de onvrijheid vrij worden betekent vrij worden. (182) Het mystieke Soms, wanneer de mens huivert in de vervreemding tussen ik en wereld, overkomt hem de overweging dat er iets gedaan moet worden. Zoals wanneer je midden in de nacht, ellendig, gepijnigd door een waakdroom, in bed ligt, de bolwerken zijn ineengestort en de afgronden schreeuwen, en je merkt midden in de pijn: het leven is er nog, ik moet er slechts doorheen, naar het leven toe - maar hoe, hoe?: zo ook de mens in de uren van bezinning, huiverend, overwegend en richtingloos. En misschien weet hij de richting toch, helemaal beneden, met het niet geliefde weten van de diepte, de richting van de omkeer, die over het offer leidt. Maar hij verwerpt dit weten; het 'mystieke' houdt geen stand tegenover de elektrische zon. (194) Een diepere huiver Wanneer de mens voortaan eens in de vervreemding huivert en de wereld hem beangstigt, kijkt hij op (naar rechts of naar links, precies zoals het uitkomt) en wordt een beeld gewaar, daar ziet hij dat het ik in de wereld zit en dat het ik eigenlijk helemaal niet bestaat, dus kan de wereld het ik niet deren, en hij stelt zichzelf gerust; of hij ziet dat de wereld in het ik zit en dat de wereld eigenlijk helemaal niet bestaat, dus kan de wereld het ik niet deren, en hij stelt zichzelf gerust. Een andere keer, wanneer de mens in de vervreemding huivert en het ik hem beangstigt, kijkt hij op en wordt een beeld gewaar; en welk hij ziet, het doet er niet toe, het lege ik is met de wereld volgestopt of de wereldvloed overstroomt het, en hij stelt zichzelf gerust. Maar er komt een ogenblik, en het is nabij, dat de huiverende mens opkijkt en in een flits de beide beelden tegelijk ziet, en een diepere huiver grijpt hem aan. (195) Niet nodig Daartoe is niet nodig bijvoorbeeld een afstropen van de wereld van de zinnen als een schijnwereld. Er is geen schijnwereld, er is slechts de wereld; die ons weliswaar tweevoudig verschijnt naar onze tweevoudige houding. Slechts de ban van de afgesplitstheid moet worden gebroken. Er is ook geen 'overschrijden van de zintuiglijke ervaring' nodig; iedere ervaring, ook de meest geestelijke zou ons slechts een het kunnen opleveren. Er is ook geen toewending tot een wereld van ideeën en waarden nodig; die ons niet tegenwoordig kan worden. Dat alles is niet nodig. (198) Onleerbaar Kan men zeggen wat er voor nodig is? Niet in de zin van een voorschrift. ... In de zin van voorschriften is het uitgaan onleerbaar. Het is slechts aanwijsbaar, zo namelijk, dat men een kring trekt die alles wat niet dit is, uitsluit. Dan wordt dat ene zichtbaar waar het op aankomt: de volkomen akseptatie van de tegenwoordigheid. (199) Het mysterium tremendum Stellig is God 'het helemaal andere'; maar hij is ook het helemaal zelfde: het helemaal tegenwoordige. Stellig is hij het mysterium tremendum dat verschijnt en neerwerpt; maar hij is ook het geheim van het vanzelfsprekende, dat mij meer nabij is dan mijn ik. (201) Zich niet uitspreken Boeddha, de 'voleinde' en de voleinder, spreekt zich niet uit. Hij weigert te beweren dat eenheid is, en dat ze niet is; dat degene die door alle proeven van de verzinking is heengegaan, na de dood in de eenheid bestaat, en dat hij niet in haar bestaat. Deze weigering, dit 'edele zwijgen' wordt op tweeërlei wijzen verklaard; theoretisch: omdat de voleinding aan de kategorieën van het denken en van het uitspreken onttrokken is; praktisch: omdat de onthulling van haar wezenlijke toedracht niet een waarachtig heilsleven grondt. (214) Het onoplosbare In het geschouwde geheim, evenals in de geleefde werkelijkheid, heerst niet het 'zo is het' en niet het 'zo is het niet', niet het zijn en niet het niet-zijn, maar het zo-en-anders, het zijn-en-niet-zijn, het onoplosbare. Tegenover het onscheidbare geheim onscheidbaar staan is de oervoorwaarde van het heil. (214) Voortdurend 'Ik verkondig, vriend', spreekt Boeddha, 'dat in dit één vadem grote, met gevoelens behepte ascetenlijf de wereld woont en het ontstaan van de wereld en de opheffing van de wereld en de weg die tot de opheffing van de wereld voert'. Dit is waar, maar in laatste instantie is het niet meer waar. ... Het ontstaan van de wereld en de opheffing van de wereld zijn niet in mij; zij zijn echter ook niet buiten mij; ze zijn helemaal niet, ze geschieden voortdurend ... (217) Antinomiek De 'religieuze' situatie van de mens, het aanwezig-zijn in de presentie, is door haar wezenlijke en onoplosbare antinomiek gekenmerkt. Dat deze antinomiek onoplosbaar is, maakt haar wezen uit. Wie de these aanneemt en de antithese afwijst, verminkt de zin van de situatie. Wie een synthese probeert te denken, verwoest de zin van de situatie. Wie de antinomiek poogt te relativeren, heft de zin van de situatie op. Wie op enigerlei wijze anders dan met het leven de tegenstrijdigheid van de antinomiek ongedaan wil maken, vergrijpt zich aan de zin van de situatie. De zin van de situatie is, dat ze in al haar antinomiek wordt geleefd en alleen maar wordt geleefd en steeds weer, steeds opnieuw, niet te voorzien, niet vooruit te denken, niet voor te schrijven wordt geleefd. (218) Hoe teer Wat is het toch machtig, dat continuum van de het-wereld en hoe teer zijn de verschijningen van het jij! (220) Ons weten verstomt Want als de metakosmische oervorm van het tweevoud, die woont in de wereld als geheel in haar verhouding tot dat wat niet wereld is en waarvan de menselijke gestalte het tweevoud van de houdingen, van de grondwoorden en van de wereldaspekten is, mogen wij deze dubbele beweging bevroeden: afwending van de oergrond krachtens welke het al in het worden stand houdt - heen wending tot de oergrond, krachtens welke zich het al in het zijn verlost. Beide in de tijd als lotsbeschikking ontvouwd, als genade omtuind in de tijdloze schepping, die onbegrijpelijk tegelijk loslaten en bewaren, tegelijk vrijgave en binding is. Ons weten omtrent het tweevoud verstomt voor de paradoksie van het oergeheim. (223) Niet te beantwoorden [De zin] is gewaarborgd. Niets, niets kan meer zinloos zijn. De vraag naar de zin van het leven is niet meer aanwezig. Maar wanneer ze aanwezig zou zijn, zou ze weer niet te beantwoorden zijn. (230) Geen oplossing Dat waarvoor we leven, dat waarin we leven, waaruit en waarnaarbinnen we leven, het geheim: het is gebleven wat het was. Het is ons tegenwoordig geworden en heeft zich met zijn tegenwoordig ons bekend gemaakt als het heil, we hebben het 'leren kennen' maar we hebben er geen kennis van die ons zijn geheimniskarakter zou minderen - zou milderen. We zijn God nabij gekomen, maar een ontraadseling, ontsluiering van het zijn niet nader gekomen. Verlossing hebben we bespeurd, maar geen 'oplossing'. (232) We kunnen het niet laten Wat we ontvangen hebben, daarmee kunnen we niet naar anderen gaan en zeggen: dit moet je weten, dit moet je doen. We kunnen slechts gaan en waarmaken. En ook dit 'moeten' we niet - we zijn er toe in staat - we kunnen het niet laten. Dit is de eeuwige, de in het nu en hier tegenwoordige openbaring. Ik weet van geen enkele die niet in het oerfenomeen dezelfde zou zijn, ik geloof in geen enkele. (232) De weg En toch maken wij het eeuwige jij steeds weer tot het, tot iets, maken we God tot ding - naar ons wezen. Niet uit willekeur. De dingelijke geschiedenis van God, de gang van het God-ding door de religie en haar randvormen, door haar verlichtingen en verduisteringen, haar levensverhogingen en -verwoestingen, de gang weg van de levende God en weer naar hem toe, de veranderingen van tegenwoordigheid, indrijving van de gestalte, zich-tegen-stelling, verbegrippelijking, ontbinding, vernieuwing zijn een weg, zijn de weg. (233) |
